Een sprookje voor volwassen kinderen (van God)
ER WAS EENS …
…een vrolijk koppel eenden dat op een warme voorjaarsdag alsmaar rond vloog boven een oude boerderij. Keurig in formatie draaiden ze hun rondjes hoog in de lucht, om daarna in een snelle glijvlucht te landen op het meertje ernaast. Het water spatte daarbij hoog op. Dat ruisende geluid bracht de eenden blijkbaar in vervoering, want ze klapwiekten uitgelaten en snaterden van plezier. Een paar minuten lang bleven zij zo op het meer. Zij doken naar hartenlust en pikten tussendoor wat visjes uit het water. Tot plotseling, als op commando, het hele koppel weer weg vloog, om hoog boven de boerderij opnieuw rond te vliegen.
Het leek wel alsof beneden, op de grond, niemand in de gaten had wat de eenden aan het doen waren. De boer en zijn vrouw waren druk aan het werk bij de koeien. De hond lag lekker in het voorjaarszonnetje te doezelen. Een grote moederkip liep druk heen en weer op het erf om lekkere regenwormen en verdwaalde maiskorrels te zoeken voor al haar kuikens.
Toch was er iemand die wél naar de rondvliegende eenden keek. Het was een grappig klein eendje, dat nog maar een week geleden bij de moederkip geboren was. De moeder had hem in het begin maar raar gevonden. Dit eendje leek namelijk helemaal niet op de andere kuikens. Het eendje was ook duidelijk wat misvormd aan snavel en poten. Het hele gezinsleven was daardoor wat ontwricht, maar uiteindelijk had ze de kleine indringer geaccepteerd. Ze liet haar goede hart spreken en spreidde haar vleugels ook uit over het eendje. En… ze hield het kleine eendje extra goed in de gaten!
Maar toen, op die zonnige dag, merkte ze niet dat het eendje in zijn eentje op avontuur was gegaan. Het eendje stond bij het meertje en keek omhoog naar de rondvliegende eenden. Elke keer als ze in het water landden, dacht ze: ‘O, dat wil ik ook, was ik ook maar zo’n eend!’ Het eendje had direct na zijn geboorte wel gemerkt dat hij anders was dan de andere (lawaaierige) kuikens. Hij voelde intuïtief aan dat hij hun geluid niet na kon doen. Hij had wel eens een poging gedaan, maar dat werd een ramp. De andere kuikens hadden hem uitgelachen, vol leedvermaak. Het eendje had zich toen voorgenomen om vanaf dat moment zijn snavel alleen maar te openen om te eten of te drinken.
Maar nu, nu was het anders. Hier, aan de rand van het meer, kreeg hij ineens zin om geluiden te maken. Precies op dat moment hoorde hij de vrolijke eenden kwaken. Voordat het eendje er erg in had, opende hij zijn snavel en liet een schor geluid horen. Er was geen twijfel mogelijk: hij had zojuist gekwaakt. Al klonk het nog wat schor, je hoorde toch duidelijk: Kwak!
Het eendje schrok er zelf van. Als eenden konden blozen, had hij dat nu gedaan. Maar eenden kunnen niet blozen, daarom keek het eendje alleen maar gauw om zich heen of iemand hem had gehoord. Toen hij zag dat dat niet zo was en dat hij nog steeds daar in zijn eentje was, probeerde hij het opnieuw: ‘Kwak – kwak – kwak!’ Nu was het zo duidelijk, dat geen enkele eend hem had kunnen verbeteren!
Maar toen opeens, leek het of iemand tegen hem uitviel en zei: ‘Hey, hou eens op met die malle fratsen!’ Heel even wou hij diep wegduiken, maar toen dacht hij: ‘Ja maar, ik kan dit gewoon’. ‘Kwak – kwak – kwak!’ kwaakte hij en nog eens en nog eens. Hij werd er ongelooflijk blij van. Hij kon niet meer ophouden. Pas toen het koppel eenden opnieuw landde in het meertje, werd hij weer stil.
Toen dacht hij opeens aan de grote moederkip. Omdat hij zoveel van haar hield en haar geen verdriet wou doen, ging hij snel terug naar het kippenhok. Maar onderweg bleef hij toch kwaken. Vanaf zijn geboorte had hij al gewaggeld in plaats van gelopen. Tot groot verdriet van de moederkip. Maar nu waggelde hij nog meer, maar nu van geluk. Al snaterend waggelde het eendje even later de kippenren binnen. De moeder die erg ongerust was, wist niet of ze blij moest zijn of boos moest worden toen zij het eendje hoorde kwaken. Was ze blij dat hij weer terug was of was ze boos om die afwijkende geluiden die hij maakte?
De moeder verstootte het eendje niet, maar het eendje merkte wel dat ze niet blij met hem was. De moeder zei: ‘Stel je toch niet zo aan. Vroeger deed je nooit een snavel open, maar nu houd je je snavel niet meer dicht. Zorg maar dat je leert piepen, in plaats van kwaken. Je bent toch geen eend? Ik schaam me dood!’ Maar het eendje kon niet piepen. Zelfs toen de kippen op stok gingen, maakte het eendje nog zachte kwak geluidjes in haar slaap…
Je kunt in je leven aan van alles wennen, dat gold ook voor de moederkip. Ze wende aan het gekwaak, ze wende zelfs aan de afwijkende pootjes van het eendje. Hij had zwemvliezen, haar andere kuikens niet. De moeder gaf haar kuikens allerlei wijze lessen. Ze waarschuwde voor gevaren, zoals de vos, de havik en de sperwer. Ze waarschuwde voor het vuur én ze waarschuwde voor het water. Vuur was levensgevaarlijk, maar kijk ook uit voor het water!
Ze nam haar kuikens en het eendje mee naar de rand van het meer, om het nog duidelijker te maken. De kuikens slikten dit onderwijs als malse regenwormen. Maar tot groot verdriet van de moeder lukte het haar niet het kleine eendje de angst voor water bij te brengen. Hoe vaak zij ook herhaalde dat alleen een paar druppeltjes ongevaarlijk waren, voelde het eendje steeds een onbewust heimwee naar meer dan een paar druppeltjes. Toen ze dan ook aan de rand van het meertje stonden, gebeurde het onvermijdelijke: Het eendje voelde ineens dezelfde drang als bij het kwaken.
Heel even stond het dier in tweestrijd. Hij wilde de moederkip geen verdriet doen. Maar o, dat water trok zo! Voor de moederkip kon ingrijpen, was het al gebeurd: Onder het uitstoten van opgewonden kwakgeluiden, waggelde het eendje zo vlug als het kon naar het water. Tot grote schrik van de moederkip en haar kuikentje; liet het zich zomaar in het gevaarlijke water zakken. Terwijl de moederkip radeloos aan de kant van het water stond te klapwieken, peddelde het eendje vrolijk het meer op. Ook dompelde hij zich helemaal onder. Ondanks zijn medelijden met de moederkip had het zich nog nooit zó gelukkig gevoeld!
************
De werkelijke toekomst voor de schepping én de kinderen van God:
‘Een wolf speelt met een lammetje, een luipaard ligt naast een geitje. Een kalf eet samen met een leeuw, een klein kind past op beide dieren. Een koe en een beer lopen in één wei, hun jongen liggen bij elkaar. Een leeuw eet gras, net als een koe. En een kind speelt zonder angst bij het nest van een gevaarlijke slang. Niemand zal meer kwaad doen op de heilige berg van de Heer. Want de aarde is vol met mensen die de Heer kennen, zoals de zee overal gevuld is met water’! (Jesaja 11:6-9).





