Vorig jaar deed hij belijdenis, zoals dat heet. Weloverwogen en welgemeend. Met de bedoeling: ik wil in de kerk erbij horen en ik wil ervoor uitkomen, dat God een plaats heeft in mijn leven. Serieuze jongen dus. En – beetje zeldzaam in deze tijd, maar het komt nog voor – hij had een paar vrienden van hetzelfde kaliber. Ook opgevoed en belijdenis gedaan in dezelfde kerk. Soms hadden ze een degelijk gesprek met elkaar. Over de diepe dingen van het leven. En over het geloof.
Een tijdje geleden kwamen ze op het onderwerp ‘bekering’. Het werd, zoals gewoonlijk, zo’n beetje afstandelijk theoretisch beredeneerd. Tot een van de jongens zei:
- ‘Wie van ons kan nou eigenlijk zeggen, dat hij bekeerd is?’
En toen was er een ijzige stilte gevallen. En daarna waren ze algauw uit elkaar gegaan. Wat de andere jongens verder deden, is niet bekend. Maar die ene, over wie het hier gaat, die kreeg het bar moeilijk. Want, belijdenis doen, naar de kerk gaan en serieus leven, dat is wel wat. Maar, als je gevraagd wordt: ben jij bekeerd, geen antwoord hebben – hij wist, dat dat niet klopte. En hij was zo moedig en zo eerlijk om dat niet weg te duwen of weg te praten.
Zijn volgende stap van eerlijkheid was, dat hij in zijn Bijbel ging zoeken wat daar eigenlijk stond over bekering. En hij vond er dat het iets is wat een mens zelf doen moet. Niet wachten tot je dit of dat voelt, niet vragen of God misschien alsjeblieft… ook niet denken, dat je het automatisch krijgt met een christelijke opvoeding … Nee, er staat: bekeer u! En dan staat er ook nog bij: laat u dopen. Maar dat is vers twee.
Om kort te gaan, op een avond zei hij:
- ‘God, ik wil mij bekeren. Ik moet toegeven, U bent voor mij toch eigenlijk altijd maar een beetje buitenkant geweest, maar nu wil ik graag echt met U leven, ik weet niet precies wat dat inhoudt, maar als ik in de Bijbel lees, denk ik dat er meer is en God, ik wil ook graag meer…’
Een paar dagen later dacht hij: hé, is mijn Bijbel veranderd? Want hij las en las en het ging eindelijk leven voor hem.
Hij ging naar de dominee om erover te praten. En hij dacht nog: als ik vertel wat ik gevonden heb, wat zal de dominee daar blij mee zijn. Maar de dominee was er niet blij mee. En zijn ouders ook niet. Ze waarschuwden hem. Ze probeerden hem tegen te houden, want ze vonden dat het een heilloze weg is waar hij zich op begaf. Dat hij zogezegd een duidelijke bekering had meegemaakt vonden ze fijn voor hem, maar hij moest niet beginnen over ‘laat u dopen’ en over gaven van Gods Geest en over handoplegging
Hij kreeg zoveel tegenstand en zoveel teleurstelling daarover, dat hij besloot zijn mond te houden. Dat was natuurlijk niet de beste beslissing, die hij nemen kon. Maar dat zag hij later pas. Want intussen zat hij daar maar in de kerk, pikte wel af en toe iets op, maar kwam geen streep verder.
Een jonge plant in schrale grond – was er geen betere plek voor hem om te groeien? Die was er. Want, nog maar een jaar later, moet je hem nu eens zien! Geworteld op een plek waar het enige Bijbelse fundament gelegd wordt, waar rijke bestanddelen in de grond zitten: bekering, laat u dopen, werkingen van Gods Geest, handoplegging voor bevrijding en herstel. En groeien dat hij doet! Als je goed kijkt kun je al zien, dat hij een juweel van een eikenboom wordt! Een eikenboom van gerechtigheid.
