Dominee op zondag

Wat gaan de dagen snel, het is alweer zondag. En zondag betekent inmiddels: vlammen. Zo ervaart Gert dat tenminste. Als het zondag is, dan moet hij vlammen. Dat verwachten zijn gemeenteleden van hem: ‘O die dominee van hen, die moet het maar eens even weer goed zeggen. Hij kan het zo goed verwoorden, deze zondag zal het natuurlijk niet anders zijn’. Ze kunnen niet wachten tot hij weer begint te preken.

Ja, Gert weet dat ze zo over hun dominee denken. Hij is nog niet zo lang in deze gemeente. Maar hij weet dat zijn gemeente hele hoge verwachtingen van hem heeft, hij moet minstens zo goed zijn als zijn voorganger. Wat een druk, wat een stress. Gert gaat er tegenwoordig zwaar gebukt onder. Terwijl hij in het begin van zijn loopbaan als dominee er helemaal geen moeite mee had. Vlammen, dat kon hij, de ene (donder)preek na de andere. En na afloop allemaal goedkeurende blikken en woorden: ‘Ja zo is het dominee, u hebt het weer goed gezegd!’

Wat is er dan zo veranderd in de afgelopen jaren? Waarom is het nu zo zwaar, terwijl het eerder allemaal zo gemakkelijk ging? Gert denkt erover na en weet dat hij twee mogelijkheden heeft: òf er niet meer verder over nadenken en gewoon het oude vuur proberen op te zoeken òf zijn geweten eens aan een onderzoek onderwerpen. Al wil Gert het liefst zijn kop in het zand steken, hij komt er niet meer onderuit. Hij moet erover nadenken: wat is er veranderd? En als hij heel eerlijk is en dat is hij nu, dan komen er een paar dingen naar boven drijven.

Kerkelijke hiërarchie

Toen hij jong was, was hij geraakt door de grote liefde van God en van Christus. Hij wilde dit aan iedereen vertellen. En dus was het logisch, ook omdat hij zulke goede cijfers op school haalde, dat hij theologie ging studeren. Met als doel: de liefde van God en van Christus doorgeven aan zijn gemeenteleden. Maar tijdens de studie en in het begin van zijn dominee-zijn was die roeping helemaal verdwenen. Het was een verstandszaak geworden. Allerlei dogmatische verhandelingen kwamen op de voorgrond te staan. Hij moest veel weten over de kerkelijke hiërarchie, zoals de verschillende synodes en het bezoeken van de classisvergaderingen, hij werd gekozen als gedeputeerde in een kerkelijke liturgiecommissie.

Hij had na zijn studie zijn handen vol aan het sturen en bijsturen van zijn kerkenraad en het leiden van vergaderingen. Het gaf hem een gevoel van eigenwaarde dat hij op gemeentelijk en landelijk niveau zo werd gewaardeerd. Maar dat was zijn doel toch niet toen hij aan de studie theologie begon? Hoe kon dat zo, dat hij na al die jaren ineens voelde dat het vuur in hem was uitgeblust?

Waarom is er zoveel ellende in deze wereld?

Gert ging nog verder met zijn onderzoek en ontdekte toen iets waar hij eigenlijk niet verder over na durfde te denken: het evangelie wat hij wou doorgeven, was het evangelie niet meer. En dat was al begonnen tijdens zijn opleiding. Veel studenten en professoren twijfelden openlijk aan het bestaan van God. Niet dat Gert daaraan twijfelde, maar hij ging wel mee in de gedachtegang van de universiteit, of beter gezegd in de gedachtegang van heel kerkelijk Nederland: van God komt het goede èn het kwade. Hij was ermee opgegroeid, hij was erin onderwezen op school en tijdens catechisatie. Hij had het eerst zo normaal gevonden, de God van zondag 10 was ook zijn God. Als jongen was hij onder de indruk geraakt van Gods liefde, maar God had toch ook een slechte kant? Daar dacht hij liever niet over na, maar toch… En antwoorden had hij ook nooit op de vraag die ongelovigen aan hem stelden over waarom God toch zoveel ellende in de wereld toeliet.

Eigenlijk, eigenlijk… was Gert al als jongere bezig geweest om zijn geweten dicht te schroeien, want toen wist hij al geen antwoord op de vragen over de ellende in de wereld. En tijdens zijn studie kwam zijn geweten ook niet in beeld, zeker niet door het bestuderen van allerlei leerstukken. Eigenlijk werd het geloof in God toen al een bijzaak. Toen hij eenmaal als dominee aan de slag ging, had Gert zoveel ‘afleiding’ door allerlei zaken die zijn baan als dominee met zich meebracht, dat hij zichzelf geen tijd gunde om echt na te denken, eerlijk te zijn. En die (donder)preken? Ach hij kon heel lang teren op wat hij al die jaren zelf had moeten aanhoren tijdens zijn vele kerkgangen. Zijn geloof liet hij er niet in doorklinken, door zijn drukke agenda wist hij ook eigenlijk niet meer wat hij geloofde, wat zijn hart hem ingaf.

Gert weet heel goed waarom hij nu ineens tot stilstand is gekomen. Waarom hij nu pas gaat nadenken. Waarom hij nu stress en druk ervaart als hij – nota bene zijn grootste wens – mensen mag vertellen van de liefde van God. Door zijn komst naar deze gemeente is Gert in contact gekomen met een voorganger van een evangelische gemeente waar ze wèl het eeuwig evangelie doorgeven, Jan Maarten. En die voorganger heeft iets… Gert kan het bijna niet benoemen, maar hij voelt aan dat deze man totaal niet lijkt op de collega dominees van Gert. Deze man noemt zichzelf ook geen dominee of predikant, maar hij noemt zich oudste. Hij is niet alle tijd kwijt aan allerlei kerkelijke vergaderingen en commissies, hij vertelt van de Bijbelstudieavonden, de bidstonden, de diensten in zijn gemeente. En Gert ziet bij deze voorganger gerealiseerd wat hijzelf als jongere als grootse wens had: deze voorganger staat dicht bij zijn mensen. Jan Maarten heeft het ook over de gaven in de gemeente, hoe elk lid een eigen plek heeft in de gemeente, terwijl Gert alleen maar in termen denkt van: ‘ik moet dit en ik moet dat, want de gemeente verwacht alles van mij’.

God is enkel goed!

Maar nog veel meer ziet hij een ander verschil: Jan Maarten staat heel dichtbij God. Hij leeft echt vanuit zijn geloof (en dat terwijl Gert steeds meer het gevoel heeft vanuit de kerk te leven). Jan Maarten heeft een andere God: hij vertelt Gert over de sleutels van het Koninkrijk van de Hemelen, namelijk dat God enkel goed is en de duivel slecht. Van een strijd in de hemelse gewesten. Gert voelt wel dat dit het allergrootste verschil is. En dat dit toch datgene is wat hij als jongere al gevoeld en geloofd heeft. Dit is, als hij heel eerlijk is, waar hij eigenlijk altijd naar op zoek is geweest. Nu krijgt hij antwoorden die hij tijdens zijn studie niet kreeg.

Nu kan Gert twee dingen doen. Hij kan verder gaan met zijn eerlijke zelfonderzoek. Hij kan Jan Maarten vaker gaan bezoeken, zodat hij meer te weten komt over het eeuwig evangelie (Op.14:6). Hij kan tijd gaan nemen voor het praten met God. Hij kan bidden om duidelijkheid, hoe hij verder moet handelen. Want Gert weet dat áls hij voor deze optie kiest, er verregaande consequenties uit voortvloeien. Óf hij kan er voor kiezen om zijn geweten weer dicht te schroeien en door te gaan op het pad waarop hij al jaren loopt. Dat is wel de gemakkelijkste weg, want dan hoeft hij niets te veranderen. Niets uit te leggen aan zijn gemeente, aan zijn collega’s van de kerk, alle moeilijke beslissingen uit de weg gaan. Dan gaat alles weer zijn gewone gangetje.

Het is weer zondag, de week is omgevlogen. Wat gaat Gert doen? Gert gaat gewoon (nog) naar de kerk, hij zal preken. Of hij zal vlammen? Jazeker, hij vlamt, maar niet zoals de kerkmensen van hem gewend zijn. Er is een verandering op gang gekomen. Gert is eerlijk, tegenover zichzelf, maar vooral tegenover God. Het begin is er, er is nog een lange weg vol weerstand te gaan, maar Gert kan nooit meer zijn geweten dichtschroeien. Of beter gezegd: Hij zou het wel kunnen dichtschroeien, maar hij wil het niet meer. Hij heeft de ware God leren kennen en dat wil hij aan iedereen vertellen. Het is een prachtige zondag!