11. Het eindoordeel

Scheidingen

De voorgaande gedeelten van Jezus’ boodschap op de Olijfberg eindigden alle in een scheiding tussen goede en kwade christenen:

  1. Allereerst schilderde de Heer de ondergang van de kerk van het oude verbond en het uittrekken van het ware Israël uit Jeruzalem. Dit oordeel over het aardse Jeruzalem en het ontkomen van het ‘overblijfsel’ waren een schaduw van de toekomende dingen. In de laatste dagen komt er een scheiding tussen een aardsgezind christendom en een geestelijk volk van God. Dit laatste zou als zonen van God aangenomen worden en het grote Babylon zou achtergelaten worden, dat wil zeggen een prooi worden van de demonen. In de zonen van God zal dan Gods Geest als nooit tevoren werkzaam zijn, want het hout van de vijgenboom zou zacht worden en het nieuwe leven zich openbaren. De valse kerk wordt van de ware gescheiden als het onkruid van de tarwe.
  2. Ten tweede sprak de Heer over het oordeel dat over zijn dienstknechten zou gaan. Zij die aan hun volgelingen het juiste voedsel in de verschillende seizoenen (King James Version) zouden uitdelen, worden over al het bezit van hun Heer gesteld, maar de ontrouwe dienstknechten die hun Heer niet verwachtten, zouden het lot van de huichelaars delen. Ook zij zouden door Satans demonen gefolterd worden.
  3. Ten derde zou zich een scheiding voltooien tussen allen die zeiden de terugkomst van de Heer te verwachten. Een bepaalde categorie van hen trekt wel uit om de Bruidegom tegemoet te gaan, maar zij doet dit met restricties, omdat zij Gods Woord maar tot op bepaalde hoogte aanvaardt. De dwaze maagden volharden niet tot het einde. Zij hebben slechts geloof voor een bepaalde tijd, hun olie is niet toereikend. Zij grijpen niet naar de beloften die speciaal voor de eindtijd gegeven zijn. Zij hebben geen geloof in de doop met Gods Geest, in de geestelijke gaven, noch in de volle redding of de heerlijkheid. Daarom missen zij de vruchten van het geloof. Zieken worden niet genezen, duivelen niet uitgeworpen en de weg van de heiligmaking niet begaan dan hoogstens in eigen kracht. Hun verwachtingen specialiseren zich op het natuurlijke volk Israël. Zij interesseren zich voor de politiek in het Midden-Oosten, zoals anderen dit doen voor Zuidoost-Azië, Afrika of Zuid- en Midden Amerika. Door hun leer dat de Heer deze nacht kan komen, hebben zij geen oog voor de volle verlossing en de heerlijkheid van een ontwaakte gemeente. De kloof tussen ware en schijnchristenen wordt steeds dieper! De wijze verwachten de verlossing van het Israël van God en daarom streven zij naar de ontwikkeling van de geestelijke gaven in hen ten behoeve van de gemeente.
  4. Ten vierde sprak de Heer over de schifting tussen hen die Gods Heilige Geest ontvangen hebben. De trouwe opnieuw geboren christenen zijn werkzaam met de hun toevertrouwde talenten, terwijl het ontrouwe deel de gave van Gods Heilige Geest in de grond verbergt. De dwaze naamchristenen kunnen in de eindtijd geen standhouden. Zij gaan niet in tot het feest van hun Heer.

Het laatste oordeel

Tenslotte eindigde Jezus zijn tweede ‘Bergrede’ met te wijzen op de finale scheiding, wanneer alles vervuld is wat gebeuren moet. Hij sprak over het eindoordeel:

  • ‘Omdat God heeft bepaald dat er een dag komt waarop hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen door een Man die hij voor dat doel heeft aangewezen. Het bewijs dat het om deze Man gaat, heeft hij geleverd door Hem uit de dood te doen opstaan’ (Hand.17:31).

Met voorbijgaan van de eerste opstanding en de interim periode van het duizendjarige rijk, benaderde de Heer de ‘dag’, waarin over de eeuwige toestand van ieder mens door middel van de gemeente en haar Hoofd beslist zal worden. Er wordt dan geoordeeld wie ingaat tot een toestand van eeuwig geluk en wie tot die van eeuwige rampzaligheid. De heiligen zullen dan de wereld oordelen naar de maatstaf van het evangelie van Jezus Christus (1 Cor.6:2). Jezus Christus komt terug in heerlijkheid:

Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen, zal hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon’ Matth. 25:31.

Willen wij dit laatste en moeilijke gedeelte van de Bergrede begrijpen, dan zullen wij eerst een antwoord moeten geven op de vraag: wat betekent ‘omstraald door luister’?

Synoniemen zijn niet voldoende

Deze luister is niet abstract zoals veel Bijbeluitleggers het doen voorkomen, omdat zij bij hun verklaringen het woord luister alleen vervangen door wat synoniemen, zoals: heerlijkheid en majesteit of spreken over de pracht van zijn koninklijk gewaad, terwijl God toch geest is. De bekleding van de Vader en de Zoon is de gemeente, want daarin wonen zij. De luister van de Vader en van de Zoon is reëel en gebonden aan het lichaam van Christus, de gemeente (Spr.14:28), enz.

Allereerst is sprake van de luister, die de Vader aan de Zoon geschonken heeft. Als nieuwe schepping ontving de Mensenzoon Gods Heilige Geest. Door deze Geest kon Hij de duivelen weerstaan en overwinnen. Zijn luister was, dat Hij daarom ‘in een vlees, aan dat van de zonde gelijk’ (Rom.8:3) zonder te zondigen kon leven. Hij was één, zoals de Vader één is, dus geheel rein, volkomen heilig en afgezonderd van het kwaad. Door deze Geest was Hij ook in staat te redden, te genezen en te bevrijden.

Nadat de Heer als Lam van God de zonde van de wereld weggenomen had, werd Hij ‘door de rechterhand van God (door Gods Heilige Geest) verhoogd’ (Hand. 2:33). Toen ontving Hij ‘alle macht in hemel en op aarde’ (Matth.28:18). In Johannes 17:22 zei de Heer van hen, die in Hem geloven: ‘En de luister, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, zoals Wij één zijn’. Door de kracht van de Heilige Geest, waarin zij gedoopt werden, zullen zij in staat zijn met een onverdeeld hart te leven. Zij zullen de boze overwinnen (1 Joh.2:14). Door het ingaan in het Koninkrijk der hemelen en door de kracht van de Heilige Geest zullen zij een plaats ontvangen in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, dus in zijn lichaam zijnde (Ef.2:6). Jezus had immers gebeden:

  • ‘Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te zien’ (Joh.17:24). Daar zien zij Jezus ‘met eer en luister gekroond’ (Hebr.2:9). ‘Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer zien, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd’ (2 Cor.3:18).

Jezus is gekomen ‘om veel zonen tot luister te brengen’ (Hebr.2:10). Hij is in alles ons voorbeeld, zodat wij in zijn voetsporen wandelen. Hij is ‘de eerstgeborene onder veel broeders’ (Rom.8:29). Van vóór de grondvesting van de wereld had de Vader het zo besloten. Hij wil dat wij aan zijn Zoon gelijk zullen zijn, zoals er in 1 Johannes 2:2 staat: ‘Wij weten dat, als Hij geopenbaard zal zijn (in ons), wij aan Hem gelijk zullen zijn’. Ook de kinderen van God krijgen deel aan de goddelijke natuur (2 Petr.1:4). Deze luister, die Gods kinderen verwerven, is het grote geheim van God, dat ‘eeuwen en geslachten lang verborgen geweest is, maar nu is geopenbaard aan zijn heiligen’ (Col.1:26).

  • ‘Want in Hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig en omdat u één bent met hem, het hoofd van alle machten en krachten, bent ook u van die volheid vervuld,’ dat is in zijn Lichaam zijnde of in de gemeente (Col.2:9,10).

Het geheimenis geopenbaard

Paulus schreef:

  • ‘Wie Hij hiertoe heeft bestemd, heeft Hij ook geroepen; en wie Hij heeft geroepen, heeft Hij ook vrijgesproken; en wie Hij heeft vrijgesproken, heeft Hij nu al laten delen in zijn luister’ (Rom.8:30).

De luister van de kinderen van God wordt gerealiseerd door de volgende reddingsfeiten:

  • Zij zijn van schuld bevrijd en gerechtvaardigd,
  • zij worden van de boze geesten verlost, genezen en hersteld,
  • zij ontvangen de doop met Gods Heilige Geest,
  • hun denken wordt vernieuwd en hun wandel is in de hemel,
  • zij handelen en spreken door Gods Geest geleid,
  • zij groeien uit tot de volkomen volwassenheid: ‘De eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle volwassenheid gekomen volheid van Christus’ (Ef. 4:13).
  • Zij ontwikkelen zich van kinderen tot zonen en van zonen tot vaders, die door de Heilige Geest de diepste gedachten van God leren kennen.
  • Dan zijn zij geschikt tot al de goede werken en werkelijke medewerkers van God.

Dit zich uitstrekken naar de volkomenheid om het plan van God met de mens te realiseren, leidt naar de luister. Hoe God dit alles in de laatste dagen tot stand zal brengen, is nog een verborgenheid. Wanneer in Openbaring 10:4 en 7 gesproken wordt over het geheim van de donderslagen, lezen wij: ‘Op het moment dat de zevende engel zijn bazuin zal laten klinken, zal Gods geheim werkelijkheid worden, zoals Hij zijn dienaren, de profeten, heeft beloofd.’

Het plan van de Vader is dus een gemeente, die gelijkvormig is aan het beeld van Jezus Christus. Wanneer de in Christus ontslapenen opstaan uit de doden en de dan nog levenden in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden, is dit proces van volmaking voor de gemeente van Jezus Christus voltooid. De tempel van God in de hemel is dan klaar.

De luister van Jezus Christus is dus zijn gemeente. Deze is ook de heerlijkheid van de Vader, want zijn veelkleurige wijsheid wordt in haar geopenbaard:

  • ‘Want de Mensenzoon zal komen in de luister van de Vader, met zijn engelen en dan zal hij iedereen naar zijn daden belonen’ (Matth.16:27). 

God zei eenmaal (tot de engelen): ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’. De duivel wil dit plan verhinderen. Al in het paradijs ontkende hij de bedoeling van God met de mens, toen hij zei: ‘Maar God weet, dat op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en u als God zult zijn’. Het is echter het verlangen van God om ons tot zijn niveau te verheffen, zodat zijn Geest met onze geest in volkomen harmonie voor eeuwig verbonden zal zijn. Wanneer er dus staat: ‘Wanneer de Mensenzoon komt in zijn luister’ wordt bedoeld, dat Hij komt met zijn gemeente. Door deze gaat God de wereld oordelen.

Jezus komt met de wolken, beeld van zijn gemeente. Daarom is bij het laatste oordeel sprake van ‘een grote witte troon’ (Op.20:11). Deze is zo groot dat er plaats is voor de menigte, waarvan gesproken was: ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik heb overwonnen (strijdende op aarde tegen de boze machten in de hemelse gewesten) en zit nu met mijn Vader op zijn troon’ (Op.3:21). Jezus is de Koning van de koningen en de Heer van de heren. Zijn troon is het centrum van macht in hemel en op aarde. Een koning alleen zonder volgelingen bezit geen heerlijkheid. Op deze manier wordt vervuld:

  • ‘En de Heer God zal Hem de troon van zijn vader David geven en Hij zal als koning over het huis van Jakob (het Israël van God) heersen tot in eeuwigheid en zijn koningschap zal geen einde kennen’ (Luc.1:33).

De troon van David is de troon van God. Er staat immers: ‘En Salomo zette zich op de troon van de Heer als koning in de plaats van zijn vader David’ (1 Kron.29:23). De heerlijkheid van Salomo was een schaduw van de heerlijkheid van Christus. ‘Toen de koningin van Scheba al de wijsheid van Salomo zag en het huis dat hij gebouwd had, het voedsel van zijn tafel, het zitten van zijn dienaren, het staan van zijn bedienden en hun kleding, zijn dranken en zijn brandoffers die hij in het huis van de Heer bracht, toen was zij buiten zichzelf’ (1 Kon.10:4,5). ‘En al de engelen met Hem.’ In Hebreeën 1:14 wordt meegedeeld, dat de goede engelen allen dienende geesten zijn, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding.’

De goede engelen vinden wij bij de kinderen van God. Waar die zijn, bevinden zich ook hun dienaars. Het is daarom niet vreemd dat rondom de grote witte troon, waarop de gemeente van Jezus Christus zit, al haar dienaars aanwezig zijn: ‘En al de engelen stonden rondom de troon’ (Op.7:11). Zij waren blij toen deze zonen van God zich eens tot God bekeerden. Zij dienden de gelovigen, toen die in de strijd tegen de boze geesten volhardden. De engelen droegen hen op de handen, zodat zij hun voet niet stootten, dat wil zeggen zij werden door de moeiten heen gedragen zonder te struikelen of te zondigen. Nu zien zij hoe de gemeente één geworden is, zoals de Vader en de Zoon één zijn. De troonverwervers zijn nu tot al de goede werken volmaakt toegerust, zij hebben het einddoel van het geloof bereikt en God kan hun het oordeel over de wereld toevertrouwen.

Het vonnis

Het slot van de rede op de Olijfberg toont ons, dat in de geschiedenis van de mensheid voor het laatst een oordeel wordt geveld en een scheiding wordt gemaakt. In korte, maar scherp geformuleerde bewoordingen wijst de Heer op deze uiteindelijke beslissing van Gods zijde, die de betekenis krijgt van een altijd durende kloof tussen de goede en de kwade mensen:

En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand’ 32,33.

‘Alle volken’ heeft betrekking op de mensheid van alle tijden en van alle plaatsen. Zij worden gesteld voor de grote, witte troon, waarvan Openbaring 20:11 spreekt, een beeld van regeringsmacht, gezag, heerschappij en van het recht van God in de zienlijke en de onzienlijke wereld. Hij is niet nieuw, maar bestaat van eeuwigheid. Zegt de Psalmist niet: ‘Uw troon, o God, staat voor altijd en eeuwig’ (45:7)? In verband met deze autoriteit zei de Heer: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Matth.28:18). Wat het oordeel betreft, werd door Hem gezegd: ‘Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het hele oordeel aan de Zoon gegeven’ (Joh.5:22). In Handelingen 17:31 leert de apostel: ‘Omdat Hij (God) een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een Man, die Hij aangewezen heeft’. Zoals wij al zagen, heeft naast haar Heer de gemeente, waarmee Hij onlosmakelijk verbonden is, deel aan dit oordeel over mensen en engelen.

Verschillende oordelen

Omdat alle volken geoordeeld worden, kunnen wij hier spreken van het laatste oordeel. Er zijn dan al veel oordelen aan vooraf gegaan. Jezus zei: ‘Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buitengeworpen worden’ (Joh.12:31). Door het brengen van het evangelie en de kracht van Gods Heilige Geest worden de boze geesten uit de mensen geworpen. De kinderen van God worden dan gescheiden van ‘de overste van deze wereld’. Zij hebben geen gemeenschap meer met hem. Het oordeel begint bij het huis van God, dat in vele verdrukkingen en tenslotte in de grote verdrukking van al de boze machten gescheiden wordt en op deze manier als geheiligden en overwinnaars uit de strijd tevoorschijn komt. Ook zal er een oordeel gaan door de hemel als satan en zijn engelen op aarde worden geworpen en hun plaats in de hemel niet meer wordt gevonden (Op.12:8). Hun laatste toevlucht is dan, dat zij zich verschuilen in de schepsels op aarde.

Ook komt het oordeel tot stand onder de belijders van Christus, een scheiding tussen tarwe en onkruid. In de rede op de Olijfberg heeft onze Heer daarover uitvoerig gesproken. Voor het christendom gelden de woorden van de profeet Jesaja: ‘Al was het getal van de kinderen van Israël als het zand van de zee, het overschot zal behouden worden’ (Rom.9:27). ‘Het is met het koninkrijk der hemelen ook als met een sleepnet dat in een meer werd geworpen en waarmee allerlei soorten vis werden gevangen. Toen het net vol was, trok men het op de oever en ging men zitten om de goede vis in kuipen te doen; de slechte vis werd weggegooid. Zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de engelen zullen eropuit trekken en de kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden en ze zullen hen in de vuuroven werpen, waar ze zullen jammeren en knarsetanden’ (Matth. 13:47-50). Hier is sprake van een zuiveringsproces van de kerk.

Het onkruid wordt uit de tarwe weggetrokken, de dwaze maagden van de wijze gescheiden, de luie slaven apart gesteld van de goede dienstknechten. De vurige oven zijn de demonische machten, waaraan de valse of afvallige kerk overgegeven wordt. Wenen en tandenknarsen zijn typische uitingen van ‘vrome’ geesten. Onder ‘vrome’ geesten verstaan wij boze machten, die zich uiterlijk christelijk en godsdienstig voordoen als engelen van het licht, maar in wezen dienaars van satan zijn en die de mens maken tot een schijnheilige en bedrieglijke arbeider. De leden van het sanhedrin knersten de tanden tegen Stefanus. Zo lezen wij ook dat de luie slaaf in de buitenste duisternis geworpen wordt, waar het geween is en het tandengeknars (vers 30). ‘Vrome’ geesten huilen of maken zich kwaad, slaan zich op de borst, scheuren de kleren, of ballen de vuist als zij geprikkeld of ontmaskerd worden. Van heidenen, die toch ook door boze geesten geleid worden, lezen wij zulke dingen in de dag van het oordeel niet. Zeker niet van hen die nog van nature doen wat de wet gebiedt (Rom.2).

De slag bij Armageddon (Op.16:16)

Bij Jezus’ terugkomst gaat het eerste oordeel tussen de gestorvenen, de eerste opstanding. Die in Christus ontslapen zijn, staan met een onverderfelijk en verheerlijkt lichaam op, terwijl de ‘overige doden’ niet meer levend worden, voordat de duizend jaren voleindigd zijn (Op.20:5). Dit is een oordeel of scheiding tussen de doden. Dan komt het ogenblik dat de gemeente op aarde in een punt des tijds veranderd wordt bij het blazen van de zevende bazuin (1 Cor.15:52 en Op.11:15-19). Dat is dan het oordeel tussen hen die nog leven op aarde. Na de slag bij Armageddon worden het beest en de valse profeet definitief geoordeeld en levend in vuurpoel geworpen, terwijl satan in de afgrond opgesloten wordt.

Tijdens het duizendjarige rijk dat nu volgt, wordt de aarde geoordeeld en gezuiverd van het kwaad. Er is dan opnieuw een scheiding tussen hen die leven op aarde. In die tijd is iedereen in de gelegenheid verlost en genezen te worden om op deze manier als een volkomen mens het geestelijke Jeruzalem te kunnen binnengaan, bevrijd van de duistere demonen en genezen van letsels en geestelijke beschadigingen. Wie niet luisteren wil, sterft.

Gog en Magog (Op.20:7,8)

Dan komt de grote verzoeking en degenen die afvallen zijn ontelbaar als het zand van de zee. Nu komt de verleiding niet van het beest uit de afgrond, maar van de duivel zelf die uit de afgrond is losgelaten. Zijn legers omsingelen de legerplaats van de heiligen (de gemeente) en de heilige stad (de aardbewoners die zich niet hebben laten verleiden). Dan daalt vuur neer uit de hemel, want God legt verwarring onder deze vijandige legers. ‘En de duivel die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel’ en zijn hulptroepen van engelen worden bij de grote zuivering van Gog en Magog naar deze plaats verwezen.

De boeken geopend bij het laatste oordeel (Op.20:11-15)

Het laatste oordeel betreft nu niet de hemel of de aarde, maar het dodenrijk, want de aarde is hersteld en de hemel is hersteld. De stad van God wordt echter voltooid, wanneer na deze laatste opstanding de rechtvaardigen daar hun plaats gaan innemen. Jezus zei:

  • ‘Het uur komt, dat allen die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel’ (Joh.5:28,29).

Bij deze opstanding moeten Dood hemzelf en zijn doodsmachten (de cipiers van zijn dodengevangenis) hun prooi loslaten en worden ziel en geest van alle doden met een onsterfelijk lichaam overkleed. Dan begint het laatste oordeel; het eeuwige leven of de vuurpoel voor eeuwig.

De Heer gebruikt hier het beeld van een herder, die de schapen van de bokken scheidt. De schapen typeren de volgzame en zachtmoedige mensen, maar de bokken de opstandigen en ongehoorzamen. Met bokken worden waarschijnlijk gewoon geiten bedoeld. Schapen en geiten zijn overdag bij elkaar op de weide, maar worden ‘s avonds door de herder gescheiden. Zo waren de doden allen samen in het dodenrijk, maar worden nu bij deze algemene opstanding door de grote Herder van de schapen van elkaar gescheiden. Het zetten aan de rechter- en aan de linkerhand doet denken aan een gebruik bij het Joodse sanhedrin. Links en rechts van de voorzitter van de hoge raad zaten de medeleden in de vorm van een halve cirkel. Twee schrijvers stonden de stemmen op te schrijven. Die aan de rechterkant tekende de vrijsprekende stemmen op en die aan de linkerkant de veroordelende stemmen. Daarna werden de vrijgesprokenen aan de rechterkant en de veroordeelden aan de linkerkant geplaatst. De uitdrukking ‘verzameld worden’ wijst erop, dat de mens dan zelf geen keus meer maakt. Er wordt over hem beslist.

De gezegenden van de Vader

Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Kom, u gezegenden van mijn Vader, erf het Koninkrijk, dat voor u bereid is vanaf de grondvesting van de wereld’ 34.

Wij weten niet hoe lang de tijdsduur is, die door het oordelen in beslag genomen wordt. God heeft geen haast bij de volvoering van zijn plan. Zoals de zichtbare schepping tot nu toe ontzaglijke wordingsperioden gekend heeft (13,82 miljard jaar), zo is het ook met de herschepping. Eén dag is als duizend jaar bij God. Nooit gebeurt er iets hocus pocus. Hoe lang duurde het tijdperk van de schaduwen wel niet? Het nieuwe verbond begon als een zaadje. Eerst Jezus Christus, toen enkele leerlingen en een gemeente. Er zijn tweeduizend jaar voorbijgegaan en nog is het doel van God met de gemeente niet bereikt. Nog heeft zij de volkomen vrucht niet voortgebracht. En als de gemeente de volwassenheid bereikt heeft en de rijpe vrucht van de aarde geoogst is, wordt zij ingezet om de zuchtende schepping in haar totaliteit te verlossen. Dan is er weer sprake van een tijdsbestek van ‘duizend jaren’ (een symbolisch getal) om dat doel te bereiken. Wij weten ook niet hoe lang de periode van de aanvoer uit het dodenrijk duurt. Vervuld wordt:

  • ‘En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het Levensboek; en de doden werden geoordeeld op grond van wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken’ (Op.20:12).

Het gaat hier over een proces van rechtspraak, waarin door de gemeente over de levens van allen die aan de tweede opstanding deel hebben, op grond van begane daden, vonnis geveld wordt. Dit heeft zijn tijd nodig, omdat voor iedere herrezen mens afzonderlijk een oordeel gevormd moet worden.

De rechtvaardigen van alle eeuwen en uit alle volken

Wie zijn deze gezegenden van de Vader of degenen ‘die deel hebben aan de zegeningen van de Vader’ zoals de nieuwe Engelse vertaling luidt? Zij zijn de rechtvaardigen van alle eeuwen en uit alle volken, die geen deel hebben gehad aan de eerste opstanding van hen die in Christus ontslapen zijn. Het gaat hier over degenen die het evangelie van het Koninkrijk der hemelen zoals Jezus dat leerde, niet gekend hebben. Zij konden met hun inzichten en de kracht en de gave, die hun ter beschikking stonden, de volkomenheid niet bereiken. Het gaat over hen die voor hun ‘geslacht de raad van God gediend hebben’ en stierven, terwijl zij ‘het beloofde niet verkregen hadden’ (Hand.13:36 en Hebr.11:39). Wij denken aan Job, maar ook aan zijn vrienden die door een ‘vrome’ geest geleid werden; aan vader Jacob, maar ook aan zijn zonen wier namen gevonden worden op de poorten van het nieuwe Jeruzalem; aan Melchizédek de koning van Salem. Velen leefden als David ‘met hun lek en gebrek’ naar de godskennis die zij bezaten. Wij denken ook aan onze voorvaders, die nauwgezet de Heer dienden, maar voor wie het Koninkrijk van God met zijn vrede, blijdschap en gerechtigheid een nauwelijks te grijpen zaak was, omdat zij geen kennis hadden van de doop in Gods Geest en van de weg tot bevrijding en verlossing. Ook aan hen die in de duistere middeleeuwen de weg van de verlossing niet kenden, hoewel zij de vergeving van hun zonden door het bloed van het Lam van God, aanvaardden en hun leven veilig hadden gesteld voor het Woord van God.

Dan zijn er de miljoenen die van het herstelplan van God nooit hoorden en die toch hongerden en dorstten naar de gerechtigheid. Het werd hun niet gepredikt. Als zij het echte evangelie gehoord hadden, zouden zij het met beide handen gegrepen hebben. Wij denken aan hen, waarvan Paulus schreef:

  • ‘Wanneer namelijk heidenen, die de wet niet hebben, de wet van nature naleven, dan zijn ze zichzelf tot wet, ook al hebben ze hem niet. Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist in hun hart geschreven staat; en hun geweten bevestigt dit, omdat ze zichzelf met hun gedachten beschuldigen of vrijpleiten. Dit alles zal blijken op de dag waarop, volgens het evangelie dat ik verkondig, God door Christus Jezus oordeelt over wat er in de mens verborgen is’ (Rom.2:14-16).

De sinistere kanttekeningen van de Scofield-’bijbel’

Wanneer er staat dat de heiligen van de Nieuwtestamentische gemeente de wereld zullen oordelen (1 Cor.6:2), lijkt het ons zeer onwaarschijnlijk dat dit rechtspreken zoals sommigen beweren, alleen bestaat in het uitspreken van de strafmaat van de vonnissen. De maranathabeweging leert volgens de sinistere kanttekeningen van de Scofieldbijbel bij Openbaring 20:12, dat in het Levensboek geen enkele naam meer staat. Volgens haar aanhangers bestaat dit boek alleen uit blanke bladzijden, waarin de namen van de veroordeelden hadden kunnen staan. Geen enkele van deze doden zou dus aan de rechterhand van God geplaatst worden, terwijl de onrechtvaardigen wel geoordeeld zouden worden naar hun werken, maar allemaal hetzelfde vonnis zouden ondergaan, namelijk de verwijzing naar de vuurpoel. Dat hele laatste oordeel is dan maar een schijnvertoning.

Men beroept zich bij deze sinistere uitleg op de woorden van Jezus tot de inwoners van Kapernaüm en Bethsaïda, dat het Tyrus en Sidon draaglijker zou zijn in de dag van het oordeel dan de steden, waarin Jezus geleerd had en zijn heerlijkheid getoond. In deze dag van het oordeel, wanneer het verborgene van het hart geopenbaard zal worden, zal echter blijken dat onder deze heidenen mensen geweest zijn, die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid. Daarom zegt Jezus van hen:

  • ‘als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed hebben gehuld en met stof op hun hoofd tot inkeer gekomen zijn’ (Matth.11:21).

Daarom zullen in het laatste oordeel de mensen van Tyrus en Sidon het er beter afbrengen dan het volk, waaronder Jezus zijn heerlijkheid toonde en dat zijn hart verhardde. Bij de beoordeling van de werken zal met de factor onwetendheid rekening gehouden worden:

  • ‘De mannen van Ninevé zullen in het oordeel opstaan mét dit geslacht en het (doen) veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en zie, meer dan Jona is hier. De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met dit geslacht en het (doen) veroordelen, want zij is (hongerend en dorstend) gekomen van het einde van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen en kijk, meer dan Salomo is hier’ (Matth.12:41,42).

Voor allen die de gerechtigheid hebben liefgehad

Voor allen die de gerechtigheid hebben liefgehad, maar aan wie het evangelie niet verteld werd of slechts gedeeltelijk, onder een sluier geldt: ‘Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de overdenkingen van het hart openbaar maken’ (1 Cor.4:5). De Heer spreekt van een erven van het Koninkrijk van God. Voor de Nieuwtestamentische gelovigen geldt dat zij in Christus zijnde het erfdeel al ontvangen hebben (Ef.1:11). Voor hen geldt: ‘Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon’ (Col.1:13). De rechtvaardigen uit de tweede opstanding echter ontvangen de volle zegen op de nieuwe aarde. Daar staat het geboomte van het leven, beeld van de gemeente met haar Hoofd, wier bladeren (geestelijke gaven) zijn tot genezing van de volken die het nieuwe Jeruzalem binnengaan (Op.22:2).

De gemeente van het nieuwe verbond is ook in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde het redding instrument, zodat ook de rechtvaardigen die de vervulling met Gods Geest niet gekend hebben en de volkomenheid niet bereikt hebben, tot deze hoogte zullen worden gevoerd. Aan het einde van die periode zal ‘God zijn alles in allen’ (1 Cor.15:28). Voor degenen die in het eindoordeel aan de rechterhand van God geplaatst worden, geldt Hebreeën 11:40: ‘Zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen’. Voor het duizendjarige rijk, als de aarde vol is van de kennis van de Heer en het tijdperk dat dan nog volgt vóór het laatste oordeel, geldt echter dat wie het eeuwige evangelie gehoord heeft en verworpen, niet bij de rechtvaardigen kán horen.

Een mens die hongert en dorst naar Gods gerechtigheid zal het evangelie willen aanvaarden en van zijn vijanden verlost willen worden. Waarom zou men later het evangelie aannemen dat men eerst verworpen heeft? Hetzelfde geldt nu al voor hen die het evangelie van God aanvaard hebben en later weer afvallig worden. Er staat immers:

  • ‘Want wie ooit door het licht beschenen is, geproefd heeft van de hemelse gave en deel gekregen heeft aan de heilige Geest, wie het weldadig woord van God en de kracht van de komende wereld ervaren heeft en vervolgens afvallig is geworden, kan onmogelijk een tweede maal worden bekeerd, omdat zo iemand voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigt en aan bespotting blootstelt’ (Hebr.6:4). Hen die buiten het lichaam van Christus zijn, oordeelt God naar hun werken (1 Cor.5:13).

De rechtvaardige God zal dan ook rekening houden met wat zij geweten en wat zij gekund hebben.