1. De sprinkhanenplaag en de droogte als aankondiging van de dag van de Heer

Joël 1

Het woord van de Heer dat gekomen is tot Joël, de zoon van Pethuel. Hoor dit, oudsten, neem dit ter ore, alle inwoners van het land! Is zo’n ramp jullie ooit overkomen, jullie of je voorouders? Vertel erover aan uw kinderen en laten uw kinderen erover aan hun kinderen vertellen en hun kinderen weer aan de volgende generatie’ 1:1-3.

Wij merken op dat de profeet in de geest wordt overgezet naar de eindtijd. Vanuit het tijdstip dat de dag van de Heer gaat beginnen, ziet Joël terug op de verwoestingen, die daarvoor al onder het volk van de Heer zijn aangericht. Vandaar dat het eerste gedeelte in de voltooid tegenwoordige tijd is geschreven, terwijl de profeet later in de tegenwoordige tijd overgaat. Om de lezers opmerkzaam te maken, laat hij dan de aangehaalde tekst vooraf gaan door de vraag: ‘Is zo’n ramp jullie ooit overkomen, jullie of je voorouders?’ Hij wil ermee zeggen: let op de tekens van de tijd waarin je leeft. Joël geeft niet het tijdstip aan van het begin van de grote dag van de Heer, maar wel wijst hij op de gebeurtenissen die eraan voorafgaan en hem aankondigen. Deze voortekens zijn dan zo belangrijk dat hij zegt: geef alles nauwkeurig door aan uw kinderen en verder in successie aan het nageslacht, zodat ieder de gebeurtenissen in zijn dagen eraan kan toetsen.

Zo zei Jezus in zijn rede over de eindtijd: ‘Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is’ (Matth.24:33). De profetieën zouden eeuwen en eeuwen nodig hebben om in vervulling te gaan. Petrus attendeerde erop in zijn dagen, maar gaf ze tegelijkertijd weer door aan een volgend geslacht, toen hij opmerkte:

  • ‘Wat hier nu gebeurt, is aangekondigd door de profeet Joël: ‘Aan het einde van de tijden, zegt God, zal ik over alle mensen mijn Geest uitstorten’ (Hand.2:16,17).

De apostel bevond zich toen ook op de grens, namelijk van het oude en het nieuwe tijdperk. In de tempel waarin hij zich bevond, was de eredienst van God tot een dorre, dode zaak geworden, maar er verrees een nieuwtestamentische kerk, bruisend van leven en van geestelijke kracht.

Toch was daarmee de Joëlsprofetie nog niet tot haar eindbestemming gekomen, want opnieuw heeft de vernieler in de geestelijke wereld zijn werk verricht. Door de wenteling van de eeuwen komen nu de godsspraken van Joël tot ons met dezelfde vraag: ‘gebeurt deze ramp in uw dagen?’ Wij horen dan een stem zeggen: Dit is het! Leg nu alle aardse voorstellingen opzij en bekommer u niet om de verscheidenheid van natuurlijke uitlegging, maar transponeer de voorspellingen van Joël in de hemelse gewesten. Vergelijk ook de woorden van de apostel Johannes op Patmos. Let op de woorden van deze ‘kleine’ profeet met de visioenen van de apostel Johannes op Patmos. Let op de strijd van het Israël van God in de onzienlijke wereld en gebruik de sleutels van het koninkrijk der hemelen om tot een goede verklaring te komen. Verdiep je in het evangelie van Jezus Christus, zoals Hij dit eenmaal zelf leerde en vergelijk het geestelijke met het geestelijke. Dan kun je vol verbazing zeggen: ‘Wie heeft zo iets gezien en wie heeft zoiets kunnen bedenken?’ Het antwoord is dan opnieuw: ‘De Heer is God!’ Hij is de inspirator.

Wat de jonge sprinkhaan overliet, at de veldsprinkhaan op; wat de veldsprinkhaan overliet, at de treksprinkhaan op; en wat de treksprinkhaan overliet, at de zwermsprinkhaan op’ 4.

De eeuwen oude geschiedenis van de kerk is de voorbereiding van de komst van de antichrist. De apostel Paulus schreef, dat vóór het aanbreken van de dag van de Heer, eerst de afval moest komen (2 Thess.2:2,3). De sprinkhanen die Joël schildert, beelden de demonen uit die eeuwenlang in de kerken hun verwoestend werk hebben verricht. Steeds weer in nieuwe golven en onder andere benamingen trokken zij op om hun destructieve werk te doen. In de gelijkenis vroegen de arbeiders verwonderd aan hun heer: ‘Hebt U niet goed zaad in uw akker gezaaid? Waar komt dan het onkruid vandaan?’

Johannes schreef over een vrouw, beeld van de kerk, dat ze gehuld was in purper en scharlaken, rijk versierd met goud, edelstenen en parels. Zij had in haar hand een gouden beker, vol gruwelen en onreinheden van haar hoererij. Op haar voorhoofd was een naam geschreven, een geheimenis, het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde. De apostel zag dat deze vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus (Op.17:3-5). Ook hij verbaasde zich.

Een demonische sprinkhanenplaag heeft eeuwen en eeuwen wereldwijd het geestelijke leven weg geknaagd. Nooit is de mens van God, de rijpe vrucht, tevoorschijn gekomen, die tot alle goede werken volmaakt was toegerust. Wat betekent eigenlijk de inhoud van een kerkelijk lidmaatschap? Er is veel onderlinge strijd van volk tegen volk, er zijn godsdienstoorlogen, niet in de hemelse gewesten, maar van naamchristenen tegen naamchristenen. Op het kerkelijke erf heerst hongersnood, want de zielen worden niet gevoed met brood uit de hemel. Eeuwenlang werd zelfs de Bijbel aan de leken onthouden en later bracht de leer van de voorvaders een doodse, dorre toestand teweeg (Op.6:5,6). De profetische oproep werd vernomen:

Ontwaak, dronkaards en ween. Weeklaag, alle wijndrinkers, over de jonge wijn, want die is van uw mond weggenomen’ 5.

Is Gods volk wakker geworden? De Mond van de waarheid zei, dat zowel wijze als dwaze maagden slaperig werden en insliepen. De lampen dreigen geheel uit te gaan, want er is geen olie, dat is geloof in het evangelie van Jezus Christus, in zijn leer over de onzienlijke wereld, die van het koninkrijk der hemelen. Er is ook geen wijn, beeld van Gods Heilige Geest. De doop in deze Geest en vervulling ermee zijn voor de kerken en groepen onbekende verschijnsels. Wel zijn er veel wijndrinkers in het natuurlijke leven, die de geneugten van de aarde belangrijker achten dan de schatten van het Koninkrijk van God. Een vleselijk christendom is onmachtig zich te verzetten tegen de inwerking van de wetteloze demonen. De profeet wijst de ware oorzaak van de ramp. Hij schildert ons de demonen in hun beschadigende en vernietigende werking:

Want een volk is tegen Mijn land opgetrokken, machtig en niet te tellen; zijn tanden zijn leeuwentanden, het heeft de hoektanden van een leeuwin. Het heeft van Mijn wijnstok een woestenij gemaakt en Mijn vijgenboom tot een kale tak. Het heeft hem volledig afgeschild en weggeworpen, zijn ranken zijn wit geworden. Huil als een jonge vrouw, omgord met een rouwgewaad, die klaagt om de man van haar jeugd’ 6-8.

De duivel is rondgegaan als een brullende leeuw en zijn demonenlegers zijn de kerken en kringen binnengedrongen met leringen van de aarde en leugens van boze geesten. De zuiver geestelijke wereld waarin de inwendige mens zich beweegt, werd ‘terra incognita’, onbekend land. Het naamchristendom kent geen oorlog meer tegen de demonen, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten, want het is demonenblind. In de natuurlijke wereld strijdt men dan nog wel tegen de zogenaamde ketters en sektariërs, die meestal meer begrip hebben van het Koninkrijk der hemelen dan zij, die in concilies en synodes de belijdenisgeschriften van de voorvaders opstelden.

Graanoffer en plengoffer zijn weggenomen van het huis van de Heer. De priesters treuren, de dienaren van de Heer. Het veld is verwoest, de grond treurt, want het koren is verwoest, de nieuwe wijn opgedroogd, de olie verkommerd. Akkerbouwers staan beschaamd, wijnbouwers weeklagen over de tarwe en over de gerst, want de oogst op het veld is verloren. De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verwelkt, de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom, alle bomen van het veld zijn verdord. Ja, de vreugde is verdord, geweken van de mensenkinderen. Omgord u en bedrijf rouw, priesters, weeklaag, dienaars van het altaar. Kom, overnacht in rouwgewaden, dienaars van mijn God, want graanoffer en plengoffer zijn aan het huis van uw God onthouden. Kondig een vastentijd af, roep een bijzondere samenkomst bij elkaar, verzamel de oudsten en alle inwoners van het land in het huis van de Heer, uw God en roep tot de Heer’ Ach, die dag! Ja, de dag van de Heer is nabij en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige. Is niet voor onze ogen het voedsel weggenomen, uit het huis van onze God blijdschap en vreugde?’ 9-16.

Een overvloed van geestelijk leven geeft vredeoffers, lofoffers en dankoffers, die gebracht werden als spijsoffers en plengoffers. In welk tijdperk van de kerkgang ging men naar het huis van de Heer om zijn God te loven en te prijzen? Soms waren er nationale dankdagen bij overwinningen op natuurlijke vijanden en vanwege het gewas van de velden, maar wanneer kwam men samen om de naam van onze Heer Jezus Christus te danken vanwege de vernieuwing en het herstel van de leden van de gemeente? Nooit was er een rijpingsproces, nooit waren de velden wit om te oogsten. De sprinkhanenplaag werd gevolgd door een grote droogte. De eeuwen door moest echter erkend worden:

De zaadkorrels zijn verschrompeld onder hun aardkluiten, de voorraadschuren verwoest, de graanschuren afgebroken, want het koren is verdord’ 17. 

De demonen hebben de bodem, waarop het zaad van het woord van God moest vallen, hard gemaakt en ontoegankelijk. Het woord werd trouwens van zijn kracht beroofd en onwerkzaam gemaakt. Het verschrompelde. Zo zei Jezus: ‘U hebt het woord van God van zijn kracht beroofd ter wille van uw overlevering.’ Er viel geen regen, beeld van het gemis van de werking van Gods Geest. Niemand was bezig in de hemelse gewesten om daar te wandelen, te strijden en te overwinnen. Niemand begreep dat het woord geestelijk voedsel is voor het hart van de mens in de onzienlijke wereld. Niemand verstond dat de Bijbel een geestelijk boek is, dat geestelijk verstaan moet worden, dat een geestelijke weg aangeeft en een geestelijk doel najaagt. Dan lezen we:‘

Hoe kreunt het vee! De kudden rundvee zijn in verwarring, want ze hebben geen weide. Zelfs kudden kleinvee moeten boeten. Tot U, Heer, roep ik, want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd en een vlam heeft alle bomen van het veld verbrand. Zelfs de dieren van het veld schreeuwen naar U, want de waterstromen zijn uitgedroogd. Een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd’ 18-20.

De schepping zuchtte tevergeefs, want de zonen van God werden nooit geopenbaard. De kerk had haar gewas op moeten brengen, maar zij deed dit niet. Men kon op zijn best treuren: ‘Priesters, hul je in rouw, schreeuw het uit, dienaars van het altaar, breng de nacht door met klagen, dienaren van mijn God’ (1:13). De rechtzinnige belijders moesten overal erkennen dat zij in een doodse sfeer leefden. Wie van hen was uit de duisternis overgezet in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon? Waar bestonden de zogenaamde schatten van de kerk uit? Niemand die het wist. Elke grasspriet was kaalgevreten en daarom maakte men zijn samenkomsten tot middelpunten van geklaag en geween. Nergens hoorde men echter van werkelijke overwinningen en vernieuwingen. Ondanks de boetepreken, ondanks de angst voor hel en verdoemenis, ondanks reformaties en opwekkingsbewegingen bleef alles zo het was.