6. Gevaar van vreemde volken – Op weg naar Armageddon

Joël 3:4-9

We zagen dat in het dal van Josafat de broedervolken, die zich tegen het uitverkoren volk Israël vijandig opstelden, werden verslagen. De satan werpt daarom nieuwe troepen in de strijd om wraak te nemen over de geleden nederlaag. Hij gaat nu sterkere machten inzetten, vreemde volken, die aan de zeekust van Kanaän woonden. Joël profeteert:

En ook, wat wilt u van Mij, Tyrus en Sidon en alle gebieden van Filistea? Wilt u Mij Mijn handelwijze vergelden? Joël 3:4a.

Tyrus en Sidon waren havensteden in Fenicië, die hun bestaan ontleenden aan de zee. Eerst was Sidon de belangrijkste stad en later Tyrus. Deze haven had grote welvaart en macht en contact met veel volken. Zijn schepen uit Tarsis voeren naar de uiterste grenzen van de toenmalig bekende wereld, zelfs tot Andalusië in Spanje. Beide steden onderhielden eerst vriendschapsbanden met Israël. In de tijd van David en Salomo hielpen zij zelfs onder hun koning Hiram mee om paleizen en de tempel te bouwen.

Wij lezen niet dat zij ooit Kanaän binnenvielen om te roven en te plunderen. Deze steden oefenden echter op veel geraffineerder wijze hun invloed uit in Israël. Voor het optrekken van Salomo’s machtige bouwwerken boden zij hun diensten aan bij de aanvoer van hout en stenen en de bewerking ervan. Zo was er tijdens de bouw van de tempel in Jeruzalem ook een koperslager, die ‘vervuld was met de wijsheid, het verstand en de kennis, nodig om elk werk in koper te verrichten; deze nu kwam naar Salomo en voerde al diens werk uit’. Deze binnenhuisarchitect uit Tyrus was een zekere Hiram, dus een naamgenoot van de koning. Hij was ‘zoon van een weduwe uit de stam Naftali, terwijl zijn vader een Tyriër was’ (1 Kon.7:13,14). Hier is dus sprake van een verzwagering tussen het volk van God en een heidens cultuurvolk. Zo werden dan ook de gebouwen van Salomo alle opgetrokken in Fenicische stijl.

De verzwagering komt nog duidelijker naar voren, wanneer Eth-Baäl, de koning van Tyrus, later zijn dochter Izebel uithuwelijkt aan Achab, de koning van Israël. Deze Izebel bevorderde de Baälsdienst in Israël en Achab bouwde op haar aandringen zelfs een tempel voor deze afgod in Samaria. Haar eveneens goddeloze en wrede dochter Athalia werd de enige regerende koningin in Juda. Zij roeide de dienst van Jahweh uit en bracht ook het hele koninklijke geslacht van het huis van David om. Alleen de kleine Joas bleef gespaard. Op deze manier probeerden de Sidoniërs die later Feniciërs werden genoemd, het volk van God los te maken van zijn Heer, van diens wetten en dienst, om een andere heer, namelijk Baäl voor Hem op de plaats te stellen. Izebel onderhield een groot aantal priesters, die het volk onderwezen en het leerden de knie voor Baäl te buigen. Op listige wijze werd Israël verleid en het gevolg ervan was, dat de ware profeten werden gedood of zich moesten verbergen in holen en spelonken.

Als u Mij dat wilt aandoen, zal Ik snel en onmiddellijk uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren,’ 4b.

In Openbaring 17:14 wordt deze vergelding als volgt beschreven: ‘Zij zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam – want Heer van de heren is Hij en Koning van de koningen – zal hen overwinnen en zij die samen met Hem zijn, geroepenen, uitverkorenen en gelovigen.’ Het woord ‘handelswijze’ uit vers 4a, wordt ook wel vertaald door ‘wraak’. In plaats dat de vijanden zich wreken op het volk van god, zal in het dal van Josafat gezien worden dat de Heer hun alles vergeldt wat zij de gemeente hebben aangedaan. Is het een wonder dat Joël vervolgt:

omdat u Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, het beste van Mijn kostbaarheden naar uw tempels hebt gebracht’ 5.

Tyrus en Sidon zijn beeld van de opkomende gemeente van de antichrist. De vorst van Tyrus wordt in Ezechiël 28:2-10 geïdentificeerd als de antichrist en in 28:12-19 als de koning van Tyrus, de satan zelf. Dit dan in tegenstelling met de theocratie in Israël, want van David en Salomo werd gezegd, dat zij ‘op de troon van de Heer’ zaten (1 Kron.29:23). Zoals de regerende koning van Israël beeld moest zijn van God, zo was de koning van Tyrus dit van de satan. Als nazaat van David bezette Jezus na zijn opstanding de werkelijke troon van God (Hand.2:30,31). Daar ontving Hij alle macht in hemel en op aarde. Zo zal de geestelijke nakomeling van de koning van Tyrus, de antichrist, zijn kracht en macht aan de draak ontlenen (Op.13:2, 13:12).

Zoals de Fenicische Baälspriesters de kinderen van Israël deden afvallen van de levende God, zo werkt de geest van de antichrist alle eeuwen door onder het geestelijk Israël, om het los te maken van zijn Heer Jezus Christus, van zijn woorden en van Gods Geest. Zo zijn er al veel antichristen opgestaan, die het volk van God verleiden om leringen van boze geesten na te volgen. Zoals de vorst van Tyrus met duivelse hoogmoed zei, dat hij een god was, zo doet de antichrist dit ook, die de incarnatie is van de antichristelijke geest uit de afgrond, Abáddon, ofwel Apollyon, de koning van de afgrond. Paulus schreef over hem:

  • ‘Die zich in de tempel van God zet (de mens en geen aardse tempel te Jeruzalem) om aan zich te laten zien, dat hij een god is’ (Ez.28:9; 2 Thess.2:4).

Van Tyrus wordt vermeld, dat het een eilandstad was, dus in zee was gelegen. Profetisch gezien betekent dit, dat het antichristelijke rijk zijn oorsprong heeft in de geestelijke wereld van het dodenrijk. Er staat immers: ‘Ik zag uit de zee een beest opkomen’ (Op.13:1). Deze macht komt uit de afgrond of het dodenrijk en zij bezet, vervult en inspireert de antichrist.

De apostel Johannes schreef dat in zijn tijd al vele antichristussen in de gemeente van God waren opgestaan. Dezen namen daar deel aan het werk en waren altijd bereid om ‘hout en stenen’ tot opbouw van ‘het huis van God’ aan te dragen. Zij zetten hun gaven en hun kennis in met het doel alles uiterlijk zo goed en acceptabel mogelijk te maken. Zij veroverden zich een vooraanstaande plaats in de gemeente door hun goede fellowship met de ware leden van het lichaam van Christus. Ondertussen maakten zij door hun invloeden, hun leringen en hun inbreng aan zeden en gewoonten, velen van het evangelie van Jezus Christus los. Zij veroorzaakten scheuringen, want ‘zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren niet uit ons’ (1 Joh.2:19). Er zijn zelfs plaatsen waar voor de ware volgelingen van Jezus Christus geen plaats meer is in de kerkgemeenschappen en zij moeten zich voor vervolgingen schuilhouden.

Ook de Filistijnen die Joël hier noemt, waren een volk dat net als Israël, overgeplaatst was in Kanaän. Zij kwamen namelijk van het eiland Kaftor of Kreta, dus rechtstreeks over zee naar Kanaän, terwijl een ander deel van dit volk over de zee via Egypte het aan Israël beloofde land aan de zuidkant binnendrong. Kanaän werd zelfs naar hen Filistea of Palestina genoemd. Let wel dat dit volk ook niet binnenkwam door de Jordaan, maar langs een andere weg, namelijk van over de zee, beeld van zijn occult geestelijk karakter. Het was bekend om het plegen van toverij (Jes.2:6). Verder was het een hard en gewelddadig volk. Er waren zelfs uitgesproken geweldenaars onder hen. Denk aan de Enakskinderen en Goliath van Gath.

Heel merkwaardig worden de Filistijnen de helpers genoemd van Tyrus en Sidon in Jeremia 47:4. Wij zien in hen een beeld van de tien koningen, die de antichrist ondersteunen en tenslotte hun kracht en macht aan het beest zullen geven (Op.17:12). Deze tien koningen zijn de geweldenaars in de wereld van de eindtijd door middel van hun magie, toverij en occultisme.

De profeet Joël voorspelde in het begin van dit hoofdstuk dat er een verandering zou komen in het lot van het geestelijk Israël. In Jesaja 11:14 wordt geprofeteerd dat het volk van God ‘de Filistijnen op de schouder zou vliegen’. Dit zal dan volgens deze profeet gebeuren door Efraïm, beeld van de gemeente uit de heidenen en door Juda, beeld van de gemeente uit de Joden. Samen zullen zij dan één geheel vormen.

Op dezelfde manier wordt in Hosea 1:11 gezegd, dat de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich samen zullen voegen. Paulus merkt dan in Romeinen 9:24 op: ‘En dat zijn wij die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de joden, maar ook uit de heidenen’. De Tyriërs en de Sidoniërs, de gemeente van de antichrist, zullen met de Filistijnen, de tien koningen, zich opmaken om wraak te nemen op het volk van God, op ‘het Lam en zijn vrijgekochten’, omdat dezen openlijk de strijd met de machten van de duisternis hebben aangebonden. Ze hebben van Israël echter niet alleen van haar kostbare schatten beroofd:

U hebt de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem aan de Grieken verkocht, om hen ver weg te voeren uit hun eigen gebied’ 6.

In de geschiedenis waren de Feniciërs beruchte kinderdieven. Herodotus vertelt hoe zij de kinderen aantrokken en meesleepten. Zij stelden op de kusten, waar zij landden, hun waren te koop. Vooral de meisjes kwamen nieuwsgierig al die mooie en vreemde koopwaar bewonderen. Als er dan een aantal kinderen bijeen was, sprongen de dieven uit hun schip en namen hen mee om ze aan de Ioniërs of Grieken te verkopen.

Voor het Israël van God betekent dit, dat de antichristelijke elementen die in de kerk waren binnengedrongen, hun eigen filosofische en wijsgerige gedachtewerelden voor de pas geboren kinderen van God etaleerden. Dezen werden daardoor op dwaalwegen gebracht, zodat ze uit de hemelse gewesten, hun eigen grond, teruggevoerd werden naar de aarde waar ze slechts vreemdelingen en gasten moesten zijn. Het Griekse denken heeft verwoestend gewerkt op de oorspronkelijke christelijke leringen en verwachtingen. All apostolische en Griekse kerkvaders waren doordrenkt met hellenistische wijsheid, waartegen de apostel Paulus al waarschuwde.

De christelijke wetenschap was aanvankelijk georiënteerd op Plato, terwijl later Aristoteles ‘de meester van allen die weten’ werd, vooral bij de scholastieken. Nog later kwam het katholieke of algemene geloof onder invloed van de Romeinse regels en wetten en ontstond de hiërarchische opbouw van de Romeinse of rooms-katholieke kerk. Zo worden tegenwoordig de kinderen van de naamchristenen, de studenten, vergiftigd met het socialistisch, of het marxistisch-leninistische denken. De orthodoxie echter grijpt terug naar de uitspraken van de voorouders met hun geloofsbelijdenissen en credo’s, zoals de rabbijnen zich beriepen op de inzettingen van de ouden. Het fundamentalistisch naamchristendom benadert de Bijbel in zijn geheel niet als een geestelijk boek, maar als een natuurlijk geschrift, dat een letterlijke, ongeestelijke uitleg vraagt. Op de universiteiten en Bijbelscholen worden de kinderen van Juda en Jeruzalem op deze manier verkocht aan die leraars, die met hun ongeestelijke, aardsgerichte opvattingen, hen wegvoeren van eigen hemelse bodem en uit het geestelijke Kanaän.

Joël profeteert dan verder, dat God een verandering zal brengen in het lot van de ware kinderen van God. Er komt een duidelijke scheiding tussen licht en duisternis, waarheid en leugen, goed en kwaad. Van de weggevoerde kinderen wordt gezegd:

Zie, Ik wek hen op uit de plaats waarheen u hen verkocht hebt. Ik zal uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren’ 7.

Tegenover de Baälleraars, die het volk van God verleugenen, staan de zonen en dochters op die profeteren. Zij ‘staan op’, dat wil zeggen trekken uit de afgedwaalde en afgevallen kerken en uit de verworden gemeenschappen en kringen, omdat zij geen deel willen hebben aan hun zonden en niet ontvangen van hun plagen (Op.18:4). Zij die opstaan, zullen de strijd voortzetten in het dal van Josafat, dat is in de hemelse gewesten, totdat de dag van de uiteindelijke vergelding aanbreekt in Armageddon, de laatste fase van de strijd. Let erop dat noch het dal van Josafat noch dat van Armageddon op een atlas ooit te vinden zijn, evenmin als de Levensboom in een plantkundeboek of flora is opgenomen.

Ik zal uw zonen en uw dochters verkopen in de hand van de Judeeërs. Zij zullen hen aan de inwoners van Sheba verkopen, aan een volk ver weg,’ 8a.

Net zoals de Feniciërs hun koloniën aan de Middellandse Zee tot in de Spaanse haven Tarsen bezaten, zo hadden de Sabeeërs op de oceanen hun scheepvaartroutes. Zij woonden in het uiterste zuiden van Arabië, waar tegenwoordig de stad Aden ligt. Zij waren dus de Feniciërs van de Indische Oceaan. Zo meent men een kolonie van hen ontdekt te hebben in de Golf van Thailand. De ‘kinderen van (het geestelijke) Juda’ zijn zij, die besneden zijn van hart, naar de geest, niet naar de letter (Rom.2:25-29). Zij zijn ‘sterk en overwinnen de boze’ die zich het felst manifesteert in de antichrist en zijn gemeente. Zij verkopen de ‘zonen en dochters’, van deze occulte kerk aan de Sabeeërs, die hier beeld zijn van de occulte demonen in het dodenrijk. Zo komen de volgelingen van de antichrist bij ‘een ver verwijderd volk’ in een ver gelegen land (vergelijk ook het lot van Sebna in Jesaja 22:15-19).

In Openbaring 19:21 wordt van de overwonnen gemeente van de antichrist, ‘de overigen’, gezegd, dat zij gedood werden met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem, die op het paard zat en al de vogels werden verzadigd van hun vlees. In de geestelijke wereld werden zij dus door het woord van de Heer, dat ook de volgelingen van het Lam als een zegevierend zwaard gebruiken, verwezen naar het dodenrijk. Daar wordt hun inwendige mens bewaard tot de dag van het laatste oordeel. Hun lichamen zullen ook aan de destructieve machten van de dood worden prijsgegeven en deze zullen veel werk hebben de grote massa te ontbinden.

Let wel dat wanneer over het lot van de zonen en dochters van de verenigde vijanden wordt gesproken, niet gerept wordt van hun koning, de antichrist zelf. Deze komt immers niet in het dodenrijk terecht, maar hij wordt rechtstreeks naar lichaam, ziel en geest, met de in hem wonende macht uit de zee, Apollyon, levend(!) in de vuurpoel geworpen. Dat al deze dingen waarover Joël heeft gesproken en die de apostel Johannes in visioenen heeft gezien, zeker zullen gebeuren, wordt nog sterk benadrukt door de toevoeging:

Want zo heeft de Heer het gezegd’ 8b.

Het woord van God zal immers niet leeg tot Hem terugkeren, maar het zal doen wat Hem behaagt en dat volbrengen waartoe Hij het zendt.

Op weg naar Armageddon

Joël is voor ons een belangrijke profeet, want zijn godsspraken zijn in het bijzonder bemoedigend voor hen die gedoopt zijn met Gods Heilige Geest en die een strijd te voeren hebben tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Ze zijn voor ons ‘als een lamp, die schijnt in een duistere plaats’.

Het begin van zijn boek vermeldt hoe allerlei soorten demonische sprinkhanen het geestelijke leven van onze gelovige voorgeslachten hebben weggevreten. Het woord van God lag als een uitgedroogde korrel verpieterd tussen de harde aardkluiten en kwam in de harten van de gelovigen niet tot vrucht dragen (Op.6:5,6). Vervolgens voorspelde deze profeet dat er een keer zou komen in het lot van Gods volk in de laatste dagen. En de Heer zíet naar ons om. De vroege regen is op ons gevallen en de Leraar van de gerechtigheid werd ons gegeven. Het uitgedroogde graan ontkiemde en bracht nieuw leven voort.  

We leren niet alleen dat Jezus als Lam van God de schuld van de wereld had weggenomen, maar wij zien daardoor onszelf ook als rechtvaardigen. Ook deed de doop IN water ons iets, want wij breken bewust met ons oude leven en aanvaarden de belofte, dat wij niet als wezen zullen achterblijven. De Trooster komt persoonlijk in ons leven en wij beginnen geestelijk te groeien. Er komt een grote verandering in ons hart en wij worden vernieuwd in ons denken. We lezen: ‘drijf de boze geesten uit’ en we doen dit ook in gehoorzaamheid aan de opdracht. We geloven dat het hele leger van de vijand ons tijdens dit ontwikkelingsproces onderworpen zal zijn. De geestelijke strijd waarover Paulus in Efeze 6 schreef, is realiteit voor ons. Zo is het fundament uit Hebreeën 6 in ons gelegd. Wij erkennen dat de volle volwassenheid nog niet bij ons wordt gevonden, maar wij streven doelbewust naar de onberispelijkheid en de volmaaktheid. We zien deze niet als een hersenschim, maar als een redding dat in ons eigen leven geopenbaard zal worden. Daarom bidden wij intensief om de late regen, die het koren tot zijn volheid zal brengen. 

Naast deze verandering van het volk van God tot werkelijk geestelijke mensen zijn in onze tijd nog andere groeiverschijnselen waar te nemen. Er is ook een ontwikkelingsproces aan de gang bij het onkruid, dat tussen de tarwe opgegroeid is. De duistere demonen verzetten zich tegen het openbaar worden van de zonen van God. Die tegenstroom is er altijd geweest, want Johannes schreef al dat er in zijn dagen vele antichristen waren opgestaan. Dezen hebben eeuwen lang hun ontwrichtend werk gedaan, het waarachtige geestelijke leven van de christenen geëlimineerd en een ander, vreemd leven gestimuleerd. De geest van al deze antichristussen heeft het massale christendom in bezit genomen, wat daardoor is verworden tot een naam- en schijnchristendom.

Johannes schreef in de beginperiode van de kerk al over veel antichristen die zich hadden geopenbaard. Dezelfde schrijver heeft het later over het grote Babylon, maar wie zal erkennen dat hij erin woont en dat deze afvallige metropolis wereldwijd is? Juist de laatste eeuw heeft deze stad zich enorm uitgebreid, want de afval en de wetteloosheid in haar neemt steeds schrikbarender vormen aan. Dit verbasteringsproces dat wij nu waarnemen, is een duidelijke weerslag van de toenemende activiteiten van de demonen in de hemelse gewesten. Er groeit een volheid van ontbinding in kerk, staat en maatschappij in tegenstelling met de rijke vrucht van de Heilige Geest, die in de ware kinderen van God gezien zal worden.

De ordenende wereldgeesten, dus de samenwerkende menselijke geesten, die het goede en het harmonische beogen, verliezen vanwege de opkomende wetteloze machten de controle op wat aan hen onderworpen is. Zelfs de wereldbeheersers van deze aarde kunnen hun onderdanen geen garantie meer geven tegen een algehele vernietiging van de mensheid. Deze is niet meer afdoende te beschermen door het wonen achter hoge bergen, achter zeeën of oceanen, achter woestijnen of sterke fortificaties en waterlinies. De geweldgeesten die al voor de zondvloed merkbaar waren, worden ook nu steeds actiever en de arme, zwakke wereldgeesten van de bestuurders kunnen het toenemende terrorisme niet keren, maar omarmen dit juist voor eigen gewin en aanzien.

Ook de werkzaamheid van onreine geesten neemt hand over hand toe. Het huwelijksleven wordt meer en meer ondermijnd en de seksuele verlangens worden losgemaakt van het menselijke bestaan en van het geordend gezinsleven. Deze begeerten zijn bij velen een aparte en zelfstandige plaats gaan innemen. Er gebeurt dan hetzelfde als bij de alcoholist, die niet drinkt tot onderhoud van het lichaam en tot een natuurlijke verkwikking, maar die de drank een afzonderlijke functie in zijn leven toekent, dus als lustobject. We zien de wetteloze geesten werkzaam in allerlei vormen van verslaving. De menselijke geest die de wetten van God in zich draagt en uitwerkt, wordt dan verdoofd en een speelbal van de lage demonen.

De antichristelijke machten die al eeuwen lang in de kerken en kringen gewerkt hebben, zien we versterkt worden door de infiltraties van de oosterse godsdiensten en satanische ideologieën. De ‘liefdevolle’ en ‘begrijpende’ geest van de oecumene legt ook met deze mediterende machten contact en door middel van de charismatische bewegingen zullen hun toverij en magie onder een schijn van godsvrucht te midden van Gods volk gelanceerd worden. De Bijbel spreekt in dit verband over de tien koningen, die één van zin hun kracht en macht aan het beest zullen geven. Deze geest uit het dodenrijk ontvangt bovendien van de draak nog ‘zijn kracht en zijn troon en grote macht’, dus de suprematie in de zichtbare wereld. Heel dit duivelenleger zal zich concentreren in de gemeente van de antichrist, die zich erop richt de strijd in de hemelse gewesten te winnen.

De geest van de antichrist heeft al eeuwen lang het helend, bevrijdend, verlossend en verheerlijkend werk van Christus tegen gestaan en nu zet hij alles op alles. De strijd zal uiteindelijk gaan tegen het overblijfsel van Gods volk dat standhoudt. Wat zegt nu de Heer? Jullie denken mijn werk volledig te kunnen vernietigen, maar het zal blijken dat jullie de verliezers zijn. Hij zegt: kom maar op met jullie vijandelijke legers en:

Roep dit uit onder de heidenvolken: Verklaar de oorlog! Wek de helden op! Laten zij aantreden en oprukken, alle strijdbare mannen!’ 9.

Op bevel van God worden de heidenen uitgedaagd al hun kracht tegen de Heer te gebruiken. Zij moeten zich maar tot de oorlog uitrusten door aan hun goden offers te brengen en allerlei godsdienstige plechtigheden te verrichten. Zo zei de Heer eenmaal tegen de legers van Assur:

  • ‘Roep op tot de strijd, volken, beef van angst. Luister, volken van de verste hoeken van de aarde. Gord je wapens aan en beef van angst, ja, gord je wapens aan en beef van angst. Smeed een plan – het zal verijdeld worden; sluit een verbond – het zal nergens toe leiden. Want God is met ons’ (Jes.8:9,10).

Deze heidense volken zijn weer beeld van de antichristelijke machten, die zich in onze tijd gaan verzamelen in het dal van het oordeel. De kerk van de antichrist bergt in zich de sterkste en afschuwelijkste geesten van het rijk van de duisternis. De ‘helden’ staan op, want zij komen uit de afgrond. Zij willen strijden en opstijgen naar de hemelse gewesten om de oorlog aan te binden met God en zijn gezalfde, dat is de ware gemeente. Johannes schreef:

  • ‘En ik zag uit de bek van de draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen, als kikvorsen. Dit zijn namelijk de geesten van de demonen, die tekens doen en die uitgaan naar de koningen van de aarde en van de hele wereld, om hen te verzamelen voor de oorlog van de grote dag van de almachtige God’ (Op.16:13,14).

De draak is de duivel, het beest is de geest van de antichrist aan wie de draak al zijn macht en kracht verleent. De valse profeet is de antichrist, dè mens van het verderf. Johannes zag de weerzinwekkende, onreine, verleidende demonen als kikvorsen. Dat zij uit de bekken of uit de mond komen, wijst op een afschuwelijke dwaling, de allerlaatste die ooit in dit tijdsbestek op aarde wordt verkondigd en geloofd. In 2 Thessalonicenzen 2:11,12 schreef Paulus in dit verband:

  • ‘Daarom treft God hen met verblinding, zodat ze dwalen en de leugen geloven. Zo zal iedereen die de waarheid niet gelooft maar behagen schept in onrecht, worden veroordeeld.’

Zij die in de afgevallen kerk niet mee de geestelijke wereld van de duisternis willen intrekken, blijven van de aarde aards en ze zijn onmachtig verzet te bieden. Ze hebben immers, ondanks hun orthodox geloof, nooit geleerd strijd te voeren in de onzienlijke wereld. Wellicht verwachten zij hun redding van een natuurlijk volk Israël, van een zichtbaar Jeruzalem en uit een stenen tempel. Gods ware legers echter, trekken intussen onvermoeibaar verder. Ze zijn samengesteld uit geestelijke mensen die naar Gods beeld en als zijn gelijkenis zijn. Ze zijn van het hoge niveau dat eenmaal de apostelen bezaten. Zij vervullen dezelfde opdracht, maar nu wereldwijd:

  • ‘Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepsels. Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal gered worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal worden veroordeeld. En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekens volgen: in Mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven; in talen zullen zij spreken; slangen (demonen) zullen zij oppakken (om ze onmachtig te maken) en als zij iets dodelijks zullen drinken, zal het hen beslist niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden’ (Marc.16:15-18).

Zij verspreiden het evangelie van het Koninkrijk der hemelen over de hele aarde, zoals Jezus aankondigde in Mattheüs 24:14, dat zijn evangelie van het Koninkrijk in de hele wereld zal worden gepredikt tot een getuigenis voor alle volken. Dan komt het einde, dit wil zeggen dat gezien wordt wat deze boodschap inhoudt en uitwerkt. Alle volken zullen dan zien wat het betekent om bij de ware gemeente van Jezus Christus te horen. Daarom hebben deze boodschappers ook de bijzondere opdracht om juist de christenen van allerlei kerken en kringen in aanraking te brengen met het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Zij zullen dan de woorden van de apostel Petrus overnemen, die hij op de Pinksterdag sprak tot een menigte ‘godvruchtige’ Joden te Jeruzalem, namelijk: ‘Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht.’ (Hand.2:40). Dit betekent: laat je oude manier van denken los, wordt hemelburgers en strijdt de goede strijd tegen de boze geesten.

Deze herauten roepen de ware christenen die nog verstrikt zijn in de dwalingen en de leringen van de afgevallen kerk toe: ‘Ga uit haar weg, Mijn volk, zodat u geen deel hebt aan haar zonden en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen’ (Op.18:4). Het oordeel of de scheiding komt in alle christelijke denominaties door de prediking van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, want deze scheidt en verenigt. Tegen de leerlingen zei Jezus:

  • ‘Sla niet de weg naar de heidenen in en bezoek geen Samaritaanse stad. Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël. Ga op weg en zeg: ‘Het koninkrijk van de hemel is nabij. Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit. Gratis hebben jullie ontvangen, gratis moeten jullie geven!’ (Matth.10:5-8).

Dit was voor hen een duidelijke aanwijzing aan wie het eeuwig evangelie allereerst verteld moet worden. Deze opdracht wordt weer van kracht voor de gemeente van de eindtijd ten opzichte van allen die zich opnieuw geboren christen noemen en die bij de verloren schapen van het geestelijk Israël horen. Wij zeggen wel dat wij met onze prediking mikken op het wrakhout in kerken en daarbuiten, op de schapen die hongeren en dorsten en dreigen verloren te gaan door gebrek aan kennis van de geestelijke wereld. Zij moeten toch de boodschap horen over de doop in Heilige Geest, over de geestelijke gaven en over de onzienlijke wereld. Wanneer zij die aanvaarden, zullen zij uit Babylon trekken en zich verzamelen om het evangelie van Jezus, dus dat Hij zelf eenmaal verkondigde.

Er staat: ‘En Hij trok rond in geheel Galiléa en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk’ (Matth.4:23). De zuchtende schepping wacht op de boodschap van dit evangelie door de geopenbaarde zonen van God. Dezen bewerken dus het tegengestelde van wat de charismatische beweging als doel stelt, want die roept:

‘Trekt niet uit, mijn volk’, maar probeert een betere Rooms-katholiek, een betere Gereformeerde, een betere Baptist of een beter lid van de Pinkstergemeente te worden. Deze oecumenische beweging kan niet tot het aanvaarden van Bijbelse leringen komen, zelfs niet die van de doop, omdat ze haar aanhangers aanraadt aardsgerichte dwalingen en opvattingen die opkwamen bij de voorvaders, die nooit in Heilige Geest gedoopt waren, te mengen met het gebruik van de geestelijke gaven. Daarom blijft zij deel hebben aan het verbasteringsproces van de kerk!

Het evangelie dat Jezus predikte, zal tot het einde toe het eeuwige evangelie blijken te zijn; daarom zijn ook wij ‘vrijgekocht van onze ijdele wandel, die van de voorvaders is overgeleverd’ (1 Petr.1:18). Babylon uittrekken betekent dus loskomen van de gedachtesystemen van de voorvaders en alleen het evangelie van het Koninkrijk der hemelen aanvaarden. Het is altijd voor ons veraf geweest, maar nu is het weer sinds de apostolische tijd ‘nabij’ gekomen. Wij zullen ons bewust moeten zijn dat wij bij het geestelijk Israël horen, bij het volk van God dat zijn burgerschap in de hemel heeft en bij de inwoners van het Jeruzalem dat boven is. Het acht geven op de hemelse gedachtewereld schenkt de vernieuwing van ons denken en maakt ons één in de geestelijke wereld.

Natuurlijk wekt het brengen van deze boodschap tegenstand bij een aardsgericht naamchristendom, dat zijn zij die een christendom hebben opgebouwd zonder kennis van de geestenwereld. Jezus zei tegen degenen die Hij uitzond, dat zij door allen gehaat zouden worden vanwege zijn Naam en dat Hij ze als schapen zond midden onder de wolven. De blijde boodschap wekt niet de afkeer op van de natuurlijke mens, maar van de religieuze, die zijn godsdienst verbonden heeft met uitwendigheden, ceremonieën, inspanningen, gewijde taal, organisatievorm, ernst en uiterlijke vroomheid, of met leringen die hem met de aarde bezighouden, zoals met het natuurlijke volk Israël of met politieke en maatschappelijke kwesties. Voor de zonen van God geldt echter in de eindtijd: ‘Ik zeg u, jullie zullen niet alle steden van Israël zijn rondgekomen voordat de Mensenzoon komt’ (Matth.10:23).

Voor onze tijd betekent dit, dat het evangelie van Jezus gebracht moet worden. Dan zal de Mensenzoon verschijnen met de wolken van de hemel, dus met zijn overwinnaars. Letterlijk staat er, dat zij alle steden van Israël niet tot volmaaktheid zullen hebben gebracht. De bekende Bijbelverklaarder Dächsel merkt hierbij op, dat deze betekenis hem te sterk voorkomt. Wij geloven echter dat op deze manier de eindtijdgemeente haar onberispelijkheid bereikt.

De duivel ziet de enorme veranderingen die door de boodschap van de zonen van God in de harten van de ware gelovigen wordt bewerkt. Zij bereiken het einddoel van het geloof, de redding van de totale mens. De tegenstander ziet dan hoe zijn boze geesten worden gebonden en naar de afgrond verwezen. Kinderen van God worden immers op deze wijze volkomen bevrijd. Hij probeert dit nog tegen te houden door in dit verband twee dwalingen ingang te doen vinden. Allereerst de leugen dat een kind van God niet gebonden kan zijn en ten tweede dat men geen machten naar de afgrond mag verwijzen. Maar als de oprechte christenen niet bevrijd hoeven te worden, wie moeten dan wel verlost worden? Toch zeker niet de ongelovigen, want die moeten eerst het evangelie aanvaarden en zich bekeren. Met deze leer heeft men dan ook de weg tot bevrijding geblokkeerd. Als wij Satans demonen niet naar de afgrond verwijzen, doen we even dwaas als zij, die in een oorlog krijgsgevangenen maken en dezen niet opsluiten, maar vrij los laten lopen. De dood die de ware gelovigen niet meer zullen zien, wordt dus gevangenbewaarder van veel boze geesten die hun slachtoffers achter hebben moeten laten.