Joël 2:18-23a
In de eindtijd komt de grote doorbraak:
‘Toen nam de Heer het op voor Zijn land en Hij spaarde Zijn volk. De Heer antwoordde en zei tegen Zijn volk: Zie, Ik zend u het koren, de nieuwe wijn en de olie, zodat u ermee verzadigd wordt. Ik zal u niet meer overgeven als voorwerp van smaad onder de heidenvolken’ 18,19.
Het keerpunt komt. Het volk van God gaat niet oneervol ten onder. Het zal een menigte van overwinnaars zijn. Het woord van God, ‘het koren’, zal in grote volheid geopenbaard worden en ook Gods Geest, ‘de wijn en de olie’, zal gezonden worden (Op.6:6). De profeet Joël beschrijft een panorama van herstel. Wij kunnen het ons in deze tijd van grote geestelijke verdrukking nooit genoeg voorhouden: de verademing komt. Als aandeelhouders aan het lijden van Christus zullen wij ook deelhebben aan zijn verheerlijking, want het woord van God trekt uit ‘overwinnende en om te overwinnen’ (Op.6:2). Opnieuw worden we herinnerd aan het beeld van de sprinkhanenplaag.
Gewoonlijk komen deze horden met de zuidenwind mee uit de woestijn van Arabië, maar we hebben hier te maken met een bijzonder leger, die zich in de laatste tijden openbaart. Het kwaad komt immers uit het noorden (Jer.4:6 en 6:1). De Hebreeër kende geen synoniemen voor noordwesten en noordoosten, maar hier wordt ongetwijfeld in letterlijke zin de Syrische woestijn bedoeld. Daarachter lagen dan de wereldrijken van Assur, Babel en tenslotte het Perzische rijk van Cyrus, de ‘gezalfde’, als beeld van de antichrist.
De belofte wordt gegeven:
‘Ik zal die uit het noorden ver van u wegdoen. Ik verdrijf hem naar een dor en woest land, zijn voorhoede naar de zee in het oosten, zijn achterhoede naar de zee in het westen. Zijn stank stijgt op, zijn walm stijgt op, want hij heeft grote dingen gedaan’ 20.
De wind zal grote zwermen van de voorhoede naar de oostelijke of Dode Zee waaien en de achterhoede van het vijandelijke leger zal prijsgegeven worden aan de zee van het westen of de Middellandse Zee. De oevers van deze zeeën zullen met hopen dode sprinkhanen worden bedekt, zodat ze overgegeven worden aan stank en verpesting (Can. Vert.). Ook is er dan nog sprake van een ‘wegdoen naar een dor en woest land.’
Armageddon
Nog steeds spreekt de profeet in gelijkenissen over de ondergang van het antichristelijke leger. Zo zag Johannes: ‘Het beest en de koningen van de aarde en hun legermachten zich verzameld hadden om de oorlog te voeren tegen Hem, die op het paard zat en tegen zijn leger. En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet … levend werden zij beiden geworpen in de vuurpoel, die van zwavel brandt. En de overigen werden gedood met het zwaard, dat kwam uit de mond van Hem, die op het paard zat; en al de vogels (het dodenrijk) werden verzadigd van hun vlees’ (Op.19:19-21). De zee is hier in de profetie van Joël het beeld van de afgrond of het dodenrijk. Het dorre en woeste land illustreert het wezen van de buitenste duisternis, de tweede dood, waarin de antichrist met het beest uit de afgrond, Apollyon, wordt geworpen.
In de profetie van Jesaja over Sebna, ook een type van de antichrist, wordt voorspeld: ‘Zie, de Heer zal u wegslingeren, zoals een man iets wegslingert; Hij zal u stevig in elkaar wikkelen, u vast in elkaar rollen als een kluwen, u wegwerpen als een bal naar een zeer uitgestrekt land: daar zult u sterven en daar zullen uw praalwagens zijn, schandvlek van het huis van de heer!’ (Jes.22:17-19). Dit is een duidelijke omschrijving van het binden van Satans’ demonen en het werpen in de afgrond, of hier van het drijven van de antichrist en het beest naar de buitenste duisternis.
In onze tijd krijgen deze godsspraken een duidelijke betekenis. Met de kennis van het Koninkrijk van de hemelen kan men ze verstaan. In de eindtijd openbaart de Heer dingen, die eeuwen lang niet begrepen werden. Tot tweemaal toe wordt er gesproken dat er grote dingen gedaan zijn. De antichrist met zijn leger wordt verdelgd, want hij heeft grote dingen gedaan. Johannes schreef: ‘Die de tekens voor zijn ogen gedaan had, waardoor hij hen verleidde, die het merkteken van het beest ontvangen hadden’ (Op.19:20). Paulus deelde mee dat zijn komst was ‘naar de werking van satan met allerlei krachten, tekens en bedrieglijke wonderen’ (2 Thess.2:9).
Er staat echter ook:
‘Jubel en verheug u, want de Heer heeft grote dingen gedaan’ 21.
Wetteloosheid, ontbinding, afval en opstand tegen God vindt men op de ene kant van de medaille, maar de keerzijde is: God gaat machtige dingen doen en die gaan de tijd inluiden van ‘de heroprichting van alle dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten van oudsher’ (Hand.3:21).
‘Wees niet bang, dieren van het veld, want de weiden van de woestijn worden groen, de bomen dragen hun vrucht, de wijnstok en de vijgenboom geven hun opbrengst’ 22.
De Woorden van God en zijn Geest zullen overvloedig leven openbaren. Dan wordt het rouwkleed verwisseld voor een lofgewaad en in plaats dat het hoofd bedekt is met as, zal het een koninklijke kroon als sieraad dragen. Niet langer ‘vlucht de blijdschap van de mensenkinderen weg’, maar eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn. De hele schepping zal de verlossing ervaren. De beloften van herstel en vernieuwing voor onze tijd lopen parallel met die voor Israël in het oude verbond. De belofte dat God medelijden met zijn volk zou krijgen, werd in het schaduwachtige tijdperk vervuld, toen Zacharias getuigde: ‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël, hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost. Een reddende kracht heeft hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar’ (Lucas 1:68,69).
De Leraar van de gerechtigheid, Jezus Christus, werd gegeven en zijn onderwijs bracht de grote omkering in het overblijfsel van Israël. Zo zal opnieuw het volk van de Heer toebereid worden door Gods Geest, de Leraar van de gerechtigheid die de Vader gezonden heeft in de naam van Jezus Christus, om het goede zaad te ontvangen en te doen uitspruiten.
Het beeld dat Joël gebruikt, is ontleend aan de landbouw in Palestina. Daar zijn drie regenperioden. Na een zeer droge en hete subtropische zomer komt in de herfst de kentering. Omstreeks de tweede helft van oktober en begin november valt de vroege regen. Deze is nodig om de grond week te maken, zodat hij klaar is om het zaad te ontvangen en om zo ongeveer een maand later de grote massa water van de winterregens in zich op te nemen. De droge pauze tussen de vroege en de winterregens wordt dus benut om het land te bewerken, om te ploegen en de (winter)tarwe te zaaien. Blijft de vroege regen weg, dan vermeerdert het stof op verschrikkelijke wijze en kan het zaaisel de harde grond niet doorbreken. De winter is de tijd van de zware regenval, zoals het Hooglied constateert: ‘De winter is voorbij, de plasregen is over’ (2:11).
In de lente kan bij het toenemen van de warmte en droogte echter geen oogst worden verwacht, als de late regen niet valt, want dan verschrompelt het gewas en de vrucht kan zich niet ontwikkelen. Omstreeks april moet daarom de late regen vallen, die ervoor zorgt dat het tijdens de winter gegroeide graan, niet verkommert. De vroege en late regen zijn dus onmisbaar voor een goede oogst. Daarom worden zij telkens samen genoemd als bewijs van Gods goedheid (Deut.11:14, Lev.26:4). Nu volgt op welke manier God gaat ingrijpen:
‘En u, kinderen van Sion, verheug u en wees blij in de Heer, uw God, want Hij zal u de Leraar tot gerechtigheid geven’ 23a.
Allereerst denken we hierbij aan het vleesgeworden Woord, Jezus Christus (Joh.1:1), die voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid de leer bracht over de onzienlijke wereld. Hij bracht het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen. Hij wees de oorzaak aan van alle zonde, ziekte, gebondenheden en leugen. Hij ontmaskerde voor de eerste maal de nog nooit geïdentificeerde vijand en wees een weg tot ontkoming en tot overwinning aan over de satanische machten. Hij was immers gekomen om de werken van duivel te verbreken en ons zijn methode te leren. Hij kwam om de demonen te verdelgen, dit wil zeggen te verderven door hen in de afgrond te werpen. Nu schenkt de opgestane Heer aan zijn volk Gods Geest. Deze is voor ons de ‘Leraar van de gerechtigheid’, want Hij is de Geest van de waarheid, die Jezus Christus in ons verheerlijkt. Hij zal ons óók onderwijzen, zoals er staat: ‘Maar de Trooster, Gods Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u alles te binnen brengen wat Ik u gezegd heb’ (Joh.14:26).
Hij inspireert ons met dezelfde gedachten die Jezus vervulden. Door zijn onderwijs zal deze Leraar, gerechtigheid en recht op aarde herstellen. ‘Hij zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel’, dit wil zeggen van de scheiding tussen die beide. Het evangelie van het Koninkrijk zal immers over de hele wereld worden gebracht en dan zal het einde gekomen zijn. Dan blijkt dat het Woord van God in staat is geweest om te doen wat God behaagt en waarvoor Hij het gezonden heeft, namelijk: het goede, het welgevallige en het volkomene: ‘Voor een doornstruik zal een cipres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten en het zal de Heer zijn tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden’ (Jes.55:13).





