Joël 2:10-17
‘Bij die aanblik siddert de aarde, beeft de hemel. Zon en maan worden in het zwart gehuld en de sterren trekken hun licht in. En de Heer laat Zijn stem klinken voor Zijn leger uit, want Zijn leger is zeer groot, ja, machtig is Hij, Die Zijn woord uitvoert. Groot is immers de dag van de Heer en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?’ 10,11.
Door middel van de grote verdrukking gaat de Heer zijn eeuwig plan uitvoeren. De zonen van God worden openbaar wanneer de afval op het allerergst is. Zo zien wij vandaag hoe het verbasteringsproces toeneemt, terwijl er maar weinigen zijn die voor de hoge weg kiezen. Velen hebben er moeite mee, dat dit antichristelijk leger een strijdmacht van God wordt genoemd. Toch zien wij deze voorstelling van zaken ook bij het blazen van de zesde bazuin. Er is dan een stem te horen uit de vier horens van het gouden altaar, dat voor God is. Dit altaar is beeld van de zuivere gemeente, die door haar aanbidding, lofprijzing en gebeden een geestelijke wierookgeur omhoog doet stijgen. De vrouw van het Lam bereikt haar onberispelijkheid en volkomen heiligheid, uitgebeeld door het goud van het altaar, wanneer de vier engelen worden losgelaten, die bij de grote rivier de Eufraat gebonden zijn.
De val van Babylon – Het vonnis over de hoererende kerk
Ooit lag Babel aan deze stroom, beeld van de verworden kerk. Deze stad wordt door de wetteloze geesten met de grond gelijk gemaakt. Alle demonen die in de schijnkerk eeuwenlang gebonden waren, daar hun ‘schuilplaats’ vonden, worden dan in dat laatste tijdperk losgelaten: ‘En de tien horens die u op het beest zag, die zullen de hoer haten en haar verwoest en naakt maken en zij zullen haar vlees eten en haar met vuur verbranden. Zij zullen de hoer haten, ze zullen haar uitkleden, haar vlees eten en haar in brand steken. Want God heeft het in hun hart gegeven om Zijn plan uit te voeren en dit eensgezind te doen en hun koningschap aan het beest te geven, totdat de woorden van God volbracht zijn. En de vrouw die u gezien hebt, is de grote stad, die koninklijke heerschappij voert over de koningen van de aarde … Met een krachtige stem riep hij: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon en een woonplaats van demonen geworden, een schuilplaats voor allerlei onreine geesten en een schuilplaats voor allerlei onreine en weerzinwekkende vogels’ (Op.17:16-18; 18:2). De valse kerk wordt dus door de antichrist geliquideerd. Voor haar val krijgen de kinderen van God nog de raad: ‘Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen’ (Op.18:4).
Wij weten dat koning Cyrus ooit gebruikt werd om Babel te verwoesten. Deze heiden kende de ware God niet, maar vanwege deze machtige opdracht noemde de profeet hem ‘mijn herder, die al mijn welbehagen zal volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: het zal worden herbouwd en de tempel zal worden gegrondvest’. Hij wordt zelfs een ‘gezalfde’ of Messias genoemd, om het onheil te bewerken over Babel. Daarom is Kores of Cyrus een type van de antichrist. Deze verwoest immers het geestelijke Babylon en ontvangt daarom de ‘schatten van de duisternis en de rijkdommen van de verborgen (occulte) plaatsen’ (Jes.44:27-45:8).
De verdrukkingen door de antichrist zijn uiteindelijk middelen in Gods hand om het volk van God op de goede plaats te brengen in de hemelse gewesten: ‘op eigen bodem, naar eigen plaats en op de grond van de Heer’ (Jes.14:1,2). Zijn aanvallen hebben tot gevolg dat de ware gelovigen, de opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christenen, zich ontwikkelen tot sterke zuilen in de tempel van God, zodat er een gemeente ontstaat van koningen en priesters, die overwinnen zoals de Heer overwonnen heeft. Opnieuw klinkt de oproep tot vernieuwing van denken:
‘Ook nu echter, zegt de Heer, bekeer u tot Mij met heel uw hart, namelijk met vasten, met gehuil en met rouwklacht’ 2:12.
Te midden van de grote verdrukking, van de angst en van de wanhoop waarmee het volk van God in de laatste dagen geconfronteerd is, wordt de weg getoond tot ontkoming. Het wordt opgeroepen zich onverdeeld tot God te keren. Terwijl het zich losmaakt van zijn vroegere wandel, zal er verdriet zijn om de verwoesting waarin het zich bevindt en het zal rouwen om het leven dat verloren ging. Het gaat hier niet om uiterlijk gejammer, ook niet om het lopen (of fietsen) in zwarte kleren, maar om een innerlijke verslagenheid en erkenning van gemis aan leven. Alleen het eeuwig evangelie, de volle waarheid, kan nog redding bieden. ‘Het volk van God, zijn Israël, zijn besnedenen van hart.’ Het scheurt zijn hart, dit wil zeggen dat het zich naar de innerlijke mens volkomen losmaakt van satans demonen, van de inspiraties van de god van deze eeuw, die de zinnen van het afvallige christendom verblindt. Dit Israël van God breekt dan de banden met zonde en leugen. Zijn vasten bestaat niet uit het zich onthouden van eten, maar het is de radicale breuk met de onreine geestenwereld. Zo zei de profeet: ‘Is dit niet het vasten dat Ik verkies: misdadige ketens losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden en ieder juk breken?’ (Jes.58:6).
Ook in de eindtijd moet de ‘verdorven generatie’ uitvaren door bidden en vasten, dit wil zeggen door bezig te zijn in de hemelse gewesten en de wereldse genoegens te vermijden: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een arrogant en trots leven. Aan het einde van dit tijdperk leeft er een volk van God dat vrij is van dwalingen, zondige gedachten, woorden en daden en van overweldiging door ziektegeesten, dus verlost van iedere vorm van wetteloosheid. Deze ware christenen zijn door de God van de vrede geheel en al geheiligd. Hun geest, ziel en lichaam zijn onbeschadigd bewaard en onberispelijk bij de koninklijke intocht van Jezus Christus hier op aarde (1 Thess.5:23). Zij ontbinden allen die bevrijding zoeken van de knellende banden van de demonen en stellen de geestelijk onderdrukten in vrijheid. Hun optreden is na de apostolische tijd opnieuw een voortzetting van alles wat Jezus begonnen is te doen en te leren. Zij hebben zich in deze tijden van grote nood tot de Heer bekeerd met hun hele hart en worden behouden uit het verkeerde geslacht dat alle eeuwen afgeweken was van het levenspatroon dat Jezus als voorbeeld gaf. Niet alleen de ver gevorderden, ‘de ouden’, maar ook ‘de zonen en dochters’, de pas bekeerden, ‘de kinderen en de zuigelingen’ in het geloof, hebben deel aan deze redding. In deze zware tijden horen we de godsspraak: ‘Maar ook nu nog.’
In hoofdstuk 1 was het volk ook opgeroepen tot een verandering van het hart, maar we lezen niet dat van hun kant daarop een positief antwoord volgde. De afval bleef om zich heen grijpen en het ware volk van God was ‘achtergebleven als een hut in de wijngaard, als een nachthut in een komkommerveld, als een belegerde stad’ (Jes.1:8). In de eindtijd zegt de Heer echter: ‘richt je nu op het evangelie, dat je overzet in de hemelse gewesten en dat je macht geeft over de hele legermacht van de vijand.’ De boodschap van Jezus Christus gaat uit van het axioma dat God enkel goed is. Het woordje ‘God’ is identiek met het Angelsaksische of West Germaanse ‘good’, ‘goed’ en ‘gut’ (Unger’s Bible Dictionary). Zijn naam wijst op goedheid.
‘En scheur uw hart en niet uw kleren. Bekeer u tot de Heer, uw God, want Hij is genadig en barmhartig, geduldig en rijk aan goedheid en Hij heeft berouw over het kwaad. Wie weet zal Hij Zich omkeren en berouw hebben, zodat Hij een zegen achter Zich overlaat: een graanoffer en een plengoffer voor de Heer, uw God. Blaas de bazuin in Sion, kondig een vastentijd af, roep een bijzondere samenkomst bijeen. Verzamel het volk, heilig de gemeente, breng de oudsten bijeen, verzamel de kleine kinderen en de zuigelingen. Laat de bruidegom uit zijn binnenkamer gaan, de bruid uit haar slaapkamer. Laten de priesters, de dienaars van de Heer, huilen tussen de voorhal en het altaar en laten zij zeggen: Ontzie Uw volk, Heer, geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad, zodat de heidenvolken over hen zouden heersen. Waarom zouden ze onder de volken zeggen: Waar is hun God?’ 13-17.
Het geestelijke Israël is Gods erfdeel, want het is een volk wat tot alle goede werken toebereid is. Dit erfdeel moet nog tot volle ontwikkeling worden gebracht. De tijd is aangebroken dat de Heer aan zijn volk weer apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars schenkt: om de heiligen toe te rusten. Wie tussen het heilige en het brandofferaltaar blijft staan, wie geen wezenlijke priesterdienst in de tempel doet, is in de laatste dagen niet bestand tegen de wetteloze geesten van het antichristelijke leger. Volgens Openbaring 11:2 wordt de voorhof prijsgegeven aan deze invasietroepen. De afvallige kerk zal niet alleen ondergaan; maar ook zij die niet bewust de hoge weg bewandelen, zullen bezwijken. De oproep tot vernieuwing wordt nooit massaal beantwoord. De boodschap van het Koninkrijk van de hemelen wordt immers door de natuurlijke christen, hoe orthodox hij verder ook mag zijn, niet geaccepteerd en verworpen. De geschiedenis herhaalt zich, dat over een ongehoorzaam geslacht komt: ‘Zodat over u al het rechtvaardige bloed zal komen dat vergoten is op de aarde, vanaf het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja, die u gedood hebt tussen de tempel en het altaar, de plaats waar men nu opgeroepen wordt om te huilen’ (Matth.23:35).
‘Deze generatie’, waar Jezus over sprak, wordt niet alleen gevormd door de Christus verwerpende Joden, maar bestaat uit allen, vanaf Kaïn, die hoewel zij uiterlijk God dienen, toch geen ware gemeenschap door de Geest met Hem hebben. Slechts een overblijfsel van het christendom wordt behouden, volgens de regel: ‘Al zou het volk van Israël zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, slechts een klein deel zal worden gered’ (Rom.9:27). De dienaars van de heer die hun werkveld in de tempel hebben, worden als het ‘koninklijke priesterdom’, speciaal opgeroepen om te huilen en te bidden, wanneer zij de grote, ontredderde menigte in de voorhof zien. Niet de menigte daar wordt massaal opgeroepen te wenen, maar de gezalfde priesters van de Heer, wier hart met ontferming bewogen is over het onwetende, dolende en overweldigde volk. Zij moeten het voorbeeld van Jezus volgen, die door innerlijke barmhartigheid geleid, huilde over Jeruzalem. Zij moeten de Redder en de Verlosser van het volk aanroepen om bewaring en hulp.
Men denkt vaak dat men door boeteprediking en aanklachten het volk tot berouwvol wenen moet brengen, maar hierover wordt op deze plaats door Joël niet geprofeteerd. Het heeft ook geen enkel nut, want dit geschrei en geschreeuw eindigt meestal in emotionele taferelen, waar slechts het zielenleven in beweging wordt gebracht, maar niet ‘de hand van God’ tot redding. Zulke bijeenkomsten ontaarden in een schouwspel van ‘vrome’ geesten. De priesterlijke stam ontving op aarde geen bezittingen, want ‘de Heer, de God van Israël, was zelf hun erfdeel’ (Joz.13:33). Zo is het geestelijk Israël nu het erfdeel van God en Hij is hun erfdeel, wanneer zij niet aards, maar hemels georiënteerd zijn. Dan getuigen zij: ‘Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus’ (Ef.1:3).
Het ware volk van God in de eindtijd is een menigte van geestelijke mensen. Hun voorbede komt overeen met de uitroep van de weduwe in de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter. Zij vragen ook: ‘Doe ons recht tegenover onze tegenpartij’. Joël spreekt hier niet over sprinkhanen, maar hij duidt de vijanden nu rechtstreeks aan als ‘heidenen’, beeld van de boze geesten. In plaats van ‘zodat de heidenen met hen spotten’ heeft de Statenvertaling: ‘Dat de heidenen over hen zouden heersen’, net als de Septuaginta. De Vulgaat gebruikt het werkwoord ‘overmeesteren’. Wij hebben echter de blijde zekerheid dat wij het juk van de demonen zullen afschudden, want er staat: ’Ik zeg u dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen.’ Wij hanteren de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen. Deze kennis van de geestelijke wereld schept de mogelijkheid dat God al zijn beloften nog in onze dagen zal uitvoeren.

