Joël 3:16-21
‘God zal vanaf Sion brullen als een leeuw, vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken, zodat hemel en aarde zullen beven. Maar God is een schuilplaats voor Zijn volk en een vesting voor de Israëlieten’ 16.
Het is niet alleen de satan die zich voorbereidt op de grote slag bij Armageddon, ook Jezus bereidt zijn legers voor. Hij laat -in opdracht van God – ook Zíjn helden opstaan en oprukken. In vervulling gaan de woorden van God: ‘Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven’, dat is in beweging doen komen (Hebr.12:26). De gemeente, die nog op aarde is, zal tot haar volkomenheid worden gebracht en daarna in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden, om naar lichaam, ziel en geest zich bij haar Heer te voegen. De ontslapenen in Christus, die geheel in de onzienlijke wereld zijn, zullen dan opstaan en in actie komen voor deze laatste grote worsteling.
De apostel Paulus schreef over dit verzamelen van deze legers: ‘Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heer in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heer zijn. Zo dan, troost elkaar met deze woorden’ (1 Thess.4:16-20). Er is hier letterlijk sprake van een oorlogskreet, de lucht is hier beeld van de onzienlijke wereld en de wolken zijn beeld van de gemeente van Jezus Christus in verband met haar hoge positie en haar onderlinge saamhorigheid.
Het leger van het Lam
Een beschrijving van het leger van ‘het Lam en zij die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen’, vinden we in Openbaring 19:11-16: ‘En ik zag de hemel geopend en zie, een wit paard en Hij Die daarop zat, werd trouw en waarachtig genoemd. En Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid. En Zijn ogen waren als een vuurvlam en op Zijn hoofd waren vele diademen. Hij had een naam, die opgeschreven was en die niemand kent dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een in bloed gedoopt bovenkleed en Zijn naam luidt: Het Woord van God. En de legers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed in fijn linnen, wit en smetteloos. En uit Zijn mond kwam een scherp zwaard, zodat Hij daarmee de heidenvolken zou slaan. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf. En Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmige toorn van de almachtige God. Er stond op Zijn bovenkleed en op Zijn dij deze naam geschreven: Koning van de koningen en Heer van de heren.’
Het klaar maken van het leger van God dat nog op aarde is, wordt voorspeld, wanneer de engel van Jezus de rechtervoet zet op de zee, beeld van de geestelijke wereld en de linker op de aarde. De engel roept ‘met luide stem, zoals een leeuw brult’. De stem van de profeten als de stem van zeven donderslagen begeleidt dan in de gemeenten de openbaring van de zonen van God. Daarna ‘wordt voltooid het geheim van God, zoals Hij zijn knechten, de profeten (zoals Joël), heeft verteld’ (Op.10:1-7). De gemeente van Jezus Christus zal niet alleen volmaakt en zonder vlek of rimpel zijn, maar zij zal zich ook als overwinnaar openbaren op de keurtroepen van de vijand.
Met luide stem spreekt God uit Sion, de berg waarop de tempel was gelegen. In het hemelse Jeruzalem in het midden van de stad vormt de gemeente dit huis van God, want de Heer woont immers door Gods Geest in haar. Het Woord van God, Jezus Christus, zal de hemelse legers in de strijd tegen de antichrist aanvoeren. Tijdens deze laatste worsteling in de hemelse gewesten zal God blijven wat Hij altijd voor zijn volk is geweest: een schuilplaats waar het zich veilig kan voelen en een vesting, achter wier sterke muur het onaantastbaar is voor de vijand. Schuilplaats en vesting zijn beelden van Gods bescherming in het oude verbond.
De oudtestamentische gelovigen vonden in benauwde tijden hun schuilplaats bij God, maar in het nieuwe verbond woont God door Zijn Geest (en niet 1/3e godheid) in zijn volk. De gemeente vormt zijn woning en daarom past hier meer de vertaling van de Vulgata, waar de woorden ‘schuilplaats’ en ‘vesting’ overgezet zijn door ‘hoop’ en ‘kracht’. We lezen daar: ‘En God zal de hoop zijn van Zijn volk en de kracht van de kinderen van Israël.’ Inderdaad heeft de nieuwtestamentische gemeente om overwinnaar te worden haar hoop gevestigd op het woord van God en verwacht zij haar overwinning van de kracht van Gods Geest die in haar woont. Dit niet alleen voor de tijd dat zij op aarde is, maar ook voor de eindslag in de hemelse gewesten ‘in het dal van Josafat.’ De gemeente zal weten dat zij niet tevergeefs heeft geloofd en vertrouwd, want het bouwsel van de antichrist zal in elkaar storten en zijn leger worden verslagen:
‘Dan zult u weten dat Ik, de Heer, uw God ben, Die op Sion, Mijn heilige berg woont. Jeruzalem zal een heiligdom zijn en vreemden zullen er niet meer doorheen trekken’ 17.
Hoe zal dit treffen tussen het leger van God en dat van de antichrist nu gebeuren? We zeiden al dat de gemeente van Jezus Christus van de aarde zal worden weggenomen om geheel met de gestorven heiligen te worden ingezet. Het hoofd van de antichristelijke gemeente zal proberen zich ook in een ondeelbaar ogenblik te transformeren, terwijl zijn legers in een grote spiritistische seance of tijdens een transcendente meditatie uit hun lichaam zullen treden om zich te verzamelen rond de antichrist in het dal van de beslissing.
De overwinning is voorspeld. Iedereen zal weten dat Gods plan wordt uitgevoerd en de mens van God, gedoopt met Gods Geest, zal met de Vader en de Zoon voor eeuwig op de troon zitten: ‘En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers bijeen verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger. En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet, die in zijn tegenwoordigheid de tekens gedaan had, waardoor hij hen misleid had die het merkteken van het beest ontvangen hadden en die zijn beeld aanbeden hadden. Deze twee werden levend geworpen in de vuurpoel, die van zwavel brandt. En de overigen werden gedood met het zwaard van Hem Die op het paard zat, namelijk het zwaard dat uit Zijn mond kwam. En alle vogels werden verzadigd met hun vlees’ (Op.19:19-21).
Over de nederlaag van het antichristelijke leger profeteerde Paulus, dat de Heer Jezus de wetteloze zal doden door de adem van zijn mond en machteloos zal maken door zijn verschijning, als Hij komt (2 Thess.2:8). In Openbaring 11:13 wordt gezegd dat in deze strijd een tiende deel van de stad Babylon instortte, want de gemeente van de antichrist is de bovenbouw van de hoererende kerk, waarbij het occultisme van alle heidense godsdiensten zich verzamelt onder tien koningen. De keurtroepen van de antichrist keren na hun nederlaag niet meer in hun lichamen terug, maar worden rechtstreeks afgevoerd naar het dodenrijk. Daarom kan gezegd worden dat een tiende deel van de stad instortte en zevenduizend personen (een symbolisch getal) door de aardbeving werden gedood. De overigen werden doodsbenauwd en kregen te maken met de voorspelde grote angst, waarvan Joël in het voorgaande vers sprak.
In Armageddon staan de twee uitersten tegenover elkaar: onze trouwe en waarachtige God tegenover de satan, een verterend vuur. In Hebreeën 12:29 hebben de vertalers het woordje ‘is’ ingevoegd, maar dit komt in het oorspronkelijke niet voor. Er staat: ónze God – een verterend vuur! Wij moeten daarom ‘onze’ God vereren op een Hem goeddoende manier met eerbied en ontzag. Dan kunnen wij ook de antichrist overwinnen die zichzelf vertoont ‘dat hij God is’ (2 Thess.2:4 St. Vert.). Het leger van Christus zal overwinnen en Gods plan met de mens zal gerealiseerd worden. Het koningschap over de wereld is dan gekomen aan onze Heer en aan zijn gezalfde, dat is de gemeente en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden (Op.11:15). Dan ‘zal Jeruzalem een heiligdom zijn’, dit wil zeggen dat dan allen die de verzoening door Jezus Christus in geloof hebben aangenomen, ook afgezonderd zullen zijn van de machten van de duisternis. Deze ‘vreemde’ geesten zullen er niet meer doortrekken.
In onze tijd trekt de duivel tussen de kinderen van God nog rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij kan misleiden, verleiden of verslinden. Dan zal echter ook de satan zelf met zijn trawanten worden afgevoerd naar het dodenrijk. Op aarde komen dan de tijden van verademing en ontspanning, die het vrederijk inluiden.
‘Op die dag zal het gebeuren dat de bergen van jonge wijn zullen druipen, de heuvels van melk zullen stromen en alle waterstromen van Juda zullen overlopen van water. Een bron zal uit het huis van de Heer ontspringen, die het dal van Sittim zal bevochtigen’ 18.
Hierbij denken we aan het begin van dit hoofdstuk, waar gesproken wordt over de tijd, dat God een verandering zal brengen in het lot van zijn volk. Dan stort Hij Zijn Geest uit op alles wat voor Hém leeft. Het geestelijke leven dat droog en dor was, zal dan verfrist en vernieuwd opbloeien en een overvloedige oogst opleveren. Op de bergen zullen de wijndruiven een rijke hoeveelheid jonge wijn of most opleveren. De heuvels die door de lange droogte kaal waren, zullen weer groen worden en het vee zal een grote opbrengst aan melk geven. Er zal zoveel regen vallen, dat de beken van Juda vol zullen stromen met levend water. In de onzienlijke wereld overgebracht, betekent dit dat het geestelijke leven tot een zeer rijke en heerlijke ontplooiing zal komen en tot een hoog niveau, want: ‘Aan het einde van de tijden, zegt God, zal ik over alles wat voor God leeft, mijn Geest uitgieten. Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten. Ja, over al mijn dienaren en dienaressen zal ik in die tijd mijn geest uitgieten, zodat ze zullen profeteren’ (Hand.2:17,18).
Stromen van levend water
De bron of de fontein die in het huis van God ontspringen zal, is beeld van Gods Geest. Zo zei Jezus: ‘Stromen van levend water zullen ontspringen uit het hart van wie in Mij gelooft, zo zegt de Schrift. Hiermee doelde hij op de Geest die zij die in Hem geloofden zouden ontvangen; Gods Geest was er namelijk nog niet, want Jezus was nog niet verheerlijkt’ (Joh.7:38,39).
Gods Geest, die door en vanuit de kinderen van God werkt, zal het dal van Sittim bevochtigen. Sittim is volgens de kanttekenaars van de Statenbijbel ‘gelegen aan de oostzijde van de Jordaan, in de vlakke velden van de Moabieten, tegenover Jericho, nabij de Zoutzee of Dode Zee, waarvan de wateren dodelijk waren en de aangrenzende streken droog en onvruchtbaar maakten’. Na de woestijnreis was Sittim de laatste plaats waar het volk Israël zich opstelde, voordat het Kanaän binnentrok. Het was toen wel het volk van God, maar het was nog niet door de Jordaan getrokken en het woonde ook nog niet in Kanaän. De doortocht door de Jordaan is in de geestelijke wereld beeld van de doop in water en met Gods Geest. De Jordaan symboliseert de scheiding tussen de natuurlijke en de geestelijke wereld. Wie er doorgetrokken is, begint een nieuw leven in het Koninkrijk van de hemelen of in het hemelse Kanaän.
Bij het doortrekken van de Israëlieten stond de ark in het midden van de rivier en allen die het leven in een andere dimensie wensten, liepen er langs. De ark is beeld van de tegenwoordigheid van God in het volk van God, dus van Gods Geest. In de ark lag de wet, wat in het nieuwe verbond betekent dat Gods Geest zijn wetten in het binnenste van zijn volk legt, in hun verstand en in hun hart (Hebr.8:10). Ook Jezus zelf ging eenmaal langs de ark, toen Hij in water werd gedoopt en daarna Gods Geest ontving op zijn gebed.
Veel kerkgangers zitten nog in Sittim, hoewel ze zichzelf ‘christelijk’ noemen. Ze hebben zich nooit bekeerd, laat staan het Bijbelse fundament gelegd, ze zijn niet door de Jordaan getrokken waar de ark zich bevindt. Om in het hemelse Kanaän te komen moet de gelovige langs een weg gaan, die het christendom ‘noch gisteren noch eergisteren’ getrokken is (Jozua 3:4). De christen moet gedoopt worden IN water en MET Gods Geest. Dan pas kan het overvloedige leven beginnen. Joël profeteert nu dat de bron of de fontein, die in de laatste dagen zal ontspringen in het huis van God, dat is in de gemeente, ook het dorre en dode dal van Sittim zal bevloeien en doordrenken. Wanneer de zonen van God geopenbaard worden, zullen zij de redding doorgeven aan allen die deze weg ook willen gaan.
‘Egypte zal worden tot een woestenij, Edom zal worden tot een woeste wildernis vanwege het geweld tegen de Judeeërs: in hun land hebben zij onschuldig bloed vergoten’ 19.
Wat gebeurt er nu met de goddeloze, maar ook met de godsdienstige wereld, die onverschillig staat ten opzichte van Christus? De profeet spreekt eerst over Egypte, beeld van de Godvijandige, zondige wereld, die van God vervreemd is. Egypte onderdrukt het volk van God en houdt het tegen om de weg naar Kanaän te gaan. Wanneer de tijd komt dat God zijn volk afzondert en over de ware gemeente zijn licht doet opgaan, valt er een Egyptische duisternis over het leven van de wereldling en over de ontrouwe kerk die aan de wereld gelijkvormig is geworden. Door radeloze angst zal ook het natuurlijke leven in Egypte wegkwijnen en tot een woestijn worden. Hetzelfde geldt voor Edom, beeld van ‘christenen’ die geen waarde hechten aan het offer door Jezus gebracht en die daardoor geen geestelijk leven in zich hebben. Zij verachten, zoals eenmaal Ezau, de beloften en zegeningen van de Heer en in de dag van de Heer missen zij ook de blijdschap van het natuurlijke leven. Ook zij vormen samen een woeste wildernis.
Deze diep gevallen ‘christenen’ worden in de eindtijd een prooi van de demonen, zoals in Jesaja 34:13-15 over Edom wordt geprofeteerd: ‘In zijn paleizen zullen dorens opschieten, netels en distels in zijn vestingen. Het zal een woonplaats voor jakhalzen zijn, een rustplaats voor struisvogels. Wilde woestijndieren zullen daar hyena’s tegenkomen, de bok zal naar zijn metgezel roepen; ja, daar zal het nachtelijk ongedierte tot rust komen en voor zichzelf een rustplaats vinden. Daar zal de pijlslang nestelen, eieren leggen, uitbroeden en haar jongen koesteren in haar schaduw; ja, daar verzamelen zich de wouwen, de ene bij de andere.’
Dit Edom komt overeen met het grote Babylon dat verworpen wordt, waarover Johannes in Openbaring 18:2 schreef. ‘Zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte.’ Het oordeel over Edom vindt zijn grond in hetzelfde kwaad als Babylon deed. In beide: ‘werd gevonden het bloed van profeten en heiligen en van allen, die geslacht zijn op de aarde’ (Op.18:24). Zo gaan de wereld en het schijnchristendom door een invasie van demonen ten onder.
‘Maar Juda zal voor eeuwig blijven, Jeruzalem van generatie op generatie. Ik zal hun bloed voor onschuldig houden, dat Ik niet voor onschuldig gehouden had. En God zal wonen in Sion’ 20,21.
Juda en Jeruzalem zullen niet worden weggedaan. Zij vertegenwoordigen dat gedeelte van het christendom dat na de slag van Armageddon nog op aarde is overgebleven. Van de organisaties van de grote wereldreligies blijft echter niets over. In Openbaring 16:19 staat in de Canisiusvertaling: ‘En de grote stad scheurde in drie delen uiteen; de steden van de heidenen stortten in.’ Dit betekent dat een deel van de inwoners van Babylon aan de oproep gehoor gaven om uit hun stad te trekken, om ‘niet deel te nemen aan haar zonden en geen deel te krijgen van haar plagen’. Zij vormden de ware gemeente van Jezus Christus die bij de zevende bazuin werd weggenomen van de aarde. Uit een ander deel rekruteerde de antichrist zijn leger dat in de slag van Armageddon werd ingezet. Het derde deel vertegenwoordigt de naamchristenen, die zich niet lieten bevrijden van de in hen wonende demonen. Hun leven was daarom niet volmaakt en ‘onschuldig’.
Ook zei Jezus in Mattheüs 10:23 letterlijk, dat zijn dienstknechten de steden van Israël, beeld van de kerken en de kringen, in geen geval tot volmaaktheid zouden hebben gebracht, voordat de Mensenzoon komt. Er blijft dan nog een categorie over, die bij de terugkomst van de Heer de boodschap van het eeuwig evangelie of niet gehoord hebben, of haar niet aanvaard hebben. In het duizendjarige vrederijk zal echter ook voor hen verlossing mogelijk zijn en dan zullen deze bevrijde zielen ‘onschuldig’ worden verklaard door middel van de gemeente, die op de troon van God heeft plaats genomen en wier leden als koningen met Jezus voor eeuwig zullen heersen vanuit Sion, waarin God tabernakelt in zijn gemeente.


