
- ‘Weer een ander deel viel tussen de distels en toen die opschoten verstikten ze het zaaigoed’ (Matth.13:7).
- ‘Het zaad dat tussen de distels is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen, maar bij wie de zorg om het dagelijkse bestaan en de verleiding van de rijkdom het woord verstikken, zodat het zonder vrucht blijft’ (Matth.13:22).
In Palestina houdt de groei van het zaad meestal gelijke tred met die van het onkruid, dat zich vaak in de breedte sterk ontwikkelt en het graan dreigt te verstikken. Het aantal soorten onkruid is groot en voor een belangrijk deel horen ze bij de ‘dorens en distels’ die de aarde vanwege de vloek opbrengt. Vooral de Jodendoorn met zijn onuitroeibare wortelstokken bedreigt het zaad. Nog steeds is de Heer bezig om voor het luisterende oor en het ziende oog de geheimenissen van het onzichtbare Koninkrijk van de hemelen te ontsluieren. In deze onzienlijke sfeer hebben zowel het goede als het kwade hun oorsprong. Het is daarom noodzakelijk hier alle aandacht aan te besteden en er ruime kennis over te verzamelen. Jezus waarschuwt de mens die het woord van het Koninkrijk met instemming hoort, dat hij niet door de beslommeringen of zorgen van het leven zijn doel zal missen. Het is eenvoudig onmogelijk de volmaaktheid in twee werelden na te jagen. Wil men in het Koninkrijk van God vooruitkomen – ‘dit eerst zoeken’ – dan zal men wat de aardse dingen betreft, wel eens iets door de vingers moeten zien.
Uitdrukkelijk waarschuwt de Heer ons hier voor een perfectionisme dat zich op de zienlijke wereld richt. Wie zijn auto iedere dag wil laten glanzen, zal merken dat deze bij het gebruik toch direct weer vuil wordt. Ook de Farizeeën waren zulke perfectionisten in het uitwendige. Jezus noemde ze immers witgepleisterde graven. Zij leken naar buiten wel rechtvaardig, maar van binnen waren zij ‘vol huichelarij’ (Matth.23:27,28). De Heer wil juist de onberispelijkheid in de onzienlijke wereld. Daar moet het streven van zijn volk in de eerste plaats op gericht zijn. Paulus beleed: ‘Ik streef ernaar dat ik het bereiken al’ (Fil.3:12). Tegen een leerling zei de Meester dat zij zich over veel dingen bezorgd maakte. Hij maakte haar duidelijk dat er slechts een ding noodzakelijk is (Lucas 10:41,42): ‘Vraag je dus niet bezorgd af: ‘Wat zullen we eten?’ of: ‘Wat zullen we drinken?’ of: ‘Waarmee zullen we ons kleden?’ – dat zijn allemaal dingen die de heidenen najagen. Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben. Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden’ (Matth.6:31-33).
Veel naamchristenen leven aardsgezind in tegenstelling met hun belangstelling in de dingen van het Koninkrijk van God. Daarom gaan zij veel compromissen aan met allerlei goddeloze partijen. Door het jagen naar de schatten van deze eeuw en naar de eer van mensen, komen er dorens en distels in veel variëteiten op, zodat het goede zaad verstikt. De gerichtheid op de toekomstige eeuw zou het goede zaad echter doen ontspruiten en opgroeien.
Al is een akker bewerkt en besproeid, wanneer hij uiteindelijk geen goede vrucht voortbrengt maar wel dorens en distels die wetteloos en nutteloos zijn, dan voldoet de opbrengst niet aan de verwachting: deze werken worden prijsgegeven aan de machten van de duisternis of verbrand (Hebr.6:8). Paulus schreef over zulke christenen dat hun werk zou verbranden en zij zelf schade zouden lijden; zij zullen het doel van God niet bereiken. Het Koninkrijk van God kent geen tobbers, zwoegers of bezorgde figuren, maar alleen koningen en priesters. Het is daarom niet nodig, dat zij die in de dienst van de Heer staan, bidstonden moeten houden of geloofs worstelingen moeten hebben voor de zichtbare dingen: de nieuwe jas voor hun vrouw of de schoentjes voor hun kinderen. Het zal hun worden toegeworpen, als zij zich allereerst bezighouden met het Koninkrijk van God. Ook zijn de werkers in Gods Koninkrijk niet afhankelijk van de aardse ‘rijken’ of van de welwillendheid van ongelovige, medelijdende familieleden, die hun wat toestoppen. De apostel schreef: ‘Wie gaat er nu op eigen kosten in het leger?’ en ‘Iemand die in krijgsdienst is, laat zich niet afleiden door het leven daarbuiten, want zijn bevelhebber moet tevreden over hem zijn’ (1 Cor.9:7; 2 Tim.2:4).
Het is ook verwerpelijk dat een geroepene een geestelijk werk opbouwt, waardoor hij tegelijkertijd verplicht wordt zich intensief met allerlei natuurlijke zaken bezig te houden. De beslommeringen van deze wereld zullen dan het goede zaad verstikken. De gemeenschap met zijn Heer en het geestelijke werk komen dan onherroepelijk in de knel. Zo zijn er voorgangers die zelfs geen tijd meer hebben voor Bijbelstudie of gelegenheid om hun boodschap voor te bereiden. Men moet zich in dit opzicht niet laten bedriegen door schijnredeneringen, maar zichzelf onderzoeken of men wel in het geloof staat, of het aardse dan wel het hemelse prevaleert. Onder de vele dorens noemt Jezus nog het bedrieglijke van de rijkdom. Een rijke kan moeilijk het Koninkrijk van God binnengaan. Men kan geen twee heren dienen: ‘Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon’ (Matth.6:24).
Hoort u bij het establishment dat zijn aards bezit zo hoog stelt dat het er niet van gescheiden kan worden, of ‘zoekt u de dingen die boven zijn, waar Christus is’ (Col.3:1)? De dorens overwoekeren het goede zaad. Men is dus gewaarschuwd, want verstikking van het graan kan de dood tot gevolg hebben. In ieder geval betekent het: onvruchtbaarheid of het ‘nooit tot rijpheid komen’, zoals de Canisiusvertaling in Lucas 8.14 luidt. De zonen van God kunnen dan niet geopenbaard worden. Dezen immers kunnen hun blijmoedigheid bewaren, ook al wordt hun bezit ontnomen (Hebr.10:34). Er gaat in de religieuze wereld een waarschuwing uit tegen een grote misleiding waardoor miljoenen belijders verstrikt raakten en die omschreven wordt met de woorden: ‘want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht – dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld’ (1 Joh.2:16).
Ook in Lucas 8:14 is in verband met de dorens sprake van de ‘lusten van het leven’ die het goede zaad kunnen verstikken. Het laatste Bijbelboek tekent ons het grote Babylon de stad van de afval. Deze is geheel ingesteld op uiterlijk vertoon, wereldzin, schatten van de aarde, geld, kunst, statuur, wetenschap en kennis van natuurlijke zaken. Maar in deze stad wordt ook gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen die zich geheel instelden op de onzienlijke wereld. Gelukkig zijn echter zij die met Mozes zeggen: ‘de smaad van is Christus hoger dan de schatten van Egypte’ (Hebr.11:26).
In goede aarde
- ‘Maar er viel ook wat zaad in goede grond en dat bracht vrucht voort, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. Laat wie oren heeft goed luisteren!’ (Matth.13:8).
- ‘Het zaad dat in goede grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en begrijpen. Zij dragen dan ook rijkelijk vrucht, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig’ (Matth.13:23).
Op een deel van de bezaaide akker zijn geen voetpaden, zijn er geen stenen in het land en is de grond zuiver, open en vrij. Hier komt de boer steeds naar kijken en zullen de maaiers als de tijd rijp is vrolijk de sikkels in het koren slaan. Ook al is in die ene hoek de grond niet overal van dezelfde vruchtbaarheid, ook al hebben wind en zon op de ene plaats vrijer spel dan op de andere, er is een rijke oogst. Met dertigvoudig is de boer tevreden, maar het kan zelfs verdubbeld worden. De Bijbel vertelt ons hoe Izak zelfs een jaar had dat hij een honderdvoudige oogst bijeenhaalde (Gen.26:12).
Jezus spreekt hier over de doorwerking van het eeuwig evangelie in het hart van de mens, de akker waarop het zaad valt. Er komt geen hocus pocus aan te pas. De satan komt bij wie het woord niet verstaat en rooft het zaad weg. Er is geen uitverkiezende genade die de snavels van het verfoeilijke gevogelte dichtsnoert. De hoorder zal allereerst het woord van God moeten begrijpen anders werkt het niet. Wanneer het zaad op de steenachtige bodem komt, is er geen geheimzinnige kracht die de plant toch voldoende vocht verschaft, zodat hij vrucht kan dragen. De stenen moeten er eerst uit: de mens moet bevrijd en verlost worden. De wonderbare korrel is niet sterker dan de dorens en de distels die mee opgroeien, want: ‘wie de wereld liefheeft, de liefde van de Vader is niet in hem’ (1 Joh.2:15).
Wat op de goede aarde gezaaid wordt, is het beeld van het evangelie van het Koninkrijk dat in het hart valt van een mens die het begrijpt en die ook veel vrucht draagt. Hij moet het woord dus allereerst horen, want ‘het geloof is uit het horen’ (Rom.10:17). Het geloof richt zich door de juiste boodschap op Christus. Het wil iets vastgrijpen en daarom is het noodzakelijk dat zo’n persoon het woord verstaat. Wie dagelijks een of meer hoofdstukken in zijn Bijbel leest zonder dat hij de bedoeling en de gedachte ervan opneemt, heeft er geen profijt van. Het is hem van even weinig nut als de rooms-katholiek die zijn ‘Weesgegroetjes’ bidt of de boeddhist die zijn gebedsmolen draait. Het heeft ook weinig nut teksten af te drukken en uit het hoofd te leren zonder dat men weet door wie, tot wie en in welk verband zij uitgesproken zijn. Kennis van deze dingen is nodig om de juiste bedoeling van de Bijbel te begrijpen. Wij denken bijvoorbeeld aan het gebruik van teksten door Jezus en satan bij de verzoeking in de woestijn. Het is onmogelijk iets “onbegrepen aan te nemen…” en toch de strijd tegen de satan vol te houden, want deze komt en rooft ‘wat in zijn hart gezaaid is’ (Matth.13:19). Men kan het zwaard van de Geest, Gods Woord, alleen hanteren als men een geoefende in de strijd is. In het begrijpen van het woord ligt de eenwording met de gedachten van God. Het gevolg hiervan is dat men er ook naar gaat handelen.
De doop met Gods Geest
Van het allergrootste belang is daarbij dat men Gods Geest ontvangen heeft. De Heer zei: ‘Hij zal u de weg wijzen tot de volle waarheid dus inzicht geven in het hele plan van God’ en: ‘Hij zal Mij verheerlijken’, dus veel vrucht in u tot ontwikkeling brengen, ‘want Hij zal het uit het mijne nemen en het u vertellen’, dat is het in gedachten brengen (Joh.16:13,14). De Woorden van God moeten gehoord, begrepen, verwerkt en gerealiseerd worden. Men moet de weg niet alleen kennen, maar deze ook gáán. Men moet in vrees of in eerbied voor de wil van God leven en ontzag hebben voor zijn geboden. Daarom zal de gelovige bang zijn om de zonde te doen en steeds waakzaam zijn, want de satan ligt op de loer. Zo wordt vervuld: ‘Blijf u inspannen voor uw redding en doe dat in diep ontzag voor God, want het is God die zowel het willen als het handelen bij u brengt, omdat dit Hem blij maakt’ (Fil.2:12,13).
Tegenwoordig menen velen dat met vruchten dragen evangelisatiewerk of zending bedoeld wordt, waardoor grote organisaties en kapitale gebouwen gebouwd zijn. Deze uitdrukking zou dan een synoniem worden van het bedrijven van allerlei handel in de dienst van de Heer (vaak op kosten van anderen!). Naarmate men uitgebreider werk doet, meer doet aan ontwikkelingshulp, charitatieve doeleinden, het stichten van scholen of aan medische zending (alweer op kosten van anderen!), zou men meer vrucht dragen (meestal voor aanzien en vooral zichzelf…).
Het ligt echter niet in de bedoeling van de landbouwer om in de oogsttijd een kolossaal veld met kleine plantjes te hebben, maar wel om rijp graan binnen te halen. Dit neemt niet weg dat ieder echt kind van God, volwassen of onvolwassen, altijd graag een getuige van de Heer wil zijn en erop uit is om zielen te winnen. In het natuurlijke leven zal hij ook niet achteraan komen bij het helpen van zijn naaste en bij het bewijzen van barmhartigheid; daarover wordt in deze gelijkenis niet gesproken, maar dit is vanzelfsprekend. Het gaat hier over een geestelijk rijpingsproces en ‘wanneer de vrucht rijp is, laat hij er direct de sikkel inslaan, omdat de oogsttijd aangebroken is’ (Marcus 4:29). Wanneer iemand geopende oren en ziende ogen heeft, ontvangt hij het evangelie als een zaad dat de wortels diep in zijn levensakker inslaat. Dit is de voorwaarde om altijd vocht te kunnen opnemen en niet te verdorren. Op deze manier komt het koren tot rijpheid. In Lucas 8:15 staat: ‘En vrucht dragen in volharding’. De mens volhardt als het zaad diep geworteld is en dus contact heeft met Gods Geest, het Levenswater. Verlies daarom toch niet het doel van het evangelie van het Koninkrijk uit het oog. Paulus definieerde dit zo: ‘Zodat de mens van God volkomen is, tot alle goede werken volkomen toegerust’ (2 Tim.3:16). Het gaat om een gemeente, ‘stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet’ (Ef.5:27). Wij hebben immers de belofte dat het woord van God niet leeg tot Hem zal terugkeren, maar dat het zal doen wat Hem blij maakt en alles zal doen waarom Hij het uitgezonden heeft‘ (Jes.55:11).
De rijpe vrucht komt overeen met de gezaaide korrel, het woord van God, dat is Jezus Christus. Wij zullen aan zijn beeld gelijk zijn, dit wil zeggen denken en handelen zoals Hij en de werken doen, die Hij gedaan heef ja, zelfs nog grotere (Joh.14:12). De volgorde: honderd, zestig, dertigvoudig, ziet niet op een geestelijke achteruitgang, zoals soms geleerd wordt. Men gaat dan van de gedachte uit, dat de gemeente van Jezus Christus steeds verder terug zal gaan in aantal en in kracht naarmate de komst van de Heer dichterbij komt. In Marcus 4:20 staat de volgorde echter in een opklimmende reeks: dertig, zestig en honderdvoudig. Wij merken op dat in alle drie gevallen sprake is van geheel rijp koren. De betekenis loopt parallel met de gelijkenis van de talenten in Matth.25:14-30. Om de volmaaktheid te kunnen bereiken en om goede werken te kunnen te doen, heeft men de gaven van Gods Geest nodig. Deze talenten worden echter uitgedeeld naar ieders geschiktheid of vermogen.
De gelijkenis sluit af met een beroep op onze aandacht: ‘Laat wie oren heeft goed luisteren!’ Velen zullen immers het woord horen en het niet begrijpen (vers 13). Maar de mens met het geestelijke oor wordt door dit woord opnieuw geboren of vernieuwd in zijn denken (1 Petr.1:23). Door het geloof aan dit woord ontstaat dan de geestelijke mens die ‘van boven is’, dus die iedere situatie beziet vanuit zijn positie in de hemelse gewesten. Deze streeft naar de mannelijke volwassenheid en houdt zich daarbij vast aan het woord van de waarheid (Ef.4:13-15). De schone, rijpe gave korrel is de openbaring van de vrucht van Gods Geest die in de opnieuw geboren christen is. Hij is het voortbrengsel van de volmaakte liefde van God, die zich richt op: het herstel, de verlossing, de genezing, de onberispelijkheid en de groei van het lichaam van Christus.
Wanneer de Heer deze gelijkenis beëindigt met op het rijke, vruchtdragende leven te wijzen als resultaat van het woord van God bewijst dit dat het gave rijpe graan niet alleen het verlangen van de hemelse Landman is, maar ook zijn doel dat Hij gerealiseerd wil zien. Velen menen – zoals de afschuwelijke zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus het uitdrukt – dat:
- ‘De aller heiligsten zolang zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel van de gehoorzaamheid kunnen verwerkelijken en dat zij zondaars blijven tot de dood toe…’
Wanneer naamchristen deze belediging heerlijk vinden en daardoor innerlijk met de zonde verbonden blijven, betekent dit dat zij dubbelhartige mensen zijn en dezen ‘moeten niet denken, dat zij iets van de Heer zullen ontvangen, innerlijk verdeeld als zij zijn’ (Jac.1:7). Zij moeten ook niet denken dat zij tot een volkomen en rijpe vrucht zullen uitgroeien. Hun harten zijn geen goede aarde en deze is nodig om goede vruchten voort te brengen.
Deze eerste gelijkenis eindigt met te wijzen op christenen die na hun rechtvaardiging door het geloof, de redding ervaren hebben en daarom een goede bodem vormen ‘van het evangelie van de heerlijkheid van Christus’ (2 Cor.4:4), dat zonen van God voortbrengt en garant staat voor een algehele overwinning op het rijk van de duisternis en dat wel aan deze kant van het graf, want hun werken bepalen voor eeuwig hun geestelijke statuur in het Koninkrijk van God. Zonder einde.

