6. Leven als kinderen van God

1 Johannes 3:1-10

Zie, hoe groot is de liefde die de Vader ons gegeven heeft: dat wij kinderen van God worden genoemd. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent 1.

De liefde van de Vader voor de wereld en zijn nooit aflatende positieve houding ten opzichte van de mens blijken wel uit het offer dat zijn Zoon vrijwillig bracht. De apostel schreef al in de bekendste tekst van het Nieuwe Testament: ‘Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Zijn eniggeboren Zoon zijn leven vrijwillig gegeven heeft, zodat ieder, die in de Zoon gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (Joh.3:16). In de vier letters van het woordje ‘alzo’ ligt de mateloze barmhartigheid en ontferming van onze Heer Jezus, want Hij bracht met zijn leven als Lam van God, de verzoening tot stand voor alle mensen. God wil door zijn Zoon dus het hele menselijke geslacht genadig zijn.

Voor degenen die Jezus aangenomen hebben, wordt een nog grotere liefde geopenbaard. Zij hebben namelijk de macht gekregen om kinderen van God te worden (Joh.1:12). Dit is het begin van een enorme rijkdom aan genade die de Vader door zijn Zoon, de verzoende mens aanbiedt. Ieder wiens schuld vergeven is, mag zich een kind van God noemen. Dit geldt voor ieder die het woord van God gelooft en aanneemt. Men hoeft hieraan niet te twijfelen, want Johannes zegt: ‘Wij zijn het ook!’ Wie in de naam van de Zoon van God gelooft, weet stellig dat hij eeuwig leven heeft, zoals er staat: ‘Zodat u weet, dat u eeuwig leven hebt’.

De wereld weet niets van deze schuldvergeving en van de aanneming tot kinderen of zonen. Zij weet niet dat wij door God geadopteerd zijn als kinderen, zoals in Romeinen 8:15 letterlijk staat: ‘Maar u hebt ontvangen een geest van adoptie’, dat is het aannemen tot zonen. Waarom kent de wereld ons niet? Omdat zij God niet kent en zijn gedachten en zijn plannen voor haar vreemd en onbekend zijn. De wereld let alleen op wat zichtbaar is en kent niet de plaats die de kinderen van de hemelse Vader in de onzienlijke wereld innemen.

Geliefden, nu zijn wij kinderen van God en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat, als Hij geopenbaard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is 2.

Alle kinderen van God worden nu aangesproken als ‘geliefden’. Ze worden bemind door de Vader in de hemel die plezier in hen heeft, maar ze zijn ook onderling door de liefde verbonden. De kinderen van God zijn op weg naar een steeds heerlijker openbaring. Johannes weet dat zij de volle kennis van de Zoon van God nog niet bereikt hebben, de mannelijke volwassenheid, de statuur of de maat van de grootte, of de ontwikkeling van de volheid die Christus bezat (Ef.4:13). Net als Paulus is ook Johannes echter overtuigd dat zij zullen groeien, terwijl zij zich aan de waarheid en de liefde houden. Zo zullen zij gelijkvormig worden aan het beeld van Jezus. De tijd zal aanbreken dat Christus volkomen in hen zal worden geopenbaard en de gelovigen Hem zullen kennen, zoals zij zelf gekend zijn en naar zijn beeld zullen zijn veranderd. Zij zullen Hem zien naar zijn wezen en daarmee dus God zelf naar zijn wezen hebben doorgrond. Zij zullen de goddelijke natuur deelachtig zijn.

In het paradijs stelde de slang het voor, alsof God niet zou tolereren dat de mens Hem ooit gelijk zou zijn. Het nieuwe verbond stelt deze mogelijkheid wel. We zullen, als wij doorgroeien, één worden met de Vader en de Zoon. Dan is de absolute scheiding tussen goed en kwaad in ons tot stand gekomen. De overste van deze wereld is dan volkomen buiten geworpen en de mens van God is volmaakt en tot alle goede werken volmaakt toegerust. Het oordeel of de scheiding wordt tot overwinning gebracht. Wij zijn dan één in denken, één in gerechtigheid, één in waarheid, één in liefde en één in barmhartigheid. Het ‘Hem gelijk zijn’ wijst op een geestelijke overeenkomst, waarbij de inwendige mens van de ware christen zich volkomen heeft geconformeerd met de Vader en de Zoon, die door Gods Heilige Geest in hem wonen.

Let erop dat Johannes niet aan de kinderen schrijft dat zij maar klein moeten blijven en dat God plezier heeft in minderwaardigheidsgevoelens t.o.v. Hem. Geen aardse vader denkt er immers aan om zijn kinderen bij te brengen dat zij klein moeten blijven. Zo wil ook de hemelse Vader ons volwassen laten zijn. Paulus zag de uiteindelijke overwinning van de mens van God, toen hij weggevoerd werd naar het paradijs en daar onuitsprekelijke dingen hoorde. Wat in het natuurlijke hart nooit is opgeklommen, dat heeft God weggelegd voor degenen die Hem liefhebben. Er zal een volk op de troon van God zitten en met Hem regeren over al de werken van zijn handen. God is een enkel goede god.

En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is 3.

De hoop die wij bezitten, is, dat wij kinderen van God zijn, die in het Koninkrijk van God zullen opgroeien tot zonen, die het beeld van Jezus gelijkvormig zijn. Wij verwachten dan de Vader en de Zoon volkomen zullen kennen, ja zelfs gelijk zullen zijn aan Jezus die het aan God gelijk zijn geen roof hoefde te achten en die de uitdrukking is van het goddelijke wezen. Wij zullen dus gemeenschap met de Heer hebben op zijn hoog niveau. Ieder die deze machtige verwachting koestert, zal de noodzaak inzien om de hoogte van Jezus te bereiken. Zo’n christen weet dat hij zich dan reinigen moet van alle ongerechtigheid, want ook Jezus is rein. Rein wil zeggen dat ieder contact met de satan verbroken is. Wanneer de Bijbel herhaaldelijk spreekt van reiniging en rein worden, is het wel zeer duidelijk dat zonde en ongerechtigheid niet bij het wezen van de mens horen, zoals de erfzondeleer dit stelt. Bij reiniging wordt het vuil weggenomen dat erop en eraan zit. Na zijn grote zonde spreekt David niet over zijn verdorven natuur, maar hij bidt: ‘Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein, was mij, dan ben ik witter dan sneeuw’ (Ps.51:9).

Hoe worden wij rein en hoe kunnen wij onszelf reinigen? Jezus zei tegen de Farizeeën dat zij eerst de inhoud van de beker moesten reinigen, want dan zou de beker van buiten vanzelf rein worden (Matth.23:26). De Farizeeën wilden zich uiterlijk rein en vroom voordoen, maar hun gedachteleven was vol boosheid. De innerlijke reiniging, dus die van het hart, gebeurt door het woord van God. Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘U bent nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb’ (Joh.15:3). Ze hadden het woord van hun Heer aanvaard en bewaard en dit had hun gedachteleven losgemaakt van de inspiraties van de duivel. Ze waren vernieuwd in hun denken en later konden zij, gesteund door Heilige Geest die in hen was, duidelijker de woorden van God verstaan en ontvingen zij ook de kracht om het waarachtige leven door goede werken te openbaren.

Men kan zich dus reinigen door de vernieuwing van zijn gedachten en door zich bewust open te stellen voor de beïnvloeding van Heilige Geest. Door het bloed van Jezus worden wij gereinigd van de schuld die achterblijft nadat wij zondigen. Door dit bloed worden wij echter niet verlost van de machten van de duisternis die in ons wonen. Wanneer wij weten dat wij van onze zondeschuld bevrijd zijn, bidden wij om Gods Heilige Geest. Deze ontvangen wij, maar Zijn inwoning kan niet samengaan met die van de machten van de duisternis, die al zo lang binnen zijn. Dat moet gaan botsen. De Heilige Geest zal ons daarom overtuigen van onze gebondenheden. Als wij de mannelijke volwassenheid willen bereiken, zullen we ons moeten reinigen van alle kwaad. Dan zal ons denken niet meer bezig moeten zijn met de overleggingen van deze aarde en met de overwegingen van de machten van de duisternis, maar met het plan van God in Jezus Christus. Wij zullen ons levenshuis dan ook moeten reinigen van de inwonende boze geesten.

Het kan echter gebeuren dat je zelf niet sterk genoeg bent, dat je contact met Heilige Geest nog niet zo groot is en dat je moet erkennen: ‘Ik weet dat in mij een macht is die mij altijd weer inspireert en tot het kwade drijft. Wat ik wil doe ik niet, maar waar ik een afkeer van heb, doe ik wel. Je weet dus goed: ‘Ik bewerk het niet meer, maar de zonde(macht) die in mij woont’ (Rom.7:17). Ik heb echter nog niet zoveel inzicht in het woord van God en de kracht van de Heilige Geest dat ik ertegen opgewassen ben’. Dan zegt de Heer: ga naar je broers en zusters, je voorganger of de oudsten, want die zullen je helpen. Wanneer er staat: werp de duivelen uit, zul je dit dus eerst zelf in eigen leven moeten doen. Je moet satan op een afstand houden, maar er ook voor zorgen dat je leven van binnen rein is, dus vrij van de boze geesten. De Heer zegt: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’.

Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid; want de zonde is de wetteloosheid. En u weet dat Hij geopenbaard is om onze zonden weg te nemen; en zonde is er in Hem niet 4,5.

Wie zonde doet, heeft naar de innerlijke mens contact met de satan en neemt diens gedachten over. Deze gaan altijd tegen de wet van God in. De bedoeling van de boze geesten is immers om hun wetteloosheid door middel van de mens in de zichtbare wereld te brengen en langs deze weg ook de mens te demoraliseren. Tenslotte zal het de duivel lukken om slaven te vormen, die geen enkele wet van God meer respecteren of gehoorzamen. Dan is ‘de mens van de wetteloosheid’ of ‘de zoon van het verderf’ geopenbaard, het hoofd van een occulte gemeente, die in alles tegenstander is van God, die niet verleid wordt, maar zich bewust solidair verklaart met de satan en diens gedachten (2 Thess.2:3). Hier wordt dus duidelijk gedefinieerd wat zonde is, namelijk: denken, spreken en handelen tegen de wet van God in.

Alle ‘kinderen’ tot wie Johannes zich richt, weten dat God in de laatste dagen tot de mens gesproken heeft in de Zoon (Hebr.1:1). Zijn woord is in Jezus vlees geworden en de Vader heiligde Hem, zodat geen zondemacht ooit toegang tot zijn leven kreeg. Daarom wordt Hij Jezus Christus, de rechtvaardige genoemd (2:1). Door de vrijwillige overgave van Jezus Christus als Lam van God voor de zondeschuld van de wereld, heeft God de barrière weggenomen die zijn herstel- en ontwikkelingsplan van de mens tegenhield. Ook werkte de Heer tijdens zijn leven aan het herstelplan van God, toen Hij demonen uitdreef en zieken genas. Zo nam Hij ook de gevolgen van de zonden weg.

In Jezus zelf was echter nooit wetteloosheid, zoals de Noorse broeders leren, die zeggen, dat in Hem wel zonde was, maar dat Hij nooit zondigde, dus tot de daad kwam. Zij beroepen zich dan op Romeinen 8:3 waar in de Statenvertaling staat, dat God zijn Zoon heeft gezonden ‘in gelijkheid des zondigen vleses’. Jezus had hetzelfde vlees als wij, dus een lichaam waarin bij alle mensen de zondemachten werkzaam waren en leden die bij allen misbruikt werden door de onreine geesten. Jezus kwam wel in het menselijke vlees, maar niet in het vlees van de zonde, maar ‘in een gedaante gelijk aan het zondige vlees’ (Rom.8:3 Herz. Stat. Vert.). Het is de duivel immers nooit gelukt om één enkele zondige begeerte bij Jezus op te wekken of Hem op een andere manier te verleiden of te overweldigen. In zijn jeugd was Hij volmaakt gereinigd en bewaard door zijn Vader die in de hemel is. Nadat Hij gedoopt was in Gods Geest, kon Hij getuigen: ‘De overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets’ (Joh.14:30), dit wil zeggen dat de machten van de duisternis van zijn lichaam nooit gebruik hadden kunnen maken.

In de Bijbel komt het woord ‘zonde’ voor in verschillende betekenissen. We kennen het woord ‘zonde’ als: zondemacht, zondige gedachte, zondige daad en zondeschuld. Wanneer de catechismus leert dat we moeten ‘weten hoe groot onze zonden en ellende zijn’, wordt bedoeld dat we ons bezig houden met wat tevoorschijn is gekomen, dus met de zonden die wij gedaan hebben, want de oudtestamentische wet bemoeit zich niet met de innerlijke mens noch met het kwaad in de hemelse gewesten en daar beroept dit ‘leerboek’ zich op. Het is echter duidelijk dat op deze manier geen enkel probleem wordt opgelost, omdat de kern van het kwaad niet wordt gesignaleerd noch aangepakt.

Ieder die in Hem blijft, zondigt niet; ieder die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend 6.

Wie in het lichaam van Christus blijft, dus het woord van God vasthoudt, komt evenmin in contact met de zondemachten als Jezus, die de woorden van zijn Vader bewaarde. Zo’n mens zal ook geen wetteloosheid bedrijven. Doet een kind van God dit wel, dan werken het woord van God en de kracht van de Geest niet in hem. Dan heeft hij het wezen van de Heer niet begrepen en doorgrond. Ook wij hebben Jezus in de natuurlijke wereld niet gezien, maar door het geloof kennen wij Hem uit zijn woord en door het geloof zien wij Hem met eer en heerlijkheid gekroond, zoals er staat: ‘Ziende de Onzienlijke’ (Hebr.2:9 en 11:27). Zij die zondigen, zeggen misschien wel dat zij God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem, omdat zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en niet deugen voor enig goed werk’ (Titus 1:16).

Voor velen klinkt het wel hard om uit de mond van de apostel van de liefde te horen: ‘Ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend’. Wanneer je jezelf gereinigd hebt, dus alle wetteloosheid hebt weggedaan uit je denken, ben je ook echt opnieuw geboren, dat is vernieuwd in je denken. Dan ben je om zo te zeggen een volwaardig kind van God. Als je geleerd hebt te denken zoals de Heer denkt en zoals Gods Heilige Geest denkt, als je gereinigd bent van iedere inwonende geest, ben je als kind van God kant en klaar. Dan kun je pas goed verder groeien en de hoop die in je is pas goed realiseren. Wanneer je niet gereinigd bent, kom je telkens in het slop terecht.

Er zijn bewegingen die ook proberen de christen vooruit te brengen. Zij werken echter niet van binnen uit, vanuit de hemelse gewesten, maar van buiten af, vanuit de zichtbare wereld: dit mag je niet en dat moet je doen. Zij brengen de gelovige die heilig wil leven in een keurslijf van inzettingen en in grote spanning. En nooit is het genoeg, de zonde zal blijven tot de dood aan toe. Wij kunnen in geloof echter de zonde bestrijden in haar beginstadium. Wij kunnen haar weren zo gauw zij zich aandient. Wij doen de deur van ons levenshuis niet open voor de zondige demonen en gaan ook niet met hun inspiraties spelen. Wie ze wel een poosje bij zich houdt, zal gauw merken dat die gedachten zich snel ontwikkelen en men zal ernaar gaan handelen. Wanneer we echter de satan bij de deur al tegenhouden en alleen luisteren naar het woord van God en ons daarmee voeden, wanneer wij leven met de Heilige Geest die in ons woont en vertrouwen op zijn wijsheid en kracht die Hij ons mee wil delen, kunnen we verder.We zien dus dat de satan onze Heer na-aapt. Ook hij komt met zijn woord, dat zijn de leugens en de misleidingen. Jezus laat het zaad van zijn woord in ons hart vallen en de satan zaait dat van de duisternis. Beide soorten zaad ontwikkelen en beide worden openbaar. Het goede woord van God manifesteert zich door een leven in waarheid en gerechtigheid en het woord van de satan brengt zonde en destructie voort. Hier zien we dus op welke manier God werkt en hoe satans’ demonen opereren.

Er staat van de ware christen: ‘Die zondigt niet!’ Dat is wat! Wie wel zondigt, heeft God niet gekend, want hij heeft geen onderscheiding van geesten. Ieder die in de ongerechtigheid leeft, heeft geen contact met God en ook niet met Heilige Geest, want dan zou hij opgemerkt hebben dat in hem verkeerde geesten werkzaam waren. Hij kent God niet en heeft geen gemeenschap met Hem. Zo sterk drukt de apostel zich uit. De apostel spreekt over waarheden, waar opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christenen blij mee zijn. Zij laten zich niet meer aanklagen door naamchristenen, die zeggen dat het onmogelijk is vrij te staan voor God. Dat komt volgens hen pas na de dood. We zien hoe de kerken, geleid door ‘vrome’ geesten, deze benadering van het zondeprobleem er bij de toehoorders ingestampt hebben. Wij hebben echter inzicht gekregen dat zonde wetteloosheid is. Zonde gaat in tegen de scheppingswetten van God. Wetteloosheid voert ons af van het leven met God, dus van het werkelijke eeuwige leven.

Lieve kinderen, laat niemand u misleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is. Wie de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt vanaf het begin. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de duivel verbreken zou 7,8.

De Heilige Geest leert ons hetzelfde wat Jezus onderwezen heeft toen Hij op aarde was. Als er een gedachte in je opkomt, die niet overeenstemt met wat de Heer leert, zeg dan nooit: ‘Het is van God’ of ‘de Heer heeft tegen mij gezegd’, of ‘de Heilige Geest gaf in mijn hart’, maar vraag je af of de opkomende gedachte waar is en goed. Er zijn vaak machten in de mens die mee vibreren. Het gaat erom: is wat in het hart opkomt, er door God ingebracht, of door een verkeerde geest? Dit kunnen we toetsen aan het evangelie van Jezus Christus, dat ons door de apostelen op betrouwbare wijze is doorgegeven. Is de inspiratie die we ontvingen hiermee in overeenstemming en in harmonie, dan is het goed. Tast zo’n gedachte ergens het evangelie aan, dan is zij niet goed. Het is geweldig dat wij de onzienlijke wereld, die wij niet met onze natuurlijke ogen kunnen waarnemen, noch met onze natuurlijke oren kunnen beluisteren, kunnen controleren door het woord van God en ons niet hoeven te laten misleiden. Ook Gods Heilige Geest die in ons woont en die put uit de woorden van Jezus, helpt ons om de ingegeven gedachten te verifiëren.

De Heer heeft nog een derde toetssteen gegeven, zodat wij zeker zullen weten dat wij op de weg van de levens zijn, namelijk de gezindheid van ons hart. We vragen ons af: functioneert de liefde van God in ons, dat wil zeggen de schenkende liefde die altijd positief gericht is op de mens? Al denk je dat je het woord van God hebt en al woont de Heilige Geest in je, als je deze liefde mist, zal je je toch moeten afvragen: zijn mijn gedachten wel zuiver en ben ik wel op de goede weg? Deze drie toetsstenen: het woord, de Geest en de liefde vinden we herhaaldelijk terug in de brieven van Johannes.

De apostel wekt de jonge gelovigen op om zich niet te laten bedriegen door valse leringen of ingevingen. Wanneer wij dan lezen: ‘Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is’, moet het wel onbegrijpelijk voorkomen dat veel naamchristenen desondanks zingen: ‘De zonde kleeft ons altijd aan, wie van ons kan voor U bestaan?’ Alleen rechtvaardigen die van hun zondeschuld verlost zijn en die in gerechtigheid leven door de kracht van Gods Heilige Geest, zijn waardige leden van de gemeente van Jezus Christus. Hij is het hoofd van het lichaam en Johannes schrijft over Hem, dat Hij de Rechtvaardige is.

Johannes veroordeelt sterk degene die de zonde doet en zegt tot allen die zonden doen, dat zij uit de duivel zijn. Zo zei ook Jezus over de joden die wel in Hem geloofden, maar die toch de dwaling en de leugen vasthielden: ‘U hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen’. Ware kinderen van God hongeren en dorsten naar waarheid en gerechtigheid en deze begeerte beheerst hun hele leven. De apostel schrijft: ‘De duivel zondigt, of is wetteloos, vanaf het begin’. Zo zei Jezus dat de satan een mensenmoordenaar is van het begin en dat er geen waarheid in hem is te vinden (Joh.8:44).

God heeft zijn Zoon in de wereld gebracht om het werk van de duivel in ziekte, zonde en leugen te ontmaskeren en hem te overwinnen. Daarom heeft Hij tijdens zijn verblijf op aarde de machten openlijk ten toon gesteld en hen overwonnen (Col.2:15). Hij trok zijn aardse vaderland door om allen te genezen die door de duivel overweldigd waren (Hand.10:38). Hij droeg zijn volgelingen op om dezelfde goede werken te verrichten. Hij wilde niet dat zij deelnamen aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar veelmeer dat zij de boze geesten zouden ontmaskeren net als Hij dit zelf gedaan had (Ef.5:11). Zo mogen zij dan ook samen met hun Heer meer dan overwinnaars zijn. Duidelijk wordt gezegd, dat Jezus kwam om de werken van de duivel te verbreken. Hij verbrak of vernietigde niet het werk van mensen, maar die van de ware vijand van God en van de mens. Hij viel geen mensen aan, maar probeerde allen te redden. Hij bestreed de satan en gaf zijn gelovige volgelingen de opdracht in zijn naam ook zo te handelen.

Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. Hieraan zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel te herkennen. Ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als hij die zijn broer niet liefheeft 9,10.

Johannes stelt nu een regel vast, die voor alle ware christenen geldt: een oprecht kind van God is iemand die uit God geboren of wedergeboren is. Wat wil dit zeggen? Een mens leeft in het gebied van de overste van deze wereld in de duisternis en hij kan zich nooit bekeren, als hij het woord van God niet hoort. Hoe zal hij ‘het horen, als het hem niet eerst gepredikt wordt?’ (Rom.10:14).

Het allereerste moet dus het evangelie van Jezus Christus aan hem gebracht worden. Iemands geest die in de duisternis verkeert, merkt het op, richt er zich positief op en pakt het aan. Het woord van God is vol genade, vol liefde en belooft heerlijke dingen, zoals reiniging van schuld, herstel, heling en genezing. De mens die dit aanvaardt, is dan in plaats van een schuldige, een rechtvaardige geworden, op wie de duivel geen enkele claim meer heeft. Door het geloof pakt de geest dus Gods gedachten aan en deze zijn geest en leven. Wanneer dit raadsplan zich als woord met de menselijke geest verbindt, deze als het ware bevrucht, wordt het nieuwe leven gewekt. Daarom staat er: ‘Wedergeboren en niet uit vergankelijk zaad, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’ (1 Petr.1:23).

Dit woord moet worden bewaard, of zoals hier staat, ‘het zaad van God’ of zoals het Griekse woord luidt: zijn ‘sperma’ blijft in hem. De opnieuw geboren mens mag het niet meer verliezen of loslaten. Op deze manier wordt hij innerlijk vernieuwd en zijn gedachteleven veranderd, want dit woord van God doet zijn reinigend, herstellend en leven verwekkend werk. De vrucht van dit zaad is de nieuwe mens die geschapen is naar het beeld van Jezus Christus, want dit vernieuwingsproces zal ook doorwerken in het zielenleven en zelfs in het lichaam. Het zal door de herboren mens heen, geopenbaard worden in goede woorden en werken. Jezus sprak: ‘Een goede boom brengt goede vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen’. Wat door God met zijn woord verwekt wordt, is altijd goed.

Ook het ontstaan van de zonde kan vergeleken worden met een geboorteproces. De mens hoort het misleidende woord van de satan en gelooft en aanvaardt dit. Zijn innerlijke mens wordt er door bevrucht. Na deze bevruchting wordt de zonde gebaard (Jac.1:15). Zo iemand brengt dan slechte vruchten voort, of ‘de werken van het vlees’ (Gal.5:19). Zijn gedachten, woorden en daden hebben dan de duivel tot vader. Jezus sprak ook: ‘De slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een slechte boom kan geen goede vruchten dragen’. Hij voegde er nog aan toe: ‘Zo zult u hen dan aan hun vruchten kennen’ (Matth.7:17-20).

De natuurlijke mens is van begin af aan in aanraking gekomen met het verkeerde. Hij was niet bezig met de woorden van God, niet met de waarheid en niet met de werkelijkheid zoals deze is, maar met de dingen die de mensen hem leerden of die rechtstreeks door de satan werden geïnspireerd. Hij was gewend daarmee te werken. Wanneer iemand echter de naam van de Heer noemt, moet hij breken met iedere vorm van ongerechtigheid. Er is geen bekering of begin van wedergeboorte mogelijk, als niet het oude denken wordt losgelaten en schade en drek wordt geacht. De hersens, het verstand, de ziel en de geest die altijd bezig zijn geweest met de dingen van de aarde en met de ingevingen van de duisternis, moeten leren voortaan bezig te zijn met de woorden van God. Daar moeten zij zich naar richten en daardoor vernieuwd worden.

Zodra de mens weet dat zijn schuld is vergeven en aanvaard heeft, dat hij een rechtvaardige geworden is, kan dit vernieuwingsproces van de wedergeboorte zich verder gaan ontwikkelen. Er staat duidelijk: ‘Ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde’. Johannes vertelt ons dat zonde wetteloosheid is, dus een ingaan tegen de wetten van God. Wat wetteloos is, voert af van de gemeenschap met God, dus van het eeuwige leven. Wie uit God geboren is, doet geen zonde, want hij is vernieuwd in zijn denken, verlost uit de macht van de duisternis. Wie de woorden van Jezus werkelijk bewaart, dus Hem liefheeft als Woord van God, valt niet in de zonde.

Natuurlijk kan hij er in tuinen, want de mogelijkheid blijft dat hij nog zonde doet, dat hij opnieuw contact opneemt met de machten van de duisternis. Hij kan daar echter ook weer van loskomen, als hij zijn kwaad belijdt. Maar zonde doen is niet de weg van de kinderen van God, want zij hoeven zich niet te laten inspireren door boze geesten, ook niet door machten van jaloezie, van nijd of van onenigheid. De apostel Paulus spreekt over dit soort innerlijke zonden: leg ze af en doe ze weg uit je leven. Richt daarom de aandacht op Jezus Christus en op zijn woord en word geleid door de Heilige Geest.

Johannes maakt hier een zeer scherpe tegenstelling tussen mensen die uit God geboren zijn en hen die zondigen. Dit deed de Heer ook. Het is mogelijk dat iemand op bepaalde goede gewoonten in de zichtbare wereld kan wijzen, zoals trouwe kerkgang, grote kennis van de Schrift, geestelijke gaven. Hij mag dan wellicht vaak het woord ‘Heer, Heer’ op de lippen nemen, maar wanneer zijn werken niet overeenstemmen met het woord van God, zal hij met alle verdere huichelaars door Jezus worden afgewezen als ‘werker van de wetteloosheid’, die de Heer niet kent als zijn volgeling of als zijn medewerker (Matth.7:21-23). Een ware christen kan niet tegelijkertijd gemeenschap hebben met het woord van God en met de gedachten van de satan. Wel kan hij nu eens door God woord worden geïnspireerd en later weer naar de satan luisteren. De Bijbel noemt zulke christenen dan verdeeld van hart. Zij plegen geestelijk overspel en zondigen in de onzienlijke wereld. Zulke personen moeten niet menen dat zij iets van God zullen ontvangen, innerlijk verdeeld als zij zijn (Jac.1:7,8).

Iemand die door het woord van God is vernieuwd en dit bewaart, komt in aanraking met de gedachten en het wezen van God, dus met diens licht en diens liefde. Zoals zo iemand in zijn denken één wordt met het plan van God, komt hij ook in aanraking met de gezindheid van God en neemt deze over. De gesteldheid van God t.o.v. de mens is altijd positief, vooral ten opzichte van zijn volk. Deze liefde neemt de ware christen over en dan zal blijken dat hij zijn broeder liefheeft op dezelfde wijze als God hem bemint. Daarom noemt Johannes als derde toetssteen: wie zijn broer niet liefheeft, is niet uit God. Mensen van de wereld begrijpen niet dat iemand zo vol met goddelijke liefde kan zijn, want ze kennen de Heer niet, kennen zijn woord niet en bezitten Gods Geest niet. Zij kennen deze liefde van God niet die met de Heilige Geest uitgestort is in onze harten, die wij uitdragen en waarnaar wij mogen leven (Rom.5:5).