22. Bidden naar Gods wil

<<<<<

1 Johannes 5:14-17

‘En dit is de vrijmoedigheid die wij hebben in het gaan tot God, dat Hij ons verhoort, telkens als wij iets bidden naar Zijn wil. En als wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, dan weten wij dat wij het gevraagde, dat wij van Hem hebben gebeden, ontvangen’ 14,15.

Bidden is bezig zijn in de hemelse gewesten. We vullen ons hart met de gedachten van God, die overeenkomen met het evangelie van Jezus Christus. Wij bewaren de woorden van onze Heer in onze innerlijke mens. We leven ernaar door te luisteren naar Gods Geest die in ons woont. Als wij dat doen, hebben wij een vrij leven. Vrijmoedig mogen we tot God gaan. We schamen ons niet en zijn niet bang als we iets aan Hem vragen. Wij weten dat de Zoon van God in zijn grote liefde altijd ons gebed wil verhoren. Wie met de Jezus christus leeft, vraagt niets wat buiten de planning van Zijn Vader ligt.

Vergelijk het met een kind. Als hij zijn ouders vertrouwt, vertelt hij vrijuit wat het nodig heeft. Hij weet in zijn hart dat zijn ouders hem willen helpen. Dit kind, dat de gedachten en de hartgesteldheid van zijn ouders kent, zal nooit iets vragen wat niet bij hen past. Het denkt intuïtief: ‘daar moet ik niet mee aankomen.’ Zo is het ook in het huisgezin van God. Wie Jezus kent, kent via Hem zijn hemelse Vader. Hij zal niet om iets vragen wat buiten de regels en het plan van God omgaan. Wie echter iets vraagt om te leven naar Gods wil, ontvangt het ook.

Johannes schrijft aan mensen die gedoopt zijn met Gods Geest. Zij weten dat het Koninkrijk van God binnen in hen is en dat zij eeuwig leven hebben. Zij laten dit zien in woorden en daden. Opnieuw geboren christenen durven vrijmoedig het heiligdom binnen te gaan (Hebr.10:19). Zonder angst laten zij hun stem in de hoge horen (Jes.58:4). Al in het Oude Testament gaf God rijke beloften aan zijn volk, wanneer dit gehoorzaamde en Jezus zei: ‘Als u in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat u maar wilt en het zal gedaan geworden’ (Joh.15:7).

Wij streven in ons leven naar het goede, het welgevallige en het volkomene (Rom.12:2). Wij zijn het eens met de wil van de Vader. We gaan zonder enige aarzeling naar Hem toe. Wij weten dat wij alles ontvangen wat wij vragen. Dit geldt in de eerste plaats voor ons geestelijk leven. Jezus roept ons immer op om eerst het Koninkrijk van God te zoeken. Wanneer wij bidden om Gods Geest, weten wij zeker dat Deze ons ook wordt gegeven, ook al kunnen wij Gods Geest niet zintuiglijk waarnemen. Wanneer wij vragen om wijsheid en kracht, zullen wij dit krijgen, als wij niet twijfelen. God zal zulke verzoeken inwilligen, want Hij geeft graag en royaal en verwijt niet (Jac.1:5). Jezus zei immers: ‘Als u dan, hoewel u slecht bent, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel Gods Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?’ (Luc.11:13). De bidder om Gods Geest hoeft dus niet te twijfelen, want hij mag zeker weten dat God Zijn Geest geven wil. Dit ligt immers helemaal in zijn plan met de mens.

Opnieuw geboren(!) kinderen van God zullen de dood niet zien

God wil de genezing en géén ziekte. Daarom vragen wij vrijmoedig om herstel van ziekte. Toch zegt de Hebreeënbrief, dat de mens eenmaal zal sterven. Dit is voor de ware christen echter geen probleem, want hij weet dat hij de dood niet zal zien, maar dat hij zijn plaats bij Jezus Christus al heeft ingenomen op aarde. Wij merken bij de apostelen op, dat zij op de hoogte waren van hun heengaan en hier beslist niet tegen op zagen (2 Petr.1:14 en 2 Tim.4:6).

Wij mogen bidden om de geestelijke gaven, in de wetenschap dat die wij zullen ontvangen: ‘En als iemand van u in wijsheid tekortschiet, laat hij die dan vragen aan God, Die aan ieder overvloedig geeft en geen verwijten maakt en ze zal hem gegeven worden. Maar laat hij er in geloof om vragen en daarbij niet twijfelen. Immers, wie twijfelt, lijkt op een golf van de zee, die door de wind voortgestuwd en op- en neergeworpen wordt. Want zo iemand moet niet denken dat hij iets ontvangen zal van de Heer. Hij is een dubbelhartig man, onstandvastig in al zijn wegen’ (Jac.1:5-8). Zo bidden wij om wijsheid, om onderscheiding van geesten, om demonen uit te drijven of bidden voor de ander. Allen die God in geloof er om vragen, zullen datgene ontvangen wat zij nodig hebben.

Bidden in de zichtbare wereld

Het uren lang bidden en dagen lang vasten voor allerlei benodigdheden, is een on-Bijbelse manier van doen. Men zegt wel eens: ‘God verhoort alle gebeden van zijn volk, maar dikwijls op een andere manier als de bidder bedoelt…’ Dit gezegde is ‘vroom gepraat’. Wanneer voor iemands genezing wordt gebeden en hij sterft, is het huichelachtig om over een verhoring van het gebed te spreken!

Er zijn twee ‘voorwaarden’ voor de verhoring van het gebed: de bidder heeft een levende relatie met Jezus Christus en hij vraagt iets wat overeenstemt met de wil en het plan van God. Voor het materiële hoeven we niet echt te bidden, want de Heer belooft dat wanneer wij het Koninkrijk van God zoeken, al het andere ons bovendien wordt gegeven. Dat krijgen we vanzelf. God weet wat wij nodig hebben en Hij zal het ons ook geven, wanneer wij op Hem vertrouwen. Hij laat zijn kinderen niet in de steek. Hij is zelfs niet karig ten opzichte van hen. Hij geeft mild, we hoeven ons niet zo druk te maken over de dagelijkse behoeften: ‘Als iemand zijn broer ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden en Hij zal hem het leven geven, namelijk aan hen die niet zondigen tot de dood. Er is een zonde tot de dood; daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden. Elke ongerechtigheid is zonde; en er is zonde die niet tot de dood leidt’ 16,17.

Hoe is nu onze benadering t.o.v. de broer en zuster die we zien zondigen? Er staat: ‘Als iemand zijn broer of zuster een zonde ziet begaan.’ We gaan dus niet af op een praatje, op een roddeltje of op een fantasie van: dat zal hij wel gedaan hebben of hij was het van plan. Nee we hebben gezien dat onze broer, dus een kind van God met wie we optrekken, in zonde is gevallen. De Heer zegt in verband met zo’n situatie: ‘Ga naar hem toe, bestraf hem onder vier ogen en zeg dan: dat was verkeerd. Wanneer hij naar je luistert, kun je samen bidden en dan zal hij de schuldvergeving ontvangen. Als er een gebondenheid achter gebleven is, kun je samen de macht verbreken in de naam van Jezus, want waar twee of drie vergaderd zijn in zijn naam, daar is Hij in hun midden’ (Matth.18:15-20).

Zondigen is contact hebben met de duivel en dit betekent dat men zich niet aan de wetten van God houdt. Door schuldbelijdenis, vergeving en bevrijding kan zo’n broer of zuster dan weer leven. Zij hebben het daar niet moeilijk mee, maar horen er weer echt bij, want zij hebben opnieuw deel aan het leven van God dat in de gemeente geopenbaard wordt. Er is hier sprake van ‘zien zondigen’ en ‘van een zonde niet tot de dood’. Het gaat hier dus over zonde tegen de geboden van God in de natuurlijke wereld, over zonden die tegen de wil van de opnieuw geboren christen ingaan, zoals Paulus schreef: ‘Innerlijk stem ik vol blijdschap in met de wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft’ (Rom.7:23).

Als men iemand ziet zondigen, heeft men dus zelf de taak naar hem toe te gaan en hem te waarschuwen. Zo iemand moet zelf eerst proberen de zaak op te lossen. De vermaning moet functioneren in de positieve sfeer van de liefde. Paulus schreef in 1 Timotheüs 1:5: ‘Het doel van je opdracht is de liefde die voortkomt uit een rein hart, een zuiver geweten en een oprecht geloof.’ De zondigende broer of zuster moeten immers weer in een goede relatie met hun Heer komen. Zij moeten weer een rein hart krijgen en een goed geweten, nadat zij hun schuld hebben beleden en vergeving hebben ontvangen. Is het gelukt, dan kan dit incident ook verder met de mantel van de liefde worden bedekt.

Zonde tot de dood

Er bestaat echter ook ‘zonde tot de dood’, dat is zonde in de geestelijke wereld. Men is dan verbonden met leugengeesten en er kan niet gezegd worden, dat de innerlijke mens eigenlijk anders wil leven. De geest van zo’n persoon richt zich dan niet op de woorden van God en op Gods Geest, maar wordt geïnspireerd door demonen en door de vader van de leugen, de satan. Zo’n demon brengt hem af van de weg van de waarheid en voert hem naar de geestelijke dood. Zo’n persoon gaat verloren, omdat hij de liefde tot de waarheid niet aanvaard heeft, waardoor hij gered had kunnen worden. De apostel Paulus voegde er aan toe: ‘De komst van de wetteloze zal steunen op de kracht van de satan en vergezeld gaan van allerlei machtsvertoon, van misleidende tekens en wonderen en van alle mogelijke misdadige verleiding, bestemd voor hen die verloren gaan, omdat zij zich hebben afgesloten voor de liefde tot de waarheid, die hen had kunnen redden. Daarom zendt God hun een kracht die hen verleidt om geloof te hechten aan de leugen, zodat allen veroordeeld worden die geen geloof hebben geschonken aan de waarheid, maar hebben gekozen voor de ongerechtigheid’ (2 Thess.2:9-12).

De Statenbijbel noemt het ‘een kracht der dwaling’, dus een geest van de dwaling. In 1 Johannes 4:6 is er ook sprake van ‘de geest van de dwaling’. Het is dus onmogelijk om door gebed en door ‘bediening’ iemand van een ‘geest van de dwaling’ te verlossen. Een echtbreker of een dief weet dat hij zondigt als hij een christen is, maar een verleugend mens ziet de dwaling aan voor waarheid en laat zijn geweten niet meer spreken. Hij vraagt geen vergeving, omdat hij zeker weet dat zijn leugens waar zijn en zegt: ‘Wat ik geloof is waar en wat ik belijd is zeker..!’ Wie deze leugen echter blijft continueren zakt steeds dieper weg en komt in de in de afgrond van het dodenrijk. Jezus sprak over deze vrome huichelaars: ‘Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam demonen uitgedreven en in Uw Naam veel krachten gedaan? Dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij, u werkers van de wetteloosheid’ (Matth.7:22,23).

Alleen een veranderd inzicht kan tot bekering leiden. Rigoureus kappen met die 18 eeuwenoude, vrome leugens, die enkel rampen hebben veroorzaakt. Men kan bij zo’n persoon geen demonen uitdrijven, hij moet deze zélf loslaten. Daarom staat er dat je met zulke mensen niet moet bidden, maar hen de woorden van God voorhouden, zodat ze misschien in hun denken vernieuwd worden. Dit is de enige manier waarmee men iemand kan helpen om de zonde tot de dood te bestrijden. Men moet hem dus de werkelijkheid vertellen van het eeuwige plan van God met de mens, dat hem tot het voorgestelde doel van de volmaaktheid voert.

In Johannes 8 wordt verteld dat velen in Jezus geloofden. Zij aanvaardden de woorden van de Heer echter maar tot op zekere hoogte. Jezus zei toen tot hen die een eind met Hem meegingen (en vandaag tot alle nooit bekeerde kerken zonder fundament): ‘Wanneer u bij mijn woord blijft, bent u werkelijk mijn leerlingen. U zult de waarheid kennen en de waarheid zal u bevrijden.’ Het antwoord van deze verleugende gelovige Joden (en vandaag in de kerkgevangenissen) was: ‘Wij zijn nakomelingen van Abraham (babybesprenkeling) en we zijn nooit iemands slaaf geweest – hoe kunt U dan zeggen dat wij bevrijd zullen worden?’ (vers 31,33). Zij loochenden dus, net als de kerken in onze tijd, dat een kind van God in slavernij kan leven, dus gebonden kan zijn. Maar Jezus antwoordde hen: ‘Ik verzeker u: iedereen die zondigt is een slaaf van de zonde‘ en: ‘Wanneer de Zoon u vrij zal maken, zult u werkelijk vrij zijn’ (vers 34,36).

Hoewel deze Joden (en de kerken vandaag) dus in Jezus geloofden, waren zij verbonden met hun vader, de satan, die hen misleidde. Daarom konden zij de Heer van de waarheid tot aan vandaag niet volgen. De enige oplossing was dat zij de volle waarheid zouden verstaan. Wij lezen ook nergens dat de Heer bij deze mensen of bij de Schriftgeleerden en Farizeeën vandaag, demonen uitdreef. Hij confronteerde hen met de waarheid. Als ze deze aangenomen hadden, waren ze behouden.

Het is opmerkelijk dat Jezus dikwijls met tollenaars en zondaars omging en bij hen kwam eten. Ook had Hij geen moeite met mensen die naar lichaam, ziel of geest beschadigd waren, maar wél met de geestelijk dove en blinde leiders. Als Hij wel eens bij hén at, botste het keer op keer! Zij konden niet tot Hem komen en in Hem geloven, want door de vader van de leugen waren hun ogen verblind en hun oren toegestopt. Tot aan vandaag!

>>>>>