De derde Johannesbrief

3 Johannes

De oudste aan de geliefde Gajus, die ik in waarheid liefheb. Geliefde, ik wens dat het u in alles goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat’ 1,2.

In deze derde brief noemt de auteur zich opnieuw ‘de oudste’ en daarom zal hij wel weer de apostel Johannes zijn. Deze richt zijn pastoraal schrijven aan een verder onbekend persoon, die waarschijnlijk thuishoorde in de gemeente, waaraan de vorige brief was geschreven, zoals te lezen is in vers 9: ‘Ik heb aan de gemeente een en ander geschreven’. De voornaam Gajus, de Griekse schrijfwijze voor het Latijnse woord Cajus, wat meester of heer betekent, kwam algemeen voor. In Handelingen 19:29 is sprake van de Macedoniër Gajus, een metgezel van Paulus, die bij het oproer te Efeze naar het theater werd gesleurd. In Handelingen 20:4 ontmoeten we Gajus uit Derbe, die Paulus vergezelde op zijn terugreis van Macedonië naar Asia en waarschijnlijk zelfs naar Jeruzalem. In Romeinen 16:23 is Gajus de ‘huiswaard’ van Paulus te Corinthe. Hij was daar een van de weinigen in de gemeente die door deze apostel was gedoopt (1 Cor.1:15).

Wij weten niet tot welke Gajus de apostel Johannes zich richt en kunnen hem dan ook moeilijk verder identificeren. Misschien was hij een bekeerling van Johannes, omdat hij een van diens ‘kinderen’ genoemd wordt. Hij was waarschijnlijk een rijk en aanzienlijk persoon in een of andere stad in de buurt van Efeze. Deze brief is dan geschreven met de bedoeling om sommige christenen, die daar nog ‘vreemdelingen’ (vers 6) waren, bij deze vriendelijke en gastvrije broeder aan te bevelen. Uit wat volgt blijkt, dat Gajus in de gemeente een belangrijke plaats innam, hoewel wij toch niet lezen dat hij een oudste of ander soort ambtsdrager was. Hij ontving daarom als zodanig van Johannes geen instructies. Het voornaamste wat de apostel van Gajus weet te zeggen, is, dat deze een werkelijk geestelijk mens was, die in waarheid en liefde wandelde.

Telkens herhaalt de apostel het woordje ‘geliefde’ bij elk nieuw gedeelte van zijn schrijven. Dit woordje vond zijn oorzaak niet alleen daarin dat Johannes hem in de natuurlijke wereld een vriend achtte, maar de omschrijving ‘die ik in waarheid liefheb’ wijst op een geestelijke verbondenheid. Johannes wist zichzelf immers ook in de waarheid of ‘in Christus’, of in het eeuwige plan van God opgenomen. Wij worden hierbij herinnerd aan zijn tweede brief, waar hij aan de uitverkoren ‘vrouw’ ook schreef: ‘Die ik in waarheid liefheb’, dus volgens de gedachten van God zelf, die geopenbaard zijn in de gemeente, welke genoemd wordt ‘een pijler en fundament van de waarheid’. Johannes stelt zich in de geest met hem voor de troon van God en bidt, dat het hem in ieder opzicht goed zal gaan, dus naar geest, ziel en lichaam gezond zal zijn en goed kan functioneren. Uit de berichten die Johannes van de broeders vernomen had, was hem gebleken dat het Gajus naar de ziel wèl ging, dat dus het Koninkrijk van God met zijn blijdschap, vrede en gerechtigheid zijn deel was en dat ook de gezindheid en de liefde van God in hem werkzaam waren.

Het woordje ‘ziel’ heeft hier de betekenis van innerlijk leven. Hetzelfde grondwoord is in 1 Johannes 3:16 weergegeven door ‘leven’. De apostel wenst dus dat het uitwendige leven in even goede conditie zal zijn als het innerlijke. Hij begint zijn brief niet met een zegengebed, maar met een gebed voor de gezondheid van de geadresseerde. De apostel bidt ook dat Gajus voorspoedig mocht zijn in zijn verdere handel en wandel, zoals in zijn bedrijf of in zijn gezin of in zijn maatschappelijke functies. Hij wist immers dat de welvaart van deze geliefde broer in dienst stond van de gemeente, in het bijzonder om de broers gastvrijheid te verlenen.

Het woordje dat hier voor ‘bidden’ gebruikt wordt, betekent eigenlijk een wens voor God uitspreken. Dit zegt dan iets van de gezindheid van het hart van de schrijver ten opzichte van deze broer. Of deze wens in vervulling zou gaan, hing echter voor een groot deel af van de betreffende broer, of deze wel in het geloof zou blijven handelen. We treffen dit werkwoord ook aan in Handelingen 26:29, waar Paulus bidt dat koning Agrippa en zijn omgeving zouden worden zoals hijzelf, maar dan zouden deze mensen zich toch eerst moeten bekeren. In 2 Corinthiërs 13:7 bidt de apostel dat de leden van de gemeente geen kwaad zouden doen, maar alleen het goede. Vervolgens in vers 9 dat het met hen geheel in orde zou komen. Ook een zaak waarin zij zelf actief betrokken waren. De wens van Johannes was dus dat het Gajus met de zijnen goed zou gaan in materieel opzicht, maar ook naar het lichaam. Hij wist dat deze broed het innerlijk goed maakte.

Deze wensen zijn natuurlijk wel naar de wil van God, want deze wil ‘in alles’ het goede, het welgevallige en het volkomene (Rom.12:2). Zij vallen ten deel als de mens volkomen op de Heer vertrouwt en zich stelt onder leiding van Gods Geest. Ook God wil immers wat de oude Romeinen zo kernachtig formuleerden: een gezonde geest in een gezond lichaam, of liever een welstand van het lichaam overeenkomend met de gezondheid van de ziel of van de inwendige mens. Daarom is het gebed van iedere opnieuw geboren christen dat zijn lichaam door de kracht van Gods Geest in goede gezondheid bewaard blijft, maar dan moet de welstand van de ziel geen wens meer zijn, maar een vaststaand feit, zoals ook bij Gajus het geval was.

Want ik was erg blij, toen er broeders kwamen die van uw waarheid getuigden, hoe u in de waarheid wandelt. Ik heb geen grotere blijdschap dan hierover dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen’ 3,4.

De broeders die bij Gajus gelogeerd hadden, waren waarschijnlijk reizende predikers, die aan Johannes hadden verteld dat Gajus het woord van God niet alleen had gehoord en verstaan, maar ook in zijn leven openbaarde. Heel diens wezen kwam dus overeen met het woord van God, met de waarheid. De apostel had kunnen schrijven dat Gajus in zijn vlees het beeld van Jezus Christus droeg. Zijn wandel legde daarvan getuigenis af. Het is fijn op te merken hoe positief de broers zich hier over een medebroer uitlieten en deze de eer gaven die hem toekwam. Het is voor Johannes een grote blijdschap, wanneer hij hoort dat de kinderen die hij door zijn evangelie heeft verwekt, zich houden aan de waarheid, die gerechtigheid en liefde insluit. Als zijn kinderen het maar goed maken naar lichaam, ziel en geest, is de vreugde van de apostel niet te temperen. Dat hij zelf in de vuurlinie staat en dat verbanning hem wacht, deert hem niet. Johannes is te vergelijken met een gelovige ouder die God dankt, wanneer zijn kinderen de Heer oprecht dienen en hiervan blijk geven in hun leven.

Het is ook mogelijk dat de uitdrukking ‘kinderen’ ziet op het gezag van deze oudste over christenen buiten eigen woonplaats. Dit zou dan temeer een bevestiging inhouden dat we hier met een brief van de apostel Johannes te maken hebben. Johannes kent geen jaloersheid, maar zijn grote vreugde bestaat hierin, dat de ‘kinderen’ verder groeien, in het goede spoor blijven en opgroeien tot zonen. Het gaat bij hem allereerst om getuigenissen te zien van de waarheid, dat is van het eeuwig evangelie, of van het hele plan van de Vader dat de christen naar de volkomenheid voert. Om op deze weg te kunnen volharden, heeft God zijn woord gegeven, als ook zijn Geest met zijn gaven. Met deze Geest heeft ook de gezindheid van de Vader met zijn liefde woning in de christen gemaakt. De mogelijkheden zijn er dus om te ontwikkelen en het doel te bereiken. Ieder lid van de gemeente heeft daarom de verantwoording zich daarnaar uit te strekken en er gebruik van te maken. Anders loopt hij gevaar om de Geest, die in alle waarheid leidt, te bedroeven en te blussen. Door matheid van ziel kan de mens zichzelf weer openstellen voor de geest van leugen en ongerechtigheid.

De waarheid was in Gajus en dit had tot gevolg dat zijn levenswandel ernaar was. Zijn leven werd gekenmerkt door eenvoud, rechtvaardigheid, heiligheid en broederlijke liefde. Misschien heeft het Gajus wel aan de nodige gezondheid ontbroken, omdat Johannes hem ‘vóór alle dingen’, zoals de Statenvertaling luidt, deze toewenst, maar zijn innerlijke mens bezat in rijke mate de goddelijke Geest, die zijn sterfelijk lichaam levend zou maken.

Geliefde, u handelt trouw in alles wat u doet voor de broeders en voor de vreemdelingen, die getuigd hebben van uw liefde, in aanwezigheid van de gemeente. U zult er goed aan doen wanneer u hen verder op weg helpt op een voor God waardige manier’ 5,6.

De reizende broeders hadden niet alleen aan de apostel dit goede getuigenis meegedeeld, maar hadden er ook openlijk en met lof over gesproken in de gemeentevergadering, waar Johannes zich bevond. Gajus hielp dus broeders voort, die hij tevoren niet kende. Dezen waren geen familieleden van hem, maar hij aanvaardde hen als broers die bij het huisgezin van God hoorden. Deze liefdevolle houding kwam voort uit zijn wandel in de waarheid, dus niet uit vleselijke overwegingen, maar uit geestelijke. De rondreizende broers hadden niet alleen gesproken over de geestelijke gemeenschap, die zij met Gajus hadden ervaren, maar ook over de liefde die deze hun in het natuurlijke leven had betoond.

Johannes wijst Gajus in zijn brief er nu op, dat hij er goed aan deed de evangelisten verder voort te helpen. Misschien hadden dezen plannen om nogmaals een rondreis te maken en wanneer Gajus hen opnieuw ontving, zou dit dan op zo’n manier zijn, dat het voor God waardig was, dit wil zeggen zoals overeenkomt met de standing van mensen van God, want de Heer is ook barmhartig, liefdevol en mild. Zo prijst Johannes dus de gastvrije Gajus en zegt dat deze goed had gehandeld en moedigt hem aan in dat spoor verder te gaan.

Wij zien dat Johannes het niet alleen op prijs stelde dat er onderling contact werd gemaakt en hulp verleend, maar ook dat er een venster naar buiten open was om gemeenschap te hebben met de ware broers en zusters buiten de plaatselijke gemeente. Zoals er in een gezin gastvrijheid moet zijn, zo hoort dit ook in de gemeente, die hierdoor dan ook verrijkt zal worden. Men mag geen gesloten gemeenschap vormen, die geen prijs meer stelt op contacten elders, want dit werkt een geestelijke verarming in de hand. Een van de eigenschappen van een opziener moet immers gastvrijheid zijn, schrijft Paulus in 1 Timotheüs 3:2 en in Titus 1:8.

Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, zonder iets aan te nemen van de heidenen. Wij moeten dan zulke mensen ontvangen, zodat wij medewerkers van de waarheid mogen worden’ 7,8.

Wel moet men overtuigd zijn dat men met echte broers te doen heeft. Anders geldt voor de gemeente: ‘Ontvang ze niet in uw huis en heet ze niet welkom’. Johannes geeft nu van de broers die Gajus geherbergd had, het getuigenis, dat dezen waren uitgegaan voor de Naam, dit wil zeggen dat zij rondreisden om het evangelie van het Koninkrijk der hemelen te verkondigen, waarmee Jezus was begonnen (Hand.1:1) en Paulus dit ook had voortgezet (Rom.15:19). Deze ‘Naam’ is die van Jezus Christus, de Redder, de Gezalfde, de Doper met Heilige Geest, de Verlosser en de Voleinder van het geloof. In die naam hadden zij met Gajus gemeenschap gehad en in die naam had deze hen dan ook verzorgd.

Deze evangelisten hadden huizen of broers of zusters of vader of moeder of kinderen of ook wel akkers opgegeven om de naam van Jezus (Matth.19:29). Zij vertelden in de ‘heidenlanden’ dat allen tot bekering moeten komen om de levende God te dienen. Deze predikers hadden ook niet hun voordeel gezocht, door ook van de heidenen gaven aan te nemen, maar zich slechts bepaald tot het contact met de huisgenoten van het geloof, zodat zij in de waarheid zouden kunnen blijven staan. Wanneer werkers in Gods Koninkrijk vriendschappen aanknopen om van onbekeerden hulp te ontvangen, met ongelovigen of andersdenkenden gaan samenwerken, moeten zij vanwege deze ondersteuning altijd water in de wijn doen.

Ik heb aan de gemeente geschreven; maar Diotrefes, die steeds onder hen de eerste wil zijn, erkent ons niet’ 9.

Schreef de apostel Paulus dikwijls over moeilijkheden in de gemeenten die hij had gesticht en over mensen die daar zijn leer tegenstonden, in dit vers zien we dat ook Johannes onder zijn ‘kinderen’ met ruziemakers te maken kreeg. Dezen verzetten zich niet alleen tegen wat de apostel leerde, maar zij tastten ook zijn persoon en ambt aan. Zo was er in de gemeente waar Gajus bij hoorde, een zekere Diótrefes, wiens naam letterlijk betekent: door Zeus opgevoed. Hij was hoogstwaarschijnlijk een oudste of opziener, maar handelde niet naar de wil van God, maar voerde heerschappij over de kudde. Hij wilde onder de gelovigen in de gemeente ‘de eerste’ zijn, of ‘de leiding hebben’. Hij was ambitieus, hoogmoedig en rebelleerde tegen het van God gegeven gezag van de apostel. In plaats van ‘ontvangt ons niet’, wordt ook vertaald, ‘wil niet van ons weten’, of ‘weigert ons te erkennen’.

In een vorige brief aan de gemeente had Johannes al een en ander geschreven. Het ligt dan voor de hand om hierbij aan zijn tweede pastorale brief te denken. Wel ging deze over valse doctrine en dwaalleraars die in de gemeente toegelaten werden om te spreken, maar dit komt in deze brief niet aan de orde. Men kan echter aan de mogelijkheid denken dat deze Diótrefes zich geërgerd had aan de ‘bekrompenheid’ van Johannes die beweerde de volle waarheid te bezitten, terwijl hijzelf met een beroep op de slogan van de ‘liefde’, de deur openzette voor allerlei soort evangelisten, die afwijkende meningen verkondigden. Hetzelfde zien we in veel kerken en kringen in deze tijd. Men stelt zich ruimdenkend op en zo gebeurt het dan dat de ene prediker weerlegt en afbreekt, wat de andere een week tevoren verdedigd en opgebouwd heeft. Zo wordt de gemeente de ene maal met die visie geconfronteerd en de volgende maal met een tegenovergestelde. Het gevolg is dat men in zulke bijeenkomsten altijd afwijzend staat ten opzichte van de volle waarheid en negatief tegen het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. In dit vers was het resultaat van deze geesteshouding: iedereen mocht bij Diótrefes spreken, behalve de apostel Johannes en de predikers die zich achter hem schaarden. In dit opzicht herhaalt zich in onze tijd de geschiedenis.

Johannes had aan ‘de gemeente’ geschreven. De vorige brief was gericht aan de ‘uitverkoren vrouw’, de kuria. Dit is dus een bewijs dat met de vrouw uit 2 Johannes 1 werkelijk de gemeente werd bedoeld. Het is echter de vraag of de tweede algemene brief ooit haar bestemming had bereikt. Wanneer Diótrefes Johannes niet ontvangen wilde, kan hiermee bedoeld zijn dat deze oudste de brief had achtergehouden. Vandaar dat de apostel nu aan Gajus, die hiervan dan niet op de hoogte was, meedeelde: ‘Ik heb aan de gemeente een en ander geschreven’. Diótrefes had de brief echter verduisterd en niet aan de broederraad of aan de gemeente voorgelezen. Hierdoor was hij dan ook getypeerd met de woorden ‘die onder hen probeert de eerste te zijn’. Hij was ruimdenkend ten opzichte van de dwalingen en tegelijkertijd ‘nauw in zijn ingewanden’ wat de apostel van de Heer betrof (vergelijk 2 Cor.6:12 St. Vert.).

Daarom zal ik, als ik kom, de werken die hij doet, in herinnering brengen. Hij belastert ons met kwaadaardige praatjes; en hiermee nog niet tevreden, erkent hijzelf de broeders niet en verhindert het hun die het wel willen doen en stoot hen uit de gemeente’ 10.

Uit de verte kan Johannes Diótrefes niet aanpakken en de dingen rechtzetten. Hij stelt dit uit, totdat hijzelf weer in de gemeente komt. Hij richt deze brief daarom aan Gajus, die wel in de waarheid staat en ook graag gastvrijheid verleent. Johannes wil dan later Diótrefes herinneren aan zijn onchristelijke levenswandel, waarbij deze zich in woord en daad misdraagt. Johannes laat zich voor zijn doen ongewoon scherp uit over deze broer. Hij zegt dat deze roddelpraatjes over hem en zijn medewerkers uitstrooit. Diótrefes stelt zich dus negatief op en zit vol kritiek en dat nog wel tegen een apostel. In de Statenvertaling wordt zijn gedrag uitgedrukt door: ‘Met boze woorden snaterende tegen ons’. Dit is dan wel het enige persoonlijke verwijt dat in de brieven van de apostel van de liefde voorkomt.

Johannes doet dit niet om zichzelf te handhaven, maar vanwege de gemeente die hem dierbaar is. Hij wil niet dat zijn broers misleid worden en op een verkeerd spoor komen, want Diótrefes wil de broers die achter de prediking van de apostel staan, zelfs niet ontvangen. Wanneer andere gemeenteleden de rondreizende evangelisten wel herbergen, houdt Diotrefes hen terug en gaat zelfs zover, dat hij deze medebroers uitbant. Zo veroorzaakt hij scheuringen in de gemeente door zijn autoritair optreden. Het oordeel komt hem echter niet toe. De gemeenteleden leven immers niet in openbare zonden, evenmin als de broeders die achter Johannes staan.

Ook Paulus maakte soortgelijk optreden mee van ‘bedrieglijke arbeiders’, of van ‘schijnapostelen’, van ‘opgeblazen’ eerzuchtigen, aan wie hij schreef: ‘Wat wilt u? Moet ik met de roede tot u komen, of met liefde en in een geest van zachtmoedigheid?’ (1 Cor.4:21, 2 Cor.11:13). Zulke scheurmakers zijn ‘vleselijk’ en baby’s in het geloof (1 Cor.3:3). Onveranderde mensen menen altijd dat zij de gemeente zuiver moeten houden door een gewelddadig optreden, in plaats van het zwakke te versterken en het oordeel aan de Heer over te laten.

Geliefde, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goed doet, is uit God; maar wie kwaad doet, heeft God niet gezien’ 11.

Nu wendt de apostel zich weer tot Gajus, de geliefde. Hij waarschuwt hem het kwade waarin Diótrefes voorgaat, niet na te volgen, maar het goede te doen, zoals hij dit tot nu toe steeds heeft gedaan. Hij moet de rondreizende broeders niet behandelen op de manier zoals Diótrefes dat doet, maar zoals fatsoenlijk is en naar de wil van God. Mensen als Diótrefes verstoren de rust, de vrede en de gerechtigheid in de gemeente. Ze bederven de sfeer van het Koninkrijk van God. Zij verstoren de broederlijke gemeenschap en bannen kinderen van God op listige wijze uit de gemeente, omdat dezen niet hun natuurlijke inzichten delen. Wie goed doet, is uit God, want het goede komt overeen met de gedachten en het woord van de Heer.

Het goede doen betekent een geestelijke wandel die overeenkomt met het voorbeeld dat Jezus ons nagelaten heeft. Zo’n leven is een gevolg van de leiding van Gods Geest, die in de christen de gezindheid van Jezus Christus met zijn liefde openbaart. Iemand die in deze dingen leeft, ernaar spreekt en handelt, is uit God, dus uit diens gedachtewereld geboren en hoort bij het lichaam van Christus. Zo schreef de apostel in stellige zekerheid: ‘Wij zijn uit God; wie God kent, hoort naar ons’ (1 Joh.4:6), maar hij noemde ook de tegenstelling: ‘Wie de zonde doet, is uit de duivel’ (1 Joh.3:8). Wie kwaad doet, dit wil zeggen dingen doet die niet met Gods wil overeenkomen, die dus wetteloos zijn en geïnspireerd worden door de duivel, kent God niet. Hij kent diens wezen niet, noch diens gedachten en mist de ervaring van een leven met de Heer.

Van Demetrius is een goed getuigenis gegeven door allen en door de waarheid zelf; en ook wij geven een goed getuigenis van hem en u weet dat ons getuigenis waar is’ 12.

Demetrius was hoogstwaarschijnlijk een rondreizende prediker, die ook de gemeente waarvan Gajus lid was, zou aandoen. Hij zou dan ook wel dit schrijven aan Gajus moeten overhandigen, terwijl deze brief dan tegelijkertijd een aanbeveling voor hem bij de broeders zou zijn. De naam Demetrius betekent: gewijd aan Demeter, de godin van de landbouw. Deze naam droeg ook de zilversmid in Efeze, maar men kan moeilijk de rondreizende prediker identificeren met de vervaardiger van beeldjes voor de godin Artemis (Hand.19:24).

Johannes stuurt Demetrius niet zomaar naar een gemeente, maar hij introduceert hem bij Gajus als een betrouwbaar persoon, die hij als een geliefde broer kent en die zeker bereid zal zijn aan Demetrius onderdak te verlenen. Al de broers die deze evangelist kenden, hadden trouwens van hem een goed getuigenis gegeven, zowel van zijn wandel in de waarheid als van zijn persoon, dus van zijn leer en werken. Ook de waarheid getuigde van de zuiverheid van deze broer. Zijn belijdenis en levenswandel stemden overeen met het plan van God. Hij was een oprecht volgeling van Jezus, dus van de Waarheid en ook Johannes onderschrijft zelf dit goede getuigenis. Gajus kent dan de apostel wel zo goed, dat hij weet dat deze dit nooit zou doen, wanneer het in strijd met de waarheid zou zijn. Johannes had immers een zeer goede onderscheiding van geesten.

Wij leren hieruit dat men een broer niet zomaar moet laten optreden, ook al kan hij goed spreken. Men hoort te weten wie en wat men in de gemeente ontvangt. In 1 Timotheüs 3:1-5 somt de apostel Paulus enkele eigenschappen op, waaraan een opziener en een werker in het Koninkrijk van God moet voldoen. Hij moet onberispelijk zijn, de man van één vrouw (dus ook geen polygamist in successie door echtscheiding), bezonnen, beschaafd, geen drinker, vredelievend, niet opvliegend, onbaatzuchtig en dus niet uit op geld. Ook geen pasbekeerde of overgenomene uit een andere denominatie, opdat hij niet hoogmoedig wordt. Het verlangen naar geld, naar eer en naar vrouwen moet niet in hem gevonden worden. Wanneer de gemeenten zich hieraan houden, zullen ze ook niet zo dikwijls teleurstellingen hebben met zogenaamde dienstknechten van God, die echter op deze punten onbetrouwbaar zijn.

Dat Johannes zo’n warme en sterke aanbeveling aan Demetrius meegeeft, zal wel te maken hebben gehad met de moeilijke opdracht om in de gemeente, waarvan Gajus lid was maar ook Diotrefes, te prediken. Ongetwijfeld zou de laatste persoon met zijn vrienden het de spreker moeilijk maken. De boze geesten zouden immers ontmaskerd worden door de waarheidlievende evangelist. Johannes wist dat hij een krachtige figuur was en geschikt om de wantoestanden aan de kaak te stellen.

Veel had ik te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen. Ik hoop u namelijk spoedig te zien en dan zullen wij van mond tot mond spreken. Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden ieder bij naam’ 13-15.

Johannes geeft dit korte briefje aan Demetrius mee. Het slot heeft grote overeenkomst met dat van de tweede brief. Waarom Johannes niet alles op papier wilde zetten, zal wel in verband gestaan hebben met de zaak rondom Diótrefes, die beter door een gesprek kon worden opgelost. Dan zou er hoor en wederhoor mogelijk zijn, zoals de apostel schrijft: ‘Dan zullen wij (samen) spreken van mond tot mond’. In de vorige brief schreef de apostel in vers 12: ‘Opdat onze blijdschap volkomen is’. Het onderwerp dat hij nu met Gajus en de gemeente doorpraten moet, geeft geen oorzaak tot vreugde. Het was moeilijk en wekte eerder droefheid bij deze grote apostel op.

Te midden van al de moeilijkheden wenst Johannes aan zijn geliefde broer toch de vrede toe. Vrede is afwezigheid van levensstoornis. Hoewel er in de gemeente stoornis is, mag Gajus toch in alle rust zijn levensweg met de Heer vervolgen. Voor Gajus geldt dan: ‘Als hij een zoon van de vrede is, zal de vrede op hem rusten’ (Luc.10:6). Er gebeurt dus in de onzienlijke wereld iets, wanneer zo’n wens door de apostel wordt uitgesproken. De groeten gelden nu niet de hele gemeente, gezien de verwarde en moeilijke situatie. Er was toch sprake van vijandschap en afkeer bij Diotrefes en de zijnen. Daarom worden de groeten hier tussen wederzijdse vrienden gewisseld. De waarheidsgetrouwe broers moeten hoofd voor hoofd of bij name gegroet worden. Als een trouw herder noemt Johannes in navolging van zijn Meester de schapen die hem volgen bij naam, want hij wil ze in de naam van Jezus blijven voeren in grazige weiden en naar waterbronnen van het leven.