Laatste opmerkingen eerste Johannesbrief

1 Johannes 5:18-21

  • Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelf en de duivel heeft geen grip op hem’ 18.

Wij zijn geschapen voor goede werken en daarom weten wij ‘dat ieder, die uit God geboren is, niet zondigt’. Johannes schreef eerder in hoofdstuk 3:6: ‘Ieder, die in Hem blijft, zondigt niet’. In deze tekst vervolgt hij nu: ‘Maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf’. Andere vertalingen hebben: ‘Hij, die uit God geboren werd, bewaart hem’. De Canisiusvertaling heeft: ‘Maar wie uit God geboren is, waakt over zichzelf’. Het is dus de vraag of volgens een aantal handschriften ‘zichzelf’ of naar andere bronnen ‘hem’ gelezen moet worden. Hiermee staat dan in verband of ‘die uit God geboren werd’ de gelovige bedoeld of dat Jezus Christus aangeduid wordt.

Nu gebruikt Johannes in hoofdstuk 3:9 de uitdrukking ‘die uit God geboren is’ voor de gelovige. Ook in zijn evangelie spreekt hij over hen ‘die uit God geboren zijn’, wat algemeen op de ‘kinderen van God’ uit het vorige vers wordt toegepast en niet op de Christus (Joh.1:12,13). Nergens wordt de Zoon van God aangeduid met de benaming: ‘die uit God geboren is’. De Bijbel leert ons dat Jezus werd geboren uit een vrouw en dat Hij verwekt was door Gods Geest. De christen is door God verwekt, namelijk door diens ‘levende en blijvende woord’. Dit woord vernieuwt zijn gedachten en als hij daarmee voortdurend bezig is, bewaart hij zich voor de duivel. Deze heeft dan geen grip op hem.

Wanneer wij opnieuw geboren kinderen van God zijn die zich op de hoge weg bevinden, hoeven wij dus niet te zondigen. Wel moeten wij alert zijn en daarom staat er, dat wij ons zullen ‘bewaren’. ‘Weersta de duivel en hij zal van u vluchten’ (Jac.4:7). Ook is er de waarschuwing: ‘Wees waakzaam’, sta als een wachter aan de deur van je levenshuis, zodat je gedachtewereld zuiver blijft en niet geïnspireerd wordt door de duivel. Je bewaart jezelf tegen de duivel door alleen de gedachten van God over te nemen. Gods Heilige Geest die in je woont, ondersteunt je in deze waakzaamheid. Hij overtuigt je van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij geeft je dus onderscheiding van geesten en kracht om goed en kwaad te scheiden. Hij houdt je mede op het rechte spoor en Hij strijdt mee, wanneer de demonen met geweld aanstormen.

Een kind van God wordt vaak aangevallen. Hij wil niet zondigen en hoeft ook niet te zondigen, maar hij kent wel strijd, want de boze geesten leggen zich er in het bijzonder op toe om hem te beschadigen en weg te trekken uit de vrede, de blijdschap en de gerechtigheid van het Koninkrijk van God. Wij weten echter dat de Heilige Geest ons in alle waarheid en gerechtigheid wil leiden. Wanneer we op Hem vertrouwen, kunnen we ons leven zuiver houden en kan dit in ons functioneren en zich ontwikkelen, want zonde en leugen onderdrukken het leven. Wanneer wij in het Koninkrijk van God leven en met Heilige Geest vervuld zijn, heeft de duivel geen vat op ons. Hij vindt dan in ons niets!

Wanneer ons gedachteleven, omdat we waakzaam zijn, niet kan worden geïnfiltreerd, komt de duivel niet verder en kan hij ons zeker niet tot de zondige daad of het verkeerde woord brengen. Uit Jacobus 1:14 weten we hoe de zonde ontstaat, namelijk door bevruchting van onze gedachten. Daar wordt ze een tijdje als verlangen gekoesterd en daar ontwikkelt zij zich als een embryo. Dan wordt zij later als zondig woord of zondige daad in de zichtbare wereld geboren. Wanneer wij echter de zonde niet toelaten en geen enkel contact met de demonen opnemen, hebben ze ook geen invloed op ons.

  • Wij weten dat wij uit God zijn en dat de hele wereld in het kwaad ligt’ 19.

‘Wij zijn uit God!’ Dit is voor ons geen vraag, maar een zekerheid. Dat hoeven wij ook niet in twijfel te trekken, want wij hebben Gods gedachten overgenomen en door Zijn woord zijn wij opnieuw geboren. Ook woont zijn Geest in ons en functioneert de liefde van God in ons en wat is er dan dat niet uit of van God is? Wij zijn niet hoogmoedig, als wij zeggen: ‘Ik ben uit God’, maar belijden daarmee onze hoge afkomst, want wij zijn van koninklijk geslacht. Het evangelie van Jezus Christus verheft de mens en trekt hem op in de onzienlijke wereld, zodat daar de heerschappij op zijn schouders gelegd kan worden. Wij zijn dus apart gesteld. Terwijl de mensheid verder nog onder de macht van de overste van deze wereld ligt en door hem wordt gedirigeerd, zijn wij overgezet in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon (Col.1:13).

De wereld ligt onder het beslag van de duivel. Zij wordt door de duivel geïnstrueerd en broedt zijn gedachten uit. Zij heeft de geest van de vijand en hij heerst daar en niet de liefde van God. De wereld ligt in het kwaad, want zij is aan de duivel overgeleverd. Deze houdt haar omarmd en zij ligt daar meer of minder in slaap: dood in zonden en misdaden. Zij kan zich er dus niet uit losmaken. De goed bedoelende wereldgeesten, die recht en orde willen handhaven, zijn tegenover de kwade geesten meestal ‘zwak en arm’.

De mens bezat eenmaal het koningschap over de aarde, maar hij viel. Van toen af aan kon gezegd worden: ‘Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van hem (de mens), die haar daaraan onderworpen heeft’ (Rom.8:20). Elk contact met het kwaad betekent gemeenschap met de geestenwereld die vijandig tegenover God staat. De met Gods Geest vervulde christenen verheffen zich daarom boven Satans demonen van de duisternis, maar stellen zich op naast de gebonden en overweldigde mens. De wereld ligt in het kwaad, dus in de goddeloosheid. De oude vertaling heeft: ligt in het boze, dit kan ook vertaald worden als: ‘de’ boze en dan wordt al het kwaad teruggebracht tot de grote verleider uit het vorige vers, die echter op hem die uit God geboren werd, geen grip heeft.

  • Maar wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons het verstand heeft gegeven om de Waarachtige te mogen kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon, Jezus Christus. Dit is de ware God en het eeuwige leven’ 20.

Voor de zesde keer gebruikt Johannes hier het werkwoord ‘weten’. Kunt u als gelovige ook in onze tijd met grote stelligheid zeggen: ‘ik weet dat ik eeuwig leven heb en daarom ben ik in de rust van God’ (vers 13)? Kunt u zeggen: Ik weet dat de Heer mijn gebed verhoort en daarom ben ik niet uit mijn evenwicht te krijgen. Ik weet dat ik ontvang wat ik bid, want ik heb leren bidden naar zijn wil’ (vers 15)? ‘Ik weet dat ik niet zondig’ (vers 18)? ‘Ik weet dat ik uit God ben en ik ben door dit vernieuwde denken een vreemdeling in deze wereld’ (vers 19)? Wie de genoemde uitspraken van de apostel overnemen kan, mag ook getuigen: ‘Ik weet dat ik inzicht ontvangen heb om de Waarachtige te kennen’. In zijn evangelie schreef Johannes:

  • ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, die heeft Hem doen kennen’ (Joh.1:18).

Jezus kwam immers om van de waarheid te getuigen, dus het plan van de Waarachtige te openbaren. Hij gaf ons inzicht en verstand van het wezen van God door zijn boodschap van het Koninkrijk der hemelen. Met dit eeuwige evangelie trok Jezus alle steden en dorpen rond, terwijl Hij alle ziekten en kwalen genas (Matth.9:35). Wordt het dan niet hoog tijd dat u zijn evangelie gaat overnemen en u bezig gaat houden met de onzienlijke wereld? Dan alleen kunt u het doel bereiken wat voorgesteld is: ‘Zodat de mens Gods volkomen is, tot alle goede werken volkomen toegerust’ (2 Tim.3:17).

Wij hoeven ons niet te verwonderen dat de geestelijk volwassen mens nooit tevoorschijn is gekomen, want het evangelie ‘van’ Jezus, dus dat Hij zelf gebracht had, is nooit gebracht dan alleen in het begin. Maar Hij beloofde ook dat het over de hele wereld zou worden gebracht en dat dan het ‘einde’ gezien zou worden, dus de rijpe vrucht van het woord van God.

Door Jezus Christus hebben wij de ‘Waarachtige’, dus de schepper van hemel en aarde, leren kennen. Wij zijn in de Waarachtige, want ons ‘leven is verborgen met Christus in God’ (Col.3:3). Er staat: ‘Maar wij weten’, of zoals anderen vertalen: ‘Ook weten wij’, dat Jezus ons de Vader doet kennen die onveranderlijk en waarachtig is. Wij oriënteren ons dus geheel op de inzichten in het Koninkrijk der hemelen, die Jezus heeft gebracht. Hij heeft de gedachten van God geopenbaard en deze ontvouwd en ons de mogelijkheid geschonken, dat wij deelgenoten zijn van een hemelse roeping (Hebr.3:1). Door te breken met de wetteloosheid die uit het rijk van de overste van deze wereld voortkomt en door het offer van Jezus te aanvaarden, zijn wij in het lichaam van Christus ingevoegd en door Hem zijn wij met God verbonden. Dit alles is voor ons werkelijkheid geworden, wat de ware God ons gegeven heeft en waarin wij eeuwig mogen leven. Eeuwig, omdat het altijd durend is en leven, omdat wij in alle aeonen actief bezig mogen zijn in het Koninkrijk van God.

  • Lieve kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden. Amen’ 21.

Nog een laatste waarschuwing voor hen die nog maar pas op de weg zijn, namelijk de kinderen. De geadresseerden aan wie Johannes schreef, leefden midden in het heidendom met zijn vele afgoden. Zij moesten oppassen voor de occulte zonden, die ‘hen omringden’ (Hebr.12:1), dus die iedereen deed. Het spreekt vanzelf dat de afgoden geen werkelijke goden zijn. Het zijn letterlijk niets waardigheden of onmachten (eidola). Het Nederlandse woord afgod betekent ‘verkeerde god’ of ‘on-god’. Paulus schreef daarom: ‘Wij weten, dat er geen afgod in de wereld bestaat’ (1 Cor.8:4) en ‘u hebt goden gediend, die het in wezen niet zijn’ (Gal.4:8). Ze zijn dwaze uitvindingen van de boze mensen, die de ‘majesteit van de onvergankelijke God vervangen door wat lijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren’ (Rom.1:23). Maar de cultus van de afgoden richt zich in wezen op de boze geesten.

In 1 Corinthiërs 10:19,20 merkt de apostel op: ‘Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten’. Daarom is afgoderij zo gevaarlijk, want door middel van een zichtbaar voorwerp komt de mens in gemeenschap met de demonen in de onzienlijke wereld.

Zojuist had Johannes opgemerkt dat de hele wereld in het kwaad ligt. Dit houdt dus in dat de ware christen niet bij deze wereld hoort, want hij ligt niet in het kwaad, maar is uit God. Hij hoort dus bij het Koninkrijk van God, de goede kant van het Koninkrijk der hemelen. Door afgoderij komt hij echter rechtstreeks aan de verkeerde kant, dus in het rijk van de duisternis. Vandaar ook de Paulinische waarschuwing: ‘Mijn geliefden, ontvlucht de afgoderij!’ (1 Cor.10:14). Ban daarom ook uit uw huis de beelden, die in wat voor vorm dan ook, voorwerpen zijn geweest van devotie of aanbidding.

Johannes eindigt niet met een afscheidsgroet, met een heil- of zegengebed, maar met een waarschuwing tegen het occultisme dat vaak iets zichtbaars als blikvanger gebruikt om de mens in gemeenschap te voeren met de boze geesten. De kruidendokter schrijft besproken planten voor, de magnetiseur maakt strijkende bewegingen, de pendelaar gebruikt zijn wichelroede of een draad voor zijn magie, de waarzegster de speelkaart, de spiritist de planchette, de astroloog de sterren. De islamiet loopt rondjes om een gevallen meteoriet in mekka. Denk ook aan het gebruik van fetisjen, amuletten en mascottes in vele soorten.

Wij kennen ook de demonisering van het moderne heidendom in onze cultuurwereld. De mens schept zich dan afgoden in wetenschap, kunst, sport, ras, staat, economie, of seksualiteit. Hij wordt dan van bepaalde machten bezeten en zij gaan over hem heersen, in plaats dat hij over hen heerst. Zo kan de Bijbel spreken over de Mammondienst als veeleisende meester en wordt de geldzucht gebrandmerkt als afgoderij. Wie haar bedrijft gaat het Koninkrijk van Christus en God niet binnen (Ef.5:5).

Het is ook zeer gevaarlijk om de gemeenschap met God in zijn Koninkrijk in verband te brengen met fanatieke sabbatsviering, gewijde soepjurken, heilige plaatsen of voorwerpen, ceremoniën en riten, tale Kanaäns, voorvaderlijke inzettingen en al of niet met ufo’s gedekt hoofd bij de vrouw. Zij werken het occultisme in de hand, want de ware God wordt alleen gediend in ‘geest en in waarheid’. Het door de Heilige Geest verlichte, verstandige hart zal echter het denken vernieuwen, de geestelijke mens behoeden en bewaren voor iedere vorm van idolatrie of afgoderij.

Tenslotte eindigen enkele handschriften nog met een ‘amen’, dus een ‘zo is het’. Waar deze bevestiging ontbreekt, eindigen wij met de vermaning van Johannes:

  • ‘En nu, kinderen, blijft in Hem, zodat wij, als Hij zal geopenbaard worden, vrijmoedigheid hebben en voor Hem niet beschaamd staan bij zijn komst’.