12. Pas op voor misleiding

<<<<<

1 Johannes 3:7-10

Lieve kinderen, laat niemand u misleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is. Wie de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt vanaf het begin. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de duivel verbreken zou’ 7,8.

We weten dat de Satan onze Heer na-aapt. Ook hij komt met zijn woord, maar dit zijn leugens en dwalingen. Jezus laat het zaad van zijn Woorden in ons hart vallen, de Satan zaait woorden van duisternis. Beide soorten zaad ontwikkelen en beide worden openbaar. Het goede woord van God uit zich door een leven in waarheid en gerechtigheid, het woord van de Satan brengt zonde en destructie voort. Hier zien we dus op welke manier God werkt en hoe de demonen van de duisternis werken. Johannes zegt van de ware christen: Die zondigt niet. Wie wél zondigt, heeft God niet gekend, want hij heeft geen onderscheiding van geesten.

Ieder die wetteloos leeft, heeft geen contact met God en ook niet met Zijn Geest, want dan zou hij opgemerkt hebben dat in hem verkeerde geesten werken. Hij kent God niet en heeft geen gemeenschap met Hem. Zo sterk drukt de apostel zich uit. De apostel spreekt over waarheden, waar opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christenen blij mee zijn. Zij laten zich niet meer aanklagen door naamchristenen, die zeggen dat het onmogelijk is vrij te staan voor God. Dat komt volgens hen pas ná de dood. We zien hoe het kerkdom, geleid door ‘vrome’ geesten, deze benadering van het zondeprobleem er bij de toehoorders ingestampt hebben. Wij hebben echter inzicht gekregen dat zonde wetteloosheid is. Zonde gaat in tegen de scheppingswetten van God. Wetteloosheid voert ons af van het leven met God, dus van het werkelijke eeuwige leven.

Gods Geest leert ons hetzelfde wat Jezus onderwezen heeft toen Hij op aarde was. Als er een gedachte in je opkomt, die niet overeenstemt met wat de Heer leert, zeg dan nooit: ‘Het is van God’ of ‘de Heer heeft tegen mij gezegd’, of ‘de Geest gaf in mijn hart’, maar vraag je af of de opkomende gedachte waar is en goed. Er zijn vaak demonen in de mens die mee vibreren. Het gaat erom: is wat in het hart opkomt, er door God ingebracht, of door een verkeerde geest? Dit kunnen we toetsen aan het evangelie van Jezus Christus, dat ons door de apostelen op betrouwbare wijze is doorgegeven. Is de inspiratie die we ontvingen hiermee in overeenstemming, dan is het goed. Tast zo’n gedachte ergens het evangelie aan, dan is zij niet goed. Het is geweldig dat wij de onzienlijke wereld, die wij niet met onze natuurlijke ogen kunnen waarnemen, noch met onze natuurlijke oren kunnen beluisteren, kunnen controleren door het woord van God en ons niet hoeven te laten misleiden. Ook Gods Geest die in ons woont en die put uit de woorden van Jezus, helpt ons om de ingegeven gedachten te verifiëren.

De Heer heeft nog een derde toetssteen gegeven, zodat wij zeker zullen weten dat wij op de weg van het leven zijn, namelijk de gezindheid van ons hart. We vragen ons af: functioneert de liefde tot de waarheid van God in ons, dat wil zeggen de schenkende liefde die altijd positief gericht is op de mens? Al denk je dat je het woord van God hebt en al woont Gods Geest in je, als je deze liefde tot de waarheid mist, zal je je toch moeten afvragen: zijn mijn gedachten wel zuiver en ben ik wel op de goede weg? Deze drie toetsstenen: de Woorden van God, Gods Geest en de liefde tot de waarheid vinden we herhaaldelijk terug in de brieven van Johannes.

Valse leringen

De apostel wekt de jonge gelovigen op om zich niet te laten bedriegen door valse leringen of ingevingen. Wanneer wij dan lezen: ‘Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is’, moet het wel onbegrijpelijk voorkomen dat veel naamchristenen toch blijven zingen: “De zonde kleeft ons altijd aan, wie van ons kan voor U bestaan..?”

Alleen rechtvaardigen die van hun zondeschuld verlost zijn en die in gerechtigheid leven door de kracht van Gods Geest, zijn waardige leden van de gemeente van Jezus Christus. Hij is het hoofd van het lichaam en Johannes schrijft over Hem, dat Hij de Rechtvaardige is. Johannes veroordeelt sterk degene die de zonde doet en zegt tot allen die zonden doen, dat zij uit de duivel zijn. Zo zei ook Jezus over de joden die wel in Hem geloofden, maar die toch de dwaling en de leugen vasthielden: ‘U hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen’. Ware kinderen van God hebben behoefte aan waarheid en gerechtigheid en deze begeerte beheerst hun hele leven. De apostel schrijft: ‘De duivel zondigt, of is wetteloos, vanaf het begin’. Zo zei Jezus dat de satan een mensenmoordenaar is van het begin en dat er geen waarheid in hem is te vinden (Joh.8:44).

God heeft zijn Zoon in de wereld gebracht om het werk van de duivel in ziekte, zonde en leugen te ontmaskeren en hem te overwinnen. Daarom heeft Hij tijdens zijn leven op aarde de machten openlijk ten toon gesteld en hen overwonnen (Col.2:15). Hij trok zijn aardse vaderland door om allen te genezen die door de duivel overweldigd waren (Hand.10:38). Hij droeg zijn volgelingen op om dezelfde goede werken te doen. Hij wilde niet dat zij deelnamen aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar veelmeer dat zij de boze geesten zouden ontmaskeren net als Hij dit zelf gedaan had (Ef.5:11). Zo mogen wij dan ook samen met hun Heer meer dan overwinnaars zijn. Duidelijk wordt gezegd, dat Jezus kwam om de werken van de duivel te verbreken. Hij verbrak of vernietigde niet het werk van mensen, maar die van de ware vijand van God en van de mens. Hij viel geen mensen aan, maar probeerde allen te redden. Hij bestreed de Satan en gaf zijn gelovige volgelingen de opdracht in zijn naam ook zo te handelen.

Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. Hieraan zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel te herkennen. Ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als hij die zijn broer niet liefheeft’ 9,10.

Johannes stelt nu een regel vast, die voor alle ware christenen geldt: een oprecht kind van God is iemand die uit God geboren of opnieuw geboren is. Wat wil dit zeggen? Een mens leeft in het gebied van de overste van deze wereld in de duisternis en hij kan zich nooit bekeren, als hij het woord van God niet hoort. Hoe zal hij ‘het horen als het hem niet eerst vertelt wordt?’ (Rom.10:14). Het allereerste moet dus het evangelie van Jezus Christus aan hem vertelt worden. Iemands geest die in de duisternis is, merkt het op, richt er zich positief op en pakt het aan. Het woord van God is vol genade, vol liefde en belooft heerlijke dingen, zoals reiniging van schuld, herstel, heling en genezing. De mens die dit aanvaardt, is dan in plaats van een schuldige, een rechtvaardige geworden op wie de duivel geen enkele claim meer heeft. Door het geloof pakt de geest dus Gods gedachten aan en deze zijn geest en leven. Wanneer dit raadsplan zich als woord met de menselijke geest verbindt, deze als het ware bevrucht, wordt het nieuwe leven gewekt. Daarom staat er: ‘Opnieuw geboren en niet uit vergankelijk zaad, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’ (1 Petr.1:23).

De woorden van God

Dit woord moet worden bewaard, of zoals hier staat, ‘het zaad van God’. De opnieuw geboren mens mag het niet meer verliezen of loslaten. Op deze manier wordt hij innerlijk vernieuwd en zijn gedachteleven veranderd, want dit woord van God doet zijn reinigend, herstellend en leven verwekkend werk. De vrucht van dit zaad is de nieuwe mens die geschapen is naar het beeld van Jezus Christus, want dit vernieuwingsproces zal ook doorwerken in het zielenleven en zelfs in het lichaam. Het zal door de herboren mens heen, geopenbaard worden in goede woorden en werken. Jezus zei: ‘Een goede boom brengt goede vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen’. Wat door God met zijn Woord verwekt wordt, is altijd goed.

De woorden van satan

Ook het ontstaan van de zonde kan vergeleken worden met een geboorteproces. De mens hoort het misleidende woord van de Satan en gelooft en aanvaardt dit. Zijn innerlijke mens wordt er door bevrucht. Na deze bevruchting wordt de zonde gebaard (Jac.1:15). Zo iemand brengt dan slechte vruchten voort, of ‘de werken van het vlees’ (Gal.5:19). Zijn gedachten, woorden en daden hebben dan de duivel tot vader. Jezus zei ook: ‘De slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een slechte boom kan geen goede vruchten dragen’. Hij voegde er nog aan toe: ‘Zo zult u hen dan aan hun vruchten kennen’ (Matth.7:17-20).

De natuurlijke mens is van begin af aan in aanraking gekomen met het verkeerde. Hij was niet bezig met de woorden van God, niet met de waarheid en niet met de werkelijkheid zoals deze is, maar met de dingen die de mensen hem leerden of die rechtstreeks door de Satan werden geïnspireerd. Hij was gewend daarmee te werken. Wanneer iemand echter de naam van de Heer noemt, moet hij breken met iedere vorm van ongerechtigheid. Er is geen bekering of begin van nieuwe geboorte mogelijk, als niet het oude denken wordt losgelaten en schade en drek wordt geacht. De hersens, het verstand, de ziel en de geest die altijd bezig zijn geweest met de dingen van de aarde en met de ingevingen van de duisternis, moeten leren voortaan bezig te zijn met de woorden van God. Daar moeten zij zich naar richten en daardoor vernieuwd worden.

De rust die God geeft

‘Ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde’

Zodra de mens weet dat zijn schuld is vergeven en aanvaard heeft, dat hij een rechtvaardige geworden is, kan dit vernieuwingsproces van de nieuwe geboorte zich verder gaan ontwikkelen. Er staat duidelijk: ‘Ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde’. Johannes vertelt ons dat zonde wetteloosheid is, dus een ingaan tegen de wetten van God. Wat wetteloos is, voert af van de gemeenschap met God, dus van het eeuwige leven. Wie uit God geboren is, doet geen zonde, want hij is vernieuwd in zijn denken, verlost uit de macht van de duisternis. Wie de woorden van Jezus werkelijk bewaart, dus Hem liefheeft als Woord van God, valt niet in de zonde.

Natuurlijk kan hij in Satans val trappen, want de mogelijkheid blijft dat hij nog zonde doet, dat hij opnieuw contact opneemt met de demonen van de duisternis. Hij kan daar echter ook weer van loskomen, als hij zijn kwaad belijdt. Maar zonde doen is niet de weg van de kinderen van God, want zij hoeven zich niet te laten inspireren door boze geesten, ook niet door machten van jaloezie, van nijd of van onenigheid. De apostel Paulus zegt over dit soort innerlijke zonden: leg ze af en doe ze weg uit je leven. Richt daarom de aandacht op Jezus Christus en op zijn woord en word geleid door Gods Geest.

Johannes maakt hier een zeer scherpe tegenstelling tussen mensen die uit God geboren zijn en zij die zondigen. Dit deed de Heer ook. Het is mogelijk dat iemand op bepaalde goede gewoonten in de zichtbare wereld kan wijzen, zoals trouwe kerkgang, grote kennis van de Schrift, geestelijke gaven. Hij mag dan vaak het woord ‘Heer, Heer’ op de lippen nemen, maar wanneer zijn werken niet overeenstemmen met het woord van God, zal hij met alle verdere huichelaars door Jezus worden afgewezen als ‘werker van de wetteloosheid’, die de Heer niet kent als zijn volgeling of als zijn medewerker (Matth.7:21-23). Een ware christen kan niet tegelijkertijd gemeenschap hebben met het woord van God en met de gedachten van de Satan. Wel kan hij nu eens door de Woorden van God worden geïnspireerd en later weer naar de Satan luisteren. De Bijbel noemt zulke mensen dan verdeeld van hart. Zij plegen geestelijk overspel en zondigen in de onzienlijke wereld. Zulke personen moeten niet denken dat zij iets van God zullen ontvangen, innerlijk verdeeld als zij zijn (Jac.1:7,8).

Iemand die door het woord van God is vernieuwd en dit bewaart, komt in aanraking met de gedachten en het wezen van God, dus met diens licht en diens liefde. Zoals zo iemand in zijn denken één wordt met het plan van God, komt hij ook in aanraking met de gezindheid van God en neemt deze over. De gesteldheid van God t.o.v. de mens is altijd positief, vooral ten opzichte van zijn volk. Deze liefde neemt de ware christen over en dan zal blijken dat hij zijn broer en zuster liefheeft op dezelfde manier als God hem bemint. Daarom noemt Johannes als derde toetssteen: wie zijn broer niet liefheeft, is niet uit God. Mensen van de wereld begrijpen niet dat iemand zo vol met goddelijke liefde kan zijn, want ze kennen de Heer niet, kennen zijn Woorden niet en bezitten Gods Geest niet. Zij kennen deze liefde van God niet die met Gods Geest uitgestort is in onze harten, die wij uitdragen en waarnaar wij mogen leven (Rom.5:5).

>>>>>