Zichzelf toetsen

1 Corinthe 11:27-34

Daarom, wie op onwaardige wijze dit brood eet of de drinkbeker van de Heer drinkt, is schuldig aan het lichaam en bloed van de Heer’ 27.

Het is mogelijk om op onwaardige wijze het avondmaal te gebruiken. De apostel geeft daarbij geen voorbeelden, maar de wantoestanden bij de liefdemalen vormden ongetwijfeld de directe aanleiding tot deze in het algemeen bedoelde waarschuwing, want de onderlinge liefde en de eenheid werden in de Corinthische gemeente geschonden en aangetast. Onwaardig is zondig, ongepast, ongereinigd en bovenal ongelovig. De Heer heeft zijn lichaam en zijn bloed gegeven, zodat zijn volk vrij zou zijn van zondeschuld. Zij die dit geloven, zijn rechtvaardigen. Wie van zichzelf en ook van zijn medeaanzittende broeders en zusters niet gelooft, dat men allen rechtvaardig is, maar integendeel zondaars blijft tot de dood, maakt zich bij het gebruik van het avondmaal schuldig aan het lichaam en aan het bloed van de Heer. Wie echter gelooft dat hij een rechtvaardige is, wordt ook in staat gesteld waardig te wandelen. Zo wordt de ware christen in de dag van de Heer ‘waardig geacht al deze dingen, die zullen gebeuren te ontvluchten’ (Luc.21:36). Hij is dit dan op grond van de vergeving van de zonden en van zijn rechtvaardige levenswandel.

Als men onwaardig wandelt en onwaardig eet en drinkt, handelt men niet overeenkomstig het geestelijke niveau en de heiligheid van de Avondmaaltafel. Men leeft dan uit een verkeerde geest. Men doet dan deze heilige instelling geweld aan en veracht het lichaam en het bloed van de Heer. Men handelt dan alsof men het bloed van het verbond, waardoor men geheiligd was, onrein acht. In plaats van gereinigd te worden, is men dan schuldig aan zijn bloed! (Hebr.10:29). De christen moet aanzitten overeenkomstig het gedragspatroon in Efeziërs 4:1-6, waar staat:

  • ‘Zo roep ik, de gevangene in de Heer, u op tot een wandel die de roeping waarmee u geroepen bent, waardig is, in alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, door elkaar in liefde te verdragen en u te beijveren om de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede: één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die boven allen en door allen en in u allen is.’

Het nieuwe verbond kan nooit gepaard gaan met zonde, omdat het eeuwig is. Zonde ontbindt en breekt af en daarom hoort zij bij het tijdelijke en voorbijgaande. Bij het avondmaal getuigt men, dat zijn zonde is vergeven en dat men door het bloed van het Lam van alle zonden gereinigd is. Door zich te bezondigen maakt men het vergoten bloed voor eigen leven krachteloos, zodat het niet meer werkt. Ongelovig deelnemen betekent ook, dat men zich niet concentreert op de geestelijke betekenis van het lichaam van de Heer, dus op de eenheid en zuiverheid van de gemeente van Jezus Christus. Het gaat er bij het avondmaal niet om aan de natuurlijke begeerten te voldoen, maar om aan het geestelijke Levensbrood, aan Jezus Christus, deel te hebben.

Wij wijzen er nog op, dat het voegwoordje ‘of’ niet zo uitgelegd mag worden, dat men het avondmaal in één gestalte gaat gebruiken, dus óf in brood, óf in wijn. De avondmaalbediening moet onder beide ‘gestalten’ plaats vinden. Kelkonthouding zoals deze in de roomse kerk gebruikelijk is, is in flagrante strijd met het bevel van de Heer: ‘Drinkt allen daaruit’ (Matth.26:27). Wie waardig is om het brood tot zich te nemen, is ook waardig uit de beker te drinken. Paulus bedoelt niet ‘of-of’, maar ‘en-en’, want dit blijkt uit het hele verband.

Maar laat ieder mens zichzelf beproeven en laat hij zó eten van het brood en drinken uit de drinkbeker. Want wie op onwaardige wijze eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, omdat hij het lichaam van de Heer niet onderscheidt’ 28,29.

Ieder die aan het Avondmaal deelneemt, moet zichzelf beproeven of onderzoeken. Het gaat er immers om, in de juiste geestelijke gesteldheid aan de tafel van de Heer te zitten. In 2 Corinthiërs 13:5 schrijft de apostel: ‘Stel uzelf op de proef, of u wel in het geloof bent, onderzoekt uzelf. Of bent u niet zo zeker van uzelf, dat Christus in u is? Want anders bent u verwerpelijk’. Wanneer men zich het lijden en sterven van Jezus in gedachten brengt, zal men zich moeten afvragen, of men in het geloof staat, dat zijn schuld is verzoend en men een rechtvaardige is. Ook komt dan de vraag naar boven of men ook in de gerechtigheid lééft. Bij de ware gelovige zal het antwoord leiden tot een vrijmoedig aanzitten, want er staat: na het zelfonderzoek zal hij eten en drinken. De apostel stelt zich dus positief op ten opzichte van zijn medegelovigen.

Wie echter ‘onwaardig’ eet en drinkt, wie dus in ongerechtigheid leeft en deze maaltijd als een natuurlijke zaak beschouwt, mist de vrede, de blijdschap en de gerechtigheid van het Koninkrijk van God. Hij heeft ook geen enkele zekerheid dat Christus door het geloof in zijn hart woont. Hij voelt zich dan ook niet thuis bij het ware volk van God en vermijdt hun gezelschap, dus kan hij ook niet met zijn broeders en zusters bij het avondmaal gemeenschap met hen hebben. Ook is het Bijbels ondenkbaar dat er gemeenschappen zijn, waarvan slechts enkele leden naar het avondmaal gaan. Wij denken aan die kerken, waar in de praktijk het avondmaal is afgeschaft, omdat de leden niet durven aanzitten! Men is daar niet zeker van zichzelf, omdat men in twijfel en vrees is opgevoed. Men stelt zelfs de vraag: ‘Hoe kan men eigenlijk weten dat men de Heer toebehoort?’ Men meent dan door bepaalde gevoelservaringen, kenmerken van het christendom te kunnen vinden.

De opvatting dat een onwaardige Avondmaalsviering een eeuwig verderf met zich zou brengen, of dat een blij en vrijmoedig aanzitten een zonde tegen de Heilige Geest zou zijn, heeft een juist gebruik veel schade aangedaan, terwijl het vieren toch een middel is om het geloof te versterken en de mens erbij te bepalen, dat zijn zonde vergeven is en het oordeel weggenomen. Het oordeel ter verwerping treft echter zeker hen, die in grote getale traditioneel naar het avondmaal gaan op grond van het feit, dat zij een kerkelijke belijdenisformuliertje aflegden, hoewel deze niet gepaard ging met een waarachtige bekering en nieuwe geboorte. Zij missen dus het geloof dat een bewijs is van de onzienlijke dingen, maar menen een verbondsmatig recht via de voorouders te bezitten, om deel te hebben aan de maaltijd van de Heer. Ieder gemeentelid is geroepen tot zelfonderzoek!

Dit beproeven moet dus geen broeder of zuster, geen oudste of voorganger verrichten, maar de christen zelf. Wij zijn geen keurmeesters van elkaar. De ware christen is bescheiden en ootmoedig en past er voor op een ongunstig oordeel aan te matigen over zijn broeder en zuster. Hij zal hen integendeel met respect behandelen. De ware christen is niet zogenaamd eerlijk in zijn spreken over anderen, maar wel ten opzichte van zichzelf. Hij weigert de aandacht te vestigen op de splinter in het oog van zijn medegelovige. Meestal zijn de broeder en zuster die zo openlijk de tekorten van een ander moeten meedelen, zelf gebonden mensen. Zij bederven met hun kritische opmerkingen de sfeer van het Koninkrijk van God in de vergaderingen van de gemeente, van kerkenraad en van broederraad. Het is immers zo dat niemand weet, wat in een mens is, dan de mens zijn eigen geest die in hem is (2:11).

Paulus schrijft hier over de zelfkennis, over de keuring van zichzelf, die altijd het goede bewerkt en dat naar boven brengt. De christen past wel op voor de roddelgeest, die in mooi lijkende nederigheid het omlaag halen van anderen voorschrijft en het zelf verheffen niet verbiedt! Bij het gebruik van het avondmaal geeft de christen ook uitdrukking aan zijn houding, die hij ten opzichte van de andere leden van het lichaam van de Heer heeft. Paulus brengt ons hier niet in het klimaat van de tuchtoefening, zoals hij dit deed bij de aanwijsbare en onbeleden zonde van een gemeentelid in het vijfde hoofdstuk. Hij wijst er echter op, dat men zichzelf moet leren kennen en oordelen, zodat men niet zal vallen onder het oordeel van de Heer.

Het gaat hier dus zeker niet om het eigen fysische lichaam van de avondmaalvierder, zoals sommigen menen, maar wel over het mystieke lichaam van de Heer, de gemeente. Er wordt gezegd dat de onwaardige christen ‘hét’ lichaam niet onderscheidt. De gemeente wordt als lichaam ook aangeduid in hoofdstuk 10:17 en 12:12. Natuurlijk is er verband tussen het lichaam van Jezus als de Mensenzoon en zijn lichaam als gemeente. Zo was er in het oude verbond een persoon Israël, maar ook een volk Israël. In het nieuwe verbond is er een persoon, Jezus Christus en een volk van Christus, van ‘gezalfden’. Het gebruik van het brood bij de avondmaalsviering duidt op de gemeenschap met dit mystieke lichaam van Christus.

Daarom zijn er onder u veel zwakken en zieken en velen zijn ontslapen. Want als wij onszelf zouden beoordelen, zouden wij niet geoordeeld worden’ 30,31.

Het oordeel is de scheiding tussen goed en kwaad. Wie zich geen rechtvaardige weet en wie in ongerechtigheid deelneemt aan de tafel van de Heer of er ongelovig aanzit, is er niet zeker van dat Jezus Christus in hem is (2 Cor.13:5). Wie niet gelooft dat hij door het bloed van Jezus van zijn zonden gereinigd is, kan ook niet geloven dat hij door zijn striemen is genezen (1 Petr.2:24). Natuurlijk had onze Heer ook door een plotselinge dood kunnen sterven, nadat de Heilige Geest Hem verliet, dat is dus toen God in Hem Zich terugtrok. Zijn lijden, zijn doodsangsten, zijn striemen, staan echter in verband met onze genezing. Niet alleen werd de dood overwonnen, maar ook de genezing van de mens kreeg een vaste basis, hoewel deze hoofdzakelijk de tijdelijke redding beoogt. Verder wordt in Romeinen 8:11 door de apostel verzekerd:

  • ‘als de Geest van Hem, die Jezus uit de dood heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont’.

De avondmaalganger die niet weet, dat Gods Heilige Geest in hem woont, heeft ook geen verweer tegen de ziektemachten die zijn sterfelijk lichaam slopen. Er zijn dus voor de christen twee dingen te doen: hij moet geloven in de genezing vanwege het Schriftwoord: ‘Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen’ (Matth.8:17) en hij moet zijn geestelijke wapenuitrusting aantrekken om in grote weerbaarheid de destructieve machten te kunnen onderscheiden, te weerstaan en uit te drijven (Ef.6:10-23).

Er is echter nog iets anders. Wanneer een kind van God aangevallen wordt en hij geen overwinning boeken kan, zal hij geestelijke bijstand in de gemeente zoeken. Hij kan bijvoorbeeld de oudsten roepen om volgens Jacobus 5:14 met hem te bidden en hem met olie te zalven in de naam van de Heer. De oudsten zullen dan eerst moeten onderzoeken of in de zieke geen verdeeldheid van denken en geen zondige begeerten aanwezig zijn, waardoor zij met de zieke dus niet een-van-geest zouden zijn. Wie fundamenteel niet hetzelfde denkt, moet geen hulp vragen. Het één van geest zijn blijkt ook uit het feit, dat men het door God gegeven gezag in de gemeente erkent. De leden rebelleren dan niet tegen de oudsten en dezen weer niet tegen de voorganger. Dit gezag berust immers niet op natuurlijke kwaliteiten en is niet voor hen, die menen Godsmannen te zijn en menen leiding te moeten geven, maar aan leiders wier geestelijk gezag door de hele gemeente als vanzelfsprekend en als door God gegeven wordt aanvaard. Ze zijn immers voor God verantwoording schuldig en zullen bovendien als voorbeelden van de kudde nauwkeuriger en zwaarder geoordeeld worden. De apostel schrijft hier de ziekte toe aan de scheiding, die de Heer door zijn woord in de gemeente aanbrengt. Als wij echter in eigen leven deze scheiding maken tussen waarheid en leugen, tussen gerechtigheid en ongerechtigheid, kan Gods Geest ook in het lichaam doorwerken.

Opnieuw vestigen wij er de aandacht op, dat wij onszelf nauwkeurig en eerlijk moeten onderzoeken. Wij mogen anderen niet oordelen, zodat wij zelf niet geoordeeld worden (Matth.7:1). Het gaat er om streng te zijn voor onszelf en mild voor een ander. Paulus legt het accent van herstel niet op een geforceerd bidden, op grotere geestelijke inspanning, ook niet op het gemis aan geestelijke gaven, want deze waren in Corinthe wel aanwezig, maar hij wijst op het gebrek aan eenheid in de geestelijke wereld van ieder afzonderlijk en allen samen.

Paulus herleidt de kwade verschijnselen in de gemeente te Corinthe tot een oordeel van de Heer, waarmee niet gezegd is dat nu alle ziekte en ieder sterfgeval hiervan een teken zouden zijn. Zo herinnert de apostel de Galaten aan het feit, dat toen hij de eerste maal naar Antiochië ging, het niet in zijn bedoeling had gelegen om in die omgeving te prediken, maar om naar een andere plaats te gaan. Een plotselinge ziekte drong hem echter onder de Galaten te blijven. Daarom lezen wij in Galaten 4:13: ‘U weet, dat ik aan u de eerste maal, omdat ik ziek geworden was, het evangelie gebracht heb’. In vers 15 merkt hij dan op, dat de Galaten in hun dankbaarheid en erkentelijkheid hun ogen uitgerukt zouden hebben om ze aan hem te geven. Dit gezegde maakt wel duidelijk dat Paulus een paar gezonde ogen nodig had, net als de opmerking in Galaten 6:11, waar staat: ‘Ziet met hoe grote letters ik u eigenhandig schrijf’. Zo kwam er bijvoorbeeld in al zijn beproevingen nog bij, dat hij in 2 Timotheüs 4:20 erkennen moest: ‘Trófimus heb ik ziek achtergelaten te Miléte’. Wij denken ook aan zijn advies aan Timotheüs om een weinig wijn te gebruiken voor zijn maag en voor zijn gedurige ongesteldheden 1 Tim.5:23).

Het woordje ‘ontslapen’ of ‘slapen’ wordt meestal in het Nieuwe Testament gebruikt voor het sterven van een christen. Zoals een slapende onttrokken is aan de zichtbare wereld, maar voortleeft in de onzichtbare, zo is dit ook met de gestorven gelovige. Voor ons is zo’n geliefde dood, maar voor God leeft hij voort naar de inwendige mens (Luc.20:38). Zoals wij streven naar de overwinning op de zonden, strekken wij ons ook uit naar de volkomen genezing van het lichaam, ja, wij geloven zelfs, dat wij niet allen zullen ontslapen, maar allen veranderd zullen worden, in een ondeelbaar ogenblik’ (15:51). Wanneer wij dit bereikt hebben, zijn wij als zonen van God geopenbaard.

Maar als wij geoordeeld worden, worden wij door de Heer bestraft, zodat wij niet met de wereld veroordeeld zouden worden’ 32.

Er zijn mensen die zo met de boze geesten zijn verbonden, dat de Heer hen moet loslaten. Dan kan geconstateerd worden dat God hen aan hun hartstochten, hun onreinheid of een verwerpelijk denken heeft overgegeven (Rom.1:24,28). Zo lag het echter bij de Corinthiërs niet. Immers, met het woordje ‘wij’ sluit Paulus zichzelf immers enigermate hierbij in. De christenen worden door de Heer ‘getuchtigd’, zodat zij niet met de wereld veroordeeld zouden worden en ondergaan. Zo verdroeg God wel de afgoderij bij de volken, maar Hij was onverdraagzaam ten opzichte van dit kwaad bij zijn eigen volk. Het woord ‘tuchtigen’ (paideuoo) doet ons denken aan de maatregelen die een pedagoog of onderwijzer neemt. Deze behandelt zijn ongehoorzame leerlingen anders dan de aardse rechter de wetsovertreder bejegent. Wanneer zijn pupil de verkeerde kant opgaat, laat de pedagoog hem wel eens een ogenblik zijn gang gaan, opdat zijn ogen zullen opengaan.

Zo zijn er christenen, die door ervaring moeten leren wat het loon van de zonde inhoudt, namelijk ellende, moeite en een doodssituatie ten opzichte van God. Ook hier geldt dan dat zo’n ongehoorzaam kind van God aan de satan is overgeleverd tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden zou worden (5:5). Dan kunnen alle dingen voor zo’n afgedwaalde nog ten goede werken, zodat hij zich weer geestelijk kan oprichten. Vanwege zijn behoud zal de Heer daarom eerder een gelovige de gevolgen van zijn afdwaling laten ervaren dan een ongelovige. Onze vaders hadden de uitdrukking: een kind van God zondigt niet goedkoop.

In een goede gemeente grijpt God daarom sneller in dan in een al diep gevallen gemeenschap. Denk bijvoorbeeld aan de geschiedenis van Ananias en Saffira, wier hart door de satan was vervuld om Gods Geest te bedriegen. Zij werden beiden een prooi van de occulte demonen, zodat zij wellicht bewaard zouden worden voor een eeuwige ondergang, zoals Judas de verrader, van wie gezegd moest worden dat hij een duivel was. Deze ging bij zijn dood ook heen naar zijn eigen plaats (Hand.1:25). Hoe scherper de christen zichzelf onderzoekt en zich afvraagt of hij werkelijk uit de waarheid is, des te beter zal hij zijn plaats in de gemeente kunnen innemen en de zwakken kunnen helpen.

Daarom, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, wacht op elkaar. Maar als iemand honger heeft, laat hij thuis eten, zodat u niet tot een oordeel samenkomt. Wat betreft de overige zaken zal ik opdracht geven wanneer ik kom’ 33,34.

Paulus keert nu weer terug naar de misstanden van de Corinthiërs bij het eten van de maaltijd van de Heer. Ondanks alle problemen blijft hij ze toch broeders noemen, want ze zijn net als hij, kinderen van dezelfde hemelse Vader. Hij waarschuwt nogmaals tegen de ongeregeldheden waaraan zij zich schuldig maakten. Zij moesten leren gedisciplineerd te leven. Zij hadden juist tegen de gewone regels van de normale samenleving gezondigd. Een christen die met Gods Heilige Geest gedoopt is, hoort een voorbeeld te zijn van innerlijke beschaving. Lompheid, onbeschoftheid en asociaal gedrag vindt men bij hen die door boze geesten zijn gebonden. Zulke christenen kwetsen hun geloofsgenoten door hun onbezonnenheid en hun wrange en stekelige opmerkingen. Zij missen dus de gewone fatsoensnormen in de omgang.

De apostel moet hier vermanen: als je je liefdemaal houdt, wees dan zo beleefd om op elkaar te wachten. De moeder met de zorg voor het grote gezin, de man die laat van zijn werk komt en de slaaf die permissie moet vragen, kunnen niet altijd op tijd zijn. Maak er geen opmerkingen over, maar probeer je in hun situatie te verplaatsen. De armen krijgen dan verder wellicht te horen dat de liefdemaaltijd niet bedoeld is om de honger te stillen noch om zich eens te goed te doen, want dat zou een onwaardig vervolg zijn op het Avondmaal van de Heer, dat een zuiver geestelijke zaak is. Zo komt men ook niet in de gemeente bijeen om fijne muziek te horen, om redevoeringen te beluisteren, om kunstuitingen te bewonderen, ook niet om de laatste modecreaties te tonen, maar om samen de onzienlijke wereld van het Koninkrijk van God binnen te gaan. Daarom staat de eerste opmerking van het volgende hoofdstuk niet los van deze waarschuwing. Laat men toch alleen de dingen bedenken die boven zijn en wandelen op de weg die verder omhoog voert (12:31).

Als een liefdemaal gewenst is, moet het bedoeld zijn als een tafelgemeenschap die volkomen overeenstemt met het gevierde avondmaal. Het gevaar van zo’n gezellig samenzijn is duidelijk. De gesprekken en gedachten gaan zich richten op de meerdere of mindere voortreffelijkheid van het voedsel, op de kosten die eraan werden besteed. De rijke ziet dan hoogmoedig rond en in de arme komt een jaloerse geest boven. Zo worden dan de maatschappelijke tegenstellingen tussen rijken en armen, heer en slaaf, ook in de gemeente zichtbaar en dit wil de Heer juist niet. Dan worden al die misschien goed bedoelde maaltijden, waaraan men urenlang bezig is geweest, voor de Heer een belemmering om Zich te openbaren.

Met de opmerking dat hij het overige wel zou regelen wanneer hijzelf kwam, beperkt de apostel zich tot de noodzakelijkste uiteenzettingen. De rest van de vragen zou later nog wel behandeld worden, maar wanneer dit zou zijn, stond nog lang niet vast. Wij weten weinig van de reisplannen van de apostel, maar in 2 Corinthiërs 1:16 wijst hij erop, dat het de bedoeling was over Corinthe naar Macedonië te reizen om op de terugweg opnieuw deze stad aan te doen. Paulus had toen al een zeer zware tijd in Asia achter de rug (2 Cor.1:8).