Waarschuwing tegen verdeeldheid

1 Corinthe 3:1-9

En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot mensen die geestelijk zijn, maar als tot mensen die nog vleselijk zijn, als tot jonge kinderen in Christus. Ik heb u met melk gevoed en niet met vast voedsel, want u kon dat nog niet verdragen; ja, u kunt dat ook nu nog niet, want u bent nog vleselijk’ 1,2.

Geestelijke mensen hebben niet alleen kennis van de onzienlijke wereld, maar zij spreken, handelen en reageren in alle voorkomende situaties vanuit dit inzicht. Zij begrijpen Gods plan met hen en de manier waarop Hij dit uitvoert. Zij bezien de dingen die op hen afkomen vanuit de grote hoogte van het Koninkrijk van God en lossen vanuit hun hemelse visie de natuurlijke en geestelijke problemen op. Wanneer zij zorgen hebben of door ziektemachten worden aangevallen, wanneer het hun in alles tegenzit, doen zij als de profeet Habakuk: ‘Zij juichen in de Heer, jubelen in de God van hun redding en treden op hun hoogten’. Zij hebben macht om de hemelen te sluiten en als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond, dat hun vijanden verteert’ (Op.11:4-6). Zij weten dat zij ook ‘in dit leven’ op God kunnen hopen, dat er dan altijd een weg tot ontkoming is en dat zij niet ten ondergaan. Zij zijn herkenbaar aan hun ontspannen zijn en dit ondanks de harde werkelijkheid waarin zij leven.

Aardsgerichte christenen, ook wel naamchristenen, zijn onmondige volgelingen van de Heer. Zij horen en zien niet met de oren en ogen van hun geestelijk lichaam, dus van hun inwendige mens, maar alleen met hun natuurlijke zintuigen. Zij houden er geen rekening mee dat de satan als overste van deze wereld langs deze kanalen hen misleidt en verleugend. Daarom is er bij hen wel strijd tegen vlees en bloed, maar niet tegen Satans demonen in de hemelse gewesten. Ze zijn ‘onmondig’ of ‘kleine kinderen’ die ook natuurlijke mensjes zijn en daarom in en door hun ouders ‘geheiligd’ moeten worden om hen te beschermen tegen de vijandige, onzichtbare wereld die hen bedreigt en probeert te overweldigen.

Paulus was de stichter van de gemeente te Corinthe. Haar leden waren wèl gedoopt IN water en MET Gods Geest, in tegenstelling met het grote naamchristendom vandaag, dat zelfs het enige Bijbels Fundament niet nodig vindt en maar een formuliertje ophoest. Ze hadden in Corinthe zelfs geen gebrek aan enige genadegave. Ze zagen ook uit naar de openbaring van Jezus Christus in hun leven en toch konden zij de eigenlijke boodschap van de apostel over de verborgen wijsheid van God niet verwerken. Het waren maar enkelen die zich geestelijk hadden opgesteld en die voortdurend in het Koninkrijk van God wandelden. De meesten van hen waren nog niet reëel ‘deelgenoten van de hemelse roeping’ geworden (Hebr.3:1). De scheiding in deze gemeente was aanwijsbaar: enkelen geestelijk en de meesten aardsgericht. Deze tegenstelling vinden wij ook in huidige gemeenten. Om hier verandering ten goede aan te brengen is het nodig om voortdurend te bidden, dat is bezig zijn met de onzienlijke dingen en dan te vragen om ‘verlichte ogen van het hart’ (Ef.1:18).

Melk betekent hier: de eerste beginselen die het fundament vormen uit Hebreeën 6:1,2. Het vaste voedsel dat de apostel nog niet verstrekken kon, was gericht op het functioneren van de opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christen in het Koninkrijk van God, op zijn strijd en overwinning in de hemelse gewesten en op zijn ontwikkeling tot volkomenheid. Dat men in Corinthe geen vast voedsel verdragen kon, was te wijten aan de ongeestelijkheid van haar leden. Zij waren nog vleselijk, want zij brachten nog altijd werken van het vlees voort en dit ondanks hun bekering, doop in water en doop met Heilige Geest. Zij waren dus nog niet geheel vrij van de beïnvloeding van Satans demonen. In deze gemeente waren dus nog niet de gewone, openlijke zonden overwonnen, zoals deze in Galaten 5:19 opgesomd worden.

De genoemde ongerechtigheden horen alle bij de categorie zonden, waarmee men moet breken in het begin, dus bij zijn bekering, zoals er staat: ‘Wie de naam van de Heer noemt, breekt met de ongerechtigheid’ (2 Tim.2:19). Wie dit niet radicaal doet, blijft een baby in Christus. In plaats van de vruchten van Gods Geest op te leveren, had men te Corinthe onderlinge ruzies (1:11), was er hoererij (5:11) en liep men bij onenigheden naar de aardse rechter (6:1). Dat deze natuurlijk gezinde christenen geen inzicht hadden in de geestelijke wereld, bleek ook uit het feit dat sommigen onder hen ‘de opstanding van de doden’ loochenden, dus het functioneren van het geestelijke lichaam bij de terugkomst van de Heer in de zichtbare wereld (15:12). Al dit kwaad bleef scheiding maken tussen God en de mens en belemmerde zijn voortgaan op de hoge weg.

want u bent nog vleselijk. Als er immers onder u afgunst is en ruzie en tweedracht, bent u dan niet vleselijk en wandelt u dan niet naar de mens? Want als iemand zegt: Ik ben van Paulus en een ander: Ik van Apóllos, bent u dan niet vleselijk?’ 3,4.

Afgunst en ruzie worden veroorzaakt, doordat men tegen vlees en bloed strijdt en niet tegen de onzienlijke demonen. Men is vleselijk gezind, als men als een natuurlijk mens leeft, die gewend is alleen met de zichtbare dingen rekening te houden en niet met de onzichtbare wereld. Door de boodschap van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen wordt de christen veranderd in zijn denken en heeft hij alleen nog maar tegenstanders en vijanden in de hemelse gewesten. Hij beschouwt in dat geval de mensen als geïnspireerden en gebondenen door de duivel en scheidt hen in zijn denken van de demon. Zo zouden de geestelijke christenen in de gemeente te Corinthe ook opgemerkt moeten hebben, dat er tussen Paulus en Apóllos geen innerlijke tegenstellingen bestonden. Beiden werden geleid door Gods Geest en beiden hoorden bij het Koninkrijk van God.

Op de oratorische vraag: ‘Bent u niet vleselijk en leeft u niet als (onveranderde of ongeestelijke) mensen?’ verwacht Paulus geen antwoord, want hun gedrag maakte dit overduidelijk. Dat er verschillen zouden zijn in zijn boodschap en leer, met Christus zelf of met Petrus, wier namen ook in het geding waren, wordt door hem zelfs niet ter sprake gebracht of weerlegd. Paulus getuigt toch in de brief aan de Hebreeën dat alle apostelen het evangelie van de Heer hadden gehoord en dat dit door hen op betrouwbare wijze was overgeleverd (Hebr.2:3).

Met Apóllos lagen de zaken iets anders. Deze geleerde Alexandrijn had in het begin alleen een evangelie óver Jezus gebracht en niet de leer vàn onze Heer zelf over het Koninkrijk der hemelen. Zijn doopbeschouwingen kwamen aanvankelijk overeen met die van Johannes de Doper en weken dus af van die van Paulus. Deze apostel had immers in Efeze ongeveer 12 volgelingen van Johannes de Doper overgedoopt. Nadat Apóllos echter in het huis van Aquila en Priscilla de weg van God nauwkeuriger had horen uitleggen, had hij het meerdere aanvaard.

Ruzies die uit puur menselijke motieven ontstaan, mogen in de gemeente van God niet voorkomen. De gemeente is geen zakelijke onderneming, geen politieke arena en geen maatschappelijke instelling, die verbonden zijn met namen van beroemde persoonlijkheden. Zij is het huisgezin van God waar vrede, blijdschap en gerechtigheid heersen vanuit de onderlinge gemeenschap en de sfeer van de liefde. De apostel wil niet dat de gemeente van Jezus Christus op het vlak van het natuurlijke denken komt. In dit vers eindigt hij dan ook letterlijk met de vraag: ‘bent u dan niet vleselijk?’ Ze mochten niet denken en handelen als louter mensen, maar moesten beseffen dat zij Christus hadden leren kennen en dus ‘geheel anders’ waren (Ef.4:20). Het is daarom te betreuren dat zovelen die als christen de hoge weg behoren bewandelen, niet boven de maatstaf van de gewone, natuurlijke mensen uitkomen en vleselijk reageren.

Apóllos en Paulus

Wie is Paulus dan en wie is Apóllos, niet meer dan dienaars, door wie u tot geloof gekomen bent en dat zoals de Heer aan ieder van hen gegeven heeft?’ 5.

De Corinthiërs keken naar de dienaars, door wier toedoen zij tot het geloof waren gekomen. Ze letten meer op het beeld of de indruk naar buiten van de boodschappers, dan op de boodschap die zij hadden gebracht. Zowel Paulus als Apóllos brachten het eeuwige evangelie, de kracht van God tot behoud. Beiden stonden in dienst van God en deze had ieder van hen met bijzondere kwaliteiten toegerust. Het is een innerlijke tegenstrijdigheid om vooraanstaanden in het Koninkrijk van God tot leiders van oppositionele partijen te maken. God is immers de enige bron van alle zegen en Hij werkt door middel van zijn trouwe dienstknechten. Het gaat niet om hen, maar om Hem. Had Jezus niet in verband met deze verhouding tussen heer en knecht gezegd: ‘Zo moet ook u, nadat u alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen’ (Luc.17:10). Wanneer een slaaf stipt uitvoert wat zijn heer beveelt, is hij uiteraard wel van nut voor zijn meester maar aangezien hij diens eigendom is, komt de vrucht of het nut van zijn werk niet hem toe, maar zijn heer. Vandaar de uitspraak: ‘Wie is Paulus dan en wie is Apóllos’, zodat ook hier bewaarheid wordt: ‘Wie roemt, roemt in de Heer’ (1:31).

Paulus en Apóllos waren niet anders dan ‘diakenen’ of bedienden van God, door wie de Corinthiërs tot het geloof waren gekomen, maar de kinderen zouden moeten opgroeien tot volwassen zonen, dit wil zeggen dat de gemeente te Corinthe zelfstandig zou moeten kunnen zijn zonder Paulus, Apóllos of Petrus. Een gemeente mag niet om een mens worden heen gebouwd, ook al is deze de stichter ervan of een grote ‘Godsman’. Zij moet uiteindelijk kunnen functioneren als een lichaam waarvan ieder lid zijn eigen taak heeft en de leden in gelijke mate voor elkaar zorgen (12:25). Hierin ligt een waarschuwing voor alle gemeenten in onze tijd, die altijd doende zijn om beroemde en ‘legendarische’ evangelisten uit te nodigen om hun samenkomsten vol te krijgen en op peil te brengen. Men moet erop toe zien dat de dienstknechten van God niet verafgood worden of zij in de plaats van God worden gesteld, maar men zal hen erkennen als voorgangers en in gedachten houden, hun geloof navolgende, omdat ze het woord van God hebben gebracht (Hebr.13:7).

Ik heb geplant, Apóllos heeft begoten, maar God heeft laten groeien. Dus is dan noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God, Die laat groeien. En hij die plant en hij die begiet, zijn één, maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen overeenkomstig zijn eigen inspanning’ 6-8.

De apostel verheldert zijn betoog door gebruik te maken van een beeld, zoals hij dit zo dikwijls in zijn brieven doet. Hij vergelijkt zich hier met een tuinman die jonge, tere plantjes heel zorgvuldig in een bed uitzet. Het onmisbare besproeien laat hij aan zijn opvolger over, een volgende werknemer. De ontwikkeling en de groei van de planten moeten zij echter overlaten aan de onzichtbare levensgeest die de Schepper aan de plant schonk en deze werkt van binnen uit. Paulus en Apóllos waren beiden voor de Corinthische gemeente van nut geweest. God had van deze twee talentvolle werktuigen gebruik gemaakt en wel van ieder van hen naar de genadegaven die hem was geschonken.

Paulus had geplant of met een nieuw beeld: had het fundament gelegd. Apóllos had begoten, of: op het fundament gebouwd. Gods Geest maakte echter de groei mogelijk. Planten en begieten zijn werken in de natuurlijke wereld en noodzakelijk, maar de levensgeest van de plant zorgt dat deze gedijt en zich ontwikkelt. Dit laatste heeft de mens niet in de hand. Dit proces speelt zich af in de onzichtbare wereld en hierdoor komt de plant tot volle groei. Op de vraag waarom God meerder is, luidt het antwoord: omdat Hij alleen leven geeft en dit ook in het gebrachte woord legt en leven houdt de mogelijkheid in van groeikracht en van groei.

‘En hij die plant en hij die begiet, zijn één.’ Dit houdt in dat planter en begieter aan dezelfde kant werken, namelijk in de natuurlijke wereld, terwijl de Heer zelf door de Levensgeest de innerlijke groei bewerkt. Ze zijn te vergelijken met de leerkracht van de onderbouw van de basisschool en de leraar bij het voortgezet onderwijs. Beiden beogen hetzelfde doel met de leerling, namelijk zijn kennis te vermeerderen. Ze zijn beiden onmisbaar, maar de innerlijke verwerking van de leerstof vindt plaats in de inwendige mens van de onderwezene en deze wordt door zijn geest tot stand gebracht. Daarom staat er: ‘God alleen geeft de groei’. Deze uitspraak mag echter nooit ontaarden tot een gebed: ‘Heer, schenk nieuw leven en groei’, terwijl men nalaat de gemeente op te voeden in de leer en de vermaningen van de Heer.

Paulus had de gemeente te Corinthe gesticht en haar de fundamentele begrippen bijgebracht. Hij had ‘de gekruisigde Christus’ gepredikt. Met volle vrijmoedigheid had hij de verdere opbouw aan andere medewerkers overgelaten. Hoewel hij minstens anderhalf jaar in Corinthe gewerkt had, moest hij zich toch tot het elementaire onderwijs beperken. Apóllos had de gemeente verder onderwezen en door zijn boodschap was zij ook naar buiten verder uitgebreid. Beide dienstknechten van God waren echter niet bij machte geweest om de Corinthiërs tot geestelijke mensen om te vormen. Deze innerlijke groei moest door de Geest van de Heer samen met hun geest worden bewerkt. Paulus had geen moeite met Apóllos, ook al verschilde diens optreden met zijn manier van praten. Later waarschuwt hij echter wel tegen ‘de schijnapostels, bedrieglijke medewerkers, die zich voordeden als ‘apostels van Christus’. Dezen noemde hij ronduit ‘dienaren van satan’ (2 Cor.11:13,14).

Tenslotte zullen de planter en de besproeier worden geoordeeld naar de waarde van hun werk ten opzichte van de groei van de innerlijke mens. Daarom beoordeelt God zelf hen, want deze heeft hun uitwendige hulp nodig door het brengen van het evangelie, om het innerlijke leven te doen gedijen. God stelt daarom het loon vast en keert dit uit. Dit hangt niet af van de uiterlijke positie van deze knechten in de gemeente, maar van de werkresultaten naar de innerlijke mens, zodat de gemeente, zich vasthoudende aan de waarheid van het gebrachte woord, in liefde in elk opzicht naar Hem zou toegroeien, die het hoofd is, namelijk Christus (Ef.4:15).

Want Gods arbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk bent u’ 9.

Paulus voelt zich allerminst een ‘onnutte dienstknecht’ of ‘een nederige slaaf’. Deze lage rang wordt maar al te graag door ‘vrome’ geesten ons toebedacht. Er is echter loon naar werk en bij trouwe dienst ook nog bevordering: ‘En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd’ (Dan.12:3). Tot de goede, trouwe en nuttige slaaf wordt gezegd: ‘Over weinig bent u trouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer’ (Matth.25:23). ‘Wij’ zijn God medewerkers, als wij trouw werken in de wijngaard van de Heer of op zijn akker. Hier spreekt niet iemand die aan een geestelijk minderwaardigheidsgevoel leed, maar deze merkwaardige uitdrukking toonde aan, dat Paulus een mens van God was, die zich tot alle goede werken toegerust wist. Ook in 2 Corinthiërs 6:1 gebruikt de apostel deze verheven aanduiding, terwijl hij haar ook toepast op zijn jonge vriend Timotheüs in 1 Thessalonicenzen 3:2. Gods medewerkers voeren immers Zijn werk op aarde uit.

Ook Apóllos was onder deze noemer te brengen of, om bij het gebruikte beeld te blijven: ook Apóllos bewerkte de akker. Dit akkerwerk wijst ook op een groeiproces. Er moet naar een oogst worden toegewerkt. De uitgezette plantjes moeten alle vruchten voortbrengen. Dat dit gebeurt en dat de gemeente ongetwijfeld haar volmaaktheid zal bereiken als ‘volheid van de aarde’ (10:26), is te danken aan deze uitverkoren dienstknechten van God, die het ‘Woord van God volgen op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos linnen’ (Op.19:11-16). Dan volgt nog een derde beeld: ‘Gods bouwwerk bent u’. Ook in deze gelijkenis is een groeiproces te ontdekken. Er is een fundament en een tempel. Dit beeld zal de apostel dan in het volgende gedeelte verder uitwerken.