Veel gaven, één Geest – 3

1 Corinthe 12:9

en aan een ander geloof, door dezelfde Geest,’ 9a.

De derde gave is die van geloof. Nog steeds zijn we bezig met de pneumatika, dus met alles wat van de menselijke geest én van Gods Geest is. Geloven is een functie van de geest, waardoor de mens dingen kan leren kennen die hij niet ziet. Daarom noemt men geloof wel de hand van de geest, waarmee deze zaken kan grijpen en vasthouden, die de mens niet zintuiglijk heeft waargenomen. Geloof heeft de mens ook in zijn natuurlijke leven nodig. Hij verrijkt dan zijn kennis bijvoorbeeld met wat er verteld wordt over landen waar hij nooit is geweest, over tijden die hij niet heeft meegemaakt en over alles wat buiten zijn eigen waarneming is ontstaan en gebeurd. Voor de natuurlijke mens zijn dat dingen die hem zijn verteld of die hij heeft gelezen en die hij nu als waarheid aanvaardt of als leugen afwijst.

Geloof hecht zich altijd aan een woord. In ieders leven zal het geloof moeten functioneren, wil men in het natuurlijke leven tot ontwikkeling komen. Dit begint al bij een kind dat goed moet luisteren naar wat zijn vader en moeder zeggen. Het moet hun woorden aanvaarden en er zijn voordeel mee doen. Wil een mens zich echter boven het natuurlijke leven uit ontwikkelen en met zijn geest zijn plaats innemen tussen de geesten in de onzienlijke wereld, dan heeft hij maar één middel om daar te leven, namelijk zijn geloof. Zintuiglijk kan hij in de hemelse gewesten niets waarnemen. De onzienlijke wereld is een geheimenis en de Bijbel spreekt over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Wanneer God Zichzelf niet door zijn woord, dus door een geestesuiting, had geopenbaard, zou de mens niets bezitten waardoor hij kennis en inzicht kan verkrijgen over de hemelse gewesten.

God hééft echter gesproken: in het oude en in het nieuwe verbond door profeten, maar bovenal in het nieuwe tijdperk door zijn Zoon Jezus. In het oude verbond kon God niet duidelijk spreken, omdat de profeten niet de inwoning van Gods Geest bezaten. Hun profeteren was daarom slechts zeer beperkt. De Heilige Geest kwam over hen en rustte van tijd tot tijd op hen, maar zij vormden niet één geest met Hem (6:17). De Heilige Geest kon hen slechts gebruiken naar de mate van het geloof van hun menselijke geest. Zo was bijvoorbeeld Jesaja geen arme van geest, ‘geen ongeletterd en eenvoudige man uit het volk’ (Hand.4:13), maar een persoon met een rijk gezegende geest die een groot geloof bezat en daarom door Gods Geest gebruikt kon worden om zulke koninklijke profetieën uit te spreken en zulke heerlijke gedachten van God door te geven, die hij overigens zelf niet alle begreep (1 Petr.1:10-12).

Het leven van hen, die de profeten geloofden en zich naar hun woorden richtten, werd wel verrijkt. Af en toe grepen ze dan ook iets uit de zuiver geestelijke wereld. De Hebreeënschrijver zegt in hoofdstuk 11 dat ze een getuigenis ontvingen dat zij God blij maakten op deze weg. Zo ontvingen deze gelovigen op aarde vaak machtige verhoringen en bevestigingen. Denk maar aan de jonge mannen in de brandende oven, aan Abraham die ondanks alles geloofde dat hij een zoon zou krijgen. Verder worden geloofshelden genoemd als ‘Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuël, die door geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend, de vervulling van de beloften verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, de kracht van het vuur gedoofd hebben, enzovoort’ (Hebr.11:32-34). Tot hen allen kon gezegd worden: ‘Groot is uw geloof’, maar het was een menselijk geloof en meestal op aardse vervulling gericht.

Aardsgericht geloof zien wij tegenwoordig bij bepaalde ‘evangelisten en godsmannen’, die door het geloof nieuwe gebouwen krijgen, grote geldsommen verzamelen of kleren en schoenen voor hun kinderen op aardse manier verkrijgen. Hun geloof wordt dan op aarde ‘gehonoreerd’ en niet in de hemelse gewesten, omdat zij daar geen inzicht in hebben.

De totaliteit van het Koninkrijk der hemelen en de volle waarheid ontging de geloofshelden uit Hebreeën 11 en ook de oudtestamentisch ingestelde christenen zien hier niet de volle waarde van. De ouden stierven allen in het geloof dat er een ander tijdperk zou komen, waarin al de beloften van God realiteit zouden worden en vervuld zou zijn:

  • ‘Ik zal wonderen geven in de hemel’. ‘In dat geloof zijn dezen allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben’ (Hebr.11:13).

In het nieuwe verbond komt het woord van God tot de mens door Jezus Christus. Hij openbaarde wèl de verborgenheden van het onzienlijke Koninkrijk van de hemel. Hij was niet druk met aardse gebouwen en aardse goederen, maar concentreerde zich op de hoogste plaats in het Koninkrijk. Wij krijgen daarom de raad: ‘Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de Leider en Voleinder van het geloof’ (Hebr.12:2).

Jezus zelf begon pas te onderwijzen, nadat Hij Gods Geest ontvangen had, die kennis heeft van alle dingen, de zienlijke zowel als de onzienlijke. Gods Geest onderrichtte en leidde onze Heer in de volle waarheid, in het eeuwig evangelie (Op.14:6). Van Hem zei de Vader: ‘Dit is Mijn geliefde Zoon, een Man naar mijn hart; luister naar Hem!’ (Matth.17:5). Hij bedoelde: geloof wat Hij zegt! Het geloof is immers uit het horen en het horen door het woord van Christus (Rom.10:17).

Het geloof wordt dus gestimuleerd door de boodschap. Door Jezus werd de volle waarheid vertelt en zij die in zijn woord geloven en dit bewaren, dat is vasthouden, worden zijn volgelingen genoemd en worden behouden. Door het geloof van de menselijke geest kan men de woorden van Jezus aanvaarden, maar men kan zijn woorden ook niet geloven en ze dus als leugen verwerpen. Veel naamchristenen geloven de leugen dat het geloof een bijzondere gave van God zou zijn, die Hij maar aan een kleine groep uitverkorenen geeft. Wie dit geschenk niet ontvangen heeft, is dan niet in staat het Koninkrijk van God binnen te gaan. Zij staven deze leer met een beroep op Efeziërs 2:8,9 waar staat:

  • ‘Want uit genade bent u behouden, door het geloof en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen.’

Het woordje ‘dat’ ziet echter niet terug op geloof, maar op genade. Men zou hier ‘door geloof’ tussen haakjes kunnen zetten, want het geloof is het middel waardoor wij ons de genade toe-eigenen. Dan staat er: ‘Want door genade bent u behouden (door het geloof) en dat niet uit uzelf; het is een gave van God.’ Het geloof is niet een genadegave of een geschenk, maar ons ‘behoud’ wordt ons uit ontferming geschonken. De vertaling Brouwer luidt: ‘Want het is uit genade, dat u door het geloof behouden bent. En dat is niet aan uzelf te danken, maar het is een geschenk van God’. Let dus wel op, dat het gewone geloof geen charismatische gave is, evenmin als menselijke wijsheid en kennis hierbij horen. Iedere geest bezit geloof. Zelfs van de boze geesten wordt meegedeeld dat zij geloven kunnen (Jac.2:19). Het geloof moet zich echter richten op het Woord van God.

De Thessalonicenzen hadden zich van de afgoden afgekeerd en van hen wordt geschreven: ‘Maar overal is uw geloof, dat zich op God richt, bekend geworden’ (1 Thess.1:8,9). Wanneer wij zeggen dat wij iemand geloven, moet deze eerst iets hebben gezegd. Als iemand veel gezegd heeft en wij dus veel van hem weten, kunnen wij ook veel geloof en veel vertrouwen in hem hebben. Men hoort wel eens: ‘Dat is zo’n gelovige man of vrouw’. Dan vragen wij ons af: ‘Wat geloven ze dan? Zulke personen zullen veel beloften en toezeggingen van onze Heer moeten kunnen vasthouden, zodat die in hun leven worden gerealiseerd. Wanneer zij de onthullingen van de geheimenissen van het Koninkrijk van de hemel geloven, zullen zij ook veel kennis en wijsheid opdoen. Het is van belang zich te onderzoeken of men als christen wel in het ware geloof staat (2 Cor.13:5) en om de strijd aan te binden tegen iedere inspiratie die niet overeenstemt met de woorden van Jezus Christus en die van zijn betrouwbare apostelen.

Paulus zelf heeft deze strijd ook gekend en hij heeft tot het einde het geloof vastgehouden, ook al zag hij de volle vrucht er niet van. Hij zegt immers: ‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden’ (2 Tim.4:7). Door het geloof weten wij dat wij rechtvaardigen zijn en dat wij uit de macht van de duisternis verlost zijn en overgezet in het Koninkrijk van Jezus (Fill.3:20). Als rechtvaardigen zullen wij ons in dat onzienlijke rijk moeten oriënteren en daar functioneren. Dit kan alleen door geloof, zoals Habakuk 2:4 zegt: ‘De rechtvaardige zal door zijn (eigen) geloof leven’. En waar zal hij leven? Het antwoord is: in de onzienlijke wereld van het Koninkrijk van de hemel, want:

  • ‘het geloof nu is de zekerheid van de dingen, die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet’ (Hebr.11:1).

Er is gradueel veel verschil onder (naam)christenen. Sommigen wankelen in het geloof. Ze grijpen eerst de woorden van God vast en dan laten ze deze weer los. Zij twijfelen, zijn ongelovig en kunnen geen enkele hemelse zekerheid vasthouden. Hun geloof is niet bestand tegen de druk en de misleiding van Satans demonen, die vaak uit de omstandigheden willen bewijzen dat de Woorden van God niet zouden uitkomen. De boze geesten die op de menselijke geest van de christen aanvallen, ziet hij niet, maar ze doen wel hun destructief werk in hem door ongeloof te stimuleren en daardoor het geestelijke leven af te remmen. Maar gelukkig hebben Gods kinderen die in Gods Geest zijn gedoopt, ook een bijzondere ondersteuning in hun geloof. Gods Geest ziet men evenmin als de boze geesten met zijn natuurlijke ogen, maar deze Geest werkt ook en wel positief. Hij heeft immers net als alle andere geesten ook geloof en wel een, dat zeer sterk en onwankelbaar is.

Gods Geest wil door Zijn geloof het geloof van de opnieuw geboren christen vermeerderen, stimuleren, opbouwen, sterk en krachtig maken. Deze werking van Gods Geest is een charismatische gave. Deze gave maakt het de christen mogelijk, ondanks alle tegenstand, de Woorden van God vast te houden en de vervulling van zijn beloften te verwachten en in alle vrede en rust te volharden. Zo’n door Gods Geest begenadigd persoon is met deze gave standvastig in het geloof en hij zal hierdoor ‘bergen verzetten in het hart van de zee’, dus boze geesten overwinnen en in de afgrond opsluiten. Dit niet alleen, maar voor deze geldt ook: ‘Alles is mogelijk voor hem die gelooft’. Geen wonder dat er dan sprake is, dat God door zijn Geest meewerkt door tekens en wonderen en veel krachten. Petrus en Johannes bezaten zo’n sterk geloof door Gods Geest gestimuleerd, dat zij door het geloof in de naam van Jezus, de Redder en hersteller, aan de verlamde bij de Schone Poort volkomen genezing schonken.

Ook lezen we in Handelingen over verschillende mannen van God, die ‘vol van geloof waren’ (Hand.6:5, 11:24). Vanuit dit geloof deed Stefanus wonderen en tekens en bracht Barnabas grote vertroosting in de gemeenten en werden grote menigten toegevoegd. Dank zij dit charisma van geloof kon deze leerling ook blijmoedig afstand doen van zijn akker, waarvan hij de opbrengst aan de voeten van de apostelen neerlegde. Bij de gave van het geloof wordt dus de hand van het menselijke geloof krachtig ondersteund door Gods Geest. Niet alle gemeenteleden hebben deze gave van het geloof. Paulus schreef immers net als Johannes, aan vaders, jonge mannen en aan kinderen in het geloof, dus in de geestelijke wereld. Maar ieder die deze gave bezit, zal haar aanwenden in dienst van het geheel. Gemeenteleden met de gave van het geloof mogen een bijzondere plaats innemen, want zij zullen door hun voorbeeld de zwakken in het geloof aansporen vol te houden en niet af te zakken. Zij blijven de Heer verwachten en laten zich niet ontmoedigen, ook al laat het verlossend handelen van God soms op zich wachten.

en aan een ander genadegaven van genezingen, door dezelfde Geest;’ 9b.

Nu noemt Paulus de gaven van de gezondmakingen (St. Vert.), of het charismata van de genezingen. Dikwijls worden genezingen alleen betrokken op ziekten van het lichaam, maar het is niet alleen de uitwendige mens die ongezond kan zijn, maar ook de inwendige mens met zijn ziel kan ziek zijn. Men spreekt immers van psychisch gestoorden of zielszieken. Ook kan de geest overweldigd zijn, zodat deze zijn normale functie niet kan doen. Wat zijn nu de oorzaken van al de destructieve werkingen in het menselijke organisme?

Het Nieuwe Testament toont ze ons als operaties van de machten van de duisternis, die op de geest, de ziel en het lichaam aanvallen, deze proberen te overweldigen en te gebruiken en daarbij verwondingen aanbrengen. Zij minachten en haten de mens die volgens hen alleen maar in een hut van klei woont (Job 4). De leugengeesten beïnvloeden de geest die de drager is van de wetten van God en van de waarheid. Al de uitingen van de geest worden hierdoor omgebogen. Het geloof van de mens wordt op een dwaalspoor gebracht, de sleutels van de ware kennis worden weggenomen, de wijsheid wordt tot dwaasheid gemaakt en het verstand wordt verduisterd. De geestkracht wordt gedoofd of in een verkeerde richting gestuwd.

De bedoeling van God is het herstel of de gezondmaking. Daartoe moet eerst de leugenmacht worden lamgelegd en uitgeworpen door het woord van de Waarheid. Wanneer de mens op deze wijze van de dwaalgeest verlost is, moeten zijn ogen nog worden geopend voor de Waarheid en die zal de menselijke geest ook vrij maken van de dwalingen, zodat van hem niet meer gezegd kan worden – dat hij horende in de natuurlijke wereld – niet hoort in de geestelijke wereld en ziende, niet ziet of opmerkt. Wanneer de menselijke geest weer gezond in de onzienlijke wereld functioneert, kan gezegd worden, dat hij geestelijk is genezen en wordt bekwaamd om in de waarheid te wandelen (Matth.13:14,15).

Ook moet de mens genezen worden van de geestelijke verblinding, waarmee de god van deze eeuw hem heeft geslagen, zodat hij de glans niet kan zien van het evangelie van de heerlijkheid van Christus (2 Cor.4:4). Denk ook aan de depressies die de demonen van het occultisme veroorzaken door middel van hun verleugeningen. Zij infiltreren de mens met gedachten dat hij niets is, niets heeft en niets kan. Ook hiervan moet hij hersteld worden. Het kenmerk van een geesteszieke is zijn verleugening! De zondemachten vallen op de ziel aan. Zij stimuleren de begeerte, zodat deze zich gaat richten op de wetteloosheid. De broer van de Heer schreef, dat de ziel langs de weg van de begeerte contact zoekt met de verlokkende zondegeesten. Deze onreine geesten bevruchten de ziel en uit deze gemeenschap wordt de zonde geboren (Jac.1:14,15).

Het leven in de zonde maakt de ziel ziek. Zielsziekte kan ook een gevolg zijn van de doorwerking van een aangetaste geest. Een gezond gemaakte geest zal ook genezend inwerken op een beschadigde ziel. Is de aantasting van de ziel ontstaan door het leven in contact met Satans demonen, dan zullen eerst deze verbindingen moeten worden verbroken en de onreine geesten worden uitgeworpen. Zo kwam de menigte tot Jezus:

  • ‘om Hem te horen en genezen te worden van hun ziekte; en die gekweld werden door onreine geesten werden genezen’. Onze Heer bezat dus ook het vermogen om de ziel te genezen, want er ging kracht van Hem uit tot hun herstel (Luc.6:18,19).

Wanneer de Heer belooft om een andere Trooster te zenden, impliceert dit dat Hijzelf ook een trooster was en troosten betekent de beschadigingen en pijnen van het zielenleven wegnemen. Hij bezat dus niet alleen de gave om door zijn woord de geestelijk verminkten te herstellen, maar ook de zielszieken en wettelozen te genezen. De hele innerlijke mens werd door de Heer vernieuwd. In Lucas 4:18 (St. Vert.) lezen we, dat Jezus gekomen was om te genezen, die gebroken zijn van hart’. De Verlosser heeft nooit plezier gehad in een verbroken hart, maar wel in het herstel ervan. Net zoals Zijn Vader in de hemel verafschuwde Hij ‘een verbroken geest en een verbrijzeld hart’. Hij vervulde het gebed: ‘Schep mij een rein hart, o God en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest’ (Ps.51:19,12).

Er is sprake van de gaven van genezingen. Het woord genezing staat in het meervoud. We zagen al dat er herstel van geest en ziel is, maar ook het lichaam kan ziek zijn en genezing nodig hebben. Voor velen is het moeilijk te begrijpen dat ook de ziekte van het lichaam bewerkt en beïnvloed wordt door de kwaadaardige ziektemachten, die zich erop toeleggen de levensgeest van de mens te beletten zijn functie van opbouw en instandhouding van het lichaam goed te doen. Ja, soms wordt de geest door sterke ziektemachten gedwongen om tegen zijn natuur in te werken, bijvoorbeeld bij het vormen van gezwellen en afwijkingen.

Men denkt dikwijls dat bij lichamelijke ziekten geen sprake kan zijn van het bestraffen en uitdrijven van boze geesten. Aangesproken moeten echter worden die demonen, welke speciaal aanvallen op de levensgeest, die het lichaam immers ‘levend’ houdt. Zo bestrafte Jezus bij de schoonmoeder van Petrus de koorts. In dit ziekteproces was dus een boze geest aanwezig, die de genezing tegenhield en aangesproken kon worden. Zo getuigde Jezus: ‘Ik drijf boze geesten uit en genees’ (Luc.13:32). De totaliteit van de genezingen naar geest, ziel en lichaam blijkt wel uit de woorden van Petrus: ‘Jezus is rondgegaan, wel doende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren, want God was met Hem’ (Hand.10:38).

Denk ook aan het inzicht van de hoofdman te Kapernaüm. Deze had de lessen van Jezus over het Koninkrijk der hemelen op juiste wijze verwerkt. Zijn geloof was het bewijs van de dingen, die men niet kan zien (Hebr.11:1), want hierdoor werd de geestenwereld voor hem tot realiteit. Toen zijn knecht zo ernstig verlamd was dat hij dreigde te sterven, ontvouwde de centurio zijn inzichten in dit ziektegeval. Er waren kwaadaardige geesten in het spel, die het leven van zijn slaaf bedreigden en die verdreven moesten worden. Jezus had hiertoe de macht, want Hij had in de onzienlijke wereld hetzelfde gezag als de hoofdman over zijn soldaten. Wanneer deze tot een ondergeschikte sprak: ‘Ga!’, dan moest hij vertrekken en wanneer hij riep: ‘Kom’, dan moest hij onmiddellijk gehoorzamen. Jezus begreep deze gelijkenis direct. Daarom zei Hij tot de ziektegeesten die de knecht hadden overweldigd: ‘Ga!’ Zij gingen onmiddellijk, want de knecht genas op hetzelfde ogenblik. De Heer sprak nog zijn verwondering uit over het geestelijke onderscheidingsvermogen van deze hoofdman. Hij getuigde: ‘Voorwaar, Ik zeg u, bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof (in de onzienlijke wereld) gevonden (Matth.8:5-13). Deze heiden had zich nog niet verblind zoals de leiders van het Joodse volk dit bij zichzelf wèl deden en niet God.

Het wonderlijke is, dat God de mens bij de schepping wel goed en gaaf schiep, maar toch aan de levensgeest, behalve de normale functies van opbouw en onderhoud van het lichaam, ook al de mogelijkheid schonk eventuele beschadigingen van ziel en lichaam te herstellen. De genezing van een zieke geest kan alleen van buitenaf gebeuren door het aanvaarden van de helende woorden van God: ‘Hij zond zijn woord, Hij genas hen’ (Ps.107:20). Onze eigen gezonde geest heeft de gave van gezondmakingen voor lichaam en ziel. Door medicijnen, zalven, diëten, vitaminen kan de mens niet geheel genezen worden, maar zij kunnen nuttig zijn om de omstandigheden voor de levensgeest bij het herstelproces zo gunstig mogelijk te maken door ondersteuning. De Geest van God die kennis heeft van alle dingen, bezit ook de wijsheid en de kracht om herstel in de schepping aan te brengen. Wanneer Hij in de mens woont, ondersteunt Hij de menselijke geest.

Er staat ‘door die ene Geest’, dat wil zeggen dat de Gods Geest het krachtenveld is, waaruit de menselijke geest de ontbrekende energie kan putten. Dit houdt dus in dat de genezing niet passief over de christen komt. Hij mag niet lijdelijk afwachten en zeggen: de Heer zal het op zijn tijd wel of niet doen (Zondag 10 vr. 27). Hij moet streven naar de gaven van de gezondmakingen. Hij moet geestelijk actief met de genezing van zijn lichaam bezig zijn, zoals hij bijvoorbeeld ook de gezondmaking van zijn ziel, die door de zonde verziekt is, moet zoeken. Wij zien dat hierbij sprake is van ‘gaven’, dus van verschillende gaven van Gods Geest die in werking moeten treden. Zo heeft men behalve de genoemde gaven van kennis, wijsheid en kracht, nog die van geloof en vaak van onderscheiding van geesten nodig om herstel te bewerken. Bij de gaven van genezingen voegt dus Gods Geest zijn goddelijke gaven toe aan de talenten van de menselijke geest.

Behalve van binnenuit kan het lichamelijke organisme van de mens ook van buitenaf worden beschadigd, bijvoorbeeld door vergiftiging, geweld, het steken van insecten, de inwerking van bacteriën en virussen, enzovoort. Achter deze oorzaken zit altijd het rijk van de duisternis. God haat het geweld en Hij heeft ook het milieu van nature goed geschapen. Zelfs de natuur van de wilde dieren maakte Hij niet gewelddadig of wreed, maar dat deed Satan na het grote schisma in de hemel. Dit zal blijken bij het herstel van alle dingen in het duizendjarige rijk. Voor genezing zullen dus allereerst de oorzaken moeten worden weggenomen en dan zal de (levens)geest zich kunnen beijveren om herstel tot stand te brengen. Denk hierbij ook maar aan te overvloedig eten en drinken. Ook dan zal Gods Geest door zijn herstelkracht de genezing versnellen.

Ook de gaven van genezingen ontvangt het kind van God niet alleen voor zichzelf, maar ook om de naaste ermee te dienen, dus om met zijn gaven bezig te zijn om ook anderen gezondheid te maken. Wanneer de gaven in werking gesteld worden, zal men eerst moeten informeren of er soms een zondemacht of een occulte geest in de zieke opereert. Jacobus zegt, dat wanneer een zieke de oudsten roept, eerst de zonden moeten worden beleden en vergeving moet worden gegeven. Daarna zal men de zieke claimen door hem de handen op te leggen en de ziektemachten te verdrijven. De olie waarmee de patiënt – die niet meer naar de gemeente kan komen – wordt gezalfd, is beeld van Gods Geest die in de gemeente woont en werkt. We merken nog op, dat niet de olie zélf de genezing bewerkt en ook niet welke oliesoort beter of slechter zou zijn, de olie is slechts een beeld van Gods Geest.

Het gaat hier dus niet om paranormale mensen, die in de gemeente een aparte opdracht en bediening hebben, maar tot ziekenbezoek worden de oudsten geroepen en dezen leggen de handen op en door hén werkt de kracht van God tot genezing. Hetzelfde zullen een vader en moeder in het geloof met een ziek kind doen. De Heilige Geest verleent de kracht aan degenen die streven naar de geestelijke gaven en deze willen of moeten praktiseren. Wie de handen oplegt tot genezing streeft naar de gaven van gezondmakingen en hij kan met Petrus zeggen:

  • ‘Wat verwondert u zich hierover, of wat staart u ons aan, alsof wij door eigen kracht of Godvrucht dezen hadden doen lopen?’ Het is op het geloof in de naam van Jezus en door de kracht van Gods Geest (Hand.3:12-16).

Wel is het met deze gaven zoals ook met die van kennis en wijsheid, dat ieder lid in de gemeente ernaar moet streven en dat bij sommigen deze gaven sterk zijn ontwikkeld.

Tenslotte wijzen wij erop, dat er ook genezingen ontstaan door personen met paranormale gaven zoals magnetiseurs. Zij worden echter niet geleid en versterkt door Gods Geest, maar zij zijn instrumenten van sterke, boze geesten, die de minder sterke ziektegeesten verdringen. Algeheel herstel naar lichaam, ziel en geest zal dan ook bij zulke genezers nooit bereikt kunnen worden. De Farizeeërs die zeiden dat Jezus door Beëlzebul, de overste van de boze geesten, de machten verdreef, kenden dus deze mogelijkheid. Ze misten echter de onderscheiding van geesten. De Heer wees hen er dan ook op, dat Hij juist het rijk van de duisternis met al zijn afdelingen bestreed en de satan op alle fronten aanviel (Matth.12:24-27).

Jezus bracht het Koninkrijk van God over de totale mens in vrede, gerechtigheid en blijdschap, want wat zou het de mens opbrengen als hij een gezond lichaam heeft, maar hij verder naar geest en ziel beschadigd is. Wanneer een zieke iemand vraagt hem de handen op te leggen, is het wel van groot belang dat hij zich eerst op de hoogte stelt, of zo’n persoon wel werkelijk een christen is, of hij gedoopt is met Gods Heilige Geest en of hij een zuivere levenswandel heeft. In Corinthe werkten bij velen de gaven niet, omdat er negatieve factoren meespeelden. Er was verdeeldheid, ruzie, ergerlijke zonde, vleselijke gezindheid en men had weinig respect voor elkaar. Ook Jezus werd in zijn bediening gehandicapt door ongeloof en weerstand van het volk in sommige dorpen. Dan komen slechts incidentele genezingen voor en velen blijven zwak, ziek en anderen gaan vroegtijdig dood. Het komt er dus op aan dat ieder voor zich en allen samen in de gemeente zich positief en in eensgezindheid opstellen en jagen naar deze belangrijke gaven van de gezondmakingen.