Veel gaven, één Geest – 2

1 Corinthe 12:4-8

Er is verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest’ 4.

Nadat de apostel de ware en de valse bron van de profetische gave duidelijk uitgelegd heeft, komt hij nu tot een bespreking van de uitingen van de geest, zoals deze in de gemeente van Jezus Christus horen voor te komen. Hij gebruikt drie keer het woord ‘verscheidenheid’ en dan nog wel in het meervoud: verschillen of verdelingen van de genadegaven. In de gemeente gaat het niet over enkele personen in wie de charismatische gaven geconcentreerd zouden zijn, over een geestelijke ‘elite’, maar over een ruime verspreiding van deze zegen. Toch kan deze variatie in gaven, bedieningen en werkingen herleid worden tot één en dezelfde oorsprong en springader van alle geestelijke zegeningen: één Geest, één Heer en één God. Hierbij wijzen we nogmaals de dwaling van de drie-eenheid af waar de Heilige Geest als 1/3e persoon van een ‘godheid’ wordt geleerd.

De volgorde in de verzen 4,5 en 6 zijn een merkwaardige aanduiding van de Godheid in haar volheid waarbij heel opvallend de Geest voorop gaat en het woordje ‘God’ het drietal afsluit. De term ‘genadegaven’ (charismata) is een typische Paulinische uitdrukking, die buiten de brieven van deze apostel alleen nog voorkomt in 1 Petrus 4:10, waar vermaand wordt: ‘Dient elkaar, ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade van God’. Er is verschil tussen genade (charis) en genadegaven (charismata). De genade schenkt ons de vergeving van zonden en dus de rechtvaardigheid. Dan volgt nog een geschenk voor de rechtvaardige, namelijk Gods Heilige Geest. Petrus spreekt in Handelingen 2:38 over de gift of het geschenk (doréa) van de Heilige Geest. Deze Geest die zelf volmaakt begaafd is, kan de gaven van de menselijke geest tot volmaakte ontwikkeling brengen en deze geest ondersteunen met zijn ‘kracht uit de hoogte’. De geestelijke gaven vormen het rijke assortiment dat de Geest tot ontplooiing kan brengen en waarmee Hij iedere gelovige wil toerusten. De genadegave (charisma, enkelvoud) kan stoffelijke goederen betreffen, maar in de Bijbel wordt een rijke, gevarieerde schat van geestelijke waarden bedoeld.

Wanneer wij de plaatsen in het Nieuwe Testament doornemen, waar het woord ‘charisma’ voorkomt, lezen wij allereerst in Romeinen 1:11, dat Paulus de wens heeft om aan zijn lezers de een of andere geestelijke gave mee te delen. In Romeinen 5:15 wordt met de genadegave het herstel van de mens bedoeld, dat heerlijker is dan de beschadiging en de vernieling die door satan zijn aangebracht. In dit verband is de gave of het geschenk (doréa) dan Jezus Christus. In Romeinen 6:23 omsluit de genadegave (charisma) het eeuwige leven dat God schenkt in Christus Jezus. Gods Geest maakt ons leven dus eeuwig in positieve zin. De niet geredde mens heeft immers ook eeuwig leven, hetzij uiteindelijk in de stad van God, het hemels Jeruzalem, of uiteindelijk de vuurpoel (Op.21:24; 20:13-15). Zelfs in Romeinen 11:29 gaat het niet over aardse zaken, zoals sommige uitleggers menen, maar de uitspraak: ‘Want de genadegaven en de roeping God zijn onberouwelijk’ zien op het feit, dat de oude beloften en zegeningen aan het Joodse volk van kracht waren gebleven: de Verlosser ís uit Sion gekomen en Hij hééft de goddeloosheden van Jakob afgewend, ook al willen de tienduizenden Israëlfans hier niets van weten!

In Romeinen 12:6-8 beschrijft de apostel hoe de opbouw van de gemeente door middel van de charismatische gaven tot stand komt. Naar de genade die hem gegeven is, neemt ieder zijn plaats in die de Heer hem in de gemeente heeft toegedacht. In zijn opsomming van de charismatische gaven noemt de apostel daar: de profetie, het dienen om alles in de gemeente geordend en goed te laten verlopen, de bekwaamheid om onderwijs te geven, de wijsheid om te vermanen, de gave om in eenvoud van eigen goederen mee te delen, de ijver bij hen die leiding moeten geven en de blijmoedigheid, een eigenschap waarmee zij die barmhartigheid bewijzen, moeten zijn toegerust.

In dit hoofdstuk wordt het woord ‘charisma’ behalve in vers 4, ook gebruikt in de verzen 9,28,30,31. In 2 Corinthiërs 1:11 schrijft Paulus over de genade(gave) van de uitredding, toen God de voorbede van de gemeente verhoorde en hij uit grote moeilijkheden werd verlost. In 1 Timotheüs 4:14 roept de apostel zijn jonge medewerker op om de charismatische gave niet te veronachtzamen, die deze ontvangen had door een bijzondere leiding van Gods Geest onder oplegging van handen van de gezamenlijke oudsten. In 2 Timotheüs 1:6 herinnert Paulus dezelfde evangelist eraan, de gave van God aan te wakkeren, die door zijn handoplegging in Timotheüs was.

Uit het bovenstaande merken wij, dat er inderdaad een rijke variatie in gaven in de gemeente kan zijn, die dan over de diverse gemeenteleden verdeeld is. Alles wat opbouwt, samenbindt en herstelt, spruit voort uit Gods Heilige Geest, die eindeloos rijker, meer gevarieerd en sterker is dan de menselijke geest, hoewel deze van dezelfde origine is. Gods Geest ontplooit de gaven in grote verscheidenheid bij de met Geest vervulde christen die ernaar streeft. Ze zijn takken van dezelfde boom. Nooit zijn in het individu álle gaven hoog ontwikkeld, zomin als in één mens alle talenten zich kunnen openbaren. De geestelijk gaven zijn niet alleen nodig om een gemeente tot ontwikkeling te brengen, maar ze zijn als eerstelingen te beschouwen, die eenmaal de hele aarde tot haar hoge bestemming zullen voeren (Jac.1:18). Wij zien dus dat de charismatische gaven niet alleen uit het spreken in talen en profetie bestaan, maar dat het een grote verscheidenheid is in dienst van de gemeente.

Er is verscheidenheid van bedieningen en het is dezelfde Heer’ 5.

Alle gaven zijn bestemd om de gemeente ermee te dienen en haar op te bouwen. Er zijn ‘verdelingen’ van de bedieningen (diakoniai), dus deze zijn over verschillende gemeenteleden verdeeld, waarbij ieder zijn eigen manier van dienen heeft. Als apostel was voor Paulus bijvoorbeeld het heerlijke resultaat van zijn ‘bediening’, dat hij door de heidenen tot het geloof te brengen, ‘zo mogelijk de jaloezie van zijn vlees en bloed mocht opwekken en enigen uit hen behouden’ (Rom.11:13,14). Ook had de apostel de ‘bediening’ om ‘de kennis van de heerlijkheid van God’ bekend te maken (2 Cor.4:1). Het doel van zijn boodschap was dus om de mens van God die tot alle goede werken volmaakt toegerust is, te voorschijn te brengen. In bepaalde omstandigheden had hij de ‘bediening’, of deel aan het ‘dienstbetoon’ (diakonia) om geld in te zamelen voor de armen in Jeruzalem (Rom.15:31 en 2 Cor. 8:4). Het woord ‘bediening’ heeft dus een wijde strekking en is afhankelijk van de natuurlijke en geestelijke gaven, die de christen het meest heeft ontwikkeld.

Bij de opsomming van de gaven in Romeinen 12:3-8 schrijft de apostel ‘dat God ieder in het bijzonder heeft toebedeeld … wie dient, in het dienen’. Er zijn vele vormen van dienstbetoon in de gemeente, soms tijdelijk, soms permanent: er zijn zaalopruimers, er is een koster, er zijn gemeenteleden die de opvang verzorgen, er is een pianist, er zijn leiders voor de jeugdclubs en de kinderclub, er is een koor, er zijn verzorgers van het gemeenteblad, kortom het is als in een groot gezin waar de kinderen allerlei werk doen ten behoeve van de huishouding. Toch heeft de apostel dit soort ‘bedieningen’ niet op het oog, want hij begint zijn antwoorden met de opmerking, dat hij niet wil dat men in Corinthe onbekend zou zijn met de geestelijke uitingen of gééstelijke gaven.

De hoofdzaak van het dienst verlenen ligt dus hier in de geestelijke werk van apostelen, herders, leraars, profeten, oudsten, maar ook van gemeenteleden, die ook uitdelers zijn van de rijke genade van God (1 Petr.4:10). De gewilligheid tot dienstverlening ontleent men aan het voorbeeld van Jezus Christus. Letterlijk staat er in plaats van ‘maar het is dezelfde Heer’ én het is dezelfde Heer, naar wie men zich richt, ‘want de Mensenzoon is niet gekomen om Zich te láten dienen, maar om te dienen’ (Marc.10:45). Allen zijn wij zodoende dienstknechten van ‘dezelfde’ Meester.

Er is verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt’ 6.

‘Werkingen’ (energémata) zijn verschijnsels van geestelijke energie uitingen. Het woord ‘energema’ komt in de Bijbel alleen voor in vers 6 en 10. Natuurlijk bedoelt de apostel niet de energiebronnen in de natuurlijke wereld, maar hij heeft het in dit hoofdstuk over de activiteiten in de wereld van de geesten. Zo spreekt de Bijbel bijvoorbeeld in beeldspraak over een zware ‘donder’, dus het gevolg van een ‘werking’ in de lucht. In de heidense tempeldienst werden de activiteiten ontleend aan de werking van de Satans demonen, maar in de gemeente van de Heer zijn ze onder controle van ‘dezelfde God’ die zijn energie door allen doet heengaan, zoals de elektriciteit uit de centrale door onze huizen heen stroomt.

Wij hoeven geen diepgaand onderscheid te verwachten tussen genadegaven, bedieningen en werkingen. In de natuurlijke wereld is iemand bijvoorbeeld technisch ‘begaafd’. Zijn ‘bediening’ of dienstbetoon vindt hij dan ook in de techniek, bijvoorbeeld als ingenieur. Wanneer hij in dit beroep bezig is, kan men spreken van ‘werkingen’ of activiteiten. Zo heeft men in het Koninkrijk van God ook ‘gaven’ die bijzonder ontwikkeld zijn en die leiden tot bijzondere ‘bedieningen’, waarin men ‘actief bezig’ moet zijn om resultaten te bereiken. Het is echter God die ons door zijn Geest toerust tot zo’n dienstbetoon, waarin de Zoon ons is voorgegaan.

Aan ieder echter wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is voor de ander’ 7.

De openbaring (phanerosis) of de manifestatie van Gods Geest maakt iets zichtbaar, doet dus de gaven te voorschijn komen. Zo kunnen wij in verband met de geestelijke uitingen denken aan: genezingen, wonderen, profetieën, het spreken in talen, de uitlegging ervan, maar ook aan de gaven van wijsheid, kennis en het onderscheiden van geesten. De Geest woont in ons en Hij wordt door de ‘begaafden’ openbaar, ieder op zijn eigen manier. Vergelijk deze uiteenzetting van de apostel met de werking van de levensgeest van de mens. Deze openbaart zich in het hele lichaam en onderhoudt een oor, een oog, een teen, een nier, het hart, enzovoort. Wat de levensgeest voor het lichaam is, doet Gods Geest voor het Lichaam van Christus, de gemeente. Daarom is er sprake van ‘de Levensgeest’ (Rom.8:2).

De Geest wil in ieder gemeentelid, die de doop met Heilige Geest ervaren heeft, werkzaam zijn. Wanneer iemand Gods Geest ontvangt zonder dat er een gave merkbaar wordt, lijkt hij op de man met het ene talent die heenging, een gat groef in de grond en daar het geld van zijn heer in verborg (Matth.25:18). De bedoeling is toch dat de nieuwtestamentische gemeente de eerstelingen vormt, die eenmaal in het duizendjarig rijk de schepping zullen herstellen en ook op de nieuwe aarde de volken onderwijzing zullen geven. Het werken met de geestelijke gaven is dus een onderdeel van het herstelplan van God. Zo manifesteert bijvoorbeeld een moeder de kracht van Gods Geest, wanneer zij de handen op haar zieke kind legt en de wetteloze demonen bestraft en verdrijft in de naam van Jezus.

Ook heeft ieder lid van de gemeente meer of minder de gave van wijsheid, van kennis en van geloof nodig. Alle gaven zijn tot voordeel van de hele gemeente gegeven. Daarom schrijft de apostel in hoofdstuk 14:12: ‘Zo moet u ook, omdat u naar geestelijke gaven streeft, proberen uit te munten tot opbouw van de gemeente’. Niemand bezit dus de geestelijke gaven alleen voor zichzelf. Welke geestelijke uitingen de mens ook heeft, het is alleen bedoeld om er goed mee te doen.

In de volgende verzen begint Paulus dan met een opsomming van een aantal geestelijke uitingen, die klaarblijkelijk bij hun manifestaties onder de vraagstellers in de Corinthische gemeente in het geding waren. Hij noemt een negental, dat gevormd wordt door:

  • het woord van de wijsheid,
  • het woord van de kennis,
  • het geloof,
  • de gaven van de gezondmakingen,
  • werkingen van de krachten,
  • profetie,
  • onderscheiding van de geesten,
  • veel talen en
  • uitleggingen van de talen.

Het lag bij de apostel beslist niet in zijn bedoeling om de geestelijke gaven tot een negental te beperken. In Romeinen 12:6-8 noemt hij bijvoorbeeld een heel andere reeks gaven, die echter niet zo in het oog lopende, bovennatuurlijke manifestaties zijn. De talenten van de menselijke geest die door Gods Geest tot ontwikkeling gebracht worden, zijn vele. Ze zijn moeilijk te rubriceren en te systematiseren. Het spreken over ‘negen geestelijke gaven’ heeft geen Schriftuurlijke grond. Ook is het foutief om te denken dat de volgorde van de gaven ook hun meerdere of mindere belangrijkheid zou aanduiden. 

De onkunde van de Corinthiërs ‘ten aanzien van de uitingen van de Geest’ zal wel in verband moeten worden gebracht met hun ongeestelijke instelling (3:1). Zij werden hierdoor afgeremd in het gebruik van de geestelijke gaven, waarin zij toch wel geloofden. Ook voor ons geldt de vermaning om werkelijk een geestelijke koers te volgen, zodat in onze gemeenten de charismatische gaven ongehinderd kunnen worden geopenbaard. De geestelijke uitingen zijn immers noodzakelijk voor de opbouw van de gemeenten en ook voor een wandel in de hemel.

Want aan de één wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven’ 8a.

De eerste gave die de apostel noemt, is het vermogen om door Gods Geest geleid, met wijsheid te spreken of letterlijk een ‘woord van wijsheid’ door te geven. Allereerst merken wij op dat de charismatische gaven aansluiten bij de gaven van de menselijke geest. Deze is namelijk rechtstreeks vanuit God aan de mens geschonken: ‘God blies de levensadem in zijn neus’. Wij hoeven dus niet te verwachten dat iemand een gave van God zal ontvangen, die niet overeenstemt met en aansluit bij zijn menselijke geest. Gods Geest ontwikkelt door zijn beïnvloeding en onderwijs de sluimerende talenten van de menselijke geest. Gods Geest wordt immers voorgesteld als de Leraar voor de gerechtigheid.

Nu is het werk van een leraar er op gericht om wat in de kinderen aanwezig is tot ontplooiing en tot een hoger niveau te brengen. Daarom moet de leerkracht altijd meer kennis en inzicht hebben dan de leerling. Van de leerling wordt echter verwacht dat hij goed let op het onderwijs van de leraar en gemotiveerd is om zich zo goed mogelijk te ontwikkelen in wat hem wordt geleerd. Het doel van alle onderwijs van Gods Geest is, dat de mens van God tot alle goede werken wordt toegerust. Er staat: ‘Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en Godsvrucht strekt, begiftigd’ (2 Petr.1:3, vergelijk hiermee 2 Tim.3:17).

Wat is wijsheid?

Het vermogen van de geest om de verworven kennis praktisch toe te passen, zodat een positief en harmonisch resultaat wordt bewerkt. De volheid van wijsheid woont in God en de woorden die Hij gesproken heeft, openbaarden zijn inzicht al bij de schepping, want ‘de Heer heeft door wijsheid de aarde gegrond, door verstand de hemelen vastgesteld’ (Spr.3:19). Uit al Gods doen en laten blijkt ook na de zondeval in zijn plan tot heroprichting van alle dingen door de herschepping, dat zijn wijsheid zover reikt, dat zij de volmaaktheid en de harmonie opnieuw tot openbaring weet te brengen. Is het een wonder dat in Openbaring 7:12 wordt gezegd, dat ook de wijsheid van onze God Hem tot in alle eeuwigheden toekomt? Ook de geest van de natuurlijke mens heeft wijsheid’, maar deze beweegt zich slechts op het vlak van de zichtbare dingen, van het zintuiglijk waarneembare. Daarom is zijn wijsheid beperkt. Bovendien wordt zij vaak beïnvloed door de god van deze eeuw, zoals de apostel schreef ‘Bewerende wijs te zijn, zijn ze dwaas geworden’ (Rom.1:22).

Jacobus concludeert dat de aardse wijsheid bij de mens die onnut is geworden, ongeestelijk is, ja zelfs demonisch. Zij bewerkt geen positief resultaat, maar wanorde en kwade praktijken (Jac.3:15,16). Wanneer Gods Geest zijn wijsheid aan de menselijke geest meedeelt, houdt deze ook rekening met de waarheid van de onzienlijke wereld. Daarom schreef Paulus aan de Corinthiërs: ‘Maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid van God, die God al van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid’ (2:7). Gods Geest ‘doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten (diepste gedachten) van God’ en wij hebben deze Geest ontvangen als Opvoeder en Leider (2:10-13).

In het oude verbond is vaak sprake van menselijke wijsheid. Denk bijvoorbeeld aan Bezaleël, die vervuld was met wijsheid door de Geest van God (Ex.31:2,3). Ook worden wij bepaald bij het wijze oordeel van Salomo, toen twee vrouwen ruzieden over een baby. De koning maakte bij het uitspreken van zijn vonnis gebruik van zijn natuurlijke kennis betreffende het moederhart en zijn reacties (1 Kon.3:16-28). Toen de veldoverste Joab de gevluchte Absalom weer bij zijn treurende vader terug wilde brengen, schakelde hij een wijze vrouw uit Tekoa in. Deze wist met haar psychologisch inzicht het hart van David zo te bespelen, dat deze het verzoek van Joab inwilligde (2 Sam.14). Zo lezen we ook over de wijsheid van Achitofel en van Husaï, raadsheren van David (2 Sam.16 en 17).

In het oude verbond ontbrak echter de grote Leraar, die de mens ook wijsheid bijbrengt in de geestelijke wereld. Jezus was de eerste die kon zeggen: ‘Meer dan Salomo is hier’. Hij toonde zijn geestelijke begaafdheid, door bij de verzoeking in de woestijn steeds met een enkel woord van wijsheid de verzoeker te weerstaan en tot de aftocht te dwingen. Zo stelde Hij aan de Farizeeën de vraag: ‘Wat denkt u van de Christus? Wiens zoon is Hij? ‘Op het antwoord: ‘Davids zoon’, bepaalde de Heer hen bij het feit, dat David zijn zoon ook Heer noemde. Van die dag af durfde dan ook niemand Hem meer iets te vragen, na dit betoon van goddelijk inzicht. Paulus bedoelt in onze tekst hier met een ‘woord van wijsheid’, de verlichting die Gods Geest de gelovige op het juiste ogenblik schenkt. Zo beloofde onze Heer in tijden van vervolging aan zijn leerlingen: ‘Ik zal u mond en wijsheid geven, die al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerstaan’ (Luc.21:15). De ondervraagden hoeven zich niet vooraf te prepareren, maar zij kunnen woorden van wijsheid spreken, zodat zij hun verdrukkers kunnen weerleggen.

Jacobus raadt de gelovigen aan om in moeilijke omstandigheden te streven naar een woord van wijsheid: ‘En als iemand van u in wijsheid tekortschiet, laat hij die dan vragen aan God, Die aan ieder overvloedig geeft en geen verwijten maakt en ze zal hem gegeven worden’ (Jac.1:5). Hoe zal deze broer van de Heer bij de leiding in het zogenaamde apostelconvent niet om wijsheid hebben gebeden. Men stond daar toch voor een beslissende fase in de christelijke kerk. En wel in de Judaïstische kwestie. De vraag was of de bekeerde heiden door het Synagogenpoortje moest gaan, dus de wet van Mozes moest houden, om gered te kunnen worden. Het woord van wijsheid dat hij ontving, was het Schriftwoord, dat de vervallen hut van David al was opgebouwd in Jezus Christus, dat er een gemeente uit de Joden was, een volheid uit Israël, die tot taak had het overige deel van de mensen bekend te maken met het reddingsplan van God in Jezus Christus, waarbij geen voorwaarden aan de bekeerlingen worden gesteld, dan alleen die van geloof (Hand.15).

In Galaten 2:11-21 zien we, hoe Paulus de apostel Petrus berispte, omdat deze met Barnabas en nog enkele christenen en joden weigerden nog langer met de heidenen aan één tafel te gaan zitten. Met een woord van wijsheid wist Paulus de twijfelaars en bangerikken te overtuigen. Geen wonder dat Petrus later erkent, dat Paulus bijzondere wijsheid bezat (2 Petr.3:15). Dit was ook wel nodig, omdat deze apostel van de heidenen, met zijn leer tegen de mening van talloze medegelovigen inging. Het getuigt ook van grote wijsheid wanneer Paulus juist in deze brief aan de Corinthiërs zoveel adviezen gaf voor allerlei praktische situaties. Hij beantwoordde vragen als: mag men wel of niet offervlees gebruiken, wanneer mag een gelovige vrouw haar ongelovige man verlaten, hoe moet het optreden van de vrouw in de samenkomsten zijn, enzovoort. Al zijn adviezen vonden hun oorsprong in de grote kennis die deze apostel bezat van het Koninkrijk der hemelen.

Ook de leden van de gemeente van Jezus Christus moeten een woord van wijsheid door de Geest van God kunnen spreken. Het voorzetsel ‘door’ wijst erop, dat God dus de bron van de wijsheid is en Zijn Geest de bemiddelaar. Een christen zonder enige charismatische gave van wijsheid is geestelijk onderontwikkeld. Zo moeten ook allen in zekere mate kennis hebben van de Schriften en anderen kunnen onderwijzen, ook al zijn ze dan nog geen leraars. Veronderstel dat iemand ziet dat zijn kind driftig wordt en dat het bezig is zijn speelgoed of een ander voorwerp te vernielen. Als vader kan hij zich dan misschien kwaad maken en het kind vastpakken en toeschreeuwen: ‘Ik kan ook schoppen en slaan’. Wanneer hij dan zijn kind goed aftuigt, toont zo’n opvoeder dat hem zelfs de normale levenswijsheid ontbreekt, want dan had hij allereerst geprobeerd het kind af te leiden en tot rust te brengen. Een vader die echter met hemelse wijsheid gezegend is, zal niet alleen zijn kind tot bedaren proberen te brengen met natuurlijke middelen, maar hij zal ook de geweldgeesten binden en verdrijven en op deze wijze zijn kind heiligen.

Menselijke wijsheid is een heerlijke gave, maar een woord van wijsheid spreken door Gods Geest heeft betrekking op de onzienlijke wereld en gaat erboven uit. Het leidt tot heerlijker resultaten, namelijk van bevrijding van het slachtoffer uit de macht van de boze geesten. Er is menselijke wijsheid nodig om een onderneming te besturen en een organisatie te leiden, maar er is goddelijke wijsheid nodig om als oudste of als herder in een gemeente te kunnen functioneren, zodat er een geestelijke groei gezien wordt en de leden in harmonie met elkaar leven. Een woord van wijsheid gaat steeds gepaard met innerlijke rust en vrede. Mensen die opgejaagd worden en gespannen zijn, kunnen nooit woorden van wijsheid spreken, ook al praten ze veel en druk. Daarom moet er in gemeentevergaderingen en in broederraden een sfeer van vriendelijkheid en liefde zijn, willen er wijze woorden worden gesproken en wijze besluiten worden genomen.

en aan de ander een woord van kennis, door dezelfde Geest;’ 8b.

De volgende gave die de apostel noemt, is een ‘woord van kennis’. Het is onmogelijk voor ons om in een hoog ontwikkeld cultuurland zonder kennis te leven. Het gevaar dreigt echter dat men bij het overnemen van kennis in aanraking komt met de god of de goden van deze eeuw, zoals men vandaag maar al te vaak kan constateren bij de nieuwste elites. Zij beïnvloeden de mens en brengen hem foutieve kennis bij en proberen zelfs Godvijandige stelsels zoals de Totalitaire Politieke Correctheid via een wereldregering te forceren met alle middelen die zij maar  op aarde kunnen vinden.

Hoe meer een mens studeert en zijn kennis vergroot, hoe veelvuldiger de gevaren zijn waaraan hij blootgesteld wordt. De grootste bedreiging vormen dan niet de exacte wetenschappen, die op wiskundige grondslag zijn opgebouwd of de technische studie, hoewel daar ook voor geldt dat een rijke in kennis moeilijk het Koninkrijk van de hemelen binnengaat. Het gevaar schuilt vooral in de wijsgerige opleidingen bij een theologische richting, bij filosofie, sociologie, psychologie, bij politicologie, bij literatuur en bij kunst, waar de misleidende geesten hun grootste successen boeken. Zij houden de geest van de student bezig en slepen hem mee:

  • ‘door hun wijsbegeerte en door hun ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering van de mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus’ (Col.2:8).

Ver boven deze natuurlijke, vaak zo gedegenereerde kennis uit, staat de kennis van de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen, de kennis van de geestelijke wereld. Deze kennis berust op openbaring door het Woord van God en kan de mens zich alleen door geloof eigen maken. Deze kennis moet de mens hebben om door Gods Geest een ‘woord van kennis’ te kunnen uitspreken. Kennis (gnosis) is de term die in deze brief gebruikt wordt om een diep inzicht in de goddelijke waarheid uit te drukken, terwijl wijsheid een meer algemene uitdrukking is, die in tegenstelling met gnosis waarschijnlijk praktische wijsheid betekent (kanttekeningen Coneybeare-Bijbel).

Wijsheid is de toepassing van kennis. ‘Door dezelfde Geest’ betekent iets anders dan ‘door de Geest’ in vers 8a. Het gaat erover dat deze kennis geïnspireerd wordt door de kracht van Gods Geest in de menselijke geest. Het tegengestelde vond plaats, wanneer de Corinthiërs in de heidense tempels ‘blindelings’ meegevoerd of meegesleept werden door de krachten uit het rijk van de duisternis. Daar werden ze op het verkeerde pad gebracht om de stomme afgoden te dienen (12:2).

In het oude verbond kende men God uit zijn werken en uit zijn wet. Vanwege de geestelijke onverschilligheid en de verblinding sprak de profeet: ‘Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat u de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat u geen priester meer voor Mij zult zijn’ (Hos.4:6). Zo verweet Jezus de wetgeleerden in zijn tijd dat zij ‘de sleutel van de kennis’ hadden weggenomen. Zij hadden namelijk door hun instellingen en regels het accent op de uiterlijke dingen gelegd, zodat het volk het godsdienstig bewustzijn ten opzichte van de hemelse zaken volkomen kwijt was. Daarom vervolgde de Heer zijn ‘wee u’ met de conclusie: ‘Zelf bent u niet binnengegaan (door gebruik te maken van de sleutels van het Koninkrijk der hemelen) en hen, die proberen binnen te gaan, hebt u tegengehouden’ (Luc.11:52). Hetzelfde verschijnsel doet zich ook voor bij de zich ‘christelijk’ noemende leiders in onze tijd. Zij zijn aardsgericht en hebben geen inzicht in de onzienlijke wereld.

Jezus was de prediker van de kennis van het Koninkrijk der hemelen. Hij was de grondlegger van de ware kennis. Hij kende de Vader en heeft Hem ons doen kennen. Door deze kennis veranderde Hij volkomen bijvoorbeeld de voorstelling die de mens van God had. Daarom zien wij die het Koninkrijk der hemelen weer zijn binnengegaan, onze God weer als enkel goed en als enkel licht, als barmhartig, goedheid en trouw aan zijn oorspronkelijke plan. Jezus nam bij zijn volgelingen het oudtestamentische Godsbeeld geheel weg. Ook nu is het nog zo, dat de christen die niet functioneert in de onzienlijke wereld, dus die de sleutel van de kennis mist, dezelfde voorstelling van God heeft als de voorvaders uit het Oude testament die hadden.

Ook bracht Jezus kennis bij over de heilige engelen die de mensen dienen, maar ook over de werkingen van de boosaardige geesten, de vijanden van God en van zijn plan maar ook van de mens. Hij wees hen aan als de bewerkers van alle kwaad. Paulus had door horen en geloven zoveel kennis verzameld, dat hij van zichzelf getuigde: ‘Waaraan u, als u dit leest, mijn inzicht kunt merken in het geheimenis van Christus, dat in andere tijden niet bekendgemaakt is aan de mensenkinderen, zoals het nu geopenbaard is aan Zijn heilige apostelen en profeten door de Geest’ (Ef.3:4,5). De apostel kende de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen, zodat zelfs de gedachten van de satan zelf en diens manier van handelen hem niet onbekend waren (2 Cor.2:11). Wanneer ook in onze gemeenten een ‘Schriftgeleerde, die een leerling geworden is van het Koninkrijk van de hemelen’ (Matth.13:52) een ‘woord van kennis’ doorgeeft, zal daardoor geopenbaard worden wat zich op dat ogenblik in de geestelijke wereld afspeelt.

Een ‘woord van wijsheid’ richt zich dus op de praktische kant van de gemeente en haar wandel op de hoge weg, terwijl een ‘woord van kennis’ duidelijke inzichten geeft in de geestelijke wereld. Jezus sprak zijn gelijkenissen uit als woorden van kennis. Hij leerde: ‘Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan…’. Het hoeft ons niet te verwonderen dat onze Heer zijn leerlingen niet uit allerlei rabbijnenscholen rekruteerde, noch ze ook uit de priesterkaste koos, want daar had men de sleutel van de kennis weggenomen; daar miste men de radar voor de geestelijke wereld. Hij koos echter zijn volgelingen uit ‘ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk’ (Hand.4:13). Door zijn woord leidde Hij hen binnen in het Koninkrijk der hemelen met zijn heerlijkheid maar ook met zijn strijd. Van Paulus lezen we dat zijn vooropleiding hem in de weg had gestaan. Ook bij hem was de sleutel van de kennis weggenomen. Daarom schreef hij:

  • ‘Om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer; om wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb en acht die drek te zijn’ (Fill.3:8). Welke ‘Woorden van kennis’ gaf de apostel niet in deze brief aan de Corinthiërs, over het mysterie van de opstanding (1 Cor:15).

Jezus voorspelde dat het evangelie van het Koninkrijk der hemelen in de hele wereld zou worden gebracht (Matth.24:14). Dan zal het resultaat van deze kennis van de onzienlijke wereld gezien worden in een gemeente, die stralend en zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn (Ef.5:27). Het is duidelijk dat de boodschappers van zo’n redding geen theologische of universitaire ontwikkeling nodig hebben, want ook in onze tijd moet worden geconstateerd dat men daar de sleutels van de ware kennis mist. Er is zich echter een generatie aan het vormen die inzicht heeft in het Woord van God en onderwezen wordt door Gods Geest in de kennis van het Koninkrijk der hemelen. Zij zal dit evangelie over de aarde verbreiden. Zij hoeft daarbij niet te steunen op zogenaamde vakkennis, maar op geloof in het geopenbaarde Woord van God en de leiding en onderwijzing van Gods Geest. Door dit nieuwe geslacht zal eenmaal de profetie vervuld worden:

  • ‘De aarde zal vol zijn van kennis van de Heer, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken’.