Paulus maakt geen gebruik van zijn recht

De oude renbaan van Corinthe

1 Corinthe 9:15-27

Ik heb hiervan echter geen gebruik gemaakt. En ik schrijf dit niet zodat dit mij alsnog ten deel zal vallen, want ik zou liever sterven dan dat iemand mijn roem van zijn inhoud zou ontdoen!’ 15.

De Corinthiërs moeten weten, dat het aanvaarden van het evangelie verplichtingen met zich brengt ten opzichte van de brengers ervan. In het Oude Testament had God precies voorgeschreven waar een priester of leviet recht op had. Zoals de dienaren in de tempel voor hun werk werden beloond en de priesters hun deel ontvingen van het altaar, dus van de offers, zo is het een wet van Christus dat de verkondigers van het evangelie altijd recht hebben op vergoeding, ook al dringen zij er niet op aan of al wijzen zij ondersteuning van de hand. Had Jezus niet tot zijn leerlingen gezegd:

  • ‘Voorzie u niet van goud of zilver of koper in uw gordels, van geen reiszak voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf, want de arbeider is zijn voedsel waard?’ (Matth.10:9,10).

Paulus schreef dit echter niet, zodat men hem alsnog een vergoeding zou geven, want hij was er trots op voor niets gewerkt te hebben. Hij at en dronk niet op kosten van de gemeente. Hij nam geen vrouw met zich mee en hij betaalde al zijn onkosten uit zijn eigen werk. Wel had hij geld aangenomen, maar niet van de Corinthiërs (2 Cor.11:9). Zo zeer was Paulus ervan overtuigd hierin de juiste keuze te hebben gedaan, dat hij uitroept: ik wil liever sterven van armoede en honger, dan… Hier interrumpeert de apostel zichzelf en maakt verder zijn zin niet af. Het gaat over zijn roem, die hij zich door niemand laat ontroven. Hij was immers gewoon zich te verheffen in de hemelse gewesten. Hij roemde wat het natuurlijke leven betrof bij voorkeur in zijn zwakheden. Zo schreef hij later aan de Corinthiërs:

  • ‘Ik heb een welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwdheid, vanwege Christus, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig’ (2 Cor.12:10).

Paulus wilde roemen in zijn verdrukkingen. Zo vond hij het ook een reden tot roemen, dat hij moeite en ontbering had aanvaard in Corinthe, om het evangelie vrij en onafhankelijk te kunnen brengen. Hij hoefde ook bij zijn waarschuwing niemand te ontzien vanwege zijn broodwinning. Er waren in Corinthe veel sociaal zwakkeren: slaven, armen en mensen zonder enige invloed. Als leerbewerker in het huis van Aquila en Priscilla leefde hij op het niveau van een eenvoudige ZZP’er. Hij was maatschappelijk één geworden met de niet aanzienlijken. In deze nederige staat gaf hij het voorbeeld van de mogelijkheid om toch een burger te zijn in de hemel en daar een koninklijke wandel en taak te hebben. Hij kende de noden van de kleine man en van de onderdrukte massa en leverde het bewijs, in deze situatie ‘machtig’ te kunnen zijn.

Als ik het Evangelie breng is er voor mij namelijk geen reden tot roem. De noodzaak daarvan is mij immers opgelegd. En wee mij, als ik het Evangelie niet breng! Want als ik dat vrijwillig doe heb ik recht op loon, maar als ik het onwillig doe is het beheer van het Evangelie mij toch toevertrouwd. Wat voor loon heb ik dan? Dat ik bij het brengen van het evangelie, het Evangelie van Christus kosteloos maak om geen gebruik te maken van mijn recht als brenger van het Evangelie’ 16-18.

Paulus had het evangelie voor niets ontvangen en hij gaf het voor niets door. Als voormalig Farizeeër was deze gedachte hem niet vreemd. Deze groep Schriftgeleerden werd nooit beloond voor het geven van hun onderwijs en voor hun adviezen. Hiervoor geld vragen was hun verboden. Daarom waren veel Farizeeën handelaars of ZZP’ers. Zo waren er Schriftgeleerden die wijnhandelaar, oliehandelaar, timmerman, vlasbewerker of spijkersmid waren. Paulus was tentenmaker. Hun belangrijkste bron van inkomen was echter gelegen in de ondersteuningen, die zij – hetzij in geld, hetzij in natura – van hun vereerders ontvingen. Dat dit een gewone zaak was, blijkt uit het feit dat onze Heer door vrouwen werd gediend met hun bezittingen (Luc.8:3 en Marc.15:41). Dat Jezus en zijn leerlingen ook geld ontvingen, kunnen we constateren uit Johannes 12:6 waar de Statenvertaling zegt, dat Judas de beheerder was van ‘wat gegeven werd’. De Heer aanvaardde deze giften als vanzelfsprekend, want ‘de arbeider is zijn loon en voedsel waard’. De zonde van de Schriftgeleerden was, dat zij meer dan loon en voedsel eisten, want zij waren ‘geldzuchtig’ en maakten de weduwen arm, door hun huizen te roven (Luc.16:14).

Er was voor Paulus geen enkele reden om te roemen in het feit, dat hij evangeliseerde. Dit was hem door God zelf opgedragen. Wanneer hij dit niet zou doen, zou hij net zo schuldig zijn als zijn vroegere collega’s, over wie de Heer vaak het ‘wee u’ uitsprak. Hij zou door zulke nalatigheid dus buiten het Koninkrijk van God raken. Paulus was geen vrijwilliger, die zich ooit had gemeld met de woorden: ‘Heer, gebruik mij geheel in uw dienst’. Hij was een geroepene, die bezig was zijn roeping uit te voeren. De andere apostelen waren allen meer of minder vanuit hun eigen overwegingen tot Jezus gekomen. Zij hadden spontaan alles opgegeven en waren de Meester gevolgd. Voor dit offer zouden zij hun beloning ontvangen (Matth.19:27-30). Paulus vergelijkt zich hier echter met een slaaf, die beheerder is van de goederen van zijn meester. Deed hij dit trouw, dan had hij nog maar gedaan wat hij moest doen. Met Jeremia kon Paulus zeggen: ‘U bent mij te sterk geweest en hebt overwonnen’ (Jer.20:7). Paulus hoefde dus niet in de natuurlijke wereld een beloning van zijn volgelingen te verwachten. Toch maakte hij aanspraak op vergoeding. Zijn loon bestond uit het weigeren van alle loon, een echte Paulinische paradox of schijnbare tegenstrijdigheid. Hij bedoelde hiermee te zeggen: als ik spreek, dan breng ik het evangelie kosteloos en maak geen enkele aanspraak op mijn rechten, want dit zou het doel van mijn verdiensten weer teniet doen.

Het loon van de apostel was niet om iets te ontvangen, maar iets te bereiken. Iedere nieuwe gemeente was zijn vergoeding. Iedere zondaar die door zijn boodschap gereinigd was door het bloed van Christus en die zich ontwikkelde tot een geestelijk mens, was zijn beloning. In dit opzicht was hij weer een volgeling van Jezus, die tot Johannes sprak: ‘Zie, Ik kom spoedig en mijn loon (dat is mijn gemeente) is bij Mij. Op deze manier herinnerde Paulus de sterke broeders in Corinthe er nogmaals aan afstand te doen van hun rechten en vrijheden, zodat de zwakke broeders niet in verleiding zouden worden gebracht door bijvoorbeeld offervlees te eten.

Want hoewel ik vrij ben van allen, heb ik mijzelf toch voor allen tot slaaf gemaakt om meer mensen te winnen’ 19.

Paulus had geen verplichtingen tegenover de gemeente. Hij werd niet betaald en kon vrij spreken. Ook was hij een vrijgeboren Romein die heel wat voorrechten bezat en ook niemand naar de ogen hoefde te zien. Toch was hij niet vrij, want door zijn roeping had hij de duidelijke opdracht om zielen te winnen en dezen verder op te voeden. Hij beschouwde zich in dit werk als slaaf. Bovenal was de apostel vrij in de geestelijke wereld, want hij was echt vrijgemaakt. Zijn religieuze opvoeding had hij in Jeruzalem ontvangen. Daar leefde hij volkomen onder de wet, in onvrijheid. Hij was verplicht daar allerlei voorvaderlijke geboden te onderhouden. Dat Jeruzalem was toen zijn moeder, maar God had er vreugde in om hem van deze wettische moeder te scheiden en hem een andere te schenken, namelijk het hemelse Jeruzalem. Van deze stad schreef hij: ‘Zij is vrij’ (Gal.4:26).

Paulus had heel het joodse levens- en denkpatroon losgelaten om dit te verwisselen voor een nieuw, hemels denken. Hij was geen jood meer, geen heiden, maar had ‘de nieuwe mens aangedaan’ in Christus Jezus. Hij was van Gods geslacht. Ook met de heidense filosofieën had hij radicaal gebroken. Hij was ook geen cultuurmens, ‘christelijke’ politicus of cultureel Marxist en daarom stond hij met zijn evangelie over het Koninkrijk der hemelen geheel apart, afgescheiden van de wereld. Deze had geen enkele invloed meer op zijn denken en in hem was niets waarop zij een beroep kon doen. Zij was dood voor hem. In Christus Jezus was de wereld voor hem als een gekruisigde en hij was een gekruisigde voor de wereld (Gal.6:14). Hij was nu een mens van God, een burger van het Koninkrijk der hemelen. Deze man nu voelde zich als een slaaf in zijn opdracht om anderen te winnen. Zijn dienstbaarheid was een vrucht van zijn vrijheid. Met de uitdrukking ‘om meer mensen te winnen’ zinspeelt hij hier op zijn loon, want ‘die velen tot gerechtigheid gebracht hebben, zullen stralen als de sterren, voor eeuwig en altijd’ (Dan.12:3).

En ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen. Voor hen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet, om hen die onder de wet zijn te winnen’ 20.

Dankzij de grote vrijheid, de kennis en de wijsheid die Paulus bezat, kon hij zich gemakkelijk aanpassen bij de denkwereld, de zeden en de gewoonten van hen aan wie hij het evangelie bracht. Klaarblijkelijk heeft de apostel hier en in het volgende vers drie categorieën bekeerlingen op het oog: de joden; zij die onder de wet staan en de heidenen die geen geschreven wet van God bezitten. In zijn ‘dienstbaarheid aan allen’ werd Paulus voor de Joden als een Jood. Hij werd wel geen Jood, want dan zou hij de klok achteruit hebben moeten zetten, maar hij gedroeg zich in bepaalde omstandigheden precies als zijn volksgenoten dit deden. Als vroegere Farizeeër was het voor hem niet moeilijk zich in de geestesgesteldheid van het oude verbondsvolk te verplaatsen. Hijzelf hechtte bijvoorbeeld ook als Israëliet geen enkele waarde aan zijn besnijdenis. Hij schreef immers: ‘Besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets’ (Gal.6:15).

Toch besneed hij Timotheüs ‘letterlijk, vanwege de Joden’ (Hand.16:3). In Handelingen 18:18 wordt meegedeeld dat Paulus zich in Kenchreeën ‘het hoofd had laten scheren in verband met een gelofte. In Handelingen 21:23 wordt vermeld dat hij de riten tot ceremoniële heiliging ” met nog vier andere mannen onderging.’ Hij moest nog een lange weg gaan om werkelijk te genezen van het ‘goedpraten van de 613 Joodse geboden en inzettingen Jesus Christus heeft hem in de daaropvolgende gevangenissen, laten zien dat werkelijk héél het Oude verbond had afgedaan. Hij moest uiteindelijk geheel genezen van het verschrikkelijke Judaïsme. Pas in zijn gevangenisperiode gaf Jezus hem het inzicht dat werkelijk alle aardse wetten waren vervuld door Hemzèlf.

De tweede groep waarin Paulus zich bewoog en waaruit hij de meeste bekeerlingen maakte, werd gevormd door hen ‘die onder de wet’ stonden. Natuurlijk gold deze omschrijving ook voor de Joden, maar uit de context mag men hier toch opmaken, dat het een nieuwe categorie betrof. Het voegwoord ‘als’ wordt in dit verband gebruikt: Paulus werd de Joden als een Jood; hen die onder de wet stonden werd hij als onder de wet; en degenen die zonder wet waren, was hij als zonder wet geworden. Het gaat hier dus om heidenen die niet tot het Jodendom waren overgegaan, maar die toch met het heidense polytheïsme (veelgodendom) hadden gebroken en de God van Israël met zijn wetten als de enige ware God hadden aanvaard.

Het Nieuwe Testament onderscheidt twee klassen van bekeerlingen bij de Joden. Allereerst de proselieten of Jodengenoten, die door de besnijdenis, de proselietendoop en het opdragen van een offer, gehéél tot het Jodendom waren overgegaan. Dezen waren verplicht om de hele wet te onderhouden (Matth.23:15; Hand.2:10; 6:5). Dan volgde de categorie van de zogenaamde ‘Godvrezenden’ of ‘vereerders van God’. Hier hoorde bijvoorbeeld Cornelius bij met zijn hele huis (Hand.10:2,22 en zie verder 13:16,26,43). Deze ‘vereerders van God’ waren niet besneden, maar zij hadden het Joodse monotheïsme (eengodendom) aangenomen en bezochten de synagogen, terwijl ze ook meestal de sabbat hielden. Zij waren getrokken door het begrip van de ene ware, onzichtbare God, de Schepper van hemel en aarde, door de belofte van het eeuwige leven en door hun verlangen naar verlossing uit zonde en wat de mens aangeboren is. Er waren zoveel ‘vereerders van God’ dat Flavius Josephus kon schrijven:

  • ‘Er is geen stad – noch bij de Grieken, noch bij de barbaren, noch waar ook – en geen volk, waar niet het vieren van de sabbat, zoals wij dit doen, het vasten, het aansteken van de lichten en veel van onze spijsverboden, onderhouden worden…’

Het getal van de eigenlijke proselieten was niet zo groot, omdat het strenge onderhouden van alle Joodse wetten voor de heidenen praktisch onmogelijk was. De grote massa hoorde bij de ‘vereerders van God’ en onder hen kreeg het christendom zijn grootste aanhang. De echte proselieten waren immers volgens Jezus nog tweemaal erger dan de Schriftgeleerden en Farizeeën. Jezus sprak immers tot dezen:

  • ‘Want u trekt zee en land rond, om één bekeerling te maken en wanneer hij het wordt, maakt u van hem een kind van de hel, tweemaal zo erg als u het zelf bent’ (Matth.23:15).

Onder degenen die op de Pinksterdag tot bekering kwamen, zullen wel sommigen later bij hen gehoord hebben, die in conflict kwamen met Paulus en Barnabas over de besnijdenis (Hand.15:1).

Juist de ‘Godvrezenden’ waren het meest toegankelijk voor het evangelie dat Paulus bracht. Zijn boodschap beloofde aan hen de gewenste vrijheid. Zij ondervonden dat het juk dat de Heer hun oplegde, zacht en zijn last licht was (Matth.11:30). Paulus kon hen op zijn vrijheid wijzen, want hij was ‘als zonder wet’. Hij was immers in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen (Ef.2:10). Hij onderhield de wet zonder enige inspanning en vanzelf, want God was het, die door zijn Geest zowel het willen als het uitwerken van de wet in hem bewerkte (Fill.2:13). Hij was geen slaaf meer van de zonde en daarom kon ook hij spreken van ‘de volmaakte wet, die van de vrijheid’, of van ‘de koninklijke wet’, die door koningen en priesters in het rijk van God kan worden gerealiseerd, want dezen heersen over de ware vijand, de satan, die alle wetteloosheid veroorzaakt (Jac.1:25 en 2:8).

Is het een wonder dat bij het uitleggen van deze verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen, de ‘vereerders van God’ met blijdschap de vernieuwing van gedachten overnamen? Voortaan waren zij niet meer gebonden aan de wet van Mozes, maar aan die van Christus, namelijk aan de wet van de Geest van het leven, die hen vrijmaakte van de wet van de zonde en dood, dus van de wetteloze en ontbindende demonen van de duisternis (Rom.8:2). Zo ontmoeten ook wij bij het brengen van het evangelie mensen die wel in God geloven en ook weleens van Christus hoorden, maar die zich nooit aansloten bij kerkelijke instituten of zich nooit onderwierpen aan kerkelijke inzettingen. Zij leven wel goed, maar voelen zich niet thuis in een kerkelijke omgeving. Het naamchristendom zoals het zich aan hen openbaart en door velen wettisch beleefd wordt, lokt hen niet. Zij staan echter wél open voor een evangelie dat spreekt van een goede God, van een Verlosser die leven geeft en van een Geest die herstelt, geneest en doet wandelen in het licht.

Voor hen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen te winnen die zonder de wet zijn’ 21.

De derde groep bestond uit heidenen, die zonder wet waren. In Romeinen 2:12 schreef de apostel bijvoorbeeld over hen ‘die zonder wet hebben gezondigd’. Als heidenapostel richtte Paulus zich tot hen die andere goden dienden ‘en vreemd aan de verbonden van de belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld’ waren (Ef.2:12). Ook dezen moesten het goede evangelie horen. Ook voor hen was de mogelijkheid geopend om zonen van God te worden, dus waarachtige, geestelijke mensen. Paulus ging met zijn prediking ook naast hén staan, als ‘zonder wet’ zijnde. Zij merkten al snel dat hij niet kwam om hun een Joods keurslijf aan te meten. Waren zij zondaars, de apostel beleed dat ook hij een Godlasteraar en een vervolger en een geweldenaar was geweest. Nu predikte hij dat Christus Jezus in de wereld was gekomen om zondaars te behouden, onder wie hij een eerste plaats had ingenomen (1 Tim.1:12-15).

De apostel was door de vergeving van zijn zonden en door de kracht van Gods Geest overwinnaar geworden, omdat hij stond onder de wet van Christus, die door de inwonende Geest hem overtuigd had van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij had deel gekregen aan de goddelijke natuur en daardoor functioneerde de wet van God in hem en bezat hij vrede, vreugde en harmonie. Paulus had de zondaars lief, zoals de Heer hen lief had en zelfs Zijn leven voor hen had gegeven. Daarom werd Paulus één met hen, om hen te scheiden van de machten van de duisternis die hen tot heidenen maakten.

Wanneer wij het evangelie willen brengen aan mensen die God noch zijn gebod kennen, staan wij voor dezelfde moeilijkheden als Paulus. Ja, in onze materialistisch ingestelde wereld zijn de moeilijkheden wellicht nog groter. Paulus kon tot de cultuurmensen van zijn tijd nog zeggen: ‘Ik zie voor mijn ogen, dat u in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt’ (Hand.17:22). Tegenwoordig aanvaarden velen alleen wat ze zintuiglijk kunnen waarnemen. Bij zulke mensen moet men teruggaan tot het begin. Romeinen 1:20 zegt, dat God te herkennen is aan zijn werken, die met het verstand worden doorzien. Een mens die echter ieder Godsbegrip afwijst, is niet te bereiken met het evangelie, ‘want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken’ (Hebr.11:6). Het is dan dikwijls een lange en moeizame weg om zulke mensen uit de duisternis tot het licht te brengen. Ook de toenemende wetteloosheid en afval van het geloof wijzen erop, dat de grote massa even onbereikbaar wordt als in de dagen toen Noach de prediker van de gerechtigheid was.

Ik ben voor de zwakken geworden als een zwakke, om de zwakken te winnen. Voor allen ben ik alles geworden, om in ieder geval enigen te behouden. En dit doe ik ter wille van het Evangelie, zodat ik daarvan ook zelf deelgenoot zou worden’ 22,23.

Omdat de apostel in de volle vrijheid van het geloof stond, kon hij in de zichtbare wereld veel toegeven. Het vasten, het vieren van de sabbat, de besnijdenis, de spijswetten en het eten van offervlees hoorden bij de uiterlijke dingen, bij de uitwendige mens. Zij bepaalden bij de wetsonderhouder geenszins zijn positie in de hemelse gewesten en daar ging het bij Paulus om. Als het nuttig was om met mensen contact te krijgen, ging hij zonder enig gewetensbezwaar op hun niveau staan. Voor hem was het offervlees bijvoorbeeld een gebruiksartikel, maar om de zwakken nuttigde hij desnoods alleen vleesloze maaltijden. Zijn doel was om de zwakken te bereiken, om gesprekken met hen te kunnen voeren. Om de zwakke Joodse christenen besneed hij zelfs Timotheüs, een gebruik dat Jezus Christus, Paulus in zijn komende gevangenisjaren zou afleren. 

De vraag rijst: hoever moeten wij als opnieuw geboren christenen meegaan met andersdenkenden om hen te winnen voor de leer van het Koninkrijk van de hemelen? Moeten wij dan bijvoorbeeld ook de zaterdag als sabbat vieren om een zevendedagsadventist te winnen? Moeten onze vrouwen een hoed ophebben in onze samenkomsten, of een doekje op het hoofd leggen tijdens het gebed? Paulus bedoelt niet dat zulke ‘zwakheden’ in de door hem gestichte gemeenten moeten worden ingevoerd, maar zijn toegeeflijkheid is er alleen op gericht om in de privésector iemand te benaderen.

Wie in een vreemde omgeving verblijft, moet wel eens bepaalde gewoonten nalaten vanwege zijn gastheer en zijn nieuwe omgeving. Paulus wil ook geen eeuwenoude tradities, die slechts betrekking hebben op de natuurlijke wereld, met geweld opruimen. Zo laat hij de getrouwde vrouw in de samenkomst haar sluier dragen. De apostel weet wel dat wanneer zijn leer in ruime kring aanvaard wordt, deze uitwendigheden vanzelf verdwijnen of hun waarde verliezen. Zo maakte hij er (nog) geen bezwaar tegen dat een Jood zich liet besnijden, maar hij wilde beslist niet dat dit Joodse teken aan de heidenen werd opgedrongen. In Christus is immers geen man noch vrouw in verband met het gedekte hoofd en ook geen Jood of Griek in verband met de besnijdenis.

Weet u niet dat zij die in de renbaan lopen, allen wel lopen, maar dat er maar één de prijs ontvangt? Loop dan zo dat u die krijgt. En iedereen die aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles. Zij nu doen dat om een vergankelijke krans te ontvangen, maar wij om een onvergankelijke te ontvangen’ 24,25.

De apostel vergelijkt nu het gaan van de ware christen over de hoge weg door de hemelse gewesten om de volkomenheid te bereiken, met de wedloop in een ‘stadion’, in de Statenvertaling weergegeven door ‘loopbaan’, in de Canisiusvertaling door ‘renperk’ en in de Nieuwe Vertaling door ‘renbaan’. Het woord ‘stadion’ betekent letterlijk een lengtemaat van 185 m en wordt in deze betekenis gebruikt in Lucas 24:13, waar meegedeeld wordt, dat Emmaüs zestig stadiën van Jeruzalem lag verwijderd, dus ruim elf kilometer, of twee uur lopend (vergelijk ook Matth.14:24; Joh.6:19; 11:18; Openb.14:20; 21:16). Omdat in Olympia, het beroemde sport- en wedstrijdcentrum van de Grieken, de renbaan een stadion lang was, kreeg dit woord ook de betekenis van renbaan.

Het stadion in Efeze dat Paulus ongetwijfeld gekend heeft, had een lengte van bijna 230 m en een breedte van 30 m. Dit stadion moet men niet verwarren met het theater of de schouwburg daar, waar tijdens Paulus’ verblijf het rumoerige toneel plaatsvond, dat in Handelingen 19:29-40 is beschreven. Als het kon, legde men een renbaan aan in een dal tussen twee heuvels, zodat men de zitplaatsen tegen de helling kon bouwen. In zo’n stadion werden wedlopen gehouden over verschillende afstanden. De gewone loop was die, waarbij men van de beginstreep af tot het einddoel eenmaal de afstand aflegde. Zwaarder was de dubbelloop, dus heen en terug en nog moeilijker de duurloop, waarbij men verschillende malen het stadion afliep. De deelnemers liepen meestal met twee of vier tegelijk. De overwinnaars van de verschillende ploegen streden daarna weer met elkaar, want er was maar één prijs.

Bij het begin werd elke deelnemer een plaats op de beginstreep aangewezen, die aangebracht was op een stenen drempel. Zij zetten zich dan in een houding, die hen in staat stelde, zo vlug mogelijk voorwaarts te schieten. Voorovergebogen, soms op één knie rustend, met de hand licht op de bodem steunend, wachtten zij het sein af. Dit bestond hierin, dat een touw, dat vóór de deelnemers gespannen was, werd neergelaten. Gebeurde dit, dan stormden zij, zich met één voet tegen de drempel afzettend, naar voren. Om in de termen van Paulus te spreken: vergetende wat achter was, en zich uitstrekkende tot wat vóór was, joegen zij naar het einddoel tot de prijs (Fill.3:14). Wanneer zij dan de goede wedstrijd gestreden hadden en de loop beëindigd, werd aan de overwinnaar door de strijdrechter de prijs uitgereikt (2 Tim.4:7,8). De prijs was een krans.

Overal waar in onze vertaling van het Nieuwe Testament sprake is van een kroon, wordt eigenlijk krans bedoeld. In de Griekse wereld werden de overwinnaarskransen gevlochten van twijgen en bladeren, het liefst van zulke die lang groen bleven. Vooral de bladeren van de olijfboom, de mirte-, pijn- en laurierboom kwamen daarvoor in aanmerking. Maar al houden deze kransen lange tijd hun frisheid, toch verwelken ze en zijn ze vergankelijk. Daarom wijzen Paulus en Petrus (1 Petr.5:4) erop, dat alleen de kransen die de gelovigen zullen ontvangen, onvergankelijk en onverwelkelijk zullen zijn.

In het algemeen tooide men in de oude wereld het hoofd meer met kransen dan wij zouden denken. Bij een feestelijke maaltijd droegen de gasten kransen op het hoofd; wanneer in de Atheense volksvergadering een politicus het woord voerde, was hij bekranst. Langzamerhand werd de krans wel het teken van een bepaald ambt of van een beklede waardigheid. Hij was dan soms zelfs van goud gemaakt. Zo is het begrip krans overgegaan in het begrip kroon, zoals wij dat kennen (ontleend aan dr. A. Sizoo: De antieke wereld en het Nieuwe Testament). Het Griekse woord voor krans is ‘stéphanos’. Stefanus was wel een merkwaardige naam voor de eerste martelaar in de christelijke kerk. Voor hem gold:

  • ‘Wees trouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon van het leven (Op.2:10).

De apostel spoort de gemeenteleden in Corinthe aan, dat zij zich meer dan vroeger zouden inspannen om hem na te volgen door ook ‘zoveel mogelijk zielen te winnen’. Hiervoor moeten zij dan veel opofferen en zich ‘in alles beheersen’ om ook als overwinnaars uit de strijd te komen of ‘om er zelf ook deel aan te krijgen’. Zij zullen zich dan ook veel dingen vrijwillig ontzeggen om meer te kunnen verrichten in de dienst van hun Heer. Zij zouden zich zelfs dikwijls moeten verloochenen, om niet de zwakken onder hen aanstoot te geven of te doen zondigen en hen zo te verliezen. Voor allen geldt de opdracht om zich geheel en al aan het evangelie te wijden, want de dienst van God is geen bijzaak, maar een alles beheersende opdracht. Natuurlijk bedoelde de apostel niet, dat er maar één prijs te winnen was, want hij is voor ieder, maar dit komt overeen met wat Luther eens zei: ‘als er slechts één mens behouden zou worden, zou ik deze man willen zijn.’

Paulus wijst met het werkwoord ‘zich beheersen’, dat is zich matigen, zich trainen of oefenen, het feit dat men in de sportwereld vaak grote offers brengt en zich zo nodig ook aan een streng dieet onderwerpt, om maar in topconditie te blijven. Zo zal iedere ware christen vanwege de uitbreiding van het evangelie er niet op uit moeten zijn een gezapig en gerieflijk leven te leiden. Niet zijn lekker eten en drinken, zijn mooie huis, zijn hobby’s en zijn welvaart hebben eeuwigheidswaarde, maar hij verzamelt zich schatten in de hemel door die werken te doen die Jezus deed. De strijder ontvangt de krans alleen, als hij volgens de regels van de strijd heeft gestreden (2 Tim.2:5).

Zo mogen de kinderen van de wereld de christenen niet beschamen, omdat zij wel voor hun liefhebberijen en doeleinden grote offers moeten brengen, ja zelfs in de sport hun leven soms op het spel zetten om een tijdelijke trofee te verwerven of de toejuichingen van een woeste menigte. Wij geloven niet dat wij ons moeten bezighouden met wie in dit beeld de mederenners zouden kunnen zijn. Met medegelovigen hoeven wij niet te concurreren en ook zij mogen de prijs behalen. Wat de satan betreft: wij streven met hem niet naar één doel, maar hij probeert wel ons de voortgang te beletten en de overwinning te doen missen.

Ik loop daarom niet zonder duidelijk doel en ik vecht zó met de vuist dat ik niet maar wat in de lucht sla. Maar ik oefen mijn lichaam op harde wijze en maak het dienstbaar, zodat ik niet misschien – na anderen het evangelie gebracht te hebben – zelf verwerpelijk word’ 26,27.

Paulus stelt zichzelf nu tot voorbeeld. Hij weet uit ervaring wat het betekent om zich in een geestelijk strijdperk te bevinden. Hij is daar niet een racer die zich doelloos voortbeweegt, maar iedere stap die hij daar zet, is doelbewust gericht. Hij weet waarom het gaat en dan loopt hij zo hard hij kan zonder op vermoeidheid of inspanning te letten. Hij spaart zichzelf daarbij niet, om het voorgestelde doel te bereiken. De apostel ziet echter in het stadion van de antieke wereld nog een andere en betere illustratie van zijn leven. Behalve de snelle sprint was er ook de vijfkamp, een combinatie van vèrspringen, wedlopen, speerwerpen, discuswerpen en worstelen. Dit laatste werd dan weer gecombineerd met boksen. In zo’n wedstrijd moest men zijn tegenstander eerst al worstelende op de grond werpen om hem daarna met vuistslagen buiten gevecht te stellen. Dit worstelen en boksen is een duidelijk beeld van de dagelijkse strijd, die Paulus te voeren had, net als zijn Meester, die zei:

  • ‘Zie, Ik drijf boze geesten uit en genees, vandaag en morgen’ (Luc.13:32). In Efeziërs 6:12 schreef de apostel: ‘Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’.

Denk aan de strijd van Paulus tegen een engel van satan die hem met vuisten sloeg. Is de vijand dan al worstelende tegen de aarde geworpen, dan kan de overwinnaar nog niet op zijn lauweren rusten, maar volgt er nog een vuistgevecht. Mag men daarbij dan zijn verslagen tegenstander in de natuurlijke wereld edelmoedig behandelen, door deze demonstratief enkele stoten ‘in de lucht’ te geven, in de geestelijke wereld zal dit gebaar funeste gevolgen hebben. Denk hierbij maar aan koning Saul die Agag spaarde of aan Achab die Benhadad grootmoedig de vrijheid gaf. Paulus zal echter niet rusten, voordat hij de vijand knock-out heeft geslagen. In de strijd die hij voert, is iedere sportiviteit dwaasheid en een poging tot zelfmoord. Het gaat erom te zegevieren en zijn tegenstander te vernietigen.

Om zich in de allerbeste conditie te bevinden, ‘tuchtigde’ de apostel zijn lichaam. Hij vertroetelde het niet, maar sloeg het ‘bont en blauw’ of’ bracht het een klap toe onder het oog’. Ditzelfde werkwoord vindt men in Lucas 18:5, waar de onrechtvaardige rechter verzucht: ‘Ik zal deze weduwe recht verschaffen; anders komt zij mij tenslotte nog in het gezicht slaan’. Ook dit beuken van eigen lichaam is beeld van een geestelijke training. Het doelt op zelfbeheersing, opofferingsgezindheid en zelfverloochening, waardoor de vleselijke begeerten bedwongen worden. Paulus was geen asceet, geen flagellant (geselmonnik), die zich in de natuurlijke wereld aftuigde, maar hij werkte hier het beeld uit van de bokser in de antieke wereld, die dit alles als een oefening onderging om later de hoogste prestaties te kunnen leveren. Paulus bracht zijn lichaam onder tucht, zodat het deed wat Gods Geest verlangde, want het was immers de tempel van God.

Ook voor ons zal het vaak nodig zijn om ons lichaam te beheersen. Het zal ons dikwijls inspanning en opofferingen kosten om een strijd tegen het rijk van de duisternis vol te houden. Het is dan misschien minder zwaar om de dingen maar op hun beloop te laten en zich van de strijd te distantiëren. Dan leven we natuurlijk veel gemakkelijker, maar we missen dan wel de overwinning en daarmee de erekrans. We winnen dan geen zielen, maar verliezen ze, omdat we voor hen niet op de bres willen blijven staan. Het zwakke wordt dan niet meer door ons gesterkt. De onthoudingen die Paulus zich oplegde, waren niet in de eerste plaats van belang voor hemzelf maar voor zijn broeders en zusters. Zo is het misschien gemakkelijker om van een huwelijkspartner te scheiden dan zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen, om de man of de vrouw te blijven claimen voor het Koninkrijk God en zo te winnen. Zo kan men ook zijn kind de deur wijzen en zich aan hem onttrekken. Dan heeft men zelf wel een gemakkelijker leven en men hoeft zich niet te trainen voor de strijd om het behoud van zijn kind, maar door het los te laten geeft men het wel over aan de vijand!

Paulus had een hoge roeping en daarom een grote verantwoordelijkheid. Wanneer hij anderen predikt of oproept om in de renbaan mee te lopen, verlangt hij zélf het voorbeeld te geven van uiterste strijdvaardigheid. Hij wilde de kans niet lopen om tenslotte nog door de hemelse kamprechter gediskwalificeerd te worden. Hij kende de opdracht die hij uit de hemel had ontvangen en wanneer hij deze speciale roeping ontrouw werd, zou hij afgewezen worden of ‘verwerpelijk’ zijn, zoals het werkwoord ‘adokimos’ in Romeinen 1:28 vertaald is. Het kan ook weergegeven worden door ‘ondeugdelijk’ (Hebr.6:8), of ‘de toets niet kunnen doorstaan’ (2 Tim.3:8). Het is dus mogelijk ‘afgewezen’ te worden, want er is een afval van heiligen. Wanneer wij levensproblemen hebben, kunnen wij ons er niet zo maar van losmaken en de weg van de minste weerstand kiezen, want dan raken wij uit de gemeenschap met God. Wanneer iemand aan een bepaalde goddelijke roeping ontrouw wordt, behaalt hij de eindstreep niet. Denk aan Saul, aan Salomo, aan de rijke jonge man, maar ook aan het volk Israël met zijn leiders. Paulus wekt zijn lezers niet op om toe te zien of anderen het doel wel bereiken, maar wil er zelf zeker van zijn dat hij deel heeft aan de overwinning.