1 Corinthe 7:10-16
‘Maar de getrouwde mensen beveel ik – niet ik, maar de Heer – dat een vrouw niet zal scheiden van haar man en als zij toch gaat scheiden, moet zij ongetrouwd blijven of zich met haar man verzoenen – en dat een man zijn vrouw niet zal verlaten’ 10,11.
Nu volgt een duidelijke uitspraak voor getrouwde christenen, waaraan nog wordt toegevoegd, dat het hier een bevel van de Heer zelf betreft: de getrouwde vrouw mag haar man niet verlaten. Het is moeilijk dit gebod rechtstreeks in de evangeliën terug te vinden. Zo zinspeelt de apostel hier ook niet op de énige uitzondering, namelijk dat scheiding bij overspel wél geoorloofd is. Dan is immers de huwelijksband al verbroken en is de bedrogen partner vrij om al dan niet te hertrouwen (vergelijk Matth.5:32; 19:6-9; Marc.10:11,12 en Luc.16:18). In geval van echtscheiding is de echtbreker vanwege zijn gemeenschap met een andere vrouw al opnieuw getrouwd. Aan de achterblijvende echtgenote kan dan moeilijk de eis worden gesteld om terug te keren, om zich met haar man te verzoenen. Zij hoeft dan verder ook niet ongetrouwd te blijven. Volgens de wet in die dagen moest de overtreder gedood worden, zodat van hereniging nooit meer sprake kon zijn.
Paulus rept hier echter niet van overspel. Zijn uitspraak heeft waarschijnlijk te maken met de vraag of een gelovige vrouw haar gelovige man mocht verlaten, omdat zij geestelijk op een hoger vlak wilde leven. Zij wilde dan op het niveau van de apostel leven. Op de achtergrond kan dan ook nog het feit spelen, dat zij door haar vader of broer was uitgehuwelijkt aan iemand voor wie ze geen natuurlijke liefde had.
Het lijkt ons toe, dat de apostel daarom geen uitspraak uit de evangeliën overneemt noch een gezegde van de Heer gebruikt die hij ‘bij overlevering’ had vernomen, maar dat hij schreef onder rechtstreekse inspiratie van Gods Geest, die dan de uitdrukking bezigde: ‘beveel ik – niet ik, maar de Heer’. De Geest sprak dan ‘nadrukkelijk’ (1 Tim.4:1), dat de gehuwde christenen elkaar onder geen beding mochten verlaten, zelfs niet vanwege het motief een geheiligder en geestelijker leven te willen leiden. Het gaat hier dan over een doorgevoerd geval van onthouding en vasten, waarover in vers 5 was geschreven. Er waren dus al gevallen in Corinthe waar de vrouw of de man niet meer ‘de huwelijksverplichtingen’ nakwamen. Zij hadden zelfs al hun gelovige partner verlaten of stonden op het punt dit te doen, alles ‘om Christus’ wil’!
‘Zie, hier is de Christus.’ Geloof dat niet! (Mattheüs 24:23)
De apostel schrijft nu tot zulke vrouwen die zo’n fatale stap hadden gedaan: welnu, dan moet je voortaan maar ongehuwd blijven, maar als het mogelijk is, ga je man weer opzoeken en belijd dat je verkeerd gehandeld hebt. Of dit laatste advies van ongehuwd te blijven of van terug te keren ook direct door Gods Geest was ingegeven, of dat het slechts een conclusie van de apostel was, is niet duidelijk vast te stellen. Het lijkt ons meer een logische gevolgtrekking van de apostel. Het beste is altijd dat de vrouw weer terugkeert en een normaal huwelijksleven met haar man gaat leiden. Zo is er dan ook nergens in het oude noch in het nieuwe verbond sprake van kloosters, waar ‘heiligen’ zich zouden moeten afzonderen van de wereld.
Voor God is het huwelijksleven niet minderwaardig en het is niet beneden de ongehuwde staat. De vrouw moet terugkeren, omdat zij zelf immers niet de beschikking heeft over haar lichaam, maar haar man. Bovendien is zij door haar heengaan mede verantwoordelijk als haar man een andere vrouw gaat opzoeken. Tenslotte mag de man zijn vrouw ook niet verstoten vanwege hetzelfde principe. Hij mag nooit vanwege een zieke, “christelijke ascese” zijn vrouw opofferen.
Het gebeurt ook nu nog wel dat een christenbroeder met een andere gelovige zuster meer geestelijk contact meent te hebben dan met zijn eigen vrouw. Of omgekeerd dat een vrouw met een ‘broeder’ geestelijk meer omgang heeft dan met haar eigen man. Dit wordt dan dikwijls de aanleiding voor overspel in de natuurlijke wereld. Zo’n nieuwe gemeenschap wordt dan goedgepraat met zogenaamd “religieuze motieven”. De apostel laat hier echter duidelijk de stem van de Heer zeggen, dat HIJ zo’n contact verfoeit. Zo’n man of zo’n vrouw moet dan maar zó geestelijk zijn, dat ze hun leven lang ongehuwd blijven, als tenminste terugkeer tot de vroegere partner onmogelijk is.
‘Maar tegen de anderen zeg ík, niet de Heer: Als een broeder een ongelovige vrouw heeft en zij ermee instemt bij hem te wonen, moet hij haar niet verlaten. En als een vrouw een ongelovige man heeft en deze stemt ermee in bij haar te wonen, moet zij hem niet verlaten’ 12,13.
Hoe moet het nu echter met een echtpaar, waarvan de man gelovig is en de vrouw ongelovig, of waarvan de man nog een heiden of jood is, terwijl de vrouw de samenkomsten van de gemeente bezoekt? Van welk principe moet de gelovige partner dan uitgaan? Deze vierde categorie die de apostel nu als punt op de vragenlijst behandelt, betreft het zogenaamde gemengde huwelijk. Paulus redeneert dan net als in de vorige twee verzen vanuit de scheppingswet, dat man en vrouw één vlees zijn geworden door hun huwelijksgemeenschap en dat de mens deze band niet eigenmachtig mag verbreken. Deze eenheid moet dan in de natuurlijke wereld vanwege het geloof in God, in stand worden gehouden. Dit kan dan ook wanneer de ongelovige partner geen behoefte heeft om zijn of haar wederhelft te verlaten of te verstoten. Ondanks diepgaande verschillen in geloofsovertuiging met de daaruit voortvloeiende complicaties moet de christen nooit de huwelijksband verbreken.
Besprenkelen of dopen IN water
Hier vinden we dan een uitspraak waarmee ook mannen en vrouwen tegenwoordig te maken hebben. De man komt tot het aanvaarden van het eeuwige evangelie, maar de vrouw blijft bij de traditionele leringen of bij haar kerk. Zo’n echtgenoot moet er dan rekening mee houden, dat zijn vrouw destijds met een man uit dezelfde kerk en van dezelfde richting huwde. Vroeger liet hij bijvoorbeeld zijn baby’s besprenkelen, maar nu aanvaardt hij alleen de doop door onderdompeling als beeld van een geestelijke weg die hij begonnen is af te leggen. Hij veranderde dus van gedachten, maar zijn vrouw wil de pasgeboren baby wél laten besprenkelen. De man heeft dan de taak om zo voorzichtig mogelijk met zijn vrouw om te gaan en haar geen rechten te ontnemen, want het kind is ook van haar. Hij moet dan zijn vrouw laten begaan, hoewel hijzelf natuurlijk niet naar een door mensen uitgevonden ‘babybesprenkeling-dienst’ gaat. Hij moet in het natuurlijke leven bovendien alles doen om zijn vrouw ter wille te zijn. Zo moet ook de vrouw die opnieuw geboren is, alles vermijden wat de huwelijksband zou kunnen schaden, hoewel zij altijd toch God meer moet liefhebben dan haar ongelovige man.
Wanneer de ongelovige of andersdenkende huwelijkspartner niet aan leergeesten gebonden is, dus niet onder hun pressie staat, zal er altijd wel een modus vivendi of een tijdelijke schikking gevonden kunnen worden. De huiselijke sfeer kan dan positief blijven. Wanneer ‘vrome’ geesten echter geweld gaan uitoefenen, is het zaak voor de gelovige partner om de mens en de macht te kunnen onderscheiden, om zo de man of de vrouw te kunnen blijven liefhebben. Spanningen zijn dan echter niet te vermijden, maar om ruzie te maken, zijn er meestal twee partijen nodig en de verstandige christen zal hieraan niet deelnemen en liever zwijgen en de machten in stilte binden. Natuurlijk kan de apostel alleen de gelovige man of vrouw adviseren, want over de ongelovige man of vrouw heeft hij geen zeggenschap. Zijn raad is dan: laat het initiatief tot echtscheiding nooit van de christen uitgaan en houd zo lang mogelijk de huwelijksband intact.
Ook zal de vrouw van een ongelovige man gasten moeten ontvangen, feestjes moeten bijwonen, gesprekken moeten aanhoren vanwege haar echtgenoot. Zij zal dan innerlijk sterk moeten zijn, wetende dat ze wel in de wereld is, maar niet ván de wereld. Zij zal er ook rekening mee mogen houden dat veel natuurlijke, ongelovige mensen nog niet altijd gebonden zijn. Dezen hebben dan nog dikwijls de ongeschreven wet van God in hun binnenste. Vaak hebben zij een afkeer gekregen van het vrome gezwam en gehuichel uit de kerken, maar hebben het ware evangelie nog nooit gehoord of meegemaakt. De apostel merkt op, dat zij dan nog wel van nature doen wat de wet van God gebiedt (Rom.2:14).
‘Want de ongelovige man is geheiligd door zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door haar man. Anders waren immers uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig’ 14.
De ongelovige huwelijkspartner is geheiligd in de gelovige echtgenoot. Daarom kan en mag de christen met zo’n huwelijksgenoot samenwonen en hoeft hij deze niet te verlaten. Geheiligd betekent hier: afgezonderd van de machten van de duisternis, dus apart gezet zoals het vaatwerk in de tempel. Om deze uitdrukking beter te begrijpen, willen we haar vergelijken met wat Paulus schrijft in 1 Timotheüs 4:5, namelijk dat alle spijzen ‘geheiligd’ worden door het woord van God en door gebed. Veronderstel dat iemand offervlees moest eten. Het woord van God geeft hem inzicht in de geestelijke wereld en verklaart alle spijzen rein (Marcus 7:19).
Het gebed is het bezig zijn in de geestelijke wereld en stelt de christen in staat om iedere occulte macht, die door de heidense ceremoniën aan het voedsel verbonden was, te verbreken. Zo leert het woord van God dat de mens het beeld is van zijn Schepper. Het zijn Satans demonen die de mens doen zondigen en onrein maken. Welnu, de gelovige zal in haar man of in zijn vrouw deze boze geesten binden. Hiervoor is gebed nodig, dit wil zeggen dat de gelovige zich opstelt in de onzienlijke wereld en daar de strijd aanbindt met de demonen, die op de levensgezel(lin) inwerken. Men kan er dan zeker van zijn dat de duivel met zo’n man of vrouw niet meer kan doen wat hij wil, hoewel er geen vernieuwing in zijn of haar leven is gekomen.
Het is niet zo, dat de opnieuw geboren christen de zwakste partij is in de strijd, want hoe kan hij de wereld dan eenmaal aan de voeten van zijn Heer brengen? Jezus zei: ‘Ik heb u macht gegeven’ en van deze autoriteit moet hij zeker gebruik maken ten behoeve van de allernaaste. De natuurlijke mens zal ongetwijfeld de beïnvloeding en de kracht van Gods Geest ondergaan.
De vraag kan nog gesteld worden: wat gebeurt er wanneer iemand met een spiritist of een uitgesproken occult persoon is gehuwd? Het antwoord is, dat ook deze machten moeten worden aangevallen. Wil de betreffende man of vrouw deze boze geesten echter niet loslaten, dan zal hij of zij het zo moeilijk krijgen, dat zo’n persoon de band met zijn gelovige partner verbreekt of weggaat. De macht zal uiteindelijk moeten wijken voor de kracht van de Heer, maar zal dan ook in dit geval de onwillige en verharde occulte zondaar meenemen.
Natuurlijk schrijft de apostel deze raad aan hen, die vóór hun bekering al een ongelovige echtgenoot hadden. Trouwt iemand echter als christen met een ongelovige, dan gaat hij vrijwillig een ‘juk’ aan met boze geesten, demonen, ofwel met ‘de god van deze eeuw’ (2 Cor.6:15). Door deze vrijwillige verbinding levert de christen dan het bewijs, dat het niet in zijn bedoeling ligt een strijd op leven en dood met de vijand aan te binden. Wanneer een meisje een vriend heeft, of een jongeman een vriendin, dan zullen zij proberen vóór hun huwelijk de geliefde voor de Heer te winnen. Wanneer dit niet lukt, is er geen enkele garantie dat hun pogingen later wel zullen slagen!
Paulus geeft nu nog een merkwaardig bewijs dat een ongelovige man of vrouw geheiligd is in zijn of haar huwelijkspartner: ‘Anders zouden immers uw kinderen onrein zijn, maar nu zijn ze heilig’. Wanneer de ongelovige niet door de gelovige geheiligd was, zouden de machten in zo’n gezin vrij spel hebben. Dan zouden de kinderen hiervan het slachtoffer worden, want zij oriënteren zich op hun ouders en staan onder beïnvloeding van de geestenwereld die dezen bij zich hebben. Nu stond het voor de Corinthiërs vast dat hun kinderen niet onrein waren, maar heilig, ook die uit een gemengd huwelijk. Paulus gebruikte deze overtuiging als argument. Hun kleinen waren in dit opzicht niet minder dan de verbondskinderen in het oude tijdperk, die tot een heilige natie behoorden. Zo lagen zij nu onder de claim van de gelovige ouder, die het kind apart zette van het rijk van de duisternis.
Wij merken in dit verband op, dat wij niet bekennen dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn, zoals het ‘kerkelijke doopformulier‘ ons wil doen geloven, maar wij volgen de redenering van Paulus, dat zij in hun ouders geheiligd zijn. De gelovige ouders zijn echter in Christus geheiligd door de waarheid of het woord, dat Hij eenmaal bracht en in de wereld liet brengen (Joh.17:17-19). Zij zijn, na van hun zondeschuld door het geloof verlost te zijn, ‘geheiligd door Gods Geest’, ‘geheiligd in Christus Jezus’ en ‘geheiligd door de God van de vrede’ (Rom.15:16; 1 Cor.1:2; 6:11 en 1 Thess.5:23).
De kinderen staan dus niet in de bres voor de ouders, maar de ouders voor hun kinderen. Daarom hebben onze kleinen in de eindtijd ook de belofte, dat zij als ‘het groene gras’ niet zullen verbranden (Openb.9:4). Zij zijn de bouwstenen voor het huis van God, die al op het tempelplein klaar liggen en later als ‘levende stenen’ zullen worden ingevoegd. Jezus drukte deze claim op de kinderen uit met de woorden: ‘Want voor zodanigen is het Koninkrijk van de hemelen’ (Matth.19:14). Deze verzen geven dus wel een merkwaardige kijk op wat in de hemelse gewesten zich kan afspelen in een gezin, waarvan vader of moeder niet gelovig is. Natuurlijk geeft dit vers allerminst steun aan de gedachte, dat men nu de kinderen ook maar moet dopen, want dan zou om dezelfde reden ook de ongelovige man of vrouw recht hebben op de doop.
‘Maar als de ongelovige scheiden wil, laat hij scheiden. De broeder of de zuster is in zulke gevallen niet gebonden. God heeft ons echter tot vrede geroepen. Want hoe weet u, vrouw, of u uw man zult behouden? Of hoe weet u, man, of u uw vrouw zult behouden?’ 15,16.
Er waren gelovige vrouwen, die door hun mannen waren verlaten. Deze echtgenoten gehoorzaamden uiteraard de wet van God niet. Sommige vrouwen meenden dat zij hun ongelovige mannen nog konden terugwinnen. Zij bleven hen trouw en waren voortdurend voor hen in gebed. Ze beschouwden dit als een opdracht van de Heer. Paulus adviseert hen dit niet meer te doen. Hij bedoelt: probeer hen niet vast te houden in je gedachten. Deze raad gold natuurlijk ook voor de gelovige man ten opzichte van zijn ongelovige vrouw. Als je niet weet dat je iemand redden kunt, moet je geen relatie met hem aangaan en niet in spanning komen. God heeft je tot vrede geroepen en door dit voortdurend denken aan je ongelovige man of vrouw, verlies je je gemoedsrust.
Veronderstel dat zo’n man zijn vrouw tenslotte wil terug hebben, terwijl hij niet veranderd is, dan beginnen de moeilijkheden en de strijd voor de gelovige vrouw opnieuw. Dit wil de Heer niet, want de christen is tot ‘vrede’ geroepen. Met dit woord is het evangelie onlosmakelijk verbonden. Zei onze Heer niet: ‘Mijn vrede geef Ik u’? Men vindt zijn vrede tussen de broeders en zusters in de gemeente en niet door gemeenschap met een ongelovige. Daarom is het advies: laat de verlaten vrouw geen pogingen meer doen om contact op te nemen met haar vroegere man. Deze vorm van evangelisatie is niet naar de wil van de Heer, want zij wordt de oorzaak van ruzie en onvrede.
Voor de zusters geldt, zolang zij met hun onbekeerde mannen leven, dat dezen door de levenswandel van hun vrouwen zonder woorden worden gewonnen, doordat zij hun reine en godvrezende wandel opmerken (1 Petr.3:1,2). Komt het echter tot een scheiding, laten zij dan deze Paulinische waarschuwing denken. Zij zijn dan niet meer aan hun man gebonden, maar zij zijn vrij’, dus mogen ze ook weer hertrouwen.
Tenslotte de vraag: wanneer mag een opnieuw geboren christen hertrouwen? Uit de behandelde verzen kunnen wij nu het volgende concluderen:
- Wanneer een van beide partijen echtbreuk pleegt, want dan is de huwelijksband al verbroken.
- Na het overlijden van de huwelijkspartner, want dan is men vrij (Rom.7:3).
- Wanneer de man de vrouw wegstuurt, omdat deze een christin is, of andersom, want de broeder of zuster is in dit geval niet gebonden!


