De opstanding van de doden 1

1 Corinthe 15:12-28

Als nu van Christus gepredikt wordt dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe kunnen sommigen onder u dan zeggen dat er geen opstanding van de doden is?’ 12.

Er is nog een laatste probleem dat moet worden opgelost, dat in verband staat met de boodschap van het evangelie van Jezus Christus. Hoewel door apostelen en leraars duidelijk als fundamentele waarheid ‘in alle gemeenten van de heiligen’ gebracht was, dat Jezus uit de dood was opgestaan, waren er leden te Corinthe, die de opstanding slechts als een eenmalig feit zagen. Zo zullen ook wel Hymenaeüs en Filétus hebben geleerd, dat met de opstanding van Jezus ‘de opstanding al had plaats gehad’ (2 Tim.2:18). Voor hen was de nieuwe geboorte het wandelen in nieuwheid van het leven (Rom.6:4). Ook zong men: ‘Ontwaak, u die slaapt en sta op uit de doden’, maar dit werd uitgelegd als slechts een herstel naar de inwendige mens (Ef.5:14). Men begreep dus niet, dat de opstanding een proces is, dat eenmaal zijn hoogtepunt zal bereiken in de overwinning van het geestelijke lichaam op de stof, of in het veranderen van het vernederde lichaam in een verheerlijkt lichaam, in een ondeelbaar ogenblik.

In Corinthe was geen ontkenning van het geestelijke leven, geen rationalistische beschouwing, die alleen met de stof rekent, maar een ingeslopen dwaling uit de Griekse filosofie. Paulus was op zijn tweede zendingsreis al te Athene hiermee in conflict gekomen, toen men na zijn prediking over de opstanding, spottend zei: ‘Wij zullen u hierover nog wel eens horen’ (Hand.17:32). Het krijgen van een opstandingslichaam was voor de Grieken geen aantrekkelijke zaak, want volgens hun gedachten kwam het kwaad zoals honger, pijn en moeiten, juist vanuit het eigen lichaam voort. Men begon pas werkelijk te leven als men niet meer aan de stof was gebonden. Men leerde dat bij het sterven, de ziel uit de gevangenschap van het lichaam wordt verlost, zoals een vlinder uit haar cocon.

De broeders in Corinthe leerden dus: je krijgt het echte leven pas door de dood heen. Voor hen was de dood een afsterven van zonden en ziekten en ‘een doorgang tot het eeuwige leven’ (zondag 16 HC). Bij deze begrippen is de dood dus niet de laatste vijand, maar een verlosser. Er waren sommige gemeenteleden die meenden, dat het hogere leven zich alleen ontplooien kon, als het niet meer gebonden was aan plaats en tijd. Een juist inzicht in een verheerlijkt, geestelijk opstandingslichaam hadden zij dus niet. Tegenwoordig is deze visie in alle kerken terug te vinden en ook nu heeft men geen enkel geestelijk zicht op het leven na de dood. Men komt daar met uitspraken als: ‘het doden van het eigen ik’, dus een  zelfverwerping– en vernietiging.

En als er geen opstanding van de doden is, dan is Christus ook niet opgewekt. En als Christus niet is opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud en zonder inhoud is ook uw geloof’ 13,14.

Paulus begint nu vanuit deze dwaling een aantal logische consequenties te noemen en hij toont daarbij aan tot welke absurditeiten men dan komt. Paulus zet deze ‘christen-Sadduceeërs’ niet uit de gemeente. Hun valse leer had haar oorsprong in het heidense, wijsgerige denken. Schreef hij later niet dat hijzelf ook in zijn onwetendheid had gehandeld (1 Tim.1:13)? Hij kon daarom begrip opbrengen voor afwijkingen die men van huis uit mee had gekregen. Daarom wilde de apostel beiden, Joden en heidenen, overtuigen van de waarachtigheid van de leer van het Koninkrijk van de hemelen. Hij wist dat hij hun volkomen nieuwe begrippen moest bijbrengen. Er was wel een opstanding uit de doden, maar zij lag op een ander vlak dan men toen dacht en nu ook vaak denkt. In de mens komen immers hemel en aarde, dat is het geestelijke en het stoffelijke samen.

Ook moest de vraag worden beantwoord, wát eigenlijk zal opstaan. Bij Christus leek dit vrij eenvoudig, want zijn niet ontbonden lichaam stond op. Hoe is dit echter bij hen, van wie de lichamen allang vergaan zijn? De apostel begint nu met een bewijs uit het ongerijmde aan te voeren. Hij schrijft: als de opstanding van de doden dan een onmogelijke zaak zou zijn, hoe kan men dan ooit geloven aan de opstanding van onze Heer? Daarmee wordt dan toch de grote fundamentele waarheid van het christendom geloochend. De Corinthiërs moeten deze verschrikkelijke gevolgtrekking van hun leer maar goed onder de ogen zien. Dit zou dan betekenen dat de prediking van de apostel zinloos was geweest, zonder inhoud, leeg en krachteloos. Men zou dan bij een hersenschim leven. Elke eeuwige vastigheid zou dan weggeslagen zijn. Men geloofde dus wel in een geestelijke opstanding, maar niet aan die van de mens naar geest, ziel en lichaam, waardoor het doel van God dat Paulus vertelde, ten volle gerealiseerd zou worden. De woning van God zou immers bij de mens zijn. Jezus had als mens de heerlijkheid verkregen en Hij wilde dat zijn volgelingen dezelfde heerlijkheid zouden ontvangen.

En dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn. Wij hebben namelijk van God getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt, terwijl Hij Die niet heeft opgewekt als inderdaad de doden niet opgewekt worden. Immers, als de doden niet opgewekt worden, is ook Christus niet opgewekt’ 15,16.

De volgende consequentie is dat de apostelen niet meer betrouwbaar zouden zijn, maar als leugenaars moesten worden gebrandmerkt. Zij doen dan wel alsof zij van de waarheid getuigen en hun boodschap wordt wel gevolgd door de voorspelde tekens van herstel waarmee God zijn woord bevestigt, maar de voornaamste pijler van het geloof was ondeugdelijk. Dit maakte hen tot nutteloze dienstknechten. Waarom zouden zij dan zoveel moeite en gevaren trotseren, wanneer hun geloof in het evangelie op zo’n wankele grondslag rustte? Paulus moet er niet aan denken hoe hij dan zijn hemels loon bij God had verspeeld. Hij zou immers een vals getuige van God zijn, dus dingen voorgesteld hebben als uit het plan van God met de mens voortkomende, die in wezen door de vader van de leugen waren geïnspireerd. Hij had dan tegen God in getuigd. Zijn getuigenis van wat op de weg naar Damascus gebeurd was, zou dan op zelfbedrog, suggestie of hallucinatie berusten. Een van de voorwaarden tot het apostelambt is immers, dat men getuige moet zijn geweest van de opstanding van Christus (Hand.1:21,22). Deze kon hem niet verschenen zijn, als er geen opstanding van de doden is.

Wanneer Paulus dit alles overweegt, moet hij wel fel van leer trekken tegen deze grove dwaling. Men mag niet zeggen: ‘dit is maar een leerstuk waarvan wij later de waarheid wel zullen zien en ervaren…’ De opstanding van Christus is het bewijs van God dat door Jezus de scheiding of het oordeel op aarde tot stand zal komen (Hand.17:31). Een evangelie zonder inhoud betekent dat de Heer nog steeds dood aan een kruis hangt en dat Hij geen overwinnaar is. Dan zit men in een Roomse hel. Daar heeft zelf Maria, God overwonnen. Dan zou de ook laatste vijand, Dood hemzelf, toch nog zegevieren.

En als Christus niet is opgewekt, is uw geloof zinloos; u bent dan nog in uw zonden. Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren’ 17,18.

Er bestaat een onverbrekelijke eenheid tussen Christus en de leden van zijn gemeente. Het is ondenkbaar dat Hij als hoofd van zijn lichaam zou zijn opgestaan, terwijl dit lichaam Hem niet zou volgen in de gelijkheid van zijn opstanding. Wie deze samenhang niet aanvaardt, heeft een geloof zonder inhoud, leeft dus in een droomwereld, die met de werkelijkheid in strijd is (vers 14). Maar hij heeft dan ook een geloof zonder vrucht, dat dus nooit als concrete werkelijkheid wordt geopenbaard. Wij ontvangen immers Gods Geest vanwege het feit, dat onze Heer is opgestaan uit de doden en door de Vader verheerlijkt is. Jezus zei tegen zijn leerlingen:

  • ‘Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want als Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar als Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden’ (Joh.16:7).

Wanneer onze Heer niet was opgestaan uit de doden, zouden wij ook de vrucht van Gods Geest missen en werd het leven van Jezus nooit in ons openbaar in liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Gal.5:22). Dan waren wij ook niet gereinigd van onze zonden, want Hij is opgestaan tot onze rechtvaardiging (Rom.4:25). De Heer werd overgeleverd om onze ongerechtigheden, dit wil zeggen prijsgegeven aan de machten van de duisternis, om onze zonden. ‘Om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld’ (Jes.53:5). Uit zijn opwekking bleek dat het offer voor de schuldvergeving aanvaard was.

Onze schuld is betaald. Wij zijn behouden, doordat Christus leeft (Rom.5:10)! Daarom mag de opengehouden hand van het geloof de gerechtigheid aanvaarden. Het loon van de zonde is de dood en dit loon werd door de satan aan Jezus uitbetaald. Als Hij nog in de dood is, is Hij geen overwinnaar en heeft het leven niet overwonnen en kan dus het licht niet schijnen. Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, nog in de dood. Zij zijn dan verloren, omdat er geen schuldvergeving had plaats gevonden. Zij zijn dan niet in het paradijs, maar in het dodenrijk.

Maar de ontslapenen mogen dan gescheiden zijn van hun lichaam dat tot stof vergaat, hun inwendige mens is in Christus. Ze zijn niet verloren, maar behouden en gered. Hun geestelijk lichaam zal bij de terugkomst van de Heer opstaan, dit wil zeggen kunnen functioneren in de stoffelijke en zichtbare wereld. Wie echter de opstanding van de doden in zijn reddingsverwachting loochent, moet de leden van het lichaam van de Heer wel prijsgeven aan de dood en aan de ontbinding. Dan zouden de ontslapenen na dit aardse leven zich in dezelfde toestand bevinden als allen, die de verschijning van Jezus niet hadden liefgehad.

Het woord ‘ontslapen’, dat is beginnen te slapen, is een beeld. Wie in slaap valt, wordt onttrokken aan de zichtbare en natuurlijke wereld. Hij is niet dood, maar leeft voort in een geestelijke wereld, waarin hij toch van alles kan ervaren. Zo is het ook met hen die in Christus gestorven zijn. Dezen zijn onttrokken aan de zichtbare en natuurlijke wereld, maar zij leven naar de inwendige mens verder. In de onzienlijke wereld volgen hun werken hen na, dit wil zeggen dat zij als ‘levenden’ voor God, actief blijven in het Koninkrijk van de hemelen.

Als wij alleen voor dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen’ 19.

Als verdere consequentie noemt Paulus nu het feit, dat de ontslapenen als mens in het geheel niet kunnen voortleven zonder lichaam. De genade zou dan alleen van kracht zijn voor het aardse bestaan. In dit leven echter ondervindt de opnieuw geboren christen meer dan de werelds ingestelde mens, smaad en vervolging. Jezus heeft immers voorspeld dat zijn volgelingen door veel verdrukkingen het Koninkrijk van God zullen binnengaan. Er is sprake van lijden vanwege zijn Naam. De duivel is de overste van deze wereld en hij keert het loon van de zonde: de moeiten, het lijden, de verdrukking en de dood bij voorkeur uit aan hen die niet voor hem willen werken. Hij is immers volkomen wetteloos. Dit ondervond ook Job, die zonder oorzaak in een zee van ellende werd gedompeld. De met Gods Geest vervulde christen staat voortdurend bloot aan de haat van de vorst van de duisternis, die ook mensen gebruikt om zijn vijandschap te manifesteren. De engel van satan, die Paulus met vuisten sloeg, deed dit maar al te vaak door middel van laster, vervolgingen en benauwdheden. Hij was de oorzaak dat Paulus vijf maal de veertig-min-één-slagen ontving en drie maal gegeseld werd. Hij deed hem stenigen, schipbreuk lijden en hij hitste de Joden tegen deze dienstknecht van God op.

Als de hoop van de ware christen binnen de begrenzing ligt van dit aardse leven, is hij in veel slechtere toestand dan het overige deel van de mensheid. Daarom is de hoop van de christen niet zozeer op de tegenwoordige wereld gericht, maar op de toekomende. In dit leven hoopt hij de geestelijke volwassenheid te bereiken, namelijk het zoonschap. Daar leeft hij naar toe. Dan verwacht hij zo doende het ogenblik mee te maken, waarover de apostel in vers 51,52 schrijft, namelijk dat hij in een ondeelbaar ogenblik veranderd zal worden. Dit feit zal dan worden voorafgegaan door de opstanding uit de doden van hen, die al ontslapen zijn.

Het is een grote dwaasheid te veronderstellen dat er geen toekomend leven is. Door zijn geloof is de ware gelovige immers voor de wereld gekruisigd en wat zou hij dan nog van haar verwachten? Daarom interesseren hem de wereldse zaken niet meer, want hij heeft het geestelijke leven lief. Hij is slechts aandeelhouder in het lijden van Christus, om ook met Hem verheerlijkt te worden. Hij ziet niet meer op het zichtbare, maar op het onzichtbare. Hij weet dat de verandering van het lichaam in een ondeelbaar ogenblijk, of de opstanding van zijn geestelijk lichaam, de voltooiing in het eeuwige leven garandeert. Daarmee is niet alle geluk van de ware christen naar de toekomst verplaatst, want zijn wandel en burgerschap is nú al in de hemel en hij is blij met al de schatten die hij nu al verzamelt. Deze garanderen het gelukkige bezit aan vrede, gerechtigheid en blijdschap door Gods Geest.

Maar nu, Christus ís opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn’ 20.

Er is een juichtoon in het hart van de apostel. Waarom nog langer gediscussieerd? Het is immers een onomstotelijk feit dat Christus uit de doden opgestaan is en de leer over de opstanding van de doden wordt in alle gemeenten gebracht en aanvaard. Daarmee gaat de opnieuw geboren christen zijn eigen weg te midden van allerlei filosofieën en religies van heidenen, Joden en naamchristenen. Wij hebben een levende Heer, die bemoedigend zei: ‘En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voltooiing van de wereld’ (Matth.28:20). Vanuit deze positieve voorstelling benadert nu Paulus de opstanding van de gelovigen. Hij schrijft nu niet meer: ‘Als niet, dan’, maar trekt nu zijn conclusies uit een concreet gegeven. Niet alleen Jezus maar ook allen die in Hem ontslapen zijn, zullen opstaan, want Hij is de eersteling onder hen.

Op de tweede dag van het Paasfeest werd de eersteling of garf, rijp koren, die de hele oogst moest vertegenwoordigen, als beweegoffer bij de priester gebracht (Lev.23:10,11). Tot op die dag was het verboden van de nieuwe oogst te eten. De vergelijking is duidelijk: zoals de ene garf de hele oogst representeert en heiligt, zo zijn in de opstanding van Christus allen die in Hem geloven, begrepen. Is de eersteling heilig, dan is ook het deeg Hem toegewijd (vergelijk Rom.11:16). De rijpe oogst zijn zij die deel hebben aan de eerste opstanding. Hij wordt eenmaal gevormd door de eerstelingen onder Gods schepsels:

  • ‘Zij zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam’ (Jac.1:18; Op.14:4). Christus is immers nooit los te maken van zijn mystiek lichaam, ‘want als wij samengegroeid zijn met wat gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met wat gelijk is aan zijn opstanding’ (Rom.6:5). Christus is de eerste uit de opstanding van de doden (Hand.26:23).

Door de opstanding van Christus uit de doden zijn wij dus opnieuw geboren of veranderd van denken tot een levende hoop voor de toekomst (1 Petr.1:3). Let er op dat Paulus hier niet spreekt over een algemene opstanding, zoals in Openbaring 20:13, Daniël 12:2 en Johannes 5:29 bedoeld wordt. Daar gaat het over het laatste oordeel over allen die ooit geleefd hebben op aarde. Van miljarden, ongeboren embryo’s tot hen die 1000 jaar oud werden in de voortijd.

Want omdat de dood er is door een mens, is ook de opstanding van de doden er door een Mens. Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden’ 21,22.

Paulus licht nu het vorige vers toe door een vergelijking te maken tussen Adam en Christus. Hij zal dit later in dit hoofdstuk opnieuw doen in de verzen 45-49, waar de eerste Adam gesteld wordt tegenover de laatste. Ook in Romeinen 5:12-21 werkt hij deze tegenstelling tussen Adam en Christus uit. Het gaat hier dus over wat de mens door één mens verloren heeft en wat hij door één Mens gekregen heeft. Adam is de oorzaak van de dood en Christus is door zijn opstanding de bron van het leven. Adam was een levende ziel en een natuurlijk mens. Door zijn val werd hij in zijn ontwikkeling tot geestelijk mens gestuit. De dood drong toen ook tot hem door, net als dit het geval is bij planten en dieren.

Het was Gods bedoeling dat Adam bij het ouder worden niet zou aftakelen en dat hij niet zou sterven, maar dat zijn inwendige mens dan tot een heerlijke, geestelijke ontplooiing zou komen. Door Adams schuld is echter de dood als koning gaan heersen en deze heeft de verdere ontwikkeling van de geestelijke mens tegengestaan en belet. Hij is ook doorgedrongen tot hen, die niet op gelijke wijze als Adam hebben gezondigd (Rom.5:14). Het loon van de zonde wordt immers door de wetteloze overste van deze wereld ook uitgekeerd aan rechtvaardigen en soms ook aan baby’s en kinderen die nog geen enkel kwaad hebben gedaan. De opstanding van de doden, dus de overwinning op de dood, is te danken aan Jezus Christus, die tot een volkomen geestelijk mens ontwikkeld was. Hij schenkt nu aan allen die bij zijn lichaam horen, een vernieuwde geest en doopt hen dan verder in Gods Heilige Geest, die hen in staat stelt deel te hebben aan het eeuwige leven.

Adam is het hoofd van het natuurlijk, menselijke geslacht. ‘In Adam’ zijn allen, die alléén deel hebben aan het natuurlijke leven, dat na de val in de greep van de dood ligt. Deze ontbindt, dit wil zeggen maakt een scheiding tussen het lichaam en de inwendige mens. Het lichaam verteert en ziel en geest worden bij het sterven afgevoerd naar het dodenrijk, een gevangenis of bewaarplaats. Zij worden daar niet ontbonden. Dit gebeurt pas (voor de kwaadwillenden) aan het einde door de tweede dood, de vuurpoel genoemd (Op.20:13-15). Dan blijft van de mens alleen ‘zijn worm’ over, dat is het verschrompelde, het naakte, het ontledigde of het restant van wat eenmaal zijn wezen was. ‘De worm die niet sterft’ is beeld van de ontluistering van ziel en geest, waarvan geen enkele grootheid of aanzien overblijft.

Christus is echter hoofd van een geestelijk, menselijk geslacht van nieuwe of liever vernieuwde mensen. ‘In Christus zijn’ betekent dan: levend gemaakt zijn en deel hebben aan een innerlijk proces van omvorming. Bij het sterven wordt het lichaam van de christen gescheiden van zijn inwendige mens. Deze laatste komt niet in het rijk van de dood, maar blijft in het mystieke lichaam van Christus. Bij de opstanding blijkt dat deze inwendige mens met zijn geestelijk lichaam de kracht heeft om ook in de stoffelijke wereld te functioneren. Wij merken nog op dat het eerste woordje ‘allen’ hier ziet op ‘allen’. In Adam en het tweede op ‘allen’ in Christus. Dit is beslist geen verwijzing naar een opstanding van alle mensen ten leven!

Ieder echter in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna wie van Christus zijn, bij Zijn komst. Daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God en de Vader heeft overgegeven, wanneer Hij alle heerschappij en alle macht en kracht heeft tenietgedaan’ 23,24.

Er is een tijdsorde in de opstanding. De apostel gebruikt hier een militaire term, die rangorde of afdeling soldaten kan betekenen. De hoogste rang heeft Christus en deze gaat als Vorst, dat is voorste, voorop. Bij het leger van de ontslapenen vormt Hij de voorhoede, de speerpunt van het reddingsleger. Hij is immers, om het beeld uit vers 20 vast te houden, de eerste schoof van een rijpe oogst van de aarde. Dan volgt zijn komst, de parousia of de bijzondere tegenwoordigheid van de Heer in zijn volk. Dit is het tijdperk waarin Hij verheerlijkt wordt in zijn heiligen en met verbazing gezien wordt in allen, die tot geloof gekomen zijn’ (2 Thess.1:10). In de eindfase zullen de zonen van God, over wie Paulus in Romeinen 8:19 schreef, worden geopenbaard. In deze parousia wordt voor de gemeente op aarde vervuld, dat geest, ziel en lichaam van de gelovigen in hun geheel onberispelijk zijn bewaard door de kracht van Gods Geest. De Heer is immers trouw aan zijn beloften en Hij zal het ook doen (1 Thess.5:23,24)!

De vertaling Brouwer luidt in dit verband: ‘Vervolgens zij die Christus toebehoren, bij zijn intocht als koning’. Het gaat dus om het uiteindelijke koningschap van Christus in zijn volk, om het mogelijk te maken de zuchtende schepping door hen te herstellen. Deze periode vindt haar climax wanneer de ontslapenen zullen opstaan en met de levend overgeblevenen, die in een punt des tijds de overwinning van het geestelijke lichaam op het vernederde stoffelijke lichaam ervaren, verenigd worden. Samen met hun Heer beginnen zij dan aan het herstel van alle dingen in het duizendjarige rijk (Op.20:2). Dan volgt het ‘einde’ (telos), dat is de voltooiing van het werk van Jezus Christus. Hij is immers ‘geopenbaard, zodat Hij de werken van de satan zou verbreken’.

Na het vrederijk en na de allerlaatste opstand, waarbij de volken van de aarde verleid worden tot de laatste oorlog tegen de stad God en de legerplaats van de heiligen, Gog en Magog genoemd (Op.20:7,8), worden de vijandige engelen-overheden onttroond en wordt de laatste vijand, de dood en het dodenrijk, in de vuurpoel geworpen. Het ‘einde’ betekent dan de voleinding, de overwinning op alle vijanden van God en de mens. Het duizendjarige rijk met de vernieuwing van de aarde en het allerlaatste herstel van de mensheid op deze vernieuwde aarde leiden naar de bruiloft van de vrouw van het Lam met de hemelse Vader.

Ten opzichte van God is op dit ogenblik de gemeente met haar Hoofd Jezus Christus nog de bruid van God en niet van Jezus. Daarom staat er: ‘Ik zal u tonen de bruid, de vrouw van het Lam’ (Op.21:9). Het koningschap van Jezus is de macht die Hij met zijn gemeente bezit in hemel en op aarde en die Hij uitoefent om de vijanden van het rijk van God te verslaan en de schepping te herstellen en tot voltooiing te brengen.

Want Hij moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd. De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood’ 25,26.

Het koningschap van Jezus moet worden gevestigd, want hiertoe heeft Hij de opdracht van de Vader ontvangen. Daarom moest de Zoon eerst lijden en daarna moest Hij uit de doden worden opgewekt. Zoals de satan een mens vanaf de geboorte steeds onder zijn macht probeert te krijgen, zo werkt ook de Heer door zijn Geest in de harten van zijn volk om steeds meer terrein te winnen, zodat Hij door hen heen zijn koningschap kan uitoefenen. Zijn macht en autoriteit is erop gericht om de overweldigde mens te redden van diens vijanden en te verlossen uit de hand van allen die hem haten (Luc.1:71).

Het eerste doel is om de tegenstanders onder de voeten te krijgen, want zij betwisten het absolute gezag van de Mensenzoon. Deze strijd zal uitlopen op een onvoorwaardelijke overgave en de totale nederlaag van Satans demonen. Wanneer de hemel de troon van de Zoon is, vormt de aarde de voetbank voor zijn voeten. Naar oudtestamentische voorstelling bevindt zich de afgrond onder de aarde. Dit betekent dus in dit verband dat de demonen in de afgrond worden geworpen en dan onder de voeten van koning Jezus zijn. Daar worden zij gepijnigd, dat wil zeggen inactief gemaakt vóór de tijd. Hun uiteindelijke bestemming is immers de vuurpoel die voor eeuwig van zwavel blijft branden.

Het opmerkelijke is, dat de Heer deze opdracht van zijn Vader aan de gemeente delegeert. Jezus zit aan de rechterhand van God, ‘voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor (onder) zijn voeten’ (Hebr.10:13). Zo zegt ook Paulus in Romeinen 16:20, dat de God van de vrede de satan weldra onder onze voeten zal vertrappen. De apostel citeert Psalm 110:1, die ook door de Heer in Mattheüs 22:44 wordt aangehaald en toegepast, waar staat: ‘De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb’. Alle overheden, machten, heerschappijen en krachten, zullen door hen die in de voetsporen van de Meester stappen, ontwapend en openlijk ten toon gesteld worden. Dit is de enige manier om over hen te zegevieren. Alle duistere machten zullen dan buiten spel gezet worden (Col.2:15). ‘En de dood is de laatste vijand, die vernietigd wordt’ (Can. Vert.). Ook dit rijk dat het langste weerstand biedt, zal in elkaar storten en in de tweede dood worden geworpen.

Wij wijzen erop, dat het koningschap van Jezus een zuiver geestelijke heerschappij is. Hij zelf heeft gezegd: ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld’ (Joh.18:36). Zij is er op gericht om de onzienlijke tegenstanders volkomen uit te schakelen. Hier is geen sprake van een zogenaamd aards koningschap over een natuurlijk volk Israël, want het Koninkrijk van God is van hen weggenomen en gegeven aan een volk, dat de vruchten er van opbrengt, dus aan een koninklijk priesterschap, aan een heilige natie, aan een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte, dat van het nieuwe verbond. Ook hier is het oude voorbijgegaan en het nieuwe gekomen (Matth.21:43 en 1 Petr.2:9).

Immers, alle dingen heeft Hij aan Zijn voeten onderworpen. Wanneer Hij echter zegt dat aan Hem alle dingen onderworpen zijn, is het duidelijk dat Hij Die Zelf alles aan Hem onderworpen heeft, hiervan is uitgezonderd. En wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, zodat God alles in allen zal zijn’ 27,28.

Jezus heeft alle macht in hemel en op aarde en Hem is alles onderworpen. In dit ‘alles’ is zelfs de dood met zijn rijk begrepen. Wie daarom bij het lichaam van Christus hoort, zal de dood niet proeven of zien. Gods herstelplan in Christus zal doorgaan, totdat de dood met zijn demonische bewakers in de vuurpoel is geworpen en de eerste dood er niet meer zal zijn (Op.21:4). Zoals er bij de zondeval een sterfproces ontstond, zo ligt er in de overwinning van Jezus in zijn opstanding een levensproces. Dit begint bij de inwendige mens en eindigt wanneer elke vorm van ziekte en dood is overwonnen. Het woordje ‘alles’ heeft een zwaar accent, want er zijn dan ook geen vijandelijke krachten, machten, heerschappijen en satanische tronen meer. Allen hebben dan het onderspit moeten delven.

Paulus herinnert ons nu aan de eer en heerlijkheid van de mens die in Psalm 8 wordt beschreven. Hij is daar een machtige koning die over de werken van Gods handen regeert: ‘Alles hebt U onder zijn voeten gelegd’. Typerend voor het oude verbond is, dat dit gezag zich alleen uitstrekt over al wat op aarde leeft: schapen, runderen, dieren van het veld, vogels in de lucht en vissen van de zee. Deze heerschappij is de vervulling van de uitspraak in Genesis 1:28, dat de natuurlijke mens de aarde zal vervullen en dat deze met alles wat erop leeft, aan hem onderworpen is. Het ‘alles hebt U onder zijn voeten gelegd’ heeft dus in het oude tijdperk alleen betrekking op de zichtbare wereld.

De leer van Jezus over het Koninkrijk der hemelen reikt echter verder en brengt de mens als heerser ook in een nieuwe dimensie, namelijk in de geestenwereld. Ook in die sferen strekt zijn gezag zich uit. De Heer zei immers: ‘Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te trappen en tegen het hele leger van de vijand’ (Luc.10:19). In dit ‘alles’ is Jezus zelf weer de eerste en zij die in Hem zijn en zijn Naam gebruiken, volgen Hem in dit koningschap. Vanzelfsprekend weten zij ook dat de heilige engelen hun tot dienende geesten zijn gegeven. De natuurlijke mens probeert zijn gezag op aarde te vestigen, maar de geestelijke mens begint in de hemelse gewesten autoriteit uit te oefenen. Hebben de zonen van God eenmaal alle tegenstand overwonnen, dan volgt het herstel van de zichtbare schepping onder hun heerschappij vanzelf. Eerst komt er dus een vernieuwde hemel en dan volgt de vernieuwde aarde.

Let er op dat er geen sprake van is, dat de ene mens zal heersen over de andere of dat het ene ras boven het andere zou zijn geplaatst. De bedoeling van God is dat de geestelijk volwassen mens eenmaal Zijn tent zal vormen, waarin Hij resideert. Dan zijn alle zonen van God elkaars broeders en de meeste onder hen is degene die dient, dus die in staat is het meeste te schenken en de zwaarste en meest verantwoordelijke taak uit te voeren.

‘Wanneer Hij zegt’ wijst niet op een in het verleden of heden gedane uitspraak, maar op een toekomstige aankondiging, waarin de overwinning wordt bevestigd. De vertaling Brouwer heeft: ‘Wanneer Hij nu het woord zal spreken: alle dingen zijn onderworpen’. Heel duidelijk valt dan onder de machten die aan Christus zijn onderworpen, niet de Vader zelf. Het gaat er immers om dat de mens die van God is vervreemd, weer door de laatste Adam in de juiste verhouding tot zijn Schepper komt. Dit gebeurt alleen wanneer alle rebelse en wetteloze geesten zullen vluchten voor Hem die op de grote witte troon zit. De mens Jezus, dat is de Redder en Verlosser, is altijd dezelfde: gisteren en vandaag en tot in eeuwigheid. Door zijn Naam is Hij geïdentificeerd, want altijd zal deze in verband worden gebracht met het grote reddings- en verlossingsplan van de hemelse Vader.

Tenslotte zal de Zoon zijn macht, die Hij van de Vader heeft ontvangen en aan deze heeft ontleend, weer teruggeven. Het rijk van koning Jezus zal dan plaats maken voor het Koninkrijk van de Vader. Jezus leerde zijn leerlingen immers al bidden: ‘Laat Uw Koninkrijk komen!’ God is geest en Hij zoekt Zich een woning en deze zal in een verloste, herstelde en verheerlijkte mensheid zijn. Daarom is blijkbaar Hij uitgezonderd, want alles wat de nieuwe mensheid denkt en doet, zal geïnspireerd zijn door God die geest is. De menselijke geest en de Geest van God zijn voor eeuwig voor elkaar bestemd.

Bij de hemelse Vader zullen steeds nieuwe plannen opkomen en nieuwe werken worden bedacht, want Hij is de eeuwig levende Geest. De ene redding na het andere zal worden geopenbaard en de oneindige kosmos zal ruimte verschaffen voor een eeuwig, vreugdevolle werkterrein. In dit originele plan van de Vader zal de Mensenzoon echter steeds de eerste zijn. Hij zal immers koning zijn in alle eeuwigheden (Op.11:15). ‘Hij zal als koning over het huis van Jacob heersen tot in eeuwigheid en zijn koningschap zal geen einde nemen’ (Luc.1:33). Verder zal onder de zonen van God de ene ster in grootte verschillen van de andere. Zo zullen eenmaal de onzichtbare en zichtbare schepping geleid en bestuurd worden door de mensheid, die geheel vervuld zal zijn met de Geest van God, met al diens kennis en wijsheid, met al diens kracht, liefde, heerlijkheid en luister.

Bij deze woorden van de apostel heeft de inhoud van dit hoofdstuk zijn hoogtepunt bereikt. Hoger en verder kan het niet en Paulus stijgt daarbij in zijn denken uit boven alle andere Bijbelschrijvers. Alleen Johannes spreekt in beelden over deze apotheose, wanneer hij het heeft over de vrouw van het Lam, die na haar toebereiding, bruiloft zal vieren met God zelf. Zo zal zij de eeuwige hulp zijn voor God die geest is.

De uitdrukking ‘God alles in allen’ of ‘alles in alles’ is geen ondersteuning van het pantheïsme (pan betekent alles en theos is God). Deze religieuze geesteshouding vervaagt met die woorden immers de grenzen tussen Schepper en schepping. God zou dan ondergaan in het Al, of alles wat er is gaat dan op in God. Tegenover deze zienswijze neemt het ware christendom een volstrekt afwijzende houding aan. Paulus verbindt het wezen van God alleen met de mens ‘in Christus Jezus’ zijnde. Wanneer wij geloven dat in de mens twee geesten verblijven: Gods Heilige Geest en de menselijke geest, dan zal de Geest van God steeds de hoofbewoner moeten zijn. Daarom schreef Paulus in hoofdstuk 11:3: ‘Het hoofd van iedere man is Christus en het hoofd van Christus is God’.