De gekruisigde Christus

1 Corinthe 2:1-16

En ik ben, broeders, toen ik bij u kwam, niet gekomen om u met voortreffelijkheid van woorden of van wijsheid het getuigenis van God te brengen, want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd’ 1,2.

De betekenis van het evangelie mag nooit verloren gaan door schitterende redevoeringen. De boodschap kan ook niet worden gesteund door filosofie of aardse wijsheid, want zij betreft de onzienlijke wereld. ‘Het getuigenis van God’ is de openbaring van zijn eeuwig voornemen om de mens te redden en te verheffen ‘in Christus’. Daarom schreef de apostel in hoofdstuk 1:6 dat het getuigenis van ‘Christus’ in de Corinthische gemeente tot zijn grandioze ontwikkeling was gekomen door ‘alle woorden en kennis’ en mede door de openbaring van de charismatische gaven. Onze Heer heeft immers een gedachtewereld bekend gemaakt, die hoger is dan wat de natuurlijke mens, die alleen rekening houdt met de zintuiglijke wereld, ooit kan bedenken.

God getuigt van Zichzelf door zijn Zoon. Deze is de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr.1:3). Wij zijn getuigen van God de Vader, als Christus in ons woont en werkt. Dan kan gezegd worden dat God door zijn Geest zowel het willen als het werken in ons uitwerkt (Filip.2:13). Wanneer Jezus zijn apostelen opdraagt om zijn getuigen te zijn, moeten dezen spreken over wat zij van Hem hebben gezien en gehoord, ‘over alles wat Jezus begonnen was te doen en te leren’, maar ook over wat Hij in hen voortzette. Zij deden niet iets uit eigen kracht (Hand.3:12). Het evangelie moet eenvoudig en duidelijk worden gepredikt. Het woordje ‘voortreffelijkheid‘ komt alleen nog voor in 1 Timotheüs 2:2 en is daar weergegeven door ‘hooggeplaatsten’. God wil niet dat zijn reddingsplan wordt doorgegeven in hoogdravende geheimtaal. Wanneer Hij niet wil dat de diepe en geestelijke betekenis van het gebrachte woord op de verkeerde plaats zal komen, verbergt Hij de boodschap voor zulke mensen in beelden en gelijkenissen. De ongeestelijke mens denkt er immers niet aan om de woorden van God te vergeestelijken.

Toen Paulus in Corinthe aankwam, vond hij als ZZP’ er snel onderdak bij Aquila en diens vrouw Priscilla. Zelf voorzag hij in zijn inkomen als tentenmaker. Deze omgeving en dat werk waren maar een povere introductie voor de grote apostel. Zij vormen ook wel een sterk contrast met de levenspraktijken van de kerkvorsten of de ‘jetset’ evangelisten die bij de best gesalarieerde kringen in het maatschappelijke leven horen. Zijn toespraken waren in de oren van de Griekse wijsgeren maar armetierig en zijn boodschap over de gekruisigde Christus en diens opstanding uit de doden was onaanvaardbaar, terwijl de orthodoxe Joden zich ergerden dat iemand die aan het kruis hangende onder de vloek van God was, hun Messias zou kunnen zijn.

Misschien had het dispuut te Athene (Hand.17:15-34) ertoe bijgedragen dat Paulus nu te Corinthe vastbesloten was om zich voortaan alleen te bepalen bij een fundamentele prediking, dus over een lijdende Christus die voor de zondeschuld van de mensheid was gestorven. Uiteraard zou hij daarop natuurlijk voortbouwen en ook spreken over de opstanding van de doden, over het gebruik van de geestelijke gaven, om tenslotte nog te wijzen op een tijdperk, waarin God alles in allen zou zijn en dit alles zou dan een resultaat zijn van zijn boodschap. Het evangelie van het kruis verborg een redding die zo groot was, dat de apostel niet alles ervan mocht ontsluieren, omdat ‘het een mens niet geoorloofd is dat uit te spreken’. De boodschap van het kruis schiep de mogelijkheid voor de mens dat alles wat de satan in hem gedaan had, weggenomen zou worden, zodat hij ‘aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zou leven’. Hij zou mogen getuigen: ‘Ik ben een rechtvaardige en door zijn zweepslagen ben ik genezen’. De dwalende en misleide schapen zouden de weg van de waarheid vinden door de Herder te ontdekken die zijn leven voor hen gaf.

De boodschap van het kruis was de eerste steen in het fundament en het uitgangspunt. Paulus was vastbesloten geen enkele andere kennis of wijsheid te gebruiken en geen andere doctrine te prediken dan Jezus en de zegeningen die vanuit diens lijden aan het kruis ons toekomen.

En ik was bij u in zwakheid, met vrees en veel beven. En mijn spreken en mijn boodschap bestonden niet in overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar in het betonen van geest en kracht, zodat uw geloof niet zou bestaan in wijsheid van mensen, maar in kracht van God’ 3-5.

Paulus was te Corinthe met de Joden in een groot conflict gewikkeld geweest. Ze hadden zich tegen zijn boodschap verzet en door hun scheldpartijen de naam van God gelasterd (Hand.18:5-10). Om hem te vertroosten was de Heer aan zijn dienstknecht verschenen, ook al in verband met de steniging, de geselingen en de stokslagen, ofwel de haat en verachting van zijn volksgenoten. De vervolgingen van zijn uitwendige mens, die hierdoor ‘tot verval’ kwam en de verdrukkingen naar de inwendige mens, vormden ongetwijfeld de doorn in zijn vlees die erin gebracht was door een demon van satan (2 Cor.4:16, 11:24-29 en 12:7). Het lijden en de tegenslagen hadden ongetwijfeld de zekerheid en het zelfbewustzijn van de apostel aangetast. Hij had daardoor geleerd van ogenblik tot ogenblik alleen uit genade te leven en vanuit de bescherming die hij had in de hemelse gewesten.

De glorie van deze apostel was niet zijn geestelijke sterke persoonlijkheid, maar zijn machtige boodschap. Voor hem gold niet: ‘Wie heeft mijn verschijning geaccepteerd, maar wie gelooft mijn boodschap?’ Voor de vleselijk gezinde Corinthiërs moet het optreden van de apostel vaak onzeker hebben geleken, omdat zijn toespraken eigenlijk gericht waren op de ‘volwassen’ of geestelijk ingestelde mens. Paulus voelde zich voortdurend als een deelnemer aan een wedstrijd, die zijn lichaam in bedwang moet houden of ‘tuchtigen’, om naar de geest het allerhoogste en het beste tevoorschijn te brengen. Hij overzag ook heel goed de gevolgen van zijn boodschap. Er werden diepe en onoverbrugbare kloven getrokken tussen mensen, die eerst samen naar de synagoge waren opgetrokken of die eensgezind in de heidenwereld bepaalde doeleinden hadden nagejaagd of dezelfde leefgewoonten bezaten. Ook wist de apostel dat hij door zijn brengen van het eeuwig evangelie een veldslag ontketende tegen de overheden, de machten, de wereldbeheersers van alle duisternis vandaag, tegen Satans demonen in de hemelse gewesten (Ef.6:12). Hij stelde zich op tegen ‘de god van deze eeuw’, die ook in Corinthe de ongelovigen met blindheid had geslagen (2 Cor.4:4). Niet voor niets bemoedigde de Heer hem op een nacht met te zeggen dat de apostel door moest gaan met de boodschap van het eeuwig evangelie te vertellen en dat hij juist velen hierdoor tot bekering zou brengen.

Het is niet waarschijnlijk dat Paulus lichamelijk ziek was. Daarvoor reisde hij teveel en sprak hij te vaak. Denk ook aan de steniging te Lystra. Zijn vijanden lieten hem daar voor dood liggen, maar te midden van zijn vrienden staat hij dan plotseling op en trekt de volgende morgen naar Derbe, een plaats die ongeveer 70 km verder gelegen was. De uitdrukking ‘vrees en veel beven’ wordt door de apostel viermaal gebruikt (1 Cor.2:3, 2 Cor.7:15, Ef.6:5 en Filip.2:12) en verder door geen enkele schrijver in het Nieuwe Testament. Zij bedoelt niet direct angst voor persoonlijk gevaar, maar is een uitdrukking voor een volledige inzet in verband met het welslagen van zijn taak. Zo vermaant de apostel in Efeziërs 6:5 dat de slaven hun heren gehoorzaam moeten zijn met ‘vrees en beven’ en dit in tegenstelling met ‘ogendienst, als mensenbehagers’.

Naar de mens gesproken stond Paulus voor een hopeloze opdracht. Alleen het standvastig geloof aan zijn roeping deed hem zijn natuurlijke reacties van opkomende frustraties vergeten. Wanneer hij tijdens zijn spreken bezig was met ‘de dingen die boven zijn’, straalde ‘het schijnsel van het evangelie van de heerlijkheid van Christus’ uit hem. Meeslepende woorden en vlotte spreektechniek waren onvoldoende om bij zijn toehoorders nieuw leven te verwekken. Hun geest werd aangeraakt, doordat zij geconfronteerd werden met de eeuwige gedachten van de Schepper die hen met kracht overtuigde van de waarheid en de betekenis van het kruis. Paulus kwam niet tot hen met middelen en indrukken die de snelle redenaars op Tv gebruiken om hun gehoor te boeien, maar hij sprak onder de zalving en de kracht van Gods Geest. Hij deed dit zo eenvoudig en duidelijk, dat het geloof bij zijn toehoorders werd opgewekt en zich richtte op de onzienlijke wereld.

In Athene had de apostel tegenover de geleerden van zijn tijd gestaan, maar zijn dispuut had slechts weinigen overtuigd. Een gemeente was daar niet van de grond gekomen. Dit was misschien ook nog een reden geweest om in Corinthe op een andere manier te beginnen en hij zag daar dat zijn boodschap werd bevestigd door tekens en wonderen. In 2 Corinthiërs 12:12 schrijft hij: ‘De tekens van een apostel zijn bij u gedaan met alle volharding, door tekens, wonderen en krachten’.

Onder de Corinthiërs was de kracht van Gods Geest geopenbaard en daarom was hun geloof niet geworteld in een wijsheid van mensen. We lezen dat hoerenlopers, afgodendienaars, overspelers, schandjongens zelfs tot bevrijding kwamen (6:10). Dit soort mensen wordt niet verlost uit de greep van de demonen door een interessante toespraak, of door een overrompelende bewijsvoering, of door een vlotte, imponerende spreker. Hier is de kracht van Gods Geest nodig om te genezen en te heiligen, zoals de apostel schreef in 1 Thessalonicenzen 1:5: ‘Omdat onze evangelieprediking niet slechts in woorden tot u gekomen is, maar ook in kracht en in Gods Geest en in grote volheid’. Het fundament van het geloof wordt niet gebracht door wijsheid van mensen, maar door de kracht van de levende God, door de Heilige Geest die in ons woont.

De wijsheid van God

En wij spreken wijsheid onder de geestelijk volwassenen, maar een wijsheid niet van deze wereld en ook niet van de leiders van deze wereld, dié wijsheid vergaan. Wij spreken echter de wijsheid van God, als een geheimenis; een wijsheid die verborgen was en die God vóór alle eeuwen voorbestemd heeft tot onze heerlijkheid;’ 6,7.

Er is een wijsheid die hoger reikt dan die van de verstandigen in deze wereld. In Jacobus 3:13-18 wordt het verschil in eigenschappen aangetoond tussen aardse, ongeestelijke wijsheid en hemelse, geestelijke wijsheid. De apostel wist dat hij met zijn kennis van het Koninkrijk van de hemelen alleen hen kon bereiken, die kunnen en willen luisteren, die voor geestelijke zaken een ‘antenne’ hebben. Het Griekse woord ‘teleioi’ dat in onze vertaling door ‘onder de geestelijk volwassenen’ weergegeven is, betekent: ‘vol’, ‘volledig’, ‘volkomen’, ‘onberispelijk’, ‘volwassen’, ‘compleet’, dus alleszins acceptabel bij God. De Statenvertaling luidt: ‘En wij spreken wijsheid onder de volmaakten’. In Filippenzen 3:15 gebruikt de apostel dit woord in de vermaning: ‘Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, zo gezind zijn’.

Het gaat dus om een volmaakt of vergevorderd denken, dat niet meer aangetast is door de gedachtenspinsels van ‘de god van deze eeuw’, of van dit tijdperk. De niet volmaakten zijn dan de onmondigen of ongeestelijken. Zo staat er in 1 Corinthiërs 14:20: ‘Broeders, wees geen kinderen in het verstand, maar in de boosheid; wordt in het verstand volwassenen (teleioi)’. De ongeestelijke of onvolwassen mens kan de dingen van Gods Geest niet begrijpen (vers 14). Vanzelfsprekend geldt dit laatste ook voor de leiders van deze eeuw (aeon), wier macht ‘voert tot het niets’. De ‘beheersers van deze eeuw’ waren in Paulus tijd de vertegenwoordigers van de Joodse traditie en die van de Grieks Romeinse cultuur. Achter deze zichtbare oversten staat ‘de god van deze eeuw’ met ‘de wereldbeheersers van deze duisternis’, die de ‘wereldgeesten’ – dus de samenwerkende menselijke geesten – beïnvloeden. De macht van deze ‘beheersers’ berust op traditie, opvoeding, onderwijs, filosofie, wetten, economie en politiek. 

Paulus sprak over het Koninkrijk der hemelen, dat alle eeuwen door een verborgen ‘terrein’ was geweest. Jezus had de waarheden ervan ontsluierd, die ‘sinds de grondvesting van de wereld verborgen gebleven waren’ (Matth.13:35). Deze bekendmaking van de geheimen van het Koninkrijk der hemelen werd door Hem vergeleken met het ontdekken van een verborgen schat in een akker. Onze Heer bracht een leer, dus een bepaalde kennis over het Koninkrijk der hemelen. Hij sprak hierover meestal in gelijkenissen. Wie zijn uiteenzettingen leest, ontvangt dus kennis. Wijsheid is dan het vermogen om wat men weet over het Koninkrijk der hemelen, om te zetten in de praktijk door de daad.

De orthodoxe wijsheid zweert bij de traditie en kent alleen een natuurlijke schriftuitlegging; de antieke maar ook de moderne cultuur aanvaardt alle macht van het goed gepresenteerde, rationele woord. Het profetische woord is echter een lamp die in een duistere plaats schijnt om licht te geven, dus leven te schenken. Men krijgt immers inzicht in de diepste gedachten van God, die betrekking hebben op de heerlijkheid die Hij van eeuwigheid voor ons heeft toegedacht. De volwassenen of verstandigen begrijpen dat deze waarheid de volmaakte filosofie of wijsbegeerte is. ‘De verborgen wijsheid van God’ is dus het eeuwige voornemen van de Schepper, dat altijd verborgen is geweest, maar nu in Christus Jezus wordt geopenbaard.

Dit herstelplan begon bij het begin van Zijn bediening en eindigt op de troon, zoals er staat: ‘Van al het lijden, dat over Christus zou komen en van al de heerlijkheid daarna’ (1 Petr.1:11). De wijsheid van God in ons, zoekt nu dit eeuwige plan door ons heen te realiseren. Dit hangt niet af van het bedenken van de tijdelijke dingen die op de aarde zijn, maar van de dingen die boven zijn en die te maken hebben met de eeuwen van de eeuwen. De wijsheid van God vond een weg in de mens Jezus en vindt hem ook in allen die in Christus zijn, want het plan van God is voor alle eeuwen bestemd tot onze glorie.

een wijsheid die niemand van de leiders van deze wereld gekend heeft. Immers, als zij die gekend hadden, zouden zij de Heer van de heerlijkheid niet gekruisigd hebben’ 8.

Wie zijn de beheersers van deze eeuw (aeon)? Zijn zij alleen ‘de oversten van deze wereld’, zoals de Statenvertaling luidt, dus de regerende personen die onder het regime staan van ‘de overste van deze wereld’ (kosmos)? Wij geloven niet dat de apostel in de eerste plaats aan de natuurlijke regeerders denkt. Deze machthebbers worden immers telkens verwisseld en zij verdwijnen. Achter deze leiders staan echter de onzichtbare geesten: de overheden, de machten, de wereldbeheersers van deze duisternis, de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef.6:12). Dezen kenden het verborgen plan van God niet. Zij meenden dat zij de inwendige mens van Jezus door de kruisdood in het dodenrijk zouden krijgen. Daar bevindt zich immers de sterkste en machtigste gevangenbewaarder die de duivel heeft, de demon en grootvorst genaamd Dood hemzelf. Deze had nooit zijn gevangenen voorgoed laten gaan. Toen het stoffelijke lichaam van Jezus door mensen, gedreven door de geesten van geweld, was gesloopt, wisten ‘de wereldbeheersers van deze eeuw’ niet dat zijn loskomend geestelijk lichaam op dat ogenblik verbonden werd met Gods Heilige Geest. Hij zei immers bij zijn sterven: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest’.

De hand van God is een beeld van de Heilige Geest, want men wordt door zijn hand, dat is zijn Geest, geleid. Het dodenrijk wist niet dat het zijn superieur binnenhaalde, als het paard van Troje. De dood voerde de opdracht van de duivel, die het geweld van de dood heeft, uit (Hebr.2:14). Maar Jezus was niet meer van God verlaten, maar was naar de inwendige mens levend gemaakt naar de geest (1 Petr.3:18). De cipiers van de gevangenis, de doodsmachten, waren niet in staat Hem een plaats aan te wijzen in de Hades, zelfs niet in ‘de schoot van Abraham’. Onze Heer bracht het dodenrijk in opschudding en daar werd zijn overwinningsboodschap door de geestenwereld beluisterd. Dood zelf verloor zijn superioriteit en moest zijn sleutels afstaan aan de Sterkere. Niemand van de volgelingen van Jezus zou dan ook de dood zien of proeven (Joh.8:51,52).

Door zijn glorierijke opstanding bewerkte onze Heer dat allen die in Hem zouden geloven, uit de dood verrijzen zouden tot een nieuw leven, waarover de dood geen heerschappij meer zou voeren. Duidelijk schrijft dus de apostel, die de opstanding van de doden voor de Corinthiërs in hoofdstuk 15 uitvoerig bespreekt, dat de duivel zich had verrekend. Hij kende de diepste reddingsgedachten van God niet, want deze worden alleen bekend door de Geest van God (vers 11). De oversten in de zichtbare wereld kenden het reddingsplan ook niet. Het herstel van de hele schepping beweegt zich langs zo’n wonderlijke weg, dat zelfs de verstandigste mens, ook al was hij niet gebonden of gedemoniseerd, iedere voorstelling ervan miste. Denk bijvoorbeeld aan de oprechte Farizeeër Nicodémus. Zo’n ‘gemaakt bestek’ kan alleen door de hemelse bouwmeester ontworpen zijn.

De wereldse machten worden geïnspireerd door ‘de god van deze eeuw’. Hun motivaties of beweegredenen staan in dienst van ‘de overste van deze wereld’. Als de leiders enige notie van ‘de verborgen wijsheid van God’ gehad hadden, zouden ze de mens Jezus, die de afstraling en de afdruk was van de hemelse Vader, niet gekruisigd hebben. Dan hadden zij zijn goddelijke eigenschappen opgemerkt, ook toen Hij voor het sanhedrin en voor Pilatus en Herodes stond. Dan zouden ze erkend hebben dat Hij het geestelijke hoofd van de komende wereldregering is en dat zijn Koninkrijk niet van deze aarde en van de zichtbare wereld was. Dan zouden ze op het laatste ogenblik ‘verstaan hebben, wat tot hun vrede diende’ (Luc.19:42). De oversten van het volk van de Joden werden geleid door religieuze, ‘vrome’ geesten, die hun geestelijke ogen hadden verblind. Dezen waren de machten die hen inspireerden om de Schriften letterlijk uit te leggen en die het volle accent legden op het zichtbare en tijdelijke en niet op de geestelijke wereld.

De uitspraak van Paulus is wel radicaal, als hij schrijft: ‘Niemand van de heersers’, hetzij die in de geestelijke regionen hetzij die op de aarde, hebben enige kennis van het plan van God. Daarom kon ook door de apostelen met eenparige stem gezegd worden: ‘Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die U gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israël’ (Hand.4:27). De ‘Heer van de heerlijkheid’ is Hij, die nu zit aan de rechterhand van God, die met eer en heerlijkheid is gekroond. Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van de hele schepping, want van eeuwigheid heeft de hemelse Vader zo de ware mens van God voor Zich gehad. Hij heeft Hem dan ook ‘de naam geschonken boven alle naam, zodat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde zijn’ (Filip.2:9,10). Ook de beheersers van deze eeuw zullen zien en erkennen, net als bij de opstanding de geesten die nu in de gevangenis zijn, dus onder de aarde, dat Jezus de wijsheid van God is en dat alles geschapen is door Hem als de Christus in Gods eeuwige plan en tot Hem.

Maar het is zoals geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, alles wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. Aan ons echter heeft God het geopenbaard door Zijn Geest. De Geest immers onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God’ 9,10.

De apostel deelt nu mee dat, al heeft niemand van de beheersers van deze eeuw het geheimenis van God begrepen, er toch een bepaald soort mensen bestaat, voor wie deze regel niet opgaat. Dezen mogen zich wél dag aan dag verdiepen in de wijsheid van God, die het natuurlijke oog en oor niet zien of horen kunnen. Paulus citeert nu zeer vrij een Schriftgedeelte uit het Oude Testament om aan te tonen, dat onze God bijzonder goed is voor allen die Hem liefhebben. De heidenen hebben immers goden aan wie ze moeten offeren of geschenken moeten aanbieden om ze gunstig te stemmen. Denk ook maar eens aan de kinderoffers voor Moloch en het zichzelf verwonden van de Baäl priesters bij het altaar op de Karmel. In de aanhaling uit de profetieën staat:

  • ‘Ja, van oudsher heeft men het niet gehoord noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht. U komt hem tegemoet, die met vreugde gerechtigheid doet, hun die op uw wegen aan U denken’ (Jes.64:4,5).

Onze God helpt degenen die op Hem hopen en bereidt vreugde voor allen, die gerechtigheid doen en op zijn wegen wandelen. Tot een ongehoorzaam volk sprak Mozes echter: ‘Maar de Heer heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op de huidige dag’ (Deut.29:4). Heel de prediking van Paulus was erop gericht om ‘het evangelie van de heerlijkheid van Christus’ bekend te maken, zodat de mens van God die tot alle goede werken in staat is, tevoorschijn zou komen (2 Tim.3:16).

Ook hier maakt de apostel duidelijk, dat wij het moeten hebben van het woord of van de leer van Jezus Christus. Zijn onderwijzingen over het Koninkrijk der hemelen kunnen nooit door de mens zelf ontdekt worden, zoals bijvoorbeeld de geheimenissen van de natuur in onze tijd ontsluierd worden door de uitvinders en wetenschappers van onze tijd. De heerlijkste toezeggingen zijn door God ‘bereid’ of ‘beschikt’ aan de gemeente van Jezus Christus, want zij wordt gevormd door allen die Hem van harte liefhebben en dienen. Zij is verheven boven alle machthebbers op aarde of in de hemel, vanwege haar bijzondere positie en voorrechten. Zij is ook de mede-uitvoerster van het herstelplan en zij werkt met de krachten van de toekomende eeuw. Zij zal daarom als de witte wolk met de Mensenzoon opstijgen boven alles wat hoog is in de hele kosmos, om met God te regeren over alle werken van zijn handen.

Wanneer de apostel schrijft: ‘Want ons heeft God het geopenbaard’, spreekt hieruit de blijdschap van de uitverkoren christen, die getuigt: ‘Mag ik ervoor bewaard blijven te roemen anders dan in het kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is en ik van de wereld’ (Gal.6:14). Het woordje ‘ons’ wijst hier beslist niet op hoogmoed noch op apostolisch exclusivisme (uitsluiting van anderen), maar de rijkdom van genade geldt allen die het eeuwig evangelie hebben aanvaard. Zij betreft de ‘geestelijke’ of ‘volmaakte’ mens, die niet ‘vleselijk’ of ‘onmondig’ is (vergelijk 3:1). De ware christen mag toch zeggen: ‘Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe (vernieuwde) is gekomen’ (2 Cor.5:17). In hem woont de Geest van God, dus die van de Schepper van hemel en aarde. Deze woont niet bij, of in de beheersers van deze eeuw en daarom zullen deze verderfelijke, inspirerende demonen allen ‘weldra onder zijn voeten vertrapt worden’ (Rom.16:20). Gods Geest kent Gods diepste gedachten, dat is zijn eeuwig voornemen met de mens en de schepping en Hij openbaart ze ons. Eenmaal zei de Heer tot zijn leerling:

  • ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want vlees en bloed hebben je dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is’ (Matth.16:17).

Wanneer wij Gods Heilige Geest hebben ontvangen, zal deze ons allereerst leiden bij het ontdekken van de waarheden en de rijkdommen van het Koninkrijk der hemelen. Het gaat er om een denkwereld te bezitten die de Heer had en die voor de kerkelijke leiders en voor het sanhedrin verborgen bleef. De Geest is immers voortdurend actief bezig met het doorvorsen of doorzoeken van de gedachten van God zoals Jezus deze kende. Het gaat nu niet allereerst om bijzondere tekens of wonderen, want deze volgen wel, maar om het verzamelen van kennis en wijsheid, om het bedenken van de dingen die boven zijn. Gods Geest doorzoekt alle dingen. Deze heeft dus ook kennis van de dingen die op de aarde zijn en van de gedragingen van Satans demonen. Vandaar dat Hij ons door zijn grote wijsheid zo feilloos kan leiden op de levensweg. De opnieuw geboren christen is bezig met de diepste gedachten van God in verband met de redding en de verlossing van de mensen en hij leert daarbij ook de rijkdommen van het wezen van God kennen, zoals barmhartigheid, goedheid en liefde.

Want wie van de mensen kent de dingen van de mens dan de geest van de mens, die in hem is? Zo kent ook niemand de dingen van God dan de Geest van God. En wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, zodat wij de dingen zouden weten die ons door God genadig geschonken zijn’ 11,12.

Wanneer de apostel zijn voorgaande uiteenzettingen over de kennis van de verborgen wijsheid van God, die de ware christen bezit, door een illustratie wil verduidelijken, neemt hij de mens zelf als voorbeeld. Er is een uitwendige mens, die in de zichtbare wereld leeft en zijn plaats in gemeente, gezin, staat en maatschappij inneemt. Deze wordt beoordeeld naar zijn woorden en gedragingen. Er is echter ook een innerlijke mens, die voor het natuurlijke oog verborgen is. Deze heeft verlangens, motieven, gedachten, ambities, gevoelens van haat en liefde en herinneringen, die hem bezighouden en waarvan de buitenstaander niets weet of nooit zeker kan zijn. Deze ziet immers alleen aan wat voor ogen is en houdt daar alleen rekening mee. Zo kan men bijvoorbeeld bij de godsdienstige mens opmerken, dat deze stipt talrijke voorschriften en geboden onderhoudt en dat hij kennis heeft van de Bijbel. Maar wie kan beoordelen of zijn innerlijk wezen de verborgen omgang met God heeft? Wat Paulus zelf betrof, getuigde hij dat zijn uiterlijke mens in de godsdienstige wereld afgetakeld en vervallen was, maar dat zijn innerlijke mens van dag tot dag werd vernieuwd (2 Cor.4:16).

Mag een buitenstaander nu iemand oordelen naar wat hij vermoedt dat in diens inwendige mens aanwezig is? Dit is onmogelijk en ongeoorloofd. Men mag bijvoorbeeld een broer of zuster niet beoordelen of veroordelen naar het mensenhart, naar wat men vermoedt dat hij of zij denkt of begeert. Alleen de geest van de mens zelf is in staat de inwendige mens te oordelen. ‘Ieder kent zichzelf het best’ luidt het spreekwoord. Daarom schreef de apostel: ‘Maar ieder beproeft zichzelf’ en ‘onderzoekt uzelf (1 Cor.11:28 en 2 Cor.13:5). Wanneer iemand zichzelf beoordeelt, maakt hij scheiding tussen goed en kwaad in de inwendige mens en dan komt hij niet in het oordeel (1 Cor.11:31). Ook God kan door de natuurlijke mens herkend worden, want ‘zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, worden sinds de schepping van de wereld uit zijn werken met het (natuurlijke) verstand doorzien’ (Rom.1:20).

Maar zijn eeuwige gedachten en zijn reddingsplan kunnen niet in de kosmos worden ontdekt of opgemerkt. Alleen Gods Heilige Geest kent het innerlijke wezen van God, zoals de geest van de mens diens innerlijk kent. Gods Geest hoort bij God zoals een hand bij het lichaam. God is daarmee in staat de menselijke geest vast te grijpen en Zich met deze te verenigen. Dan wordt de mens gedoopt met Gods Geest. Deze Geest wekt in de gelovige gedachten op en schenkt hem inzichten in het woord van God, die voor de geest van de natuurlijke mens verborgen blijven.

Paulus spreekt hier van drie verschillende geesten: de geest van de mensen, de Geest van God en de geest van de wereld. De laatste wordt ook genoemd ‘de god van deze eeuw’ of in ons spraakgebruik ‘de geest van de tijd’. Deze staat vijandig tegenover Gods Geest. Hij houdt de mens bezig met uiterlijkheden, zelfs op religieus terrein en hij leert de mens om zich in de natuurlijke wereld te handhaven. De geest kan wel de natuurlijke kracht opwekken en verhogen, maar houdt geen rekening met de krachten in de onzienlijke wereld van het Koninkrijk der hemelen. De geestelijke mens leeft echter niet vanuit het natuurlijke denken, dat beïnvloed wordt door ‘de god van deze eeuw’, maar hij wordt geleid en geïnspireerd door Gods Heilige Geest. Deze openbaart hem de geheimenissen van God. Hij mag dan de verborgen wijsheid van God kennen in verband met het herstel van de schepping en van de mens, die medewerker van God mag zijn om alles te voltooien.

Deze Geest openbaart de toekomende dingen, de voleinding waarnaar de geestelijke mens toeleeft. Paulus aarzelt geen ogenblik om de scherpe antithese of tegenstelling te noemen tussen de geestelijke en de natuurlijke mens: wij, die het ware evangelie aanvaard hebben, zijn gedoopt met de Geest van God. Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen maar Gods Heilige Geest. Daarom mogen wij blij zijn met onze gerechtigheid, in onze hemelse roeping, in onze toekomst, in het eeuwige en onvergankelijke leven, in onze hemelse erfenis en in onze verheerlijking.

Van die dingen spreken wij ook, niet met woorden die de menselijke wijsheid ons leert, maar met woorden die de Heilige Geest ons leert, om geestelijke dingen met geestelijke dingen te vergelijken’ 13.

Herhaaldelijk getuigt de apostel dat hij zijn boodschap niet zelf heeft bedacht. Zij is zuiver geestelijk, omdat de ons geschonken genade van God zich allereerst op het herstel en de ontwikkeling van de innerlijke mens richt. Natuurlijke overleggingen zijn hierbij van geen enkel belang, maar eerder een belemmering om in deze genade te staan. Wij moeten de Geest van God bezitten en deze wijst ons de weg tot de volle waarheid. In 1 Petrus 4:11 staat: ‘Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God’, dat is alsof hij de gedachten van God rechtstreeks overbrengt. De inspiratie van Gods Geest gaat niet mechanisch of automatisch, maar organisch, dus gebruik makende van het aanwezige, door studie verkregen vergelijkingsmateriaal. Er zijn dan voorstellingen in de geest voorhanden waarmee Gods Geest nieuwe gedachten kan vormen. ‘De Geest leert’, onderwijst en brengt in herinnering wat in de Schrift staat, maar ook de gedachten en werken van onze Heer, die niet opgetekend werden (Joh.21:25).

Jezus zei dat Gods Geest het uit het Zijne zou nemen en het ons vertellen. Daarom laten wij ons beslist niet leiden door opwellingen en plotselinge inspiraties, die niet Bijbels gefundeerd zijn en waarbij dan gezegd wordt: ‘De Heer openbaart mij’, maar wij toetsen alles aan het Woord van God. Onze maatstaf is geestelijk, dit wil zeggen dat wij niet meten met wat mensen ons hebben geleerd, maar wat God ons geopenbaard heeft. Wij vergelijken de dingen die wij hebben ontvangen met wat Hijzelf heeft gesproken en hoe Hij het wil hebben. Dit kunnen wij alleen door Gods Geest. Men kan bijvoorbeeld nooit natuurlijke wijsheid en hemelse wijsheid verbinden, want deze bestrijken twee verschillende terreinen. De Statenvertaling luidt, dat wij geestelijke dingen met geestelijke samenvoegen. Men kan bijvoorbeeld niet met een kind dat door de satan wordt aangevallen en gebruikt, bidden en de machten verdrijven en het tegelijkertijd een pak slaag geven. Wij zullen merken dat de wijsheid van God, het verdrijven van boze geesten, op den duur effectiever voor de opbouw van het kind werkt dan de wijsheid van de natuurlijke mens: ‘geef het maar een goed pak rammel’

Wij vergelijken dan onze geestelijke wijsheid met wat de Heer sprak en deed, want Hij is onze maatstaf, het gouden meetsnoer. Het is ook goed mogelijk te vertalen: ‘Wij leggen geestelijke zaken uit aan geestelijke mensen’ (Conybeare Bible). Dit sluit beter aan bij de tegenstelling in het volgende vers, dat een ongeestelijk mens niet aanneemt wat van de Geest van God komt. De apostel is bezig duidelijk uit te leggen dat zijn boodschap niet door de verstandigen van deze wereld wordt aanvaard. Zelfs in de gemeente moet hij er rekening mee houden dat men hem niet begrijpt, of zich zelfs tegen hem verzet, omdat men niet geestelijk kan denken maar alleen vleselijk (3:1). Paulus kan zijn woorden alleen kwijt aan hen die ook weten wat God geopenbaard heeft van de onzienlijke wereld.

Maar de natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is’ 14.

De natuurlijke of ongeestelijke mens redeneert vanuit de zichtbare wereld, vanuit wat hij hoort en ziet en met zijn ‘gezond’ verstand kan beredeneren. De geestelijke mens denkt echter vanuit zijn geloof in het Woord van God en vanuit wat de Geest in hem heeft geopenbaard. Er waren in de tijd van Paulus ook in de gemeente veel ongeestelijke mensen en zo is dit nog steeds in het christendom van vandaag. Daarom kan men bijvoorbeeld de geestelijke betekenissen van de gelijkenissen van Jezus over het Koninkrijk der hemelen niet verstaan. Men probeert ze letterlijk in de natuurlijke wereld uit te leggen en men leert openlijk dat men de Bijbel niet vergeestelijken mag. Daarom begrijpt men ook de Openbaring van Johannes niet, want in de uitlegging ervan past men dezelfde slogan toe.

Zo is bijvoorbeeld de terugkomst van de Heer geheel in de natuurlijke wereld getrokken. Jezus verschijnt dan op een natuurlijke wolk en de gelovigen gaan in stoffelijke zin tot een bepaalde hoogte Hem in de ‘lucht’ tegemoet, terwijl ze toch dan al een geestelijk lichaam hebben. In zo’n gedachtewereld is de hemel geen geestelijke woning, maar zij wordt als een verlengstuk van aardse recreatieoorden geschilderd. Ook de aardse Israël-leer berust op een ongeestelijke benadering van de Schrift. Niet een geestelijke besnijdenis, ‘zonder handen’, maar een letterlijke in de natuurlijke wereld is in deze dwaling belangrijk. Wanneer wij in deze tijd het evangelie van het Koninkrijk der hemelen prediken, merken wij een felle tegenstand in de geestelijke wereld. Daarom worden de kloven die de geestelijke mensen scheiden van de natuurlijke, steeds dieper. Men wijkt uit elkaar als de benen van de letter V: oorspronkelijk had men nog wel een gemeenschappelijk fundament, maar de denkwerelden gaan zover uit elkaar als de aarde verwijderd is van de hemel.

Paulus merkt op dat de natuurlijke mens niet in staat is iets van de geestelijke zaken te begrijpen. Hij mist daartoe het orgaan. Voor hem is de onzienlijke wereld zo ongelooflijk dwaas, dat hij het niet kan vatten. Uit ervaring wist Paulus wat dit betekende. Als ‘Bijbelgetrouwe’ Jood had hij de christenen vervolgd, die de natuurlijke visie van het ‘uitverkoren’ volk niet deelden. Had Stéfanus niet de smadelijke uitspraak gedaan, dat de Allerhoogste niet in de tempel te Jeruzalem die met handen gemaakt was, woonde, dus dat een aards huis in het eeuwige verbond geen enkele betekenis had? Op de weg naar Damascus had de Heer aan Paulus zelf echter de sleutels van het Koninkrijk der hemelen overhandigd. Toen werd de onzienlijke wereld voor hem geopend en zag hij Jezus.

De ongeestelijke mens is letterlijk vertaald de ‘zielse’ mens, die geen ‘geest’ heeft, waardoor hij zich boven het aardse niveau verheffen kan. In de brief van Judas is sprake van natuurlijke of ‘zinnelijke mensen die geen geest hebben’ (Jud.19 Luth. vert.). Zo spreekt ook de profeet over mensen zonder ‘voldoende geest’ (Mal. 2:15). De ongeestelijke mens mist het onderscheidingsvermogen om iets in de onzienlijke wereld te beoordelen, want hij is geestelijk onontwikkeld.

De geestelijke mens beoordeelt wel alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. Want wie heeft de gedachten van de Heer gekend, dat hij Hem zal onderrichten? Maar wij hebben de gedachten van Christus’ 15,16.

De geestelijke mens onderscheidt alle dingen in de onzienlijke wereld. Hij ziet of iets uit God is of niet. Hij beoordeelt alle dingen naar hun geestelijke waarden. De Heilige Geest in hem ‘overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel’, dus schenkt hem de wijsheid om de geesten te onderkennen, zodat hij oordelen kan tussen kwaad en goed, tussen ‘zonde en gerechtigheid’. Deze onderscheiding van de geesten is noodzakelijk om het doel van het geloof: de onberispelijkheid naar ziel, geest en lichaam, te bereiken. De geestelijke mens is in staat alles te toetsen en het goede te behouden (1 Thess.5:21).

Zelf had Paulus in Corinthe tal van problemen kunnen oplossen vanuit deze zuivere kijk op de geestenwereld. Daarom kon hij ook oordelen over natuurlijke zaken: over ruzies, huwelijksverhoudingen, rechtszaken, slavernij, collecten, verdrukkingen en vervolgingen. Zo komen ook in onze tijd tal van vraagstukken aan de orde, waarop men in de Bijbel geen rechtstreeks antwoord kan vinden. In de moeilijke dingen zullen wij ook ‘helder inzicht’ moeten hebben, ‘om te onderscheiden, waarop het aankomt’ (Filip.1:10). Dan gaat het er niet om wat mensen verkeerd of goed noemen, maar wat de Geest, die de wetten van God in onze harten schrijft en die de woorden van onze Heer in herinnering brengt, aanvaardt of afwijst. Wie door de Geest van God geïnspireerd en geleid wordt en dan tot een oordeel komt, zal dikwijls geheel anders handelen of reageren dan de natuurlijke mens die geen rekening houdt met de geestenwereld.

Zo gelooft de ware christen niet in hopeloze situaties, maar stelt zich altijd in de onzienlijke wereld de Heer voor ogen, zodat zijn ziel niet zal wankelen. Door zijn positieve instelling ‘gelooft hij alles, hoopt alles en verdraagt alles’ (13:7). Wie hem bezig ziet, houdt hem misschien voor een dwaas, een wereldvreemde en erkent dat hij hem niet volgen kan. Hij is zo innig verbonden met de inwonende Geest, dat hij daardoor van een geheel ‘andere geest’ is als de natuurlijke mens of de vleselijke christen. Hij denkt anders, spreekt anders, heeft andere ideeën verwacht en verlangt andere dingen, leeft in een andere wereld en is bezig met de toekomende. Om het geheel andersoortige van de geestelijke mens aan te duiden, citeert Paulus hier Jesaja 40:13 (Septuagint). Daar staat:

  • ‘Wie heeft de zin, het verstand, de gedachten of overleggingen van de Heer gekend? En wie is zijn raadsman geweest om Hem te onderwijzen?’
  • De profeet stelt deze oratorische vraag, wanneer hij de grootheid en de wijsheid van de Schepper van alle dingen noemt. Zo sprak de Heer eenmaal tot Job over zijn almacht: ‘Wie is het toch, die het raadsbesluit verduistert met woorden zonder verstand?’ (Job 38:1).

Geen mens is ooit in staat het plan van God te doorzien en zijn innerlijke overleggingen te beoordelen of Hem aanwijzingen te geven of te verbeteren. Wanneer hij dit dan toch wil doen, maakt hij het plan van God verward en Zijn licht tot duisternis.

Wat hier van God gezegd wordt, geldt bij de apostel ook van Christus, die het vleesgeworden Woord van God is (verwekt door Gods Logos en Geest, Ps.2:7; Matth.1:20; Luc.1:35; Joh.1:1), maar ook van allen die geleid worden door Gods Heilige Geest. Wie door de Geest geleid wordt, kan niet afgaan op adviezen en goed bedoelde raadgevingen van mensen die vanuit hun natuurlijk denken spreken. Met blijdschap constateert Paulus dat zijn denken overeenkomt met dat van Christus. Het voegwoord ‘maar’ in de laatste zin drukt hier geen tegenstelling uit met het voorgaande, maar een nadere verklaring. De Canisiusvertaling heeft dan ook: ‘Welnu, wij hebben het inzicht van Christus’. Hier is geen sprake van geestelijke hoogmoed, maar van een scherpe kijk op de verhouding tussen God en de rechtvaardige mens, immers: ‘Allen die door de Geest van God geleid worden, zijn zonen van God’ en komen dus in hun denken, spreken en handelen overeen met de eniggeboren Zoon van God, Jezus Christus.