52. Allen leden van één lichaam

<<<<<

1 Corinthe 12:12-13

Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft en al de leden van dit ene lichaam, hoewel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Christus. Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt’ 12,13.

Het is erg belangrijk, deze verzen die Paulus hier neerschrijft, in de context of samenhang te zien. De apostel begint hier met het voegwoord ‘want’, net als hij dit deed in vers 8, waar hij de gaven van Gods Geest verbond aan de opbouw van de gemeente in haar geheel. Hier heeft ‘want’ betrekking op ‘één en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil’ in vers 11. Wij mogen deze teksten dus niet verklaren buiten het verband met de charismatische gaven. Wij zijn allen ‘door’ of zoals de Canisiusvertaling luidt ‘in’ één Geest gedoopt, die wijsheid, kennis, geloof, genezingen, krachten, profetieën, onderscheiding van geesten, allerlei talen en vertaling ervan uitdeelt in dienst van het lichaam van Christus.

Wie de doop met Gods Geest accepteert, aanvaardt tegelijkertijd de gaven en uitingen die Zijn Geest uitdeelt. Wie uit deze tekst concludeert dat ieder kind van God gedoopt is ‘met’ of ‘in’ Gods Geest en tegelijkertijd de uitingen van deze Geest, zoals Paulus ze hier noemt, verloochent en absoluut niet belangrijk vindt, kan onmogelijk een juiste verklaring van deze verzen geven. Hij koppelt dan zijn misleide gedachtewereld aan de woorden van de apostel, maar verder weigert hij de consequenties daarvan. Door zo’n vooropgestelde mening verwerpt hij dan de duidelijke bedoeling van de schrijver, om er alleen datgene uit te halen wat ongeestelijke leiders leren en in hun kraam te pas komt.

De apostel gaat nu over tot een voortgezette beeldspraak, die hij ontleent aan het functioneren van het menselijke lichaam. Dit bestaat uit een aantal leden die niet een afzonderlijk bestaan kunnen leiden, maar die alleen met elkaar een levenseenheid vormen. Alles wat in dit lichaam werkt, houdt nauw verband met het welzijn van het geheel. De leden vormen daarom niet een lichaam, want dit zou erop wijzen dat ze ook afzonderlijk zouden kunnen bestaan, maar ze zijn één lichaam, zoals er ook letterlijk staat (zie de Statenvertaling).

De vergelijking is nu: zoals het menselijke lichaam één is en verschillende leden heeft, zo ook Christus. Er staat niet: zo ook de gemeente, maar Christus. Hier wordt Christus niet voorgesteld als hoofd van het lichaam, namelijk van de gemeente zoals in Efeziërs 1:22 en Colossenzen 1:18 staat, maar hier bevindt Hij Zich op de plaats van zijn volk en deelt dit zijn naam mee. Soortgelijke verwisseling zien wij ook bij het woord Israë, dat een persoonsnaam aanduidt, maar ook een heel volk vertegenwoordigt dat uit de aartsvader Jakob (of Israël) is voortgekomen. Er staat letterlijk: ‘zo ook de Christus, de gezalfde’, waardoor de persoonsnaam in een groepsnaam overgaat (zie vert. Brouwer). Dezelfde gedachten vinden wij ook in Openbaring 11:15, waar sprake is van ‘onze Heer en zijn gezalfde’. Een tekst die aangeeft dat het hier gaat over een gemeente, die uit gezalfden met Gods Geest bestaat.

Alle leden van het lichaam worden in stand gehouden en functioneren door een en dezelfde levensgeest. Zo is Gods Geest de levensgeest of ‘de Geest van het leven’ van het lichaam van Christus (Rom.8:2). Hoewel het menselijke lichaam buitengewoon veelvormig is en opgebouwd is uit veel leden, heeft het slechts één geest. Door diens kracht en wijsheid wordt ieder orgaan, cel, weefsel of lid, gevormd en onderhouden, zoals de nagel van de vinger of van de teen, de papil aan de bovenkant van de tong, de haren in de huid, of wat voor onderdeel ook. De geest geeft aan ieder lid en aan ieder orgaan de specifieke vorm, kleur, eigenschap en bestemming die het nodig heeft. Iedere cel of weefsel is doordrenkt met de levensgeest. Alles wat met de geest verbonden is, hoort ook bij het lichaam. Wat zich buiten zijn bereik bevindt of ervan losgemaakt is, gaat dood en valt af. Het heeft dan geen deel meer aan het lichaam, want zonder geest is ook ieder onderdeel van het lichaam dood (Jac.2:26). Zo is ook het lichaam van Christus doordrenkt met Gods Geest. Uitgaande van het beeld constateert de apostel dat het lichaam van Christus dus slechts één Geest bezit. Ieder mens wiens geest met deze Geest verbonden is, is dus een levend lid van het lichaam van de Heer. Deze gemeenschap is een criterium in de hemelse gewesten.

Er waren diepe religieuze kloven tussen Joden en Grieken en onoverbrugbare sociale verschillen tussen slaven en vrijen. Er was tussen deze groepen een ‘tussenmuur van vijandschap’ (Ef.2:14). Maar in de onzienlijke wereld waarin men opnieuw geboren was, maakten deze verschillen niets meer uit. Daar ging het ook niet over het verschil tussen man en vrouw of rijk en arm en of men al of niet met natuurlijke gaven werkte, maar het mystieke lichaam van Christus was opgebouwd uit leden of cellen die alle doordrenkt waren met Gods Geest. In de natuurlijke wereld ontwikkelt de geest ieder lichaamsdeel zo, dat er een harmonisch en geordend lichaam ontstaat, toegerust met capaciteiten en mogelijkheden. Zo wordt door Gods Geest met zijn charismatische gaven de gemeente ‘als een goed sluitend geheel’ tot ontwikkeling gebracht (Ef.4:16). De openbaring van deze gaven is in de plaatselijke gemeente, die bij elkaar gehouden wordt ‘door de dienst van al zijn leden’, die harmonieus en geordend opgroeit en waarvan ieder lid afzonderlijk aan het beeld van Jezus Christus, de volmaakte drager van de geestelijke uitingen, gelijkvormig wordt.

Ook Jezus is gedoopt met Gods Geest

Wie geen ‘deel heeft gekregen aan Gods Geest’, heeft ook geen deel aan het lichaam van Christus (Hebr.6:4). Uit het beeld van het lichaam met de daarin werkende levensgeest leren wij, dat de doop met Gods Geest noodzakelijk is om bij het lichaam van Christus te horen. Als hoofd van dit lichaam werd de Heer zelf met Gods Geest gedoopt, toen na zijn waterdoop de hemelen zich openden en de Geest van God als een duif op Hem neerdaalde (Matth.3:16). Jezus ontving Gods Geest niet bij zijn bekering of nieuwe geboorte, want deze ervaringen zoals wij ze kennen, waren voor Hem niet nodig. Wanneer daarom iemand zich bekeert en gereinigd wordt van zijn schuld en uit de duisternis overgezet wordt in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon, wil dat nog niet zeggen dat hij nu ook bij het lichaam van Christus hoort, want dit vervult een bijzondere en aparte functie in het Koninkrijk van God.

Pinksteren in Babel

Ter verduidelijking voegen wij hieraan toe, dat iemand die in Gods Geest gedoopt is, ook in talen kan spreken, maar wij zullen dit niet omdraaien, door te zeggen, dat iemand die niet in talen spreekt, ook niet gedoopt kan zijn met Gods Geest als hij er om gebeden heeft. Veel charismatische naamchristenen menen dat zij bij hun bekering automatisch Gods Geest hebben ontvangen. Het is één ding wanneer aan een mens genade wordt bewezen door de vergeving van zijn zonden, maar het is een andere zaak of de Vader en de Zoon door Gods Geest woning in hem hebben gemaakt. Dit laatste is rijkdom van genade. De vraag kan ook vandaag gesteld worden:

  • ‘Hebt u de Gods Geest ontvangen toen u tot geloof kwam?’ (Hand.19:2).
  • Daarom zei Petrus: ‘Bekeer u en ieder van u laat zich (als gelovige) dopen in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden en u zult (daarna) de gave van de Gods Geest ontvangen’ (Hand.2:38).
  • Van de Samaritanen wordt gezegd, dat zij ná hun gelovig aanvaarden van Jezus en ná hun doop in water pas Gods Geest ontvingen (Hand.8:16).
  • Hetzelfde gold voor de twaalf leerlingen van Johannes de Doper in Handelingen 19:1-7.
  • In Romeinen 8:9 wordt gezegd: ‘als iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe!’

Israël zonder Jezus Christus. Volk van God?

Zo’n christen hoort dus niet bij het lichaam van Christus. Het is daarom geen wonder dat b.v. de aardse Israël aanbidders gewoonlijk spreken over ‘de bruidsgemeente’ en hiermee het begrip ‘Vrouw van het Lam’ negeren. Zij erkennen daarmee dat zij geen gemeenschap met Jezus Christus hebben, want het begrip ‘bruid’ sluit, Bijbels gezien, uit dat er al gemeenschap is geweest. Als gemeente zijn wij echter ‘geroepen tot gemeenschap met de Zoon’ (1:9). Er is dus iets dat Hem en ons verbindt, zoals een man met zijn vrouw is verbonden. Dit contact komt tot stand door Gods Geest die in ons woont en die gemeenschap heeft met onze menselijke geest, zoals er staat: ‘Die zich aan de Heer hecht, is één geest’ (6:17).

Geestelijke armoede 

De naam ‘bruidsgemeente’ drukt dus wel de geestelijke armoede uit van het huidige naamchristendom, die nog altijd wachten moet om in ontferming als vrouw te worden aangenomen!

De Geest van God

Gods Geest ontvangen wij na de bekering door ons geloof op het gebed, dus door een bewuste gerichtheid, zoals er staat: ‘Als u dan, hoewel u slecht bent, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel temeer zal uw Vader uit de hemel de Gods Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?’ (Luc.11:13). Wanneer naamchristenen zonder enig Bijbels Fundament, zich niet verlangend uitstrekken naar de doop met Gods Geest, staan zij op hetzelfde niveau als de oudtestamentische rechtvaardigen. Daarom bidt men in zogenaamde opwekkingskringen: ‘Heer, schenk ons bidders als Daniël, of profeten zoals Elia en Johannes de Doper’, terwijl men moest weten dat de minste in het Koninkrijk van de hemelen, dus die deel heeft aan de Gods Geest, groter is en geestelijk meer is ontwikkeld dan welke Godsman ook uit het oude verbond!

Opnamesprookjes

Er zijn naamchristenen die ten onrechte geloven, dat de gemeente bij de eerste opstanding vóór de grote verdrukking wordt weggenomen. Dan is volgens hen het tijdperk van de gemeente op aarde voorbij en wordt niemand meer bij het lichaam van de Heer gevoegd. Toch leert Openbaring 20:4 dat er nog een menigte is, die uit de grote verdrukking komt. Men schrijft dan:

  • ‘Deze mensen worden zalig, maar zij zullen niet bij de gemeente van Jezus Christus horen, omdat het volledige getal van de Bruidsgemeente dan al lang zal zijn bereikt en de Bruid met het Lam gehuwd zal zijn. Er is dan ook eeuwig leven zonder bij de gemeente te horen…’

Het is tragisch dat men wel aanvaardt, dat later een categorie gelovigen voorkomt, die niet tot het lichaam van Christus gerekend kan worden, terwijl men zich geen rekenschap geeft van het feit, dat juist in ons tijdperk miljoenen naamchristenen op oudtestamentische basis leven.

De troon van God

Te midden van de burgers van een land hoort (als het goed is!) het parlement een apart lichaam te zijn met een regerende functie. Zo ontvangt het lichaam van Christus een besturende taak met haar Hoofd Jezus Christus. De gemeente is bestemd om plaats te nemen in de troon van God en met Jezus te heersen over alles wat God heeft geschapen. De Heer zei tegen zijn apostel: ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik heb overwonnen en met mijn Vader op zijn troon zit’ (Op.3:21). Jezus overwon het demonenleger door het gebruik van de woorden van God en door middel van de geestelijke gaven. In het geestelijke Israël vormt het lichaam van de Heer ‘een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap’ (1 Petr.2:9).

Veel kerkgangers zingen mooie liedjes over het hemelse Jeruzalem. Zij houden zich bezig met ‘de Gods stad’, zoals Abraham dit ook deed, want deze oudtestamentische rechtvaardige ‘verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’ (Hebr.11:10). Al die liedjesbundels die samengesteld werden door eeuwenoude generaties, missen dan ook de verzen die de heerlijkheid van de tempel van God bezingen. Ook in de psalmen wordt de schoonheid vermeld van Jeruzalem, de mooi gebouwde stad van God, maar over het heiligdom binnen haar muren wordt vrijwel niet gerept, want dit was bijvoorbeeld in de tijd van David nog niet gebouwd. Het kon bij deze profeet nog geen beeld zijn voor het nieuwe tijdperk.

Jezus Christus in een aardse tempel?

Waar men geen oog heeft voor de vorming van een hemelse tempel, is het tragisch dat men de tempel van het nieuwe verbond weer op aarde situeert te midden van het natuurlijk en aards Israël en dat men dan maar weer opnieuw wacht en uitziet naar het ogenblik, dat de omstandigheden zo zijn dat aan de bouw kan worden begonnen. Maar God is de bouwer van het hemelse Jeruzalem, maar Jezus formeert de tempel. Hij is dan ook de Doper met Gods Geest. Dit is zijn speciale opdracht. Om bij de tempel te horen moet men ‘een levende steen’ zijn die zich bewust laat gebruiken: ‘Voor de bouw van een geestelijk huis, om een priesterschap van God te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die God welgevallig zijn door Jezus Christus’ (1 Petr.2:5).

In het nieuwe Jeruzalem vormt het lichaam van de Heer het stadsbestuur, tot redding en heerlijkheid van al haar inwoners. De uitdrukking van Petrus ‘laat gebruiken’ wijst er duidelijk op, dat dit de bestemming is voor iedere gelovige in het nieuwe verbond, die gerechtvaardigd is door het bloed van Jezus Christus. Wij moeten dus serieus de keuze maken om te jagen naar Gods doel. Bovendien hebben wij de opdracht om allen die op aarde zijn ingegaan in het hemelse Jeruzalem, dit ‘evangelie van de heerlijkheid van Christus’ te brengen (2 Cor.4:4). De Heer wil ons gebruiken om door middel van het woord, veel uit kerken, kringen en gemeenschappen in aanraking te brengen met deze rijkdom van genade, met deze volle waarheid. Dan mogen ook zij, gedoopt met Gods Geest, zich als levende stenen laten invoegen in de tempel van God die in het hemelse Jeruzalem is. Dan zijn ook zij door Gods Geest tot één lichaam gedoopt en met één Geest gedrenkt.

De ware hemelstad

In Openbaring 21:22,23 lezen wij van de stad van God: ‘Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het Lam. De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister en het Lam is haar licht’. Midden in deze geestelijke stad ‘van zuiver goud, als van zuiver glas’ woont God in zijn geestelijk huis. Dit wordt gevormd door de gemeente die hier ‘de heerlijkheid van God’ genoemd wordt, zoals het Lam met zijn vrijgekochten als drager van het licht, de lamp is. Als gelovigen willen wij door Gods Geest worden gevormd tot geestelijke mensen. Ook willen wij radicaal het evangelie van Jezus Christus, dat van het Koninkrijk van de hemelen, belijden. Dit stuit onder de nog nooit bekeerde kerkgangers op veel verzet, maar wij gaan door, want het opent nieuwe en heerlijke perspectieven voor allen die de mogelijkheden zien van het overwinnende Woord in de eindtijd. Dan wordt ook door middel van het gebruik van de uitingen van Gods Geest en op grond van de woorden van God, het doel bereikt:

‘Zodat de mens van God volkomen zal zijn, tot alle goede werken volkomen toegerust’ (2 Tim.3:17).

 

>>>>>