1 Corinthe 4:1-7
‘Laat ieder mens ons zó beschouwen, namelijk als dienaars van Christus en beheerders van de geheimenissen van God. En verder wordt van de beheerders verlangd dat zij betrouwbaar blijken te zijn’ 1,2.
Met ‘ons’ bedoelt de apostel zichzelf met twee andere ambtsdragers over wie de discussie ging. Apóllos, Céfas en Paulus staan in dienst van Christus, die het hoofd van de gemeente is. Zij zijn geen heren of eigenaars, maar zij ontlenen hun gezag alleen aan hun Heer. Persoonsverheerlijking is daarbij uitgesloten. Tegenwoordig hebben sommige evangelisten net als Paulus ook gemeenten gevormd, maar toch vormen deze niet hun zaak en zij mogen zich ook niet beroemen op hun succes. Het gaat hierbij net als in een gezin: wanneer de kinderen volwassen zijn, horen ze zelfstandig te worden en niet afhankelijk te blijven. De vader houdt dan rekening met de mening van zijn zoons, want dezen moesten hem opvolgen. De gemeente is dus geen bezit van de dienstknechten van Christus, maar dezen zijn er voor het huisgezin van God. De dienaars zijn allen door hun Heer aangesteld om de geheimen van God te onderzoeken en er voortdurend mee bezig te zijn om ze uit te delen. Hoe moet de gemeente daarom zulke ambtsdragers zien? Zeker niet als knechten die geroepen zijn om aan de wens en de verlangens van de leden te voldoen, maar als vertegenwoordigers van Christus, die in zijn dienst zijn en die zich niet mogen richten naar de af- of goedkeuringen van de leden.
De geheimen of verborgenheden van God zijn de ‘mysteries’ van het Koninkrijk van de hemelen. Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Omdat het u gegeven is de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen te kennen’ (Matth.13:11). Paulus schreef dat hem door openbaring de geheimen bekend waren gemaakt en toevertrouwd. Hij voegde eraan toe, dat zowel Joden als heidenen ook wisten ‘van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, waarvan ik een dienaar geworden ben’. Langs deze weg waren de gemeenteleden met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend (Ef.3:3-7 en 1:3). De onzienlijke wereld was alle eeuwen verborgen geweest, zoals er staat: Ik zal zeggen wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen gebleven is’ (Matth.13:55). Door Jezus Christus en zijn apostelen en profeten heeft nu de gemeente kennis gekregen van de hemelse gewesten in al haar facetten en ontving zij inzicht op welke manier God zijn verlossingsplan uitvoert, dus kennis van de ‘verborgen’ wijsheid van God (2:7). De apostel schrijft over ‘beheerders’ van de geheimen van God.
De vergelijking is dan: zoals een huishouder of rentmeester als slaaf belast is met het beheer van de goederen van zijn meester en het brood aan zijn mededienstknechten (ieder seizoen) moet uitdelen, zo zullen de dienaars van Christus hun kennis van het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen aan hun broers en zusters doorgeven. Ook geven zij in woord en daad de zegen van de geestelijke gaven door. Van de beheerders van deze kostbare boodschap wordt geëist dat zij betrouwbaar worden bevonden, dat zij dus de waarheid niet vervalsen. Zij moeten rechte sporen trekken bij het brengen van het woord van de waarheid (2 Tim.2:15). Daaruit blijkt dan hun trouw aan de Heer.
‘Maar het betekent zeer weinig voor mij dat ik door u beoordeeld word of door enig menselijk oordeel. Ja, ik beoordeel ook mijzelf niet. Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd. Wie mij echter beoordeelt, is de Heer’ 3,4.
Paulus was door Jezus Christus zelf geroepen en aan Hem alleen verantwoording schuldig. De Heer was zijn zender. Hij had al geschreven dat een echt geestelijk mens niet beoordeeld kan worden vanuit verstandelijke en natuurlijke inzichten (2:13-16). Paulus bewoog zich in de hemelse gewesten waar Christus is. Daar waren zijn gedachten en het betekende voor hem weinig, hoe aardsgezinde leden van de Corinthische gemeente verder over hem dachten, want zij hanteerden nog natuurlijke maatstaven. Hun gunstige of ongunstige oordeel raakte hem niet, want zijn apostolische opdracht had hij van de Heer zelf ontvangen en deze alleen was tot oordelen bevoegd. Voor het woord ‘oordeel’ staat letterlijk de vastgestelde gerechtelijke ‘dag’. Deze uitdrukking staat in verband met hoofdstuk 3:18 waar gezegd wordt dat een christen een dwaas moet zijn voor het oordeel van zijn tijd in het wereldlijke gericht.
Het oordeel van God belangrijker dan aardse tribunalen
We denken ook aan de uitspraak in 3:13 dat de ‘dag’ het zal doen blijken. De vrome en corrupte tribunalen van vandaag kunnen ons tijdelijke moeilijkheden geven, maar de apostel waarschuwt de broeders ervoor dat ‘die dag’ van de Heer hen niet als een dief zou overvallen (1 Thess.5:4). Het is dus duidelijk dat het niet van belang is, wat mensen van ons denken en zeggen, maar hoe God en Jezus over ons denken en hoe Zij ons beoordelen. Paulus wroet niet in zichzelf of hij het wel goed heeft gedaan. Natuurlijk zal de apostel zichzelf wel vaak onderzocht hebben, want dit raadt hij ieder in de gemeente aan (11:28). Uiteindelijk zal de Heer echter zijn dienaar oordelen of deze zijn opgedragen werk goed gedaan heeft.
Het geweten van de apostel beschuldigde hem echter niet en hij wist zich ‘zonder besef van kwaad’ (Hebr.10:22). Hij was zich er niet van bewust dat hij de waarheid ergens geweld had aangedaan of iets had verteld dat in strijd was met het eeuwig evangelie. De maatstaf van beoordeling lag niet bij de apostel, maar bij God. Deze kon alleen zijn absolute fiat aan de boodschapper geven. Hij alleen wist in hoeverre de apostel het woord volkomen had gebracht of waar bij de apostel nog menselijke tekortkomingen waren en hoe het nog ‘ten dele’ was. Paulus was zich echter bewust dat hij in niets tekort was geschoten en dat hij zijn apostolische roeping trouw had uitgevoerd. Hij kon getuigen: ‘Hoe ik niets nagelaten heb van wat nuttig was om u te vertellen en te leren’ (Hand.20:20).
‘Oordeel daarom niets vóór de tijd, totdat de Heer komt. Hij zal ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht brengen en de voornemens van het hart openbaar maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen’ 5.
Men moet geen scheiding maken tussen de werkers in Gods Koninkrijk of de een boven de ander stellen. Dit deden de Corinthiërs door hun verdeeldheid. Zij beoordeelden de dienaars van Gods geheimenissen voorbarig en in het wilde weg. Hun oordeel rustte slechts op uiterlijke gegevens. Voor het bepalen van het loon werkten zij met de maatstaven van ‘een aardse rechtbank’ (vers 3). In de oordeelsdag van de Heer zal echter rechtvaardig worden geoordeeld, dus niet alleen naar de uiterlijke en zichtbare dingen, maar ook naar de verborgen gedachten en drijfveren. Onze Heer zal dan alle voor ons onbekende doelen bij zijn komst blootleggen, ‘want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt’ (3:13). De Heer zelf zal dan oordelen wie eenmaal betrouwbaar en goed werkte en het loon ervoor uitkeren: ‘Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, zodat ieder betaling ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2 Cor.5:10).
Wanneer de apostel er bijvoegt dat ieder dan zijn verdiende lof ontvangen zal, wijst dit erop dat het hier gaat om de beoordeling van trouwe en waarachtige beheerders van de geheimen, zoals Paulus, Apóllos en Céfas waren, die allen betrokken waren in de ruzies van de Corinthiërs. Bij de terugkomst van de Heer Jezus zullen de diepste motieven en raadslagen van de harten van zijn dienstknechten openbaar worden bij het alles ontdekkende licht. Paulus is er zeker van dat ieder van de genoemde personen dan van God de lof zou ontvangen, die hem toekwam. Het gaat hier over een komen van de Heer voor de gelovigen, wanneer Hij aan het einde van dit tijdperk zijn volk bij Zich verzameld voor de grote slag van Armageddon.
Ieder zal dan in dit hemelse leger de plaats innemen en de rang ontvangen, die hem toekomt. Wie groot was en sterk in het Koninkrijk van de hemelen, wie standvastig was in de verdrukkingen en beproevingen, zal dan een hoge functie krijgen. Verder wordt dan ook de taak vastgesteld die men tijdens de Christusregering in het duizendjarige rijk zal vervullen en later in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde. Dan zal klinken: ‘Goed gedaan, u goede en trouwe slaaf, over weinig bent u trouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer’ (Matth.25:21).
Het is ook duidelijk dat de door Paulus later genoemde ‘bedrieglijke arbeiders’ en ‘schijnapostelen’ wel door de gemeente moesten worden beoordeeld vanwege het ‘andere evangelie’ dat zij brachten. Deze tekst houdt ook de waarschuwing in, dat men voorzichtig moet zijn bij het beoordelen en veroordelen van een medemens. Wanneer iemand in zonde verstrikt raakt, ergens aan verslaafd is, zelfmoord pleegt, zich te buiten gaat aan driftaanvallen, ondergaat in depressies en wanhoop, kan men de demonen die deze dingen veroorzaken, niet zien. Men geeft dan al gauw de mens de schuld en veroordeelt hem. Er staat echter dat Jezus gekomen was om ‘allen te genezen die door de duivel overweldigd waren’ (Hand.10:38). Bij het woord ‘overweldigen’ is er sprake geweest van verzet van de zijde van het slachtoffer. Deze was echter niet bestand tegen de aanvallen van de demonen en tegen de druk van de satan. Hij deed toen dingen die hij niet wilde en voelde zich hierdoor een ‘ellendig mens’ (Rom.7:24).
De Heer zelf zal eenmaal over de verborgen werken van de duistere geestenwereld zijn licht doen schijnen en dan wordt openbaar in hoeverre de mens met de verborgen vijanden heeft geheuld en samengewerkt, of door deze werd verslagen en onder de voet gelopen. Let er op dat elk mens een door God ingeschapen geweten heeft meegekregen bij zijn vorming en geboorte (zie verder ‘zonde tot de dood’). Het eeuwige wel of wee hangt er dus van af of de mens onvrijwillig of vrijwillig met Satans demonen is verbonden. Dan zal ook het geweten mee getuigen en zullen ‘hun gedachten elkaar onderling aanklagen of ook verontschuldigen, op de dag dat God het in de mensen verborgene oordeelt’ (Rom.2:16). Wie oordeelt is de Heer zelf en Hij kan absoluut rechtvaardig zijn, doordat Hij de geheimste zaken kent, die zich in de inwendige mens afspelen.
Wees een dienaar
‘Deze dingen nu, broeders, heb ik om u op mijzelf en Apóllos toegepast, met de bedoeling dat u van ons leert niets te bedenken boven wat er geschreven staat, zodat niemand zich ten gunste van de een boven de ander verheft. Want wie maakt onderscheid tussen u? En wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? En als u het ook ontvangen hebt, waarom roemt u alsof u het niet ontvangen had?’ 6,7.
Paulus vervolgt nu: broeders, in mijn argumentatie tegen jullie verdeeldheid heb ik mijn naam en die van Apóllos gebruikt. De namen van de schuldigen aan de verdeeldheid werden door mij maar liever verzwegen. Paulus en Apóllos hadden beiden te Corinthe gewerkt. Céfas viel erbuiten, want de gemeente was het nauwst bij Paulus en Apóllos betrokken. Vanwege het algemeen belang was het noodzakelijk dat men in Corinthe wist, dat deze twee ‘dienaars’ positief ten opzichte van elkaar waren ingesteld. Zij hadden respect voor elkaars roeping en bediening. Nu moeten de negatief ingestelde broeders maar uit deze liefdevolle verhouding hun les leren. De korte samenvatting van dit onderwijs was dan, dat zij niet zouden uitgaan boven ‘wat geschreven’ was. Gewoonlijk wordt de uitdrukking ‘wat geschreven is’, gebruikt in verband met wat in het Oude Testament is opgetekend, maar in dit verband is het beter deze woorden toe te passen op alles, wat de apostel in de voorgaande verzen had geschreven.
De conclusie is dan, dat Paulus en Apóllos geestelijke mensen waren, die de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen openbaarden en dat de Corinthiërs nog vleselijk dachten en onmondigen waren in Christus. Wanneer de vleselijk gezinde Corinthiërs zich een oordeel aanmatigden over geestelijk ingestelde dienstknechten van Christus en de een tegen de ander uitspeelden, vond deze houding haar oorsprong in zelfverheffing. Zij hadden zich ‘opgeblazen’ en zich zo boven de door God aangestelde dienstknechten geplaatst. Men verhief de een, vernederde de ander en ging zo op de rechterstoel van Jezus Christus zitten. Daarmee greep men vooruit op het eindoordeel en matigde men zich een status aan, die niemand van hen toekwam, want men wist niet hoe het oordeel eenmaal zou zijn. Deze geestelijke gesteldheid openbaarde zich niet alleen ten opzichte van hun leraars, maar ook ten opzichte van elkaar.
Paulus stelt de vraag, wie hun eigenlijk deze bevoegdheid had verleend. Wie had hun enige voorrang gegeven boven anderen? Zij waren misschien wel rijk aan allerlei woorden en kennis, maar die waren hun geschonken en zeker niet gegeven om leraars tegen elkaar uit te spelen. In plaats van zichzelf te verheffen en zich hoogmoedig op te blazen en anderen te veroordelen, moesten zij zichzelf ook als dienstknechten gedragen, want wat ze hadden, hadden ze ook maar ontvangen en wel om anderen ermee te dienen!
In de retorische vraag: ‘En als u het ook ontvangen hebt, waarom roemt u alsof u het niet ontvangen had?’, heeft het werkwoord ‘ontvangen’ de klemtoon. Ze hadden niets uit zichzelf dan alleen ménselijke wijsheid. Paulus en Apóllos echter hadden goddelijke wijsheid en geestelijke inzichten gebracht. Zij mochten daarom God danken voor het ontvangen van zoveel genadegaven, maar ze moesten niet denken dat ze nu de volwassenheid al bezaten. Uit hun ruzies bleek nog weinig van hun koningschap in de geestelijke wereld. Zij hadden een oordeel geveld over Paulus en Apóllos en zich daarmee boven deze mannen van God verheven. Hun aardse hoogmoed was de wortel van het kwaad.


