6. Christus, het enige fundament

1 Corinthe 3:10-23

Overeenkomstig de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt daarop. Ieder dient er echter op toe te zien hoe hij daarop bouwt 10.

De apostel gaat nu het beeld van de gemeente als Gods bouwwerk nader uitleggen. De hemelse opdrachtgever heeft veel werknemers in dienst. Paulus erkent dat Petrus en Apóllos en anderen ook door God Zijn aangesteld en met gaven gezegend. Ieder van hen krijgt in verband met zijn taak bijzondere genade en gaven, die nodig zijn om goed te kunnen werken. Overeenkomstig de uitverkiezende genade van God viel het aan Paulus ten deel om de Corinthische gemeente te stichten en in deze havenplaats pionierswerk te verrichten, dus om in het beeld van het bouwwerk te blijven: het fundament te leggen. Na eerst erkend te hebben dat hij van God hiertoe bijzondere vaardigheden ontvangen had, volgt dan de opmerking dat hij een bijzonder goed en wijs meesterbouwer of letterlijk ‘architect’ was geweest.

Paulus lijdt allerminst aan bedrieglijke nederigheid, wanneer zijn roeping in het geding is. Hij ondertekent zijn brieven niet met ‘een geringe dienaar van Jezus Christus’, maar begint ze met het epitheton ornans, of de vererende bijnaam ‘een geroepen apostel’. Hij weet dat God bekwame vaklui uitzoekt, dat Hij geen beunhazen aanstelt, maar de juiste man op de juiste plaats heeft gezet. Paulus kende het ‘gemaakte bestek’ van zijn Opdrachtgever en hij had in een visioen de uiteindelijke bestemming van het tempelcomplex gezien, toen hij opgetrokken was tot in de derde hemel.

Onder de gemeente van Corinthe lag een stevig fundament. Paulus was de grondlegger van het gebouw en met deze omschrijving stelt hij zich apart ten opzichte van allen, die later in de gemeente hun diensten hadden verricht. Dezen waren moreel verplicht rekening te houden met de leringen die Paulus had verkondigd. Zij moesten zich naar hem richten en hij zich niet naar hen. Ieder moest toezien dat het fundament dat door Paulus was gelegd, niet door verkeerde leringen zou worden aangetast, want de apostel was een zeer vakbekwaam bouwmeester.

Het fundament kan vergeleken worden met melk en de opbouw met vaste voedsel dat de anderen mochten uitreiken. Zij bouwden de tempel op het fundament dat door Zijn constructie en grondlijnen de verhoudingen van de bovenbouw bepaalde. De afwerking was dus aan de zorg van zijn opvolgers toevertrouwd. Paulus waarschuwde ervoor dat men op het goede fundament niet met slecht materiaal zou werken. De grootste omzichtigheid moest in acht genomen worden. Men moest ervoor waken geen valse stelsels op de vaste grondslag te verkondigen, want de apostel wist uit ervaring dat men zich dan kan stoten aan de uiterste hoeksteen, Jezus Christus.

Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus 11.

Toen de gemeente te Jeruzalem, mede door toedoen van Paulus, een zware vervolging onderging, vluchtte Filippus naar de stad Samaria en ‘predikte hun de Christus’. Hij legde dus uit wat de Heer voor een ziek, zondig en gebonden mens betekent. De evangelieverkondiging van Filippus ging gepaard met opvallende bevrijdingen en met het uitdrijven van boze geesten. Deze fundamentele boodschap zal door alle ware dienstknechten van God doorgegeven moeten worden. Een ander basisonderwijs bestaat er niet en kan niemand geven. De gemeente wordt gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Dezen zijn de grondleggers van de leer, terwijl Jezus zelf de hoeksteen is (Ef.2:20).

Bij primitieve bouwwerken werden dikwijls de afmetingen vastgelegd door eerst de zware, gehakte natuurstenen hoekblokken te plaatsen; daartussen werd dan, van minder kostbaar materiaal, het eigenlijke muurwerk aangebracht. Op zo’n hoeksteen drukte dan de verbinding tussen twee muren. Een mooi beeld van de betekenis die de Heer in het hemelse tempelwerk inneemt. Niet Petrus is het fundament waarop de gemeente is gebouwd, maar de leer die Jezus aanvankelijk verkondigde en die later door de apostelen op betrouwbare wijze werd doorgegeven.

In Hebreeën 6:1,2 noemt Paulus de onderdelen van het fundament, dus de hoofdsom van geloofswaarheden, die elke catechisant van het eeuwige evangelie kennen moet. Heel deze nieuwe gedachtewereld staat in verband met het verlossend werk van Jezus Christus en daarom vormt Hij als Woord van God, het fundament. Paulus noemt dan de bekering van dode werken, dat is het breken met elke vorm van ongerechtigheid en het opzeggen van de dienst aan de demonen die men gehoorzaamde. Het geloof in God is gebaseerd op de herstelde gemeenschap met de hemelse Vader door de Zoon. De doop in water is in de naam van Jezus en in zijn opdracht. Ook is Hij de doper in Heilige Geest. Zijn opstanding is de grond van onze opstanding, want als Hij niet was opgestaan, dan was ons geloof vergeefs. Door zijn Geest overtuigt Hij van zonde en gerechtigheid, en het eeuwig oordeel is de absolute scheiding bij de christen tussen deze beide. Daarom is Jezus in alle dingen het ware fundament van ons geloof.

Het was de taak van Paulus geweest om in Corinthe het fundament te leggen. Jezus Christus was daar dus in alles het grote voorbeeld dat nagevolgd diende te worden. Zijn Messiasschap en verzoening vormden de grondslag van de leer van de apostel, die tot doel had nieuwe schepsels te vormen die geheel anders waren dan de natuurlijke en niet-wedergeboren mensen. Was het in Corinthe met het bouwwerk niet in orde, dan lag de oorzaak niet bij Paulus, want deze had op vakkundige wijze het fundament gelegd. Het hele bestek van God verrijst op de geschriften van de apostelen en niemand kan er een tweede fundament naast leggen, zoals niemand twee heren kan dienen. Paulus schreef aan de Galaten dat er maar één evangelie was en ‘als iemand u een evangelie predikt, afwijkend van wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt!’ (Gal.1:9). Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat Jezus introduceerde, is absoluut noodzakelijk om het doel van God met de mens te bereiken, namelijk de volmaakt geestelijke mens.

Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, ieders werk zal openbaar worden. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven 12,13.

In de Corinthische gemeente was het fundament gelegd door de prediking van de apostel Paulus. Het voortbouwen op het fundament was het werk van andere leraars. Deze moesten goed toezien dat de wijsheid van God, waarmee de leer van Paulus doordrenkt was, niet door hen vervangen zou worden door de inzichten van de natuurlijke mens. Paulus gebruikte een beeld om de twee manieren van verder bouwen te illustreren. Men kan werken met goud of met zilver of met edelstenen. Deze materialen gaan geen fusie aan met het vuur. Zij worden er niet door aangetast. Hout, stro of riet zijn bouwmaterialen die wel door het vuur worden aangetast en er wel een fusie mee aangaan. Zij worden zelfs door het vuur vernietigd. Het vuur is dan het beeld van de machten van de duisternis.

‘De dag’ is de tijd van het maken van het proefwerk of het afleggen van het examen. Johannes de Doper sprak in verband met het optreden van Jezus, dat deze zijn volgelingen zou ‘dopen met vuur’. Zij zouden dus in de wereld blootstaan aan de felle aanvallen van de boze geesten. Hoe meer zij de voetstappen van Jezus zouden drukken, des te meer zouden zij hun strijd in de hemelse gewesten hebben te voeren. Ieder van Gods kinderen zou ‘met vuur gezouten worden’ (Marc.9:49). Daarom roept de Heer ons op om in zijn kracht te gaan staan, als wij door de demonen worden aangevallen.

Bij het verbrandingsproces voeden hout of riet het vuur. De christen zal in de dag van de beproeving moeten constateren dat ongeestelijke leringen, die niet gebaseerd zijn op het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, de oorzaak zijn dat hij in tijden van nood en beproevingen onmachtig is de overwinning te behalen. Zo bleek bijvoorbeeld in de dagen van Paulus dat het judaïsme met zijn ceremoniën, spijswetten, wassingen, riten en sabbatten een verkeerde bovenbouw was. Zo zijn dit in onze tijd bijvoorbeeld de aardse Israël-visie, de uitverkiezingsleer, de erfzondeleer en de valse drie-eenheidleer, zie verder hoofdstuk ‘Dwalingen‘. In tijden van ziekte, nood en geestelijke druk kunnen deze doctrines geen bevrijding, genezing of overwinning schenken. Ze zijn niet vuurvast, dat wil zeggen bestand tegen de aanvallen van de demonen.

Wanneer goud en zilver in het vuur worden gebracht, smelten deze metalen. Door de verhitting worden het schuim en de slakken afgescheiden en komen deze bovendrijven. In edele metalen vindt het vuur echter geen enkel voedsel. Nadat ze gelouterd zijn, worden ze uit het vuur genomen, want ze zijn niet bestemd om steeds daarin te blijven. Daarom staat er: ‘Het vuur zal aanwijzen van wat gehalte het werk van ieder is’ (Can. Vert.). De Heer raadt ons aan, bij Hem goud te kopen dat in het vuur gelouterd is opdat wij rijk mogen worden (Openb.3:18). Van de komende Messias die tot zijn tempel komen zou, profeteerde Maleachi: ‘Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver’ (Mal.3:2,3).

Onze ogen moeten voor de geestelijke strijd geopend worden en wij moeten er niet voor opzij gaan. Op deze manier krijgen wij deel aan het lijden van Christus. De vuurgloed van de beproeving hoort bij ons, omdat hij ook bij Christus hoorde: ‘Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwam. Integendeel, verblijdt u naarmate u deel hebt aan het lijden van Christus’ (1 Petr.4:12,13). De vuurgloed wordt steeds sterker, naarmate wij het einde naderen: ‘Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels en de dag die komt, zal hen in brand steken… Maar voor u, die mijn Naam vreest, zal de zon van de gerechtigheid opgaan en er zal genezing zijn onder haar vleugels’ (Mal.4:1,2).

Laat de gemeente van Jezus Christus niet aan struisvogelpolitiek doen! De tijd is gekomen dat het oordeel begint bij het huis van God (1 Petr.4:17). Wij moeten de kracht van de Heilige Geest bezitten om de demonen te weerstaan, ze terug te drijven en te overwinnen. Jezus deed het en wij moeten Hem volgen.

Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen. Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen 14,15.

De trouwe dienstknecht die op het ware fundament geestelijk bouwt, zal loon ontvangen. Hij zal immers de resultaten van zijn werk kunnen opmerken: zijn bouwwerk doorstaat de vuurproef. Wanneer de machten van de duisternis zich als verslindend en verterend vuur gaan openbaren en de met Gods Geest vervulde christen in de verdrukking komt, zal blijken of het werk, opgebouwd in hemzelf of in anderen, bewaard blijft, of in elkaar stort. Dit geldt zowel voor het individu als ook voor de gemeente, dus voor het werk van herders en leraars. Standhouden doet men in verleiding, in verdrukking en tijdens de aanvallen van de vijand. Bij het doorstaan van de vuurproef blijft de vrucht van de Heilige Geest bewaard. Dan verliest men dus zijn blijdschap niet en raakt men zijn vrede niet kwijt. Ondanks het geweld van de satan kan men zichzelf beheersen en zachtmoedig blijven.

Een goede dienstknecht streeft ernaar dat bij het optrekken van de bovenbouw, een blijvende vrucht van de Heilige Geest wordt gezien. Dit blijvende bepaalt later zijn functie in het Koninkrijk van God. Als een voorgaande broeder bereikt, dat zijn werk standhoudt te midden van de verdrukking, kan God in eeuwigheid ook de hogere en meerdere dingen aan hem toevertrouwen. Dan wordt hij niet gediskwalificeerd, maar geprezen als een nuttige en goede dienstknecht: ‘Hij zei: omdat u in het minste getrouw geweest bent, heb gezag over tien steden’ (Luc.19:17). Wanneer de vrucht van de Heilige Geest bij beproevingen verloren gaat, is er niet goed gebouwd. Dan lijdt zo’n leraar of voorganger schade, dit wil zeggen dat zijn werk wegbrandt, hoewel hij dan persoonlijk nog wel gered is. Paulus schreef aan de Filippenzen, dat zij onberispelijk en onbesmet zouden zijn: ‘onbesproken kinderen God te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder u schijnt als lichtende sterren in de wereld, het woord van het leven vasthoudende, mij ten roem tegen de dag van Christus, dat ik niet vruchteloos mijn wedloop gelopen, noch vruchteloos mij ingespannen heb’ (Filip.2:15,16).

Wie een verkeerde leer brengt, wie in de zichtbare wereld iets probeert te bereiken en zich met de gemeente niet richt op het Koninkrijk van God, ontvangt geen loon, dus geen kleed van de gerechtigheid dat zijn eeuwige statuur bepaalt. Hij is vanwege zijn zinloze werk, in de onzienlijke wereld beschadigd, omdat hij met verkeerde bouwstoffen werkte. Het loon van een prediker is dus allereerst het bereikte resultaat. Zo spreekt onze Heer: ‘Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij’. Zijn loon is de gemeente, het resultaat van zijn moeitevol lijden. Het loon is het blijven van iemands werk. Het is mogelijk dat een leraar het wel goed bedoelt, maar uit onwetendheid een verkeerde leer brengt. Hij is dan wel geen vijand van God en wordt zelf wel behouden, maar hij lijdt schade vanwege zijn negatief resultaat, namelijk een onvoldoende gegroeide gemeente. Er is dan van Godswege geen lof en eerbetoon voor hem te verwachten. Hij moet dan genoegen nemen met een lage rang, terwijl hij in de gemeente een vooraanstaande plaats innam. Hij is dan geen zuil in de tempel van God.

Ook is het mogelijk dat in houtarme landen het bouwen met hout een kostbare zaak is. Valse leringen kunnen indrukwekkend zijn en de wereld kan zelfs geïmponeerd worden door het uiterlijke vertoon van de kerken, maar zulke gemeenschappen zijn niet bestand tegen het vuur dat vanuit de onzienlijke wereld op haar af komt. De roomsen brengen het beeld van het bouwwerk dat door vuur op zijn deugdelijkheid beproefd wordt, in verband met het vagevuur. Zij menen dat de loutering na de dood gebeurt voor degenen, wier gedrag niet geheel correct was, maar weer niet zo slecht dat ze daarvoor eeuwig boeten moeten: ‘Het vagevuur is een tussenstaat tussen het aardse leven en de hemelse beloning, waarin de rechtvaardigen die niet geheel zonder schuld uit dit leven verscheiden zijn, gezuiverd worden’ (Bijbels Woordenboek).

Het betekent dan een tijdelijke afdaling van de gelovigen in het helse vuur. Toch merkt dit roomse woordenboek op: ‘Hoewel het hier in de Corinthebrief niet gaat over het vuur van het vagevuur wordt er toch de idee uitgesproken van een loutering na de dood van degenen, wier gedrag niet geheel correct was, maar niet zo slecht dat ze daardoor van het redding afgesloten werden’.

De leer van het vagevuur is uitgevonden om de gierigheid en de eerzucht van de ‘geestelijkheid’ te voeden en hén te vleien, die voor de redding van hun ziel liever van hun geld dan van hun zondige begeerten afstand deden. Ze heeft met deze teksten in de Corinthebrief niets te maken. De dag die het zal doen blijken, komt niet na het sterven, maar al in dit leven zal het verschil in bouwmaterialen openbaar worden in de beproevingen. Laat men zich niet tevreden stellen met vroom bedrog. Men kan niet ongestraft water in de wijn doen door in de gemeenteverkeerde leringen te tolereren.

Het is tegenwoordig een veel voorkomend verschijnsel dat men zelfs het fundament aantast, dat men niet weet van bekering en geloof in God, geen doop in water en geen doop in de Heilige Geest kent. Wat zal in de toekomst het einde zijn van een volk van God, dat de onzienlijke wereld niet kent en zich tevreden heeft gesteld met een voedsel, dat niet uit de hemel – de onzienlijke wereld – kwam? Van een volk dat niet gewandeld en gestreden heeft in de hemelse gewesten? Van een volk waarvan gezegd kan worden: ‘Het gaat te gronde – wordt een prooi van de boze geesten – door gebrek aan kennis’ (Hos.4:6)? Wat ons betreft, willen wij graag de woorden van de apostel eenmaal kunnen overnemen: ‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans van de rechtvaardigheid, die te dien dage de Heer, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, maar niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad’ (2 Tim.4:7,8).

Een ander beeld

Weet u niet dat u de tempel van God bent en dat de Geest van God in u woont? Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten, want de tempel van God is heilig en deze tempel bent u 16,17.

De apostel gebruikt nu een nieuw beeld, namelijk dat van de tempel van God, die gebouwd wordt op het ware fundament, waarvan de pijlers door hem genoemd werden in Hebreeën 6:1-3. Ieder die voortbouwt op het werk van Paulus, zal zich bewust moeten zijn van de betekenis ervan. ‘De geméénte van God’ in Corinthe is tegelijkertijd ‘de témpel van God’. De allerhoogste, de volmaakte, de heilige, de alleen wijze God, de schepper van hemel en aarde woont in de gemeente, want haar leden zijn met Gods Geest gedoopt. Wonen is een permanent verblijven en dus geen tijdelijke zaak. De Heilige Geest is niet alleen bij ons, maar in ons (Joh.14:17). Hij is de eerste gave en het onderpand in het nieuwe verbond dat de zekerheid schenkt van een groeien naar de volwassenheid en volkomenheid. In een lichaam zorgt de levensgeest voor de juiste opbouw. De Heilige Geest is de levensgeest of ‘Geest van het leven’ (Rom.8:2) van het lichaam van de Heer, de gemeente. Door deze Geest groeit het lichaam en wordt het in stand gehouden.

Met de vraag: ‘Weet u niet?’ bedoelt de apostel in verband met wat hij tevoren schreef, dat dit begrip van heilige tempel van God niet geheel nieuw voor hen was. Altijd zouden ze ermee rekening moeten houden, want wie deze tempel van God schendt, dat is tot schande maakt, wie hem ten verderf brengt, hem verwoest of ruïneert, wie de opbouw en het redding van de gemeente niet voor ogen houdt en niet naar dat doel toewerkt, God zal hem te schande maken of vernietigen. Men mag de tempel van God niet met zonde of dwalingen in aanraking brengen. De tempel is heilig, dat is afgezonderd van de boze geesten. Ongerechtigheid en valse leringen tasten dit geestelijke gebouw aan. Als men het kwade tolereert, het fundament niet legt, of het verwaarloost, als men dwalingen verkondigt of vasthoudt, wordt het wezen van de gemeente beschadigd. Het kenmerk van de ware gemeente is, dat haar leden gebroken hebben met iedere ongerechtigheid en dat zij heilig zijn of apart gesteld zijn van het kwaad. Zij moeten volkomen zijn en tot ieder goed werk volkomen toegerust (2 Tim.3:16,17). Dit is mogelijk doordat de Geest van God in de gemeente woont. Dit was niet het geval in de kerk van het oude verbond en daar konden de rechtvaardigen ook niet jagen naar de volmaaktheid.

Hoewel Paulus hier niet schrijft wie hij met deze schenders en verwoesters van de tempel van God bedoelt, blijkt uit andere gedeelten van zijn brieven, dat er in Corinthe valse leraars waren binnengeslopen, die niet alleen losbandigheden tolereerden, maar ook grove dwalingen invoerden. Paulus sprak immers van dienaren van satan, die zich voordeden als dienaren van de gerechtigheid (2 Cor.11:14,15). Voor hen gold niet wat hij in vers 15 schreef: ‘als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, maar hijzelf zal gered worden, maar als door vuur heen’. Deze verdervers en gemeenteverwoesters zouden wél het onheil over zichzelf brengen en volkomen in de greep van de demonen raken. Tot hen horen ook zij die verdeeldheid, ruzies en scheuringen in de gemeente veroorzaken vanwege hun ongeestelijk en vleselijk denken.

Wij zien hier dus duidelijk dat de ware christelijke gemeente een woonplaats van God in de geestelijke wereld is (Ef.2:22). Iedere gelovige is echter ook zo’n tempel die geheel en al aan God is gewijd en afgezonderd is tot zijn dienst. Daarom kan een christen het zich niet permitteren om te zondigen, of zich over te geven aan allerlei verkeerde verlangens en lusten, of ook aan allerlei verkeerde gedachten en ongeestelijke leringen, want hij schendt daarmee de reinheid en heiligheid van zijn levenshuis. In het beeld dat de apostel hier gebruikt, is dus iedere gelovige ‘een levende steen’, een klein tempeltje, dat ingevoegd is in het grote geheel van ‘het geestelijke huis’, dat verrijst op het ware fundament (1 Petr.2:5).

Laat niemand zichzelf bedriegen. Als iemand onder u denkt dat hij wijs is in deze wereld, laat hij dwaas worden, opdat hij wijs zal worden. Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: Hij vangt de wijzen in hun sluwheid. En opnieuw: De Heer kent de overwegingen van de wijzen, dat zij zinloos zijn 18-20.

Niemand moet zichzelf bedriegen, want het gaat om eeuwige realiteiten. Een opnieuw geboren christen moet een radicale keus maken. Als hij nog rekening houdt met wat voor ogen is, met de dingen in de zichtbare wereld, of misschien om de lieve vrede, de zonde en dwaling nog een bepaalde plaats in zijn leven toekent, moet hij breken met iedere vorm van ongerechtigheid (2 Tim.2:19). De apostel wijst er nogmaals op dat de gelovige dwaas moet durven zijn voor de mensen en zich desnoods moet laten uitlachen en bespotten. Hij moet alles opzij zetten en alleen rekening houden met de geestelijke wereld en het geestelijke niet met het ongeestelijke probeerden samen te voegen.

Het is mogelijk dat ‘onder u’ erop ziet, dat onder de ruziezoekers in Corinthe mannen waren, die meenden volgens de gedachten en opvattingen van de wereld en van hun tijd of van hun ‘aeon’ het gelijk aan hun kant te hebben. Zij voelden zich dan uitblinkers door hun natuurlijke wijze van denken, maar bij God is de wijsheid van de wereld sluwheid of arglistigheid. Zij is voor de opbouw van de gemeente funest en van geen enkele waarde. God laat zulke ‘wijze’ mensen onherroepelijk vastlopen, want hij vangt ze in hun sluwheid (Job 5:12,13 naar de Septuagint). Merkwaardig is het, dat de man die deze waarheid uitsprak, zulke on-Bijbelse en ongeestelijke gedachtegangen had. Elifaz, de vriend van Job, werd immers geïnspireerd door een ‘vrome’ demon, die beweerde, dat geen sterveling tegenover God ooit rechtvaardig zou zijn. Ja, dat de Heer zelfs geen vertrouwen had in zijn heilige engelen en dat bij dezen zelfs dwaling werd gevonden. Wel een aantasting van Gods werk, waarvan de Schepper sprak dat het goed was. Deze demon drukte ook zijn verachting uit t.o.v. de mens, want hij vergeleek deze met een mot, die men even dooddrukt: ‘Een verholen stem drong tot mij door, mijn oor ving een fluisteren op, in de verontrustende visioenen van de nacht, die de mensen dompelt in een diepe slaap. Opeens werd ik door angst gegrepen, een siddering voer door mijn gebeente. Een adem streek langs mijn gezicht en de haren rezen mij te berge. Een verschijning doemde op, een gestalte voor mijn ogen. Stilte – en toen zei een zachte stem: ”Kan een mens zich gedragen zoals God het wil, kan iemand zonder smet zijn voor zijn schepper?” Zelfs in zijn dienaren stelt God geen vertrouwen, ook bij zijn engelen bespeurt hij nog gebreken. Hoeveel te meer dan bij de mens, wonend in zijn huis van leem, met fundamenten in het stof. Hij is een mot: men drukt hem dood. Van de ochtend tot de avond afgepijnigd gaat hij onbemerkt ten onder, voor eeuwig weggevaagd. De koorden van zijn tent zijn losgerukt, hij sterft en heeft de wijsheid niet gekend’ (Job 4:12-20).

Het is geen wonder dat Gods toorn in het bijzonder tegen Elifaz ontbrandde, want hij had niet recht van de Allerhoogste gesproken. Op deze manier werd de ‘wijze’ Elifaz door God gevangen in zijn geraffineerde ‘vrome’ gedachtegangen. De overleggingen van de ‘wijzen’ zijn waardeloos en ijdel, of vruchteloos, dat is onmachtig om enige vrucht van de Heilige Geest voort te brengen. Zo citeert dan de apostel min of meer letterlijk Psalm 94:11, waar staat: ‘De Heer kent de gedachten van de mensen, ijdelheid zijn zij’. In Corinthe en later nog in vele geloofsgemeenschappen keek en kijkt men nog te veel naar de zienlijke dingen, naar leiders met klinkende namen, die het in bepaalde groepen en culturen goed doen. De jetsetpredikers die kapitalen binnenhalen voor hun glazen paleizen. Paulus wist dat deze mensenverheerlijking, dit zoeken van idolen en van geïdealiseerde leiders, in strijd was met de eenvoudige principes van de kruisprediking, waarin alleen de genade van God centraal staat. Daarom zijn dringend advies om weer in de dwaasheid van God te gaan geloven.

Laat daarom niemand roemen in mensen, want alles is van u: hetzij Paulus, hetzij Apóllos, hetzij Céfas, hetzij de wereld, hetzij het leven, hetzij de dood, hetzij tegenwoordige dingen, hetzij toekomstige dingen, alles is van u. U echter bent van Christus en Christus is van God 21-23.

Aan het slot van het derde hoofdstuk resumeert Paulus in enkele zinnen de strekking van zijn brieven en de bedoeling van de roeping van alle werkers in Gods Koninkrijk onder de woorden: alle dingen behoren u immers toe. Alles draait om de gemeente van God. Paulus, Apóllos of Céfas zijn geen eigenaren, maar slechts dienaren in de tempel van God op aarde. Al willen sommige werkers de gemeente als hun eigen zaak beschouwen, God stelt niet de dienstknecht, maar de gemeente in het centrum. Het gaat niet om de tuinlieden, maar om de tuin: ‘Gods medewerkers zijn wij, Gods akker bent u’. Het gaat niet om de bouwlieden, maar om de tempel, want ‘Gods bouwwerk bent u’. Wel zijn de werkers onmisbaar, maar dit slechts in verband met hun bijdrage tot de opbouw van de gemeente.

Het wordt hoog tijd dat ware christenen zich bezinnen op wat de Bijbel over de gemeente zegt. Nog te weinigen realiseren zich dat Jezus Christus onafscheidelijk met de gemeente verbonden is. Waar de Heer is, is zijn lichaam en waar zijn lichaam is, is Hij. Het gaat bij Paulus niet alleen om het onzienlijke, hemelse lichaam, maar ook om de concretisering ervan op aarde. In de gemeente wordt Gods wijsheid geopenbaard. Daar voert Hij zijn plan met de mens uit. Daar kan alleen de band van de liefde, dat is de positieve instelling t.o.v. de broeder, zuiver beleefd worden. Wie zegt wij gemeenschap met God te hebben en meent in het licht te wandelen, zal dit latenblijken moeten laten zien in de gemeenschap met de ander. Het ware christendom sluit alle individualisme uit. Het vormt geestelijke huisgezinnen, waar eeuwige en onverbrekelijke banden worden gelegd. Het einddoel van het geloof, de redding van de zielen, wordt gemeenschappelijk bereikt. Daartoe geeft God aan de gemeente gaven als: ‘apostelen, profeten, herders, leraars en evangelisten ‘tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid van het geloof en de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben’ (Ef.4:11-13).

Tot de gelovigen in onze tijd, die overal slechts stichtelijke samenkomsten willen houden, schrijft Paulus: ‘Of minacht u zozeer de gemeente van God?’ Velen vluchten in allerlei activiteiten als zending en evangelisatie, maar verzuimen de grootste opdracht die de Heer gegeven heeft, uit te voeren, namelijk om gemeenten te stichten. Of u het gelooft of niet, de gehele kosmos is er om de gemeente voort te brengen. Alles wat geschapen is, de zienlijke en de onzienlijke wereld, is er vanwege de gemeente.

Als vertegenwoordiger van het oude verbond zei Mozes eenmaal tegen het volk: ‘Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, heeft Hij de grenzen van de volken vastgesteld naar het aantal van de zonen van Israël’ (Deut.32:8). Jeruzalem werd als de navel van de aarde gezien. Wat een heerlijke visie geeft deze schaduw op de werkelijkheid. De gemeente is, om deze valse beeldspraak te gebruiken, de kurk waarop de wereld drijft. Zij is de nieuwe schepping, die uit de oude is voortgekomen. Zij is het blijvende en eeuwige te midden van al het vergankelijke en tijdelijke. Uit haar komen de toekomstige wereldbeheersers voort, want ‘zij zullen als koningen – als ware zonen van God – heersen op de aarde’ (Openb.5:10).

Alles behoort aan de gemeente, ‘hetzij leven of dood…’! De strijd tussen leven en dood wordt in de gemeente beslecht en de overwinning op de dood wordt door de gemeente behaald. Zij is het bastion van het leven te midden van een wereld die in de dood ligt. Alleen de gemeente overwint de dood. In haar functioneren de woorden van het eeuwige leven. De zondaars worden daar gered, verlost en gedoopt met Gods Geest. In haar vindt men genezing en gezondheid. In de gemeente wordt bewaarheid: ‘De dood is verzwolgen in de overwinning’. Leven en dood is het uwe, dit wil zeggen dat de gemeente het eeuwige leven en de overwinning op de dood heeft. In haar zijn degenen die opgestaan zijn uit de dood en overgezet zijn in het nieuwe leven. Het oude is voorbijgegaan, zie het nieuwe is gekomen. Het is alles het uwe, ‘hetzij heden of toekomst!’

Het gaat in het heden en in de toekomst om de gemeente van Jezus Christus. Wij hebben het heden, om ons door onze rechtvaardige daden een kleed van de gerechtigheid te weven en om de tempel van God te bouwen. Als gemeente van Jezus Christus mogen wij nu samen opgroeien in de genade en samen de opdracht uitvoeren, die Hij gaf. Door de Geest, die in de gemeente uitgestort is, leren wij de gedachten van God verstaan en zijn plan kennen en wij mogen medearbeiders zijn om ze tot in de finesses te realiseren. Voor ons zijn de werken van God geen wirwar van door elkaar lopende draden, zoals de achterkant van een borduurwerk, maar Hij heeft een gemaakt bestek en wil dit door de Geest openbaren en in de gemeente uitwerken. Omdat de gemeente in de hemelse gewesten leeft, ziet zij niet de onder- maar de bovenkant van het machtige borduurwerk van God! In de wereld is het een chaos waar de wetteloze heerschappij heeft.

Aan de gemeente behoort ook de toekomst, of wij deze dichtbij en in de tijd stellen waarin de tempel van God haar voltooiing zal bereiken, of in de eeuwen van de eeuwen, wanneer de gemeente met Christus in de troon van de Vader zal zijn. Paulus kent in de komende aeonen geen periode, dat voor God nog iets belangrijkers zou zijn dan de gemeente. ‘Alles is het uwe!’ Alle beloften en toezeggingen van apostelen en profeten zijn voor u! Zo wordt van de profeten van het oude verbond gemeld: ‘Hun werd geopenbaard dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, die u nu verkondigd zijn’ (1 Petr.1:12). Wanneer daarom sprake is van een Christusregering op aarde, van een theocratie, betekent dit tegelijkertijd een regering van de gemeente. Zoals hun Heer dan de heerschappij uitoefent, zo zal de gemeente dit ook doen in zijn Naam: ‘Maar u bent van Christus en Christus is van God’.

De gemeente richt zich op Christus en behoort Hem toe en Christus richt Zich op God de Vader. De gemeente is met Christus verbonden zoals een vrouw met haar man. Zij is één geest met Hem. Als Hij verschijnt, zal zij met Hem worden geopenbaard: ‘Het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd van de vrouw is de man en het hoofd van Christus is God’ (11:3). ‘Alles is het uwe, maar u behoort aan Christus’, maar op de bruiloft van het Lam ‘zal ook de Zoon Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn’ (15:28). Dan zal de almachtige Schepper bij zijn volgende altijd durende creaties steeds door middel van deze nieuwe mensheid denken en werken. Tot in eeuwen en eeuwen!