9. Christus, het enige fundament

<<<<<

1 Corinthe 3:10-15

Overeenkomstig de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt daarop. Ieder dient er echter op toe te zien hoe hij daarop bouwt’ 10.

De apostel gaat nu het beeld van de gemeente als Gods bouwwerk nader uitleggen. De hemelse opdrachtgever heeft veel werknemers in dienst. Paulus erkent dat Petrus en Apóllos en anderen ook door God Zijn aangesteld en met gaven gezegend. Ieder van hen krijgt in verband met zijn taak bijzondere genade en gaven, die nodig zijn om goed te kunnen werken. Overeenkomstig de uitverkiezende genade van God, kreeg Paulus de opdracht om de Corinthische gemeente te stichten en in deze havenplaats pionierswerk te doen, dus om in het beeld van het bouwwerk te blijven: het Bijbelse Fundament te leggen.

Na eerst erkend te hebben dat hij van God hiertoe bijzondere vaardigheden ontvangen had (het begrijpen van het Oude Testament door het licht van het Nieuwe Testament), volgt dan de opmerking dat hij een bijzonder goed en wijs bouwmeester of letterlijk ‘architect’ was geweest. Paulus lijdt allerminst aan bedrieglijke nederigheid, wanneer zijn roeping in het geding is. Hij ondertekent zijn brieven niet met ‘een geringe dienaar van Jezus Christus’, maar begint ze met het epitheton ornans, of de vererende bijnaam ‘een geroepen apostel’. Hij weet dat God bekwame vaklui uitzoekt, dat Hij geen beunhazen aanstelt, maar de juiste man op de juiste plaats heeft gezet. Paulus kende het ‘gemaakte bestek’ van zijn Opdrachtgever en hij had in een visioen de uiteindelijke bestemming van het tempelcomplex gezien, toen hij opgetrokken was tot in de derde hemel.

Onder de gemeente van Corinthe lag een stevig fundament. Paulus was de grondlegger van het gebouw en met deze omschrijving stelt hij zich apart ten opzichte van allen, die later in de gemeente hun diensten hadden gedaan. Dezen waren moreel verplicht rekening te houden met de leringen die Paulus had gebracht. Zij moesten zich naar hem richten en hij zich niet naar hen. Ieder moest toezien dat het fundament dat door Paulus was gelegd, niet door verkeerde leringen zou worden aangetast, want de apostel was een zeer vakbekwaam bouwmeester. Het fundament kan vergeleken worden met melk en de opbouw met vaste voedsel dat de anderen mochten uitreiken. Zij bouwden de tempel op het fundament dat door Zijn constructie en grondlijnen de verhoudingen van de bovenbouw bepaalde. De afwerking was dus aan de zorg van zijn opvolgers toevertrouwd.

Oppassen voor valse bouwmeesters

Paulus waarschuwde ervoor dat men op het goede fundament niet met slecht materiaal zou werken. De grootste voorzichtigheid moest in acht genomen worden. Men moest ervoor waken geen valse stelsels op de vaste grondslag te brengen, want de apostel wist uit ervaring dat men zich dan kan stoten aan de uiterste hoeksteen, Jezus Christus.

Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus’ 11.

Toen de gemeente te Jeruzalem – mede door toedoen van (toen nog) Saulus – een zware vervolging onderging, vluchtte Filippus naar de stad Samaria en ‘bracht hun de Christus’. Hij legde dus uit wat de Heer voor een ziek, zondig en gebonden mens betekent. Het brengen van het evangelie via Filippus ging gepaard met opvallende bevrijdingen en met het uitdrijven van boze geesten. Deze fundamentele boodschap zal door alle ware dienstknechten van God doorgegeven moeten worden. Een ander basisonderwijs bestaat er niet en kan niemand geven. De gemeente wordt gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Dezen zijn de grondleggers van de leer, terwijl Jezus zelf de hoeksteen is (Ef.2:20).

Bij primitieve bouwwerken werden dikwijls de afmetingen vastgelegd door eerst de zware, gehakte natuurstenen hoekblokken te plaatsen; daartussen werd dan, van minder kostbaar materiaal, het eigenlijke muurwerk aangebracht. Op zo’n hoeksteen drukte dan de verbinding tussen twee muren. Een mooi beeld van de betekenis die de Heer in het hemelse tempelwerk inneemt. Niet Petrus is het fundament waarop de gemeente is gebouwd, maar de leer die Jezus aanvankelijk bracht en die later door de apostelen op betrouwbare wijze werd doorgegeven.

Het enige Bijbelse Fundament

In Hebreeën 6:1,2 noemt Paulus de onderdelen van het fundament, dus de hoofdsom van geloofswaarheden, die ieder kind van God kennen moet. Heel deze nieuwe gedachtewereld staat in verband met het verlossende werk van Jezus Christus en daarom vormt Hij als Woord van God, het fundament. Paulus noemt dan:

  • De bekering van dode werken, dat is het breken met elke vorm van ongerechtigheid en het opzeggen van de dienst aan de demonen die men gehoorzaamde.
  • Het geloof in God is gebaseerd op de herstelde gemeenschap met de hemelse Vader door de Zoon.
  • De doop in water is in de naam van Jezus en in zijn opdracht.
  • Ook is Hij de doper met Gods Geest.
  • De vuurdoop is voor ieder kind van God. De Satan heeft er weer een vijand bij en dat laat hij ook merken.
  • De handen opleggen. Wanneer in de zichtbare wereld de handen op een persoon gelegd worden, betekent dit dat degene die deze handeling uitvoert, zich geestelijk met hem één maakt; men identificeert zich als het ware met een persoon. In de geestelijke wereld van het Koninkrijk van God houdt dit in dat een dienstknecht van de Heer die vervuld is met Gods Geest iemand claimt voor dit Koninkrijk en een zegen overdraagt.
  • Zijn opstanding is de grond van onze opstanding, want als Hij niet was opgestaan, dan was ons geloof vergeefs.
  • Door zijn Geest overtuigt Hij van zonde en gerechtigheid en het eeuwig oordeel is de absolute scheiding bij de christen tussen deze beide. Daarom is Jezus in alle dingen het ware fundament van ons geloof.

Het was de taak van Paulus geweest om in Corinthe het fundament te leggen. Jezus Christus was daar dus in alles het grote voorbeeld dat nagevolgd diende te worden. Zijn Messiasschap en verzoening vormden de grondslag van de leer van de apostel, die tot doel had nieuwe schepsels te vormen die geheel anders waren dan de natuurlijke en niet-opnieuw geboren mensen. Was het in Corinthe met het bouwwerk niet in orde, dan lag de oorzaak niet bij Paulus, want deze had op vakkundige wijze het fundament gelegd. Het hele plan van God verrijst op de schriften van de apostelen en niemand kan er een tweede fundament naast leggen, zoals niemand twee heren kan dienen. Paulus schreef aan de Galaten dat er maar één evangelie was: ‘Als iemand u een evangelie brengt, afwijkend van wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt!’ (Gal.1:9). Het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen dat Jezus introduceerde, is absoluut noodzakelijk om het doel van God met de mens te bereiken, namelijk de volmaakt geestelijke mens.

Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, ieders werk zal openbaar worden. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven’ 12,13.

In de Corinthische gemeente was het fundament gelegd door de boodschap van de apostel Paulus. Het voortbouwen op het fundament was het werk van andere leraars. Deze moesten goed toezien dat de wijsheid van God, waarmee de leer van Paulus doordrenkt was, niet door hen vervangen zou worden door de inzichten van de natuurlijke mens. Paulus gebruikte een beeld om de twee manieren van verder bouwen te illustreren. Men kan werken met goud of met zilver of met edelstenen. Deze materialen gaan geen fusie aan met het vuur. Zij worden er niet door aangetast. Hout, stro of riet zijn bouwmaterialen die wèl door het vuur worden aangetast en er wel een fusie mee aangaan. Zij worden zelfs door het vuur vernietigd. Het vuur is dan het beeld van de machten van de duisternis.

‘De dag’ is de tijd van het maken van het proefwerk of het afleggen van het examen. Johannes de Doper sprak in verband met het optreden van Jezus, dat deze zijn volgelingen zou ‘dopen met vuur’. Zij zouden dus in de wereld blootstaan aan de felle aanvallen van Satans demonen. Hoe meer zij de voetstappen van Jezus zouden volgen, des te meer zouden zij hun strijd in de hemelse gewesten hebben te voeren. Ieder van Gods kinderen zou ‘met vuur gezouten worden’ (Marc.9:49). Daarom roept de Heer ons op om in zijn kracht te gaan staan, als wij door de demonen worden aangevallen. Bij het verbrandingsproces voeden hout of riet het vuur.

De christen zal in de dag van de beproeving moeten constateren dat ongeestelijke leringen, die niet gebaseerd zijn op het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, de oorzaak zijn dat hij in tijden van nood en beproevingen onmachtig is de overwinning te behalen.

Dwalingen en rampen van de laatste 18 eeuwen

Zo bleek bijvoorbeeld in de dagen van Paulus dat het judaïsme met zijn ceremoniën, spijswetten, wassingen, riten en sabbatten een verkeerde bovenbouw was. Net zoals het wetticisme dit is in onze dagen. Zo zijn dit in onze tijd bijvoorbeeld de aardse Israëlvisie, de uitverkiezingsleer, de erfzondeleer en de valse drie-eenheidsleer, zie verder hoofdstuk ‘Dwalingen‘. In tijden van ziekte, nood en geestelijke druk kunnen deze valse doctrines geen enkele bevrijding, genezing of overwinning schenken. Ze zijn niet vuurvast, dat wil zeggen bestand tegen de aanvallen van de demonen.

Wanneer goud en zilver in het vuur worden gebracht, smelten deze metalen. Door de verhitting worden het schuim en de slakken afgescheiden en komen deze bovendrijven. In edele metalen vindt het vuur echter geen enkel voedsel. Nadat ze gelouterd zijn, worden ze uit het vuur genomen, want ze zijn niet bestemd om steeds daarin te blijven. Daarom staat er: ‘Het vuur zal aanwijzen van wat gehalte het werk van ieder is’ (Can. Vert.). De Heer raadt ons aan, bij Hem goud te kopen dat in het vuur gelouterd is zodat wij rijk mogen worden (Op.3:18). Van de komende Messias die tot zijn tempel komen zou, profeteerde Maleachi: ‘Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver’ (Mal.3:2,3).

Onze ogen moeten voor de geestelijke strijd geopend worden en wij moeten er niet voor opzij gaan. Op deze manier krijgen wij deel aan het lijden van Christus. De vuurgloed van de beproeving hoort bij ons, omdat hij ook bij Christus hoorde: ‘Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet vreemd overkomen, alsof u iets vreemds overkwam. Integendeel, wees blij naarmate u deel hebt aan het lijden van Christus’ (1 Petr.4:12,13). De vuurgloed wordt steeds sterker, naarmate wij het einde naderen: ‘Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels en de dag die komt, zal hen in brand steken… Maar voor u, die mijn Naam vreest, zal de zon van de gerechtigheid opgaan en er zal genezing zijn onder haar vleugels’ (Mal.4:1,2). Laat de gemeente van Jezus Christus niet aan struisvogelpolitiek doen! De tijd is gekomen dat het oordeel begint bij het huis van God (1 Petr.4:17). Wij moeten de kracht van Gods Geest bezitten om de demonen te weerstaan, ze terug te drijven en te overwinnen. Jezus deed het en wij moeten Hem volgen.

Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen. Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen’ 14,15.

De trouwe dienstknecht die op het ware fundament geestelijk bouwt, zal loon ontvangen. Hij zal immers de resultaten van zijn werk kunnen opmerken: zijn bouwwerk doorstaat de vuurproef. Wanneer de machten van de duisternis zich als verslindend en verterend vuur gaan openbaren en de met Gods Geest vervulde christen in de verdrukking komt, zal blijken of het werk, opgebouwd in hemzelf of in anderen, bewaard blijft, of in elkaar stort. Dit geldt zowel voor het individu als ook voor de gemeente, dus voor het werk van herders en leraars. Standhouden doet men in verleiding, in verdrukking en tijdens de aanvallen van de vijand. Bij het doorstaan van de vuurproef blijft de vrucht van Gods Geest bewaard. Dan verliest men dus zijn blijdschap niet en raakt men zijn vrede niet kwijt. Ondanks het geweld van de Satan kan men zichzelf beheersen en zachtmoedig blijven.

Een goede dienstknecht streeft ernaar dat bij het optrekken van de bovenbouw, een blijvende vrucht van Gods Geest wordt gezien. Dit blijvende bepaalt later zijn functie in het Koninkrijk van God. Als een voorgaande broeder bereikt, dat zijn werk standhoudt te midden van de verdrukking, kan God in eeuwigheid ook de hogere en meerdere dingen aan hem toevertrouwen. Dan wordt hij niet gediskwalificeerd, maar geprezen als een nuttige en goede dienstknecht: ‘Hij zei: omdat u in het minste trouw geweest bent, heb gezag over tien steden’ (Luc.19:17).

Wanneer de vrucht van Gods Geest bij beproevingen verloren gaat, is er niet goed gebouwd. Dan lijdt zo’n leraar of voorganger schade, dit wil zeggen dat zijn werk wegbrandt, hoewel hij dan persoonlijk nog wel gered is. Paulus schreef aan de Filippenzen dat zij onberispelijk en onbesmet zouden zijn: ‘onbesproken kinderen God te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder u schijnt als lichtende sterren in de wereld, het woord van het leven vasthoudende, mij ten roem tegen de dag van Christus, dat ik niet vruchteloos mijn wedloop gelopen, noch vruchteloos mij ingespannen heb’ (Fil.2:15,16).

Wie een verkeerde leer brengt, wie in de zichtbare wereld iets probeert te bereiken en zich met de gemeente niet richt op het Koninkrijk van God, ontvangt geen loon, dus geen kleed van de gerechtigheid dat zijn eeuwige statuur bepaalt. Hij is vanwege zijn zinloze werk, in de onzienlijke wereld beschadigd, omdat hij met verkeerde bouwstoffen werkte. Het loon van de boodschapper is dus allereerst het bereikte resultaat. Zo spreekt onze Heer: ‘Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij’. Zijn loon is de gemeente, het resultaat van zijn moeitevol lijden. Het loon is het blijven van iemands werk. Het is mogelijk dat een leraar het wel goed bedoelt, maar uit onwetendheid een verkeerde leer brengt. Hij is dan wel geen vijand van God en wordt zelf wel behouden, maar hij lijdt schade vanwege zijn negatief resultaat, namelijk een onvoldoende gegroeide gemeente. Er is dan van Godswege geen lof en eerbetoon voor hem te verwachten. Hij moet dan genoegen nemen met een lage rang, terwijl hij in de gemeente een vooraanstaande plaats innam. Hij is dan geen zuil in de tempel van God.

Ook is het mogelijk dat in houtarme landen het bouwen met hout een kostbare zaak is. Valse leringen kunnen indrukwekkend zijn en de wereld kan zelfs geïmponeerd worden door het uiterlijke vertoon van de kerken, maar zulke gemeenschappen zijn niet bestand tegen het vuur dat vanuit de onzienlijke wereld op haar af komt: Wee, wee de grote stad Babylon, de sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen’ (Op:18:10).

De roomsen brengen het beeld van het bouwwerk dat door vuur op zijn deugdelijkheid beproefd wordt, in verband met het vagevuur. Zij menen dat de loutering na de dood gebeurt voor degenen, wier gedrag niet geheel correct was, maar weer niet zo slecht dat ze daarvoor eeuwig boeten moeten:

  • ‘Het vagevuur is een tussen verblijf tussen het aardse leven en de hemelse beloning, waarin de rechtvaardigen die niet geheel zonder schuld uit dit leven verscheiden zijn, gezuiverd worden…’ (Bijbels Woordenboek).

Het betekent dan een tijdelijke afdaling van de gelovigen in het helse vuur. Toch merkt dit roomse woordenboek op:

  • ‘Hoewel het hier in de Corinthebrief niet gaat over het vuur van het vagevuur wordt er toch de idee uitgesproken van een loutering na de dood van degenen, wier gedrag niet geheel correct was, maar niet zo slecht dat ze daardoor van het redding afgesloten werden…’

De leer van het vagevuur is uitgevonden om de gierigheid en de eerzucht van de ‘geestelijkheid’ te voeden en hén te vleien, die voor de redding van hun ziel liever van hun geld dan van hun zondige begeerten afstand deden. Ze heeft met deze teksten in de Corinthebrief niets te maken. De dag die het zal doen blijken, komt niet ná het sterven, maar al in dit leven zal het verschil in bouwmaterialen openbaar worden in de beproevingen. Laat men zich niet tevreden stellen met vroom bedrog. Men kan niet ongestraft water in de wijn doen door in de gemeente verkeerde leringen te tolereren.

Het is tegenwoordig een veel voorkomend verschijnsel dat men zelfs het fundament aantast, dat men niets wil weten van bekering en geloof in God, geen doop in water en geen doop met Gods Geest kent. Wat zal in de toekomst het einde zijn van een volk van God, dat de onzienlijke wereld niet kent en zich tevreden heeft gesteld met een voedsel, dat niet uit de hemel – de onzienlijke wereld – kwam? Van een volk dat niet gewandeld en gestreden heeft in de hemelse gewesten? Van een volk waarvan gezegd kan worden: ‘Het gaat te gronde – wordt een prooi van Satans demonen – door gebrek aan kennis’ (Hos.4:6)? Wat ons betreft, willen wij graag de woorden van de apostel eenmaal kunnen overnemen: ‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans van de rechtvaardigheid, die in die dagen de Heer, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, maar niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad’ (2 Tim.4:7,8).

>>>>>