1 Corinthe 12:10d-11
‘en aan een ander allerlei talen en aan een ander uitleg van talen’ 10d.
Wanneer wij willen weten wat met ‘allerlei talen’ bedoeld wordt, denken we aan de gave van de menselijke geest in het natuurlijke leven, om eenzelfde gedachte in verschillende talen onder woorden te brengen. Er zijn mensen die zich alleen in de ene taal, die zij van hun moeder en van hun omgeving overnamen, kunnen uitdrukken. B.v. de grote Europese landen die van nature weigeren een andere taal te leren. Er zijn ook mensen die in staat zijn zich in verschillende talen meer of minder vlot uit te drukken. Sommigen hebben een speciaal talent om snel een vreemde taal te leren. Een selecte groep onder hen noemen we polyglotten of veel talensprekers.
Vervult met Gods Geest
In Handelingen 2 lezen we hoe de leerlingen van Jezus Christus vervuld worden met Gods Geest: ‘En er vertoonden zich aan hen tongen áls van vuur, die zich verdeelden en het zette zich op ieder van hen’ (vers 3). Het meest opmerkelijke feit is nu dat, toen de leerlingen God begonnen te prijzen, zij dit in veel verschillende talen deden. Talen die zij zeker niet bestudeerd hadden. De buitenstaanders die hier getuige van waren, verbaasden zich: ‘Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken Galileeërs? En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal; waarin wij geboren zijn?’ (vers 6-12). Vervolgens worden er wel een vijftiental talen in dit Bijbelgedeelte opgenoemd, waaronder Perzisch en Egyptisch. Hier spraken gelovigen onder de inspiratie van Gods Geest die zij net ontvangen hadden, vreemde talen die zij nooit eerder bestudeerd hadden. Het spreken in talen bestaat dus hierin, dat een gelovige zijn geest afstemt op Gods Geest en dan de taal overneemt, die de Geest doet uitspreken: ‘Zij begonnen met andere talen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken’ (Hand.2:4). Het is daarom een gave om in andere talen mensen te kunnen bereiken met het evangelie.
De Bijbel gebruikt naast het woord talen ook het woordje ‘tong’ of ‘taal’ in het enkelvoud: ‘Wie in een tong spreekt’ en ‘heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong’ (14:2 en 4, 14:13 en 14:26). Er zijn dus gevallen dat men van ‘allerlei talen’, of van ‘een soort geestestaal’ (Brouwer), of van ‘veelheid van talen’ (Canisiusvert.) zou kunnen spreken. Zo zegt de apostel van zichzelf: ‘Als ik tot u kom en spreek in taal’ (14:6). Natuurlijk kon Paulus ook slechts in één taal tegelijk spreken. Vandaar dat hij schrijft: ‘als ik bid in een taal’ en niet ‘in talen’ (14:14). Het is echter duidelijk dat hij de gave bezat om in verschillende talen te spreken.
In 1 Corinthe 12:30 stelt de apostel de vraag: ‘Spreken soms allen in talen?’ Deze gave is dus niet, zoals veel oecumenische gemeenten willen laten denken, voor iedereen. Men ruimt in de samenkomst maar wat graag tijd in voor een moment van spreken in talen. Men gaat er dus van uit dat iedereen dat moet kunnen doen en dan ook nog op het moment dat de voorganger het aangeeft. Zo wordt het spreken in talen tot een sacrament verheven. Men gaat klanken uitstoten, om maar te bewijzen dat men gedoopt is met Gods Geest. Geen wonder dat oprechte met Gods Geest vervulde christenen in een kramp kunnen schieten, als zij dit niet op bevel kunnen. Het spreken in talen is dan ook geen basisgave zoals bijna overal geleerd wordt, maar één van de vele geestelijke gaven.
Tenslotte schrijft Paulus:
- ‘Ik wilde wel dat u allen in talen sprak.’
- In vers 23: ‘als dan de hele gemeente bij elkaar gekomen is en allen in talen spreken.’
- In vers 27: ‘als er in talen spreken, laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ieder op zijn beurt.’
- Romeinen 8: ‘Ook komt ook de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij naar behoren moeten bidden. Maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.’
Als wij bidden (niet in een publieke samenkomst, maar in een persoonlijk gesprek met de Heer) kunnen wij ook in talen bidden. Dit bidden wordt bedoeld als Paulus zegt: ‘Wie in een tong bidt, bouwt zichzelf op’. Men bidt dan in een taal die Gods Geest ons laat spreken. Het is een middel om in de hemelse gewesten te strijden, demonen uit te werpen en zo met Gods Geest verbonden te zijn.
Vertaling en uitlegging van talen
Een ander bijzonder charisma is de vertaling of uitlegging van talen in de eigen gesproken taal. Het nut hiervan verschilt niet met die van de profetie. Zij is immers ook tot opbouw, want ‘wie profeteert is meer dan wie in talen spreekt, tenzij hij het ook uitlegt, zodat de gemeente opgebouwd wordt’ (14:5). Het bijzondere charisma van veel talen staat ook in de gemeente beneden de profetie, behalve als er een vertaling is. Wanneer een lid van de gemeente in een taal spreekt en een ander de vertaling geeft, wordt gedemonstreerd dat het één God of één inspirator is, ‘die alles in allen werkt’. De vertaling is de weergave van de taal in de voor de toehoorders verstaanbare taal. Omdat de uitlegging van een taal moeilijker is en meer geloof vereist dan het spreken in een taal, is het mogelijk dat de weergave van de inhoud korter of langer is. Men moet immers ook de beschikking hebben over de juiste uitdrukking in eigen taalschat.
Het gaat hier dus niet over een letterlijke woord-voor-woord-vertaling, maar om een vertaling of weergave van de inhoud. Wanneer een profeet zijn woorden laat voorafgaan door een gebed in een taal, hoeft de profetie geen vertaling te zijn, maar is de taal hier slechts een middel voor de profeet om zich te ‘verheffen’, om zich zuiverder en meer ongeremd op Gods Geest af te stemmen.
Wereld talen
‘Al deze dingen echter werkt door één en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil’ 11.
Met de woorden ‘Al deze dingen’ verwijst Paulus naar de gaven die hij zojuist heeft opgesomd. In de gemeente ontvangt ieder lid die ernaar streeft, een charisma om de gemeente te dienen. Paulus beperkt zich hier tot de negen geestelijke uitingen, waarover waarschijnlijk vragen waren gesteld. In de verzen 28 en 29 gebruikt hij een andere samenstelling van gaven die God aan de gemeente geeft. Het is voor de apostel een vanzelfsprekende zaak dat Gods Geest op deze manier als een energiebron in de gemeente werkt. Gods Geest distribueert al deze gaven naar zijn bedoeling, omdat God weet wat in de mens is. Hij is als een onderwijzer die aan een klas met kinderen nuttige leerstof uitdeelt en daarbij rekening houdt met de leeftijd, de ontwikkeling, de geaardheid en de interesse van ieder kind afzonderlijk. De gave die Gods Geest geeft, past bij degene die haar ontvangt. Wanneer deze gaven ontwikkeld worden, staan ze in dienst van de hele gemeente.
Het gaat er bij de apostel niet om het accent op de verscheidenheid te leggen, maar op de eenheid. Alles wat de enkeling ontvangt, is een gave van de ene Geest voor de hele gemeente. Het is als bij een lichaam waar ieder lid en ieder orgaan een eigen functie heeft ten behoeve van het geheel. Gods Geest wil immers de gemeente in haar geheel opbouwen en Hij doet dit door in ieder die gave tot ontwikkeling te brengen, die bij diens geestelijke structuur past. Ieder lid moet op zijn beurt er zijn best voor doen om de leerstof, die hem wordt geboden, te verwerken en zijn proefwerk zo goed mogelijk te maken. Gods Geest voedt op in theorie en in praktijk en in de gemeenten wil God dit op dezelfde manier in praktijk doen.


