41. Het verheerlijkte lichaam

1 Corinthe 15:35-49

Maar, zal iemand zeggen, hoe worden de doden opgewekt en met wat voor lichaam komen zij terug? 35.

Jezus zei: ‘Het uur komt, dat allen, die in de graven zijn, naar mijn stem zullen horen en zij, wie het goede gedaan hebben, zullen uitgaan tot de opstanding ten leven, zij wie het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ten oordeel’ (Joh.5:28,29). De Mensenzoon heeft dus macht gekregen om allen die gestorven zijn, te doen opstaan. In Daniël 12:2 staat: ‘Velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen’ (Op.20:12-15).

Paulus begint nu de gedachten van de loochenaars van de opstanding te formuleren. Zij zeggen: ‘Hoe kan dit nu? ‘Hoe’, dat is op welke manier staan de doden op en met wat voor soort lichaam komen zij terug? Hoe kan nu een lichaam dat volkomen verteerd is, dat misschien verbrand is, waarvan de as over de akker werd uitgestrooid, hoe kan dat nu weer gaan leven? Inderdaad is het dwaas te geloven dat een volkomen vergaan lichaam, dat al lang tot stof is weergekeerd, opnieuw tot leven zal komen. Paulus zal deze vraag wel meerdere malen hebben horen stellen en hij had hier natuurlijk over nagedacht.

De leer van de opstanding was niet alleen voor veel heidenen onaanvaardbaar, maar ook voor veel Joden. Denk maar aan de sekte van de Sadduceeën, die de opstanding loochenden. Toen Paulus voor de Raad gebracht werd, maakte hij handig gebruik van deze tegenstelling tussen Farizeeën en Sadduceeën. Hij riep het uit: ‘Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën, ik sta terecht om de hoop en de opstanding van de doden. En toen hij dit zei, kwam er ruzie tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en de menigte werd verdeeld’ (Hand.23:6,7).

Ook snijdt de apostel de vraag van de twijfelaars aan, of het opstandingslichaam wel dezelfde vorm en dezelfde gestalte met dezelfde eigenschappen zou hebben als de mens van nature bezit. Over dit laatste kan opgemerkt worden, dat ‘vlees en bloed’ het Koninkrijk van God niet kunnen erven, dus uitgesloten zijn van het verrijzingsproces. Vlees en bloed karakteriseren het sterfelijke en vernederde lichaam. Wat verder te zeggen van de vraag of zo’n lichaam uit de graven opkomt, terwijl er misschien zelfs in het geheel geen sprake was van een begrafenis?

Dwaas, wat u zaait, wordt niet levend, als het niet gestorven is. En wat u zaait, daarvan zaait u niet het lichaam dat worden zal, maar een kale graankorrel, al naar het voorvalt, van tarwe of van een van de andere graansoorten. God echter geeft daaraan een lichaam zoals Hij heeft gewild en aan elk van de zaden zijn eigen lichaam’36-38.

Het antwoord van de apostel begint met: ‘Dwaas!’ Onverstandig en dom is de mens, die geen geestelijk inzicht heeft en die alleen vanuit zijn natuurlijk denken redeneert. Voor hem geldt: ‘Bewerende wijs te zijn, zijn ze dwaas geworden’ (Rom.1:22). De opstanding is een geestelijke zaak, die de inwendige mens betreft. De rechtzinnigen in Israël, die geen kennis hadden van het Koninkrijk der hemelen, geloofden wel in een opstanding, maar verbonden haar met het herstel van het vergankelijke en stoffelijke. Vandaar dat ze hun doden zo zorgvuldig begroeven, liefst familiegewijs, zodat bij de opstanding de natuurlijke geslachten samen op dezelfde plaats zouden opstaan en weer verenigd worden. Men werd tot zijn vaders verzameld.

Ook de vele naamchristenen worstelen nog altijd met deze vragen en men spreekt daarom op een oudtestamentische wijze van een opstanding van het vlees. Daarom hecht zij veel waarde aan graftomben, aan familiegraven, aan het begraven worden in gewijde aarde, aan kerkhoven met zerken waarop de namen en data vermeld staan van de overledenen. Men weet daarom geen raad met hen van wie de as als mest was uitgestrooid op het gras, dat later door het vee zou worden afgegraasd. Paulus had echter gebroken met deze oud-joodse voorstellingen en had door zijn kennis van de geestelijke wereld het mysterie van de opstanding ontdekt.

Paulus geeft nu een voorbeeld uit de natuur. Een zaadje valt op de akker en er begint zich een nieuw leven in te ontwikkelen. Dit nieuwe leven groeit en ontplooit zich en krijgt een gestalte die verschilt van de korrel die op de aarde was gevallen. Door de ontwikkeling van de nieuwe plant wordt de korrel gedeeltelijk verslonden en de rest wordt verteerd. De plant is het nieuwe lichaam dat gaat leven. Men zaait geen groene blaadjes, stengel of bloem, maar een korrel. Als het zaad sterft, geeft God er een lichaam aan en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam. God heeft deze vaste regel van het begin af bepaald. Het zaadgevend gewas draagt naar zijn eigen aard vrucht (Gen.1:11). Wie tarwe zaait, zal tarwe oogsten. Zo brengt men bijvoorbeeld een aardappel in de grond. Deze sterft en de nieuwe plant die opgroeit, heet ook aardappel, maar lijkt toch niet op de knol die gepoot was. Zo ook draagt de graanplant dezelfde naam als de korrel.

De natuurlijke mens is op deze aarde als een zaadkorrel. Bij zijn wedergeboorte verschijnt een geestelijk mens met een geestelijk lichaam, hoe klein dit ook mag zijn. Dit geestelijk lichaam moet uitgroeien tot volwassenheid. Wanneer het geestelijk lichaam zich begint te ontwikkelen, vervalt de oude mens van dag tot dag (2 Cor.4:16). De oude mens is dat gedeelte van het leven dat door de boze geesten wordt misbruikt en bespeeld. Dit wordt afgelegd en de vernieuwde mens met zijn geestelijk lichaam absorbeert, of neemt in zich op, datgene wat in het oude leven nog goed was. Dit gaat zo door tot bij het sterven van de christen ook de laatste resten van zijn vergankelijk leven, dat is zijn lichaam, tot stof terugkeren.

Paulus merkt in 2 Corinthiërs 5:1,2 op, dat wij als christenen bij het sterven ‘een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis’. Wij bezitten dus nu al dit eeuwige huis of lichaam. De nieuwe mens hoort zich tijdens zijn aardse leven te ontwikkelen en zich een nieuwe statuur te vormen, die na zijn sterven rechtstreeks haar intrek neemt bij zijn Heer. Deze statuur of dit geestelijk lichaam is reëel, hoewel voor het natuurlijke oog onzichtbaar, net als de ziel en de geest dit zijn. Ziel en geest worden ‘bekleed’ met het geestelijk lichaam. Dit wordt opgebouwd uit de ‘goede werken’, want deze vormen ‘het blinkend en smetteloos fijn linnen kleed’ (Op.19:8).

Het sterven is dus de scheiding tussen het geestelijk en het natuurlijk lichaam, tussen de onvergankelijke en de vergankelijke mens, tussen het eeuwige en het tijdelijke. Men gebruikt in dit verband dikwijls de tekst uit Johannes 12:24: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf, maar als zij sterft, brengt zij veel vrucht voort’. Dit vers heeft echter alleen betrekking op het leven van Jezus. Hij had immers zonder sterven in een punt des tijds, of een ondeelbaar ogenblik, veranderd kunnen worden, waarbij zijn stoffelijk lichaam verzwolgen zou zijn in de overwinning van zijn geestelijk lichaam. Hij stierf echter om naar de innerlijke mens het dodenrijk binnen te gaan en om hierdoor velen te behouden en de weg naar het zoonschap te openen.

Alle vlees is niet hetzelfde vlees, want het vlees van mensen is verschillend en het vlees van dieren is verschillend en dat van vissen is verschillend en dat van vogels is verschillend. En er zijn hemelse lichamen en er zijn aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse is verschillend en die van de aardse is verschillend. De glans van de zon is verschillend en de glans van de maan is verschillend en de glans van de sterren is verschillend, want de ene ster verschilt in glans van de andere ster 39-41.

Er is vlees van mensen, van vissen, van vogels en van beesten. Dit geldt ook voor de variëteiten in groenten en vruchten. Smaak en geur verschillen. Er is dus grote verscheidenheid in al deze soorten, maar alle zijn ‘vlees’ aan wie God een eigen lichaam schonk. Dit laatste woord zouden we kunnen vervangen door verschijningsvorm. Een lichaam is een vorm om in te existeren. Zo heeft het rupskoolwitje op aarde een andere verschijningsvorm dan het vlinderkoolwitje in de lucht. Paulus schrijft hier niet als een bioloog of scheikundige, maar als een waarnemer die heeft opgemerkt, dat het vlees aangepast is aan het bestaan van een bepaalde soort. Ieder beest, iedere vogel en vis heeft een eigen verschijningsvorm. Wij zouden verder kunnen opmerken, dat het vlees van baby’s anders is dan dat van pubers en dit weer anders dan dat van bejaarden. Ook is er verschil tussen mannen en vrouwen. Ieder heeft zijn of haar geëigende vorm, gestalte en structuur. Zo heeft ook elk hemellichaam zijn aparte lichtglans en zijn plaats en stand aan het hemelgewelf. Met hemelse lichamen bedoelt de apostel dus niet de engelenwereld, want de namen van zon, maan en sterren sluiten deze opvatting uit.

De apostel komt hierna tot de conclusie, dat het geestelijk lichaam heerlijker en voortreffelijker is dan het natuurlijk lichaam. Een geestelijk of hemels lichaam is ingesteld op een leven in de onzienlijke wereld en een natuurlijk of aards lichaam is aangepast aan de elementen van de aarde en aan de manier van leven in de zichtbare wereld. Zo zijn (als beeld) de hemellichamen aangepast voor hun functie in het uitspansel, waar zij verschillen in grootte en lichtsterkte. Tussen deze lichamen zijn er grote verschillen in structuur. Zo staat er ook, dat ‘de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd’ (Dan.12:3). In de geestelijke wereld is geen democratie, maar ook onder de geestelijke mensen is een hiërarchie van hen, die op aarde door hun goede werken en rechtvaardige daden zich een blinkend en smetteloos fijn linnen kleed weefden, het geestelijk lichaam; van hen die aller dienstknecht wilden zijn, om het hemelse loon en de hemelse kroon te verwerven (Op.19:8). Zo verscheen de Mensenzoon in de gestalte van een dienstknecht en zijn verschijningsvorm of lichaam was aangepast ‘in een vlees, aan dat van de zonde gelijk’ (Rom.8:3; Hebr.2:14). Het geestelijk lichaam van de mens is aangepast aan de onzienlijke wereld waar bijvoorbeeld geen vermenigvuldiging meer is, dus waar men niet meer huwt.

Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in vergankelijkheid, het wordt opgewekt in onvergankelijkheid. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt 42-44a.

Het is met de opstanding van de doden als met het graan. Er wordt gezaaid, dat wil zeggen dat er een ontwikkelingsproces op gang wordt gebracht van een nieuwe plant en een afstervingsproces plaatsvindt van de oude graankorrel. Het nieuwe leven gaat ten koste van het oude. Dit laatste is vergankelijk, corrupt, aan het verderf (St. Vert.) of aan het bederf (Can. Vert.) onderhevig. Het woord betekent letterlijk: vernietiging, verwoesting, ondergang. Het doelt dus op een proces van teniet gaan, waaraan ieder natuurlijk lichaam is onderworpen. In het opstandingsproces ontwikkelt zich de innerlijke mens met zijn onzichtbaar, geestelijk lichaam en wordt de uitwendige mens afgebroken.

In 2 Corinthiërs 4:16 spreekt de apostel over het verval van de uitwendige mens zoals deze zich in de zichtbare wereld presenteert met zijn macht, invloed, eer, aanzien, religie en rijkdom. De inwendige mens met zijn geestelijk lichaam wordt echter ‘van dag tot dag vernieuwd’. Het opgewekt worden in onvergankelijkheid of onverderfelijkheid ziet dus op het geestelijk, onzichtbaar lichaam dat geheel compleet wordt en dat dan ook in de stoffelijke wereld kan functioneren. Het woord ‘onvergankelijk’ wordt als een kenmerkende eigenschap van God zelf genoemd (1 Tim.1:17).

In 2 Corinthiërs 5:1 wijst Paulus erop, dat de opnieuw geboren christen bij zijn sterven al een gebouw van God in de hemelen of onzienlijke wereld heeft. Bij zijn opstanding wordt hij met dit huis ‘overkleed’ en kan hij er ook mee in de stoffelijke wereld verschijnen. Het geestelijk lichaam is dan in staat een stoffelijke verschijningsvorm aan te nemen, want de geest is zo krachtig, dat hij zich kan materialiseren. Wij zien dit bijvoorbeeld na zijn opstanding bij Jezus zelf. Hij ‘verscheen in een andere gedaante aan twee van hen op de weg’ (Marc.16:12). Hij at en dronk met deze Emmaüsgangers, maar kon ook weer uit hun midden verdwijnen met zijn onzichtbaar, geestelijk, gedematerialiseerd lichaam. Bij een geestelijk lichaam kan bij de opstanding, kracht worden omgezet in stof en stof in kracht. Zo’n lichaam kan met ‘vlees en beenderen’ tegen een muur leunen, maar ook ontbonden in kracht, door een muur heengaan.

Het oneervolle of onaanzienlijke is ons sterfelijke, onder de heerschappij van de satan vernederd lichaam. In Athene was iemand oneervol, als hij zijn burgerrechten had verloren. Hij was dan eerloos en kon geen enkel beroep meer doen op de rechten en voorrechten van de burgers. Het oneervolle blijft uiteindelijk bij het sterven achter zoals de restanten van de rups met de cocon verschrompelen, wanneer de vlinder zich verheft in het luchtruim. Zo scheiden bij het sterven het geestelijk lichaam en het natuurlijk lichaam van elkaar. Het geestelijk lichaam trekt zich terug in de hemelse gewesten, om later in heerlijkheid te worden opgewekt. Paulus schreef dat hij bij het sterven ‘bij de Heer zijn intrek nam’.

Wanneer iemand slaapt, is hij onttrokken aan de zichtbare wereld. Hij is echter niet dood, maar is alleen bezig in de onzienlijke wereld. Wanneer hij gewekt wordt, betekent dit dat hij begint te functioneren in de natuurlijke wereld. Bij de opstanding gaat het geestelijk lichaam zich op stoffelijke wijze manifesteren en wordt de heerlijkheid, dat is de onvergankelijkheid en de onverderfelijkheid, zichtbaar. Heerlijkheid is ook weer kenmerkend voor God en zijn rijk. Zij wijst op macht, onaantastbaarheid en glans. De uitwendige mens was ook zwak, dat is kwetsbaar en onderworpen aan de beïnvloeding van zonde, ziekte en dood. Bij de opstanding van het geestelijk lichaam blijkt dat de nieuwe mens onttrokken is aan al de negatieve en ontbindende invloeden van het rijk van de duisternis. Het geestelijk lichaam wordt opgewekt in kracht (dunamis), dat wil zeggen dat het volkomen onttrokken is aan elke wetteloosheid. Het is sterk door zijn verbinding met de kracht van de Heilige Geest, want er is een enorme kracht nodig om met een geestelijk lichaam zich te manifesteren in de stoffelijke wereld en zich daar dan ook weer aan te kunnen onttrekken.

Het is wel duidelijk dat de apostel hier alleen spreekt over de opstanding van hen die ‘in Christus’ ontslapen zijn. Er wordt hier dus niet gezegd: het lichaam van vlees en bloed wordt begraven en dit vlees zal eenmaal worden opgewekt en dan opstaan, maar er staat: er wordt een zielenlichaam (soma psuchikon) gezaaid, dus waarin de ziel overheerst. Het natuurlijk lichaam is het zielenlichaam, waarvoor de aardse wetten van tijd en plaats functioneren, zoals dit ook voor de dieren als levende zielen het geval is. In het Oude Testament is dan sprake van de levensadem die in iemands neusgaten is. Daar is dan de ‘nèfesj’ of de adem die aan het lichaam het leven schenkt. Bij het sterven blaast de mens dan de laatste adem uit. Het Oude Testament werkt dus met begrippen uit de stoffelijke wereld. Hoe zou het ook anders kunnen, omdat het evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat Jezus verkondigde, nog onbekend was.

Er staat niet: het natuurlijk lichaam wordt gezaaid en dit staat ook op, maar: er wordt gezaaid èn er wordt opgewekt. Het geestelijk lichaam (soma pneumatikon) functioneert naar geestelijke wetten en is bijvoorbeeld niet gebonden aan tijd en plaats, aan voedsel en drank of aan zuurstof. De ziel van de gelovige met haar wil en gevoelsleven is nu al bezig zich in de onzienlijke wereld schatten te verzamelen. Daarom moet de ziel van de christen niet teveel met de natuurlijke wereld zijn verbonden, maar zich richten op de geestelijke wereld. Een geestelijk lichaam wordt opgewekt, dus niet het lichaam dat in het graf ligt of gelegen had. De geestelijke mens, de inwendige mens, dat is de ziel met de geest in zijn geestelijk lichaam, staat op. Dit lichaam gaat in de zichtbare wereld functioneren. Vanaf de dag van de opstanding kan dus door de geestelijke mens met zijn geestelijk lichaam ook aards werk worden verricht!

Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam. Zo staat er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levend wezen, de laatste Adam tot een levendmakende Geest 44b,45.

Het denken en spreken over het natuurlijk lichaam geeft weinig problemen. Dit ontstaat in de moederschoot na bevruchting, groeit daar en bij de geboorte manifesteert het kind zich in de zichtbare wereld. De levensgeest houdt het lichaampje in stand en brengt het tot ontwikkeling. Zo groeit het naar de volwassenheid toe, naar het beeld van de eerste Adam. Met de lichamelijke ontwikkeling groeit ook de ziel mee: kennis, wijsheid, verantwoordelijkheid en incasseringsvermogen nemen toe. Wanneer de duivel er niet was, zou de mens gelijkvormig worden aan Adam vóór zijn val, zoals deze geschapen was: rechtvaardig en bekwaam om te heersen over alles wat op aarde leeft en over de dode stof uit het mindere, leidt de apostel nu het meerdere af: ‘Zoals er een zielenlichaam bestaat, zo bestaat er ook een geestelijk lichaam’. Er is ook een tweede mens, dit wil zeggen een vernieuwde mens, uit de hemel (vers 47).

God had een hoger doel dan dat de mens alleen goed toegerust zou heersen op aarde. Hij zou ook een koning zijn in de geestenwereld. Adam had dit doel gemist. Zijn geestelijke ontplooiing werd abrupt afgebroken vanwege de zondeval. De satan blokkeerde niet alleen zijn geestelijke ontwikkeling, maar remde ook zijn natuurlijke groei af door ziekte en dood. Vanwege zijn zonde kwam de mens niet onder de pressie van de satan vandaan en daarom doet hij wat hij niet wil en wat hij wel wil, kan hij niet (Rom.7:9-24). Bij ziekte wordt ook maar al te vaak de geestelijke groei gestagneerd, doordat deze hem voortdurend bezig houdt met zijn natuurlijk lichaam. In het nieuwe verbond schenkt God weer de mogelijkheid om een geestelijk mens te worden. Deze is immers bij zijn wedergeboorte overgeplaatst naar het hemelse paradijs, waar hij mag eten van de Levensboom (Op.22:2), dus gemeenschap met Christus mag hebben door Heilige Geest.

Hoe ontstaat nu het geestelijk lichaam? Zijn begin en zijn ontwikkeling lopen parallel met die van het natuurlijk lichaam. De geest van de natuurlijke mens wordt bevrucht door het zaad van het Woord van God. Door deze gemeenschap wordt de kiem gelegd van de nieuwe mens. Het leven van de mens en het leven van het Woord dat geest en leven is, vormen samen een nieuw leven. De mens gaat anders denken en handelen. De (weder)geboorte manifesteert dit nieuwe leven. Er is een geestelijk lichaampje te voorschijn gekomen en men kan de nieuwgeborene waarnemen door zijn manier van leven. De nieuwe mens is dus voortgebracht door het woord van de waarheid en hij mag daardoor in zekere zin een eersteling heten onder God schepsels (Jac.1:18).

Wij zijn ‘opnieuw geboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’ (1 Petr.1:23). De wedergeboorte kan men zien aan het nieuwe leven in het rijk van God. Daar ontwikkelt zich het geestelijk lichaam dat ziel en geest omhult. Deze nieuwe, wedergeboren mens is een rechtvaardige en in zijn lichaam wil God wonen. Deze vindt er zijn behuizing of zijn tempel. De Heer zei: ‘Wij zullen komen en bij hem wonen’ (Joh.14:23). Gods Geest verbindt Zich dan met onze geest, want God is geest. Hij woont in het nieuwe geestelijke lichaam en zijn Heilige Geest stimuleert nu het ontwikkelingsproces totdat de christen geheel volwassen is.

Wij merken op dat de geestelijke mens in deze tijdsbedeling twee lichamen en twee geesten heeft: een natuurlijk lichaam met een geestelijk lichaam en een menselijke geest met de Heilige Geest. Het geestelijk lichaam heeft oren om te horen wat de Geest zegt en ogen om te zien, ten einde de bewoners van de geestelijke wereld te onderscheiden, of zij goed zijn of slecht, of zij licht zijn of duisternis. Hij heeft voeten om te wandelen op ‘de hoge weg’. Hij heeft handen om iets uit de onzienlijke wereld naar zich toe te halen. Wij spreken dan van de hand van het geloof. Met haar heffen wij ook het schild van het geloof omhoog.

Natuurlijk wil de satan niet dat de nieuwe mens zich naar (geestelijk) lichaam, ziel en geest ontwikkelt. Daarom probeert hij hem door pressie, leugen of dwaling te beschadigen. Wanneer de geestelijke mens echter de waarheid vasthoudt, groeit hij naar de volwassenheid of volkomenheid toe, dat is naar Christus (Ef.4:15). Wij zijn ons ervan bewust dat het geestelijk lichaam zich in een aarden vat bevindt. Wordt dit aangetast, dan heeft dit zijn terugslag op het geestelijk lichaam. Daarom moet het sterfelijk lichaam de vernieuwing ook ervaren, want de Geest die Jezus Christus uit de doden opgewekt heeft, zal niet alleen het geestelijk lichaam intact houden, maar ‘óók uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont’ (Rom.8:11). Het herstel van het vernederd lichaam begint van binnen uit!

De Bijbel spreekt niet over een geestelijk lichaam bij kinderen. Zij moeten zich primair in de natuurlijke wereld ontwikkelen, terwijl zij in de geestelijke wereld beschermd en bewaakt worden door hun ouders in wie ze geheiligd zijn. Alleen een volwassen mens kan een geestelijk leven leiden. Door de wetteloze toestanden in onze tijd worden de kinderen echter vaak te vroeg volwassen en dan hebben zij, wanneer de ouderlijke bescherming te kort schiet, ook de Heilige Geest nodig, zodat ze niet als het groene gras zullen verbranden (Op.8:7).

Om nu de tegenstelling tussen de natuurlijke en de geestelijke mens duidelijk te illustreren, noemt de apostel het essentiële verschil tussen Adam en Christus. Adam is hier het hoofd van de natuurlijke mensheid, van de eerste of oude schepping en Christus is hier het hoofd van de geestelijke mensheid, van de tweede of nieuwe schepping. Adam was ook voor zijn val geen geestelijk mens, maar een levende ziel met een natuurlijk leven. Zo stond er al in Genesis 2:7 volgens de Septuagint geschreven: ‘En de mens werd een levende ziel’ (psuchè). Christus is de laatste Adam, dat wil zeggen: de tweede (vers 47) of de definitieve mens, die geheel ontwikkeld is naar het natuurlijke zowel als naar het geestelijke. Een andere mens, een derde of vierde, is niet te verwachten; daarom staat er: de laatste Adam. Zoals Adam het biologische leven doorgaf, zo is Christus een levendmakende geest of een eeuwig leven gevende geest, of een ‘levenverwekkend geesteswezen’ (vert. Brouwer). Het leven dat Hij schenkt, gaat boven het natuurlijke leven uit.

Jezus zei: wie in de Zoon gelooft, dat is wie zijn woord aanvaardt en bewaart, heeft ééuwig leven (Joh.3:36). Hij maakt de ziel levend, dit wil zeggen dat Hij haar verheft tot een hogere dimensie, dat Hij haar verbindt met het geestelijke leven. Hij verlicht door Gods Geest het verstand en vernieuwt de gedachten, zodat de mens de geestelijke wereld leert kennen en verstaan. Door het leven dat de laatste Adam schenkt, ontwikkelen zich ook de geestelijke gaven, die het de mens mogelijk maken zijn plaats in de hemelse gewesten in te nemen en zich daar waar te maken. Daar domineert zijn geest verbonden met de levendmakende Heilige Geest, die door de laatste Adam aan de mens wordt geschonken. Deze Geest ondersteunt de menselijke geest als leermeester en als kracht. Zo ontwikkelt de natuurlijke mens zich ook niet vanzelf, maar hij moet van buiten af worden gevoed, geholpen en begeleid. De inwonende Geest begeleidt de mens bij zijn geestelijke ontwikkeling tot de maat van de volwassenheid van Christus. De ziel wordt hogerop gevoerd en Gods Geest houdt ook het vernederde lichaam levend, dus intact, zodat het functioneren kan naar de wil van de Schepper.

In vers 22 was sprake van ‘in Adam’ zijn en sterven, óf ‘in Christus’ zijn en levend gemaakt worden. Wij zijn dus een van wezen met de eerste Adam óf een van wezen met de laatste Adam, die het hoofd is van een geestelijk geslacht. In Hem hebben wij deel aan een geestelijke metamorfose, een wedergeboorte. Wij worden zelf ook leven gevend, zodat stromen van levend water uit ons binnenste vloeien (Joh.7:38). Wij geven dan de gedachten en woorden van God door. De natuurlijke mens geeft in zijn kinderen het leven door in de natuurlijke wereld. De geestelijke mens geeft het zaad van God door, dat is Zijn woord. Hierdoor worden er kinderen van God in de geestelijke wereld geboren. Daarom gelden de woorden: ‘wees vruchtbaar en vermenigvuldig u’ ook voor ongehuwden. Wanneer de geestelijke mens ook naar zijn lichaam verandert (vers 52), houdt het doorgeven van het biologische leven op. Hij huwt niet meer, maar is in dit opzicht gelijk aan de engelen in de hemel (Matth.22:30).

Het geestelijke is echter niet eerst, maar het natuurlijke en daarna komt het geestelijke 46.

Gods scheppingswet is, dat eerst het natuurlijke lichaam tot ontwikkeling komt en daarna het geestelijke. De natuurlijke mens ontwikkelt zich dus eerst. Men ziet dit bij een kind. Zijn ziel en geest richten zich allereerst op het natuurlijke leven en op het zichtbare. Daarom mag men bij baby’s niet spreken van een ‘veronderstelde wedergeboorte’, om ze op deze grond te kunnen besprenkelen. De wedergeboorte is immers de verandering van een natuurlijk denken in een geestelijk en dit gebeurt alleen door de aanvaarding van de woorden van God (Jac.1:18 en 1 Petr.1:23). De natuurlijke mens ontwikkelt eerst zijn lichaam, zijn verstand, zijn gevoelsleven, zijn wil, alles op aards niveau. Als hij niet verkeerd beïnvloed wordt en de satan zijn slag nog niet geslagen heeft, zal zijn geest, die de drager is van de wetten van God, hem ook moreel doen opgroeien. Zoals een postduif luistert en handelt naar de ingeschapen natuurwetten en terugkeert naar zijn nest, zo houdt de onbeschadigde mens zich intuïtief aan de zedelijke normen en ontwikkelt hij zich goed naar geest en ziel.

De Bijbel schrijft over heidenen, die nog niet door satan zijn overweldigd, dat ze ‘van nature doen wat de wet gebiedt’ (Rom.2:14). Deze wet is ingeschreven in hun hart. Zo veronderstelde Abraham dat er zelfs in Sodom nog rechtvaardigen zouden kunnen zijn. Het geestelijk lichaam begint zich te ontwikkelen bij de wedergeboorte. Dan gaat men horen en zien en door de Geest van God geleid, functioneren in de onzienlijke wereld. Wanneer sprake is van ‘verlichte ogen van uw hart’, wordt de ziel verlicht (Ef.1:18). Wanneer ‘het verstand wordt geopend’, wijkt de geestelijke verduistering (Luc.24:45; Ef.4:18) en krijgt de mens het juiste inzicht in de realiteiten van het Koninkrijk der hemelen. In Hebreeën 6:4 wordt erover gesproken, dat er mensen zijn, die eens verlicht waren, van de hemelse gave hadden genoten, deel gekregen hadden aan de Heilige Geest en aan het goede, nieuwtestamentische woord van God, de krachten van de toekomende eeuw hadden gesmaakt en daarna afgevallen waren. Zij waren dus geestelijk ingestelde christenen geweest, maar waren teruggevallen. Zij werden geestelijk dus ‘kinds’.

Een mens moet eerst het natuurlijke leren verstaan. Hij wordt onwetend geboren en moet veel bijleren. Hij mag niet onderontwikkeld blijven. De duivel wil dit ontwikkelingsproces blokkeren. Hij houdt sommigen in hun lichamelijke groei tegen, anderen remt hij af in hun zielencapaciteiten, hij verminkt hun gevoelsleven, verduistert hun verstand en verlamt hun wil. ‘Vrome’ en occulte geesten hebben eeuwenlang meisjes verhinderd te studeren en de islam beschouwt ze nog steeds minder dan een dier, enkel om gebruikt te worden als ‘akker’ om maar zoveel mogelijk haatbaarden te kweken die niet-islamieten vrij mogen afslachten. Geestelijk gestoorden hebben meestal geen interesse voor de gewone natuurlijke dingen. Zij zien bijvoorbeeld niets van de schoonheid van de schepping.

Veel naamchristenen worden geestelijk afgeremd. Zij hebben geen belangstelling voor het Woord van God. Zij kunnen de prediking niet volgen, grijpen of vasthouden. Zij kunnen niet bezig zijn met geestelijke zaken, hoewel ze in het natuurlijke leven goed bij de tijd zijn. De geestelijke mens is niet gebouwd op domheid, gebondenheid, remmingen, beschadigingen, ook niet naar het lichaam. Daarom wil de Heer dat de mens gezond is, dat het hem in alles wèl gaat, zoals het zijn ziel wèl gaat (3 Joh.2). God wil dat geest, ziel en lichaam, zowel natuurlijk als geestelijk, bij de komst van onze Heer Jezus Christus blijken in hun geheel onberispelijk bewaard te zijn, dus dat zij zich onbelemmerd ontwikkeld hebben (1 Thess.5:23). De ware christen moet ook de nieuwe indrukken vanuit de hemelse gewesten ongeremd kunnen verwerken.

De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk; de tweede mens is de Heer uit de hemel. Zoals de stoffelijke is, zo zijn ook de stoffelijke mensen en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelse mensen. En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen 47-49.

De eerste mens, de natuurlijke, was uit de elementen van de aarde geformeerd. Hij leefde door zijn menselijke geest die verbonden was met de stof en die deze levend maakte. Ook zijn ‘levende ziel’ existeerde alleen op aarde. De tweede mens, de geestelijke, de nieuwe schepping, hoort bij de hemel, dat is de onzichtbare wereld. Hij is de Heer Jezus Christus. Zoals ‘uit de aarde’ de uitdrukking is van vergankelijkheid en tijdelijkheid, zo is ‘uit de hemel’ verbonden met onvergankelijkheid en eeuwigheid.

De uitdrukking ‘de tweede mens is uit de hemel’ wil niet de gedachte opwekken, dat Jezus voor zijn geboorte een hemels bestaan zou hebben gehad. Het Woord van God had in Hem vlees aangenomen en Hij was de mensen in alles gelijk, uitgezonderd dan dat Hij nooit contact heeft opgenomen met de zondemachten en niet gehuwd was. Na zijn doop in Heilige Geest werd Jezus overgezet in de hemelse gewesten als geestelijk mens en kon Hij zeggen: ‘De Mensenzoon die in de hemel is’ (Joh.3:13 St. Vert.).

In het ontwikkelingsproces is het aardse of stoffelijke vergankelijk. Daarom voedt de natuurlijke mens zich alleen met stoffelijk voedsel of aards brood. De hemelse mens is echter onstoffelijk en onvergankelijk. Hij voedt zich met het hemelse brood, het woord van God. Zijn aardse bestaan blijft echter van de stoffelijke voeding afhankelijk. Wanneer de apostel opmerkt dat wij de gestalte van de aardse hebben gedragen, bedoelt hij hiermee niet Adam na zijn val, maar vóór diens val. Al zijn wij bij onze geboorte onbeschadigd en vrij van zonde, wij kunnen zoals Adam is verleid, onderdrukt en overweldigd worden. De mens begint immers onschuldig, maar hij krijgt schuld als hij door de duivel geknecht en misbruikt wordt.

De hemelse mens Jezus Christus werd van een gave, natuurlijke man, na zijn doop in Heilige Geest tot een volmaakt geestelijk mens. Zo ontwikkelen ook wij, want wij veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Heer, die Geest is’ (2 Cor.3:18). Eerst moeten wij dus weer onschuldige mensen worden en wij zijn dit door het bloed van het Lam. Vanuit deze rechtvaardigheid ontwikkelt zich de geestelijke mens. In en door deze mens werken de krachten van Gods Geest, zodat het beschadigde van het zielenleven en van het lichaam kan worden genezen.

Het evangelie van Jezus Christus voorziet in het herstel van de inwendige en de uitwendige mens. Wij hebben het beeld van de aardse gedragen, helaas ook in zijn ongehoorzaamheid. Wij zijn echter begraven en opgestaan als een nieuwe schepping. Het oude is voorbij en alles nieuw geworden. De herschapen mens groeit – wanneer hij in het geloof deze waarheid of gedachte van God vasthoudt – in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus (Ef.4:15). Het is daarom de taal van het geloof, als wij zeggen: ‘Wij zullen het beeld van het hemelse dragen’ of ‘wij zullen aan Hem gelijk zijn’ (1 Joh.3:2). Dit proces gaat door totdat het geestelijke lichaam het natuurlijke lichaam vervangt, dat is wanneer het vernederde lichaam bij het sterven wordt prijsgegeven aan de ontbinding om tot stof terug te keren, of wanneer het vernederde lichaam verzwolgen wordt in de overwinning van het volmaakte en volgroeide geestelijke lichaam in een punt des tijds. Dan is ook de hele geestelijke mens voltooid.

Aan het einde van dit gedeelte over het ‘opstandingslichaam’ willen wij ons nog even bezinnen op het ontstaan van het geestelijk lichaam. De menselijke geest die het aardse lichaam tot ontwikkeling brengt en zorgt voor de natuurlijke ontplooiing en instandhouding van het zielenleven, bezit ook nog het vermogen de mens tot ontwikkeling te brengen als geestelijk wezen, met een geestelijk, onsterfelijk lichaam. Het is als bij een rups die in zich het vermogen heeft om een vlinder te vormen. Bij zijn bekering maakt de mens zijn geest los van het contact met de boze geesten en richt hij zijn geest op God en op het woord van Christus (Rom.10:17).

Door dit contact wordt zijn geest bevrucht en een nieuw levensbeginsel begint. Er ontstaat een nieuwe schepping, een nieuwe mens of een tweede mens, die in de geestelijke wereld leeft en bij de wedergeboorte zich manifesteert in een geestelijk lichaampje. Dit lichaampje moet zich ontwikkelen door zich te voeden met het levensbrood, dit wil zeggen door steeds meer van het woord van Christus en de beloften van God in geloof tot zich te nemen en te realiseren in goede werken. Een opgroeiende christen heeft dus een aardse tent, een aards omhulsel of een aards kleed, maar zijn innerlijke mens is ook bezig een hemels gebouw, een hemels omhulsel of een hemels kleed tot ontwikkeling te brengen, zodat wanneer zijn aardse huis wordt afgebroken, hij een gebouw in de hemel heeft, een woonplaats voor God in de geestelijke wereld. Een geestelijk mens met een geestelijk lichaam ontstaat alleen door het geloof in het evangelie van Jezus Christus. Hij alleen is de laatste Adam. Hij is de Levensboom door wie de geestelijke mens ontstaat en gevoed wordt.

Wij wijzen er op dat ‘het kleed van de gerechtigheid’ hoort bij een ander beeld, namelijk bij dat van de vrouw van het Lam (Op.19:8). Een niet opnieuw geborene mist een geestelijk lichaam. Hij is van de aarde, aards. Hij is dus bij zijn sterven niet overkleed maar naakt, dat is zonder geestelijk lichaam. Zijn mens-zijn is dus nooit tot volwassenheid gekomen. De Schrift spreekt dan van ‘zijn worm’ in de geestelijke wereld; een bestaansvorm die niet sterft maar ook niet tot volheid is gekomen. In de vuurpoel mist de verlorene dus niet alleen een natuurlijk lichaam, maar ook een geestelijk lichaam. In dit opzicht is hij dan gelijk aan de satan en zijn demonen met wie hij wezensgelijk is geworden (Joh.6:70).