1 Corinthe 3:24-31
‘Maar voor hen die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, prediken wij Christus, de kracht van God en de wijsheid van God. Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen’ 24,25.
‘Geroepen zijn’ betekent aan een roepstem gehoor hebben gegeven, dus het evangelie beluisterd en in het geloof aanvaard hebben als waarheid en werkelijkheid in de geestelijke wereld. De geroepenen ervaren Christus als een kracht van God tot behoud. Hoe meer zij Hem leren kennen, hoe meer zij ook de wijsheid van God in Hem ontdekken. De Vader heeft immers in Hem een weg geschonken om van een onderdrukte slaaf van de zondemachten, een vrij en gaaf mens te vormen die tot alle goede werken volmaakt is toegerust en die met Hem zal heersen over al de werken van zijn handen. Wanneer Joden en heidenen eenmaal gelovig geworden zijn, veranderen hun inzichten totaal. Zij worden dan vernieuwd in hun denken. Bij de Joden wordt dan het ‘skandalon’, de steen des ‘aanstoots’ die hen deed vallen, of de ‘ergernis’ die hen eenmaal de tanden deed knarsen, weggenomen. De heidenen zien dan in, dat het dwaze van God om mensen te redden, beter is dan de redeneringen van de grootste filosoof. In Hem valt dan de muur van de afscheiding, die Jood en heiden eenmaal scheidde, volkomen weg. Vandaag zien we helaas dat veel Israëlfans deze muur weer hoog aan het opmetselen zijn.
Zij ontmoeten elkaar dus nu in de gemeenschap van geroepenen, in de gemeente van Jezus Christus. Christus betekent ‘gezalfde’. Alle geroepenen zien Hem in de onzienlijke wereld gezalfd met Gods Geest en met kracht (Hand.10:38). Voor de natuurlijke mens is dit alles bespottelijk, maar voor de gemeente uit Joden en heidenen is Jezus de kracht en de wijsheid van God. Dan blijkt dat de ‘dwaze’ weg van God om mensen te redden beter functioneert dan de zelfvoldane gedachtespinsels van de zogenaamd verstandige mensen. Het zwakke van God is de gekruisigde Christus, want ‘Hij is gekruisigd uit zwakheid’, als een zwak mens van vlees en bloed (2 Cor.13 :4). Toch bracht zijn kruisdood de krachtigste overwinning op de zonde en de dood. Nu leeft Hij als Verlosser ‘uit de kracht van God’ en is Hij de sterkere. Hij is zelfs de doper met Gods Geest, dus schenkt Hij allen die Hem erom bidden de grootste kracht in de hemelse gewesten. Hij is daarom wijzer dan alle knappe mensen en Hij is sterker dan alle krachtige mensen.
‘Let namelijk op uw roeping, broers: er zijn onder u niet veel wijzen naar het vlees, niet veel machtigen, niet veel aanzienlijken’ 26.
De Corinthiërs waren een bewijs, dat God anders werkt en een maatstaf hanteert die verschilt met die van de wereld. ‘Het woord van het kruis’ was een dwaasheid voor de ontwikkelde Grieken en een ergernis voor de orthodoxe Joden, maar de gemeente die dit evangelie aangenomen had, was ook niet acceptabel voor hen. Haar leden hoorden voornamelijk bij de lagere volksklassen, zoals slaven en vrijgelatenen. Zelfs wijst de apostel in hoofdstuk 6:10 erop, dat sommigen eenmaal hoorden bij de zelfkant van de maatschappij. Dezen reflecteerden dus ook ‘naar het vlees’ of in de natuurlijke wereld, de onaanzienlijkheid van het evangelie van Jezus Christus, van ‘het dwaze’ en van ‘het zwakke’ van God. De apostel spreekt hier over een ‘geroepen’ worden van de gemeente of van de ‘ecclesia’, een woord dat afgeleid is van uit- of oproepen.
Door het brengen van het eeuwig evangelie werden de gemeenteleden uit de wereld geroepen ‘om de levende en waarachtige God te dienen en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten’ (1 Thess.1:9,10). De meerderheid van hen was geroepen uit de sociaal zwakke groepen. Zij bestond niet uit filosofen, hoogleraars, staatslieden of rijke mannen, want de overwinning van het Woord van God zou in deze gemeente niet te danken zijn aan de inbreng van machtigen, edelen of wijzen. Merkwaardig hoe juist dit soort geringe mensen zich graag op willen trekken aan de grote leiders, die hun in de natuurlijke wereld enig aanzien moeten verschaffen. Tegen deze achtergrond kan men dan ook de genoemde ruzies zien en de leuzen, die iedere groepering in Corinthe had.
Het is alsof de apostel ook in onze dagen aan de gemeenten schrijft: jullie zijn nog maar weinig ontwikkeld en hebben nog geen theologen van formaat en er zijn weinig intellectuelen onder jullie. Krijg daar nu geen minderwaardigheidscomplex van. Probeer niet te wedijveren door ook titels en predicaten te gebruiken die niet bij je passen. Waarom zou een eenvoudige voorganger met zijn simpele schoolopleiding zich perse dominee moeten noemen in een zwarte jurk en waarom moet de ongeletterde zendeling die een paar lessen op de Bijbelschool mag geven, geïntroduceerd worden als docent in de missiologie?
Hier zien we ook de achtergronden van de adoratie en verering van grote ‘Godsmannen’ door de onontwikkelde pinksterchristenen, terwijl ze weigeren in te zien hoe zij door dezen als koopwaar worden behandeld. Paulus beroemt zich in 2 Corinthiërs 1:12 er juist op, dat hij zich in Corinthe niet met vleselijke of natuurlijke wijsheid had opgesteld, maar in de kracht van de genade van God. Natuurlijk waren er onder de ‘geroepenen’ wel enkele aanzienlijken, want God is een behouder van allerlei soort mensen. We denken hierbij aan Erástus, de stadsrentmeester en aan Gajus, die aan de apostel en zijn team gastvrijheid verleende (Rom.16:23). Ook Crispus en Sósthenes, de voormalige oversten van de synagoge, zullen ongetwijfeld mannen van stand en aanzien zijn geweest (Hand.18:8,17).
‘Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen. En het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren en wat niets is, om wat iets is teniet te doen, zodat geen vlees voor Hem zou roemen’ 27-29.
Wat voor de natuurlijke mens geen betekenis heeft en door de wereld versmaad wordt, is door God uitverkoren om het krachtige, het aanzienlijke en het wijze, niet alleen in verlegenheid te brengen, maar dit ook te overtreffen. Zo was het onbetekenende Israël eenmaal uit alle volken van de aarde uitverkoren om Gods eigen volk te zijn: ‘Niet omdat u talrijker was dan enig ander volk, heeft de Heer Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zift u het kleinste van alle volken’ (Deut.7:7). De moeder van de Heer drukte deze onveranderlijke verkiezing uit met de woorden: ‘Hij heeft machtigen van de troon gestort en eenvoudigen verhoogd, hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken heeft Hij leeg weggezonden’ (Luc.1:52,53).
Met voorbijzien van de 7 flinke zonen van Isaï werd de verachte David met zijn twijfelachtige afkomst tot koning over Israël gezalfd. Men verweet Jezus dat deze een vriend was van tollenaars en zondaars. Zijn leerlingen waren voornamelijk vissers uit het Galilea van de heidenen. Hij stierf aan het kruis om zelfs de allerslechtste mens met God te verzoenen, hem te verlossen en te verheffen. De eerste die hiervan profiteerde was de moordenaar aan het kruis. Daarom hebben de welgestelden, de gestudeerden, de ‘hoogedel geborenen’ in de gemeente van Jezus Christus ook geen enkel voorrecht boven de minder bedeelden in de natuurlijke wereld. Ze zijn immers allen broers en zusters in het geestelijke huisgezin.
De apostel schreef dat hij wel reden had om op zijn natuurlijke afkomst te roemen, maar dat hij in de dienst van zijn Meester alle voorrechten of tekens van aanzien prijsgaf, ‘zodat hij Christus zou mogen winnen’ (Fil.3:9). Niet dat onze Heer iets tegen hoge geboorte of tegen een scherp verstand of tegen rijkdom zou hebben, maar in het Koninkrijk van de hemelen zijn deze bezitters ‘have-nots’, dus niets bezittenden. Allen zijn daar gelijk, want ze hebben allen gezondigd en delen de heerlijkheid van God en worden allen vanuit de erkenning van eigen onmacht en krachteloosheid langs de weg van het geloof gratis gerechtvaardigd door de verlossing in Christus Jezus.
Wij zien in de kerkgeschiedenis duidelijk dat de gemeente van God niet werd gebouwd door de wijzen van de wereld, ook niet door haar (kerk)vorsten en edelen die misschien machtige kathedralen bouwden. Er waren echter uitverkoren, onopvallende predikers, die het evangelie van het kruis liefhadden. Wanneer sprake is van goddelijke uitverkiezing, betreft dit niet een van eeuwigheid besliste keuze van aanname of verwerping van een individu, maar de voorkeur van de hemelse Vader voor die groeperingen, die in het maatschappelijke leven onderliggen, die weinig natuurlijke zekerheden en vastigheden hebben, voor hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en die bevrijding zoeken van de overweldiging van de vijand.
Het gaat hier over scherpe tegenstellingen: ongeleerde mensen beschamen de gestudeerden, mensen van geringe geboorte en stand overtreffen de machtigen. Wat veracht is, overvleugelt het verhevene en het krachteloze verslaat het sterke. De Joodse leiders verachtten de heidenen, omdat dezen ‘niets’ bezaten en zij minachtten en vervloekten de Joodse ‘menigte die de wet niet kende’. Toch werden de volken massaal geënt op de edele olijf. Aan de religie waarop de Joden zich beroemden, werd de kracht ontnomen en zij werd tot een fossiele eredienst.
Het verachte christendom maakte de mystieke godsdiensten van Egypte, de machtige denkwereld van de Grieken en de organisatorische wijsheid van de Romeinen tot een ‘antieke’ cultuur. De tegenstanders begonnen al binnen twee eeuwen over de christenen te spreken als ‘het derde geslacht’, naast de heidenen en Joden. Binnen zo korte tijd moest men de gemeente al vergelijken met de van oudsher bekende machten. De kerkgeschiedenis leert echter, dat het christendom in de waarheid van ‘het woord van het kruis’ niet staande is gebleven. Het was met de Geest begonnen en eindigde al snel in de wereld van het aardsgericht denken, zoals ook eenmaal ‘de onverstandige Galaten’ deden.
Ook wij mogen verwachten dat wij, ondanks de dwaasheid van de prediking in het natuurlijk zwakke, de grote daden van God zullen zien. Wij weten dat God zijn Geest als een late regen zal storten op het gezaaide. Dan breekt de dag aan, dat onze Heer verheerlijkt wordt in zijn heiligen en met verbazing gezien wordt in ons allen, die tot dit heerlijke geloof gekomen zijn (2 Thess.1:10). De bedoeling van God met dit alles is, dat de hele mensheid zich zal moeten onthouden van roemen tegen God. ‘Alle roem is uitgesloten!’, want de Schepper blijft boven zijn schepping staan als de alleen wijze God, aan wie toekomt de heerlijkheid door Jezus Christus, in alle eeuwigheid (Rom.16:27). God heeft de wereld geschapen en Hij alleen redt en herstelt haar om haar tot nog grotere glorie te brengen. Daarom wordt ook nu nog aan de armen het evangelie vertelt, aan gevangenen vrijlating gebracht, aan blinden het gezicht gegeven en komen gebonden mensen in de vrijheid om het jubeljaar van de Heer in te luiden.
‘Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die voor ons is geworden wijsheid van God en gerechtigheid, heiliging en verlossing, opdat het zal zijn zoals geschreven staat: Wie roemt, laat hij roemen in de Heer’ 30,31.
Door het plan van God zijn wij een nieuwe schepping, waarvan Jezus het begin is, dit wil zeggen het principe of het beginsel (Op.3:14). Wij zijn daarom ‘in Christus’, als wij deel hebben aan de eeuwige gedachten van God, dus als wij vernieuwd zijn in ons denken. Gods gedachten zijn hoger dan de overleggingen van de natuurlijke mens, want Hij houdt rekening met de waarheid van de geestelijke wereld. Wanneer wij de leer aanvaarden van het Koninkrijk van de hemelen, bedenken we de dingen die boven zijn, waar Christus is (Col.3:1-4). In deze onzienlijke wereld vormen wij door deze nieuwe geboorte een apart volk, het lichaam van Christus, waardoor Hij Zich kan openbaren. Jezus is ons de wijsheid van God geworden, omdat de gedachten van de hemelse Vader in Hem vlees werden.
Al Gods wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossende genade, werden en worden geopenbaard in het vleesgeworden Woord, Jezus Christus, geboren uit Gods Logos (Joh.1:1). De volheid van God woont in de Zoon. De Vader blijft echter de auteur van het reddingsplan en de schenker van alle goede gaven. Wanneer wij in Christus zijn, dus als wij zijn woord bewaren en in zijn Geest gedoopt zijn, hebben wij Zijn wijsheid die ‘van boven’ is. Deze is dan voor ons geen dwaasheid meer. Aardse wijsheid zien wij dan als ongeestelijk, als natuurlijk en zelfs als demonisch, omdat de god van deze eeuw de inzichten met blindheid slaat.
De wijsheid ‘van boven’ is echter ‘rein, vervolgens vreedzaam, vriendelijk, gezeglijk, vol van ontferming en goede vruchten, onpartijdig en oprecht’ (Jac.3:17). Deze wijsheid wordt ons bijgebracht door het onderwijs van Gods inwonende Geest, van wie Paulus schreef: ‘De Heer nu is de Geest’ (2 Cor.3:17). Zoals Christus Jezus de wijsheid van God is, zo is Hij ook zijn rechtvaardigheid. Hij was rechtvaardig en heeft de gerechtigheid voor ons verworven door zijn bloed van het kruis. Wij zijn daarom geen zondaars meer, maar ‘gerechtvaardigd door het geloof’.
Vanuit deze zekerheid hebben wij nu vrede met God. In Christus Jezus verkrijgen wij ook onze heiliging, dit wil zeggen onze heling, gaafheid en ongeschondenheid. Hij heeft Zichzelf voor ons geheiligd in deze wereld, zodat ook wij in waarheid – dat is ons bewegende in de gedachten van God – heilig zouden zijn (Joh.17:19). Door de medewerking van zijn Geest worden wij immers gescheiden van de zonde, leugen- en ziektemachten. Heiligen betekent namelijk: apart zetten. Wanneer wij met deze dingen voortdurend bezig zijn, dus ‘boven’ zijn, zullen we als resultaat ‘geheel en al geheiligd’ worden, zodat onze geest, ziel en lichaam, blijken in hun geheel onaangetast en onberispelijk bewaard te zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus (1 Thess.5:23). Ook is onze Heer de verlosser, die ons ‘los kocht’ uit de hand van onze vijand en uit de hand van allen die ons haten, want God heeft ons verlost uit de macht van de duisternis door middel van zijn Zoon en overgebracht in diens Koninkrijk (Col.1:13).
Tenslotte herhaalt de apostel nogmaals het doel van de keuze van de verachting: geen vlees zal roemen voor God (vers 29) met de woorden: ‘Wie roemt, roemt in de Heer’. Met uitsluiting van eigen roem zal men alleen de Heer grootmaken. Paulus citeert hier vrij de profeet Jeremia, die het verdrukte en benauwde volk erop wees, dat het roemen mocht in de Heer die enkel goed is en recht en gerechtigheid op aarde doet (Jer.9:24). Ook vinden wij soortgelijke uitspraak in de lofzang van Hanna in 1 Samuël 2:10 (Septuagint). Haar lied eindigt met de woorden: ‘Laat de wijze niet roemen in zijn wijsheid, noch de machtige in zijn kracht, laat de rijke niet pochen op zijn rijkdom, laat iemand die roemt, erin roemen dat hij inzicht heeft en de Heer kent’. Deze lof mogen wij dan ook toebrengen aan Jezus Christus, want door Hem komt iedere gave die goed is en elk geschenk dat volmaakt is, tot ons van de Vader van de lichten.
