3. De wijsheid van de wereld en die van God

1 Corinthe 1:18-31

Want het woord van het kruis is voor hen die verloren gaan wel dwaasheid, maar voor ons die behouden worden, is het een kracht van God 18.

Het kruis dat Paulus predikte, wees op het lijden en sterven van Jezus Christus. De Vader betaalde met het leven van zijn geliefde Zoon de losprijs aan satan, die de hele mensheid in slavernij had gebracht. Door deze transactie verloor satan ieder recht op de mens. Er staat dat Jezus ons voor God kocht met zijn bloed (Openb.5:9). De Vader, die mild vergeeft en niet verwijt, wil Zich verzoenen met ieder die tot Hem komt op basis van dit offer van zijn Zoon. In genade neemt de Vader dan zo’n losgekochte als kind aan en geeft hem ‘in Christus Jezus’ zijnde, een plaats in de hemelse gewesten. Dit aanvaarden van de mens openbaart de gedachten van God, die nooit zijn plan loslaat, maar die dit tot zijn bestemming wil voeren en het openbaart ook de rijkdom van diens genade, liefde en ontferming. Het ‘woord (logos) van het kruis’ betekent dus de prediking over een aan het kruis gestorven Zoon van God. Het hele reddingsplan van God is hierop gebaseerd.

In de havenwijken van Corinthe had de apostel de vergeving van de zonden onder meer gebracht aan ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, schandknapen, mannen die met mannen slapen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars en rovers (6:10). Zij, die onder hen hongerden en dorstten naar de gerechtigheid, werden langs deze weg tot rechtvaardigen, tot verlosten en tot ‘geheiligden in Christus Jezus’. Het woord ‘kruis’ zoeken wij tevergeefs in de Romeinenbrief, want de apostel had niemand in Rome tot bekering gebracht. In Athene had Paulus met een filosofisch ingesteld publiek te doen en had op hun niveau gediscussieerd. Het had daar weinig uitgehaald, want van een gemeente te Athene lezen we niet.

In Corinthe was hij echter met de primitieve boodschap gekomen van redding en verlossing. Velen hadden haar als dwaasheid bestempeld en van de hand gewezen. Het Griekse woord ‘moria’, dwaasheid, komt alleen in de 1e Corinthebrief voor, in hoofdstuk 1:21,23; 2:14; 3:19. Men vond de prediking van Paulus uitgesproken ‘onnozel’ of ‘absurd’. De heidenen zien immers aan wat voor ogen is. Ze zeggen: als een onschuldig man is gekruisigd, hoe kan dit voor de hele mensheid van alle tijden betekenis hebben? Dit is in de zienlijke wereld ook dwaas, net zo goed als het eten van de vrucht een gehele mensheid in zonde, ziekte en ellende dompelde. Alleen wie kennis bezit van de geestelijke dingen, gaat hier iets van begrijpen. Het vereiste grote moed om toch voor de waarheid van het Koninkrijk der hemelen onder zoveel verzet te blijven opkomen. De Heer zelf moest zijn medewerker in een visioen een hart onder de riem steken. Hij zei tot hem in de nacht: ‘Wees niet bang, maar spreek en zwijg niet, want Ik ben met u en niemand zal de hand aan u slaan om u kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad’ (Hand.18:9,10).

Paulus verkondigde Jezus niet als een culturele, politieke of sociaal ingestelde figuur, niet als een wijsgeer of als een imposante, religieuze leider, maar als een die als een vervloekte aan het kruishout hing en die zijn leven gaf als een rantsoen voor allen. Tegen déze achtergrond moesten de Corinthiërs ook maar hun ruzies in de gemeente zien over Paulus, Céfas en Apollos. Dit evangelie kent geen grote leiders die verheerlijkt worden, maar men schaart zich om een gedachtewereld die verheven en uniek is. Met elkaar treedt men dan in de voetsporen van de Meester, die eenmaal zei: ‘Leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart’ (Matth.11:29). Zij die ‘verloren gaan’, zijn mensen in wie geen nieuw leven is. Ze zijn ondeugdelijk of ‘onnut’ geworden, en gaan ‘naar het verderf in de hel’. Het Griekse woord ‘apollum’ dat hier door ‘verloren’ wordt vertaald, vinden we in Mattheüs 10:28 weergegeven door ‘verderven’. Uiteindelijk zijn allen die geen eeuwig leven hebben, een prooi van Dood, de koning van het dodenrijk (Openb.20:14,15).

Wij zouden deze tekst dus ook zo kunnen lezen: ‘Het woord van het kruis is onzinnig voor hen die op de weg van het verderf zijn, voor ons die echter op de weg van het behoud zijn, is het de kracht van God’ (vergelijk Rom.1:16). Allereerst vormen hier dwaasheid en kracht de tegenstellingen en niet bijvoorbeeld dwaasheid en wijsheid, zoals we dit in de volgende verzen lezen. Het evangelie van een lijdende Christus is voor velen een zinloze boodschap, maar voor anderen heeft het zo’n grote kracht, dat het de oorzaak wordt dat een mens wordt overgeplaatst uit de duisternis in het Koninkrijk van God en dat het hem in staat stelt het doel van God te bereiken, namelijk de volmaakte mens tot alle goede werken volmaakt toegerust.

Want er staat geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen verloren doen gaan en het verstand van de verstandigen zal Ik teniet doen 19.

Mensen zouden een ander plan tot redding hebben gemaakt om uit de impasse te komen. Dit kan echter niets goeds opleveren, omdat hun gedachten op de zichtbare wereld zijn gericht. Of als zij, buiten Christus om, hulp in de onzienlijke wereld zoeken, zal blijken dat ze niet bestand zijn tegen de ontbindende werking van de wetteloze geesten. Paulus vestigt nu de aandacht op een profetie uit Jesaja 29:14, waar voorspeld wordt dat God wonderlijk en wonderbaar met zijn volk gaat handelen: de wijsheid van zijn wijzen zou teniet gaan en het verstand van zijn verstandigen zou verduisterd worden. De apostel weet dat deze Godspraak door de prediking over het Koninkrijk der hemelen in vervulling is gegaan. Immers, volgens dezelfde profeet zijn Gods wegen hoger dan die van de natuurlijke mens en zijn gedachten zijn van een andere en hogere dimensie. Daarom zal de Heer de wijsheid van hen, die op het pad van het verderf dolen, ‘verderven’. Hun natuurlijk verstand, hoe scherp en intelligent, zal hun niet baten. In verband met deze uitspraak denken we ook aan wat Paulus later citeert uit Jesaja 28:11,12, dat God door mensen met een andere taal en lippen van vreemden tot zijn volk zou spreken. Het spreken in talen zou dan een teken zijn voor de ongelovigen, dat de Heer in het nieuwe verbond een bovennatuurlijke en geestelijke weg gaat (14:21,22).

Om op politiek terrein succes te hebben, zochten de leiders van Jeruzalem tegen de grote en dreigende wereldrijken, steun bij de hen omringende mogendheden als Egypte of soms Syrië. Deze relatiesbrachten echter niet alleen vandaag, maar ook duizenden jaren geleden onheil. Zo probeert de religieuze mens zich sterk te maken door zijn menselijke vermogens te ontwikkelen en zich te handhaven met hulp van de wetenschap, kunst, cultuur, techniek, politiek en de economie van zijn tijd. Het evangelie wijst echter al bij zijn begin, namelijk bij de verzoening door het bloed van het kruis, elke steun van kennen en kunnen in de natuurlijke wereld van de hand: ‘Want uit genade bent u behouden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen’ (Ef.2:8,9). Menselijke kracht en natuurlijke wijsheid ontnemen aan het evangelie zijn wezen, want het is niet van de aarde. Waar zij de boventoon voeren, maken zij de prediking van de hemelse boodschap tot dwaasheid.

Waar is de wijze? Waar de Schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze wereld? Heeft God niet de wijsheid van deze wereld dwaas gemaakt? 20.

Op echt Joodse wijze stelt Paulus hier zijn lezers enkele retorische vragen waarop dus geen antwoord wordt verwacht. Ze dienen alleen om de mededeling te bevestigen en te versterken. (Denk eens aan uitdrukkingen als: ben je weer te laat? Heb ik het je niet gezegd?) De vragen die nu door de apostel gesteld worden, verwijzen net als het vorige vers, ook nu meer of minder naar verschillende Schriftplaatsen in Jesaja. Wanneer de Godsgerichten over Egypte komen, zijn de vorsten van Zoan, die beroemd waren om hun kennis, machteloos. Zij kunnen Farao de loop van de gebeurtenissen niet bekend maken. Daarom klinken de woorden van de profeet uitdagend: ‘Waar zijn ze dan, uw wijzen?’ (Jes.19:11,12). Ze zijn nergens meer en het spoor totaal bijster. In Jesaja 33:18,19 denkt het verloste volk terug aan de bezetting door de Assyriërs. Na de bevrijding zijn de ambtenaren, die Juda uitbuitten, verdwenen. ‘Waar is de schrijver?’ die de opgelegde schattingen noteerde. ‘Waar de weger?’ die het gewicht van de tribuut aan goud en zilver controleerde. ‘Waar de teller van de torens?’, dus de militaire administrateur, die voor de belegering de vestingwerken verkende. Door Gods ingrijpen zijn ze allen weggedaan en kan de stad van God nu feestvieren. Israël werd niet gered door een bondgenootschap met Egypte, want dit land ging zelf onder. God redde zijn volk: ‘Want de Heer, onze Rechter, de Heer, onze Wetgever, de Heer onze Koning, Hij zal ons verlossen’ (Jes.33:22).

Paulus neemt de gedachtegang van de oudtestamentische profeet over. Hij schrijft: ‘Waar is de wijze?’ Waar is de filosoof die de oplossing kan schenken aan de zondaar, de gebondene of de zieke? Zo’n geleerde houdt toch alleen maar rekening met de situatie in de zichtbare wereld en daarom zijn zijn adviezen waardeloos. Daarom kunnen ook de staatkundige systemen de wereld niet redden, omdat de wijsgerige stelsels die erachter staan, geen rekening houden met de geestelijke wereld. ‘Waar de Schriftgeleerde?’ Deze is de Joodse rabbijn die de gewijde geschriften bestudeert. Zowel hij, als ook de theoloog vandaag, houden geen rekening met het Koninkrijk der hemelen, met de machten die verstorend werken, of ook met de engelen van God die de gelovigen dienen (Hebr.1:14). Zij lezen nauwkeurig wat er staat en menen dat de profetieën in de natuurlijke wereld hun vervulling vinden. Zij kunnen ze niet transponeren naar de hemelse gewesten, want zij missen de sleutels van het Koninkrijk. Ook zij allen komen met hun aardsgerichte verwachtingen bedrogen uit. Denk bijvoorbeeld maar aan de eindtijdverwachtingen en de Israëlleer in onze dagen. Wij weten dat de woorden die Paulus schreef, waar zijn geworden aan de kerk van het oude verbond, die onder leiding stond van Farizeeën en Schriftgeleerden die de sleutels van de kennis hadden weggenomen. Zij is ondergegaan vanwege hun aardse inzichten.

‘Waar de redetwister van deze wereld?’ Hij is de debater, de man die discussieert en alles discutabel stelt. Hij kan de Joodse mysticus zijn, die zich bezighoudt met geheimzinnige en raadselachtige zaken, of de kabbalist, die met allerlei slechts voor ingewijden begrijpelijke tekens en getallen werkt. Hoe zij zich ook instellen, niemand van hen houdt rekening met de onzienlijke wereld van de geesten. Zo had Paulus ook kennis gemaakt met de Griekse redetwisters, met de woordvechters van hun aeon of eeuw. ‘Zij hadden voor niets anders tijd over dan om iets nieuws te zeggen of te horen’ (Hand.17:21). De wijzen, de Schriftgeleerden en de redetwisters zijn allen gebonden aan ‘deze tijd’. Zij hebben geen oog voor de toekomende aeon, of voor de onafzienbare tijdruimten die de eeuwigheid inluiden. Over hen zou Paulus in 2 Corinthiërs 4:4 schrijven: ‘Ongelovigen, wier overleggingen de god van deze eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is.’ God heeft door het evangelie van Jezus Christus, dus door de leer van het Koninkrijk der hemelen, de overste van deze wereld ten toon gesteld.

‘Heeft God niet de wijsheid van de wereld dwaas gemaakt?’ Hier zinspeelt de apostel op Jesaja 44:25, waar staat, dat God zelf de wijzen doet terugwijken en hun kennis tot dwaasheid maakt. Dit ondervonden de bestuurders van Babel, die met hun occulte kennis toch niet wisten van Kores ‘de knecht van de Heer’, die hun stad zou verwoesten. Zo zal ook nu blijken dat de wijzen van deze tijd een voortgaande verwording en wetteloosheid niet kunnen keren.

Want terwijl de wijsheid van God in alles zichtbaar was, heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden. Daarom heeft hij besloten hen die geloven, te redden door de dwaasheid van wat wij verkondigen 21.

De wereld kent natuurlijke wijsheid. Deze is niet slecht, maar zij kan niet doordringen tot het wezen van God die geest is, dus geestelijk. Aardse wijsheid staat bovendien onder beïnvloeding van de overste van deze wereld. Jacobus schrijft daarom hierover: ‘Dat is niet de wijsheid, die van boven komt, maar zij is aards, ongeestelijk, demonisch’ (Jac.3:15). Deze wijsheid heeft geen inzicht in het plan van God. Alleen het verstand dat door de Heilige Geest verlicht is, kan de diepste gedachten van God doorzoeken. Het heeft God behaagd om zijn herstelplan met de mens en met de zuchtende schepping te realiseren in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon. Zo heeft Hij het van eeuwigheid gewild en bedoeld en niet anders. Wij zouden dus kunnen zeggen: de wijsheid van God is ‘Christus’ (vers 30). Daarom mogen we lezen: ‘Want omdat de wereld door haar eigen wijsheid God niet heeft herkend in Christus’.

Jesaja profeteerde: ‘Wie geloofde onze prediking?’ Petrus sprak tot de godsdienstige Joden in de tempel, dat zij de Christus door de handen van wetteloze mensen aan het kruis hadden genageld en gedood (Hand.2:23). Johannes drukte de verwerping van de ware wijsheid, van het vleesgeworden Woord van God zo uit: ‘En het leven was het licht van de mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen’ (Joh.1:4). Zelfs de wijste man zou nooit in Jezus en zeker niet in de gekruisigde, de gedachte van God tot redding van de wereld herkend hebben. Aardse wijsheid was hiertoe onbekwaam en daarom moet ‘het woord van het kruis’ gepredikt worden, opdat de mens de redding door het geloof zou grijpen, dat is met zijn geest aanvaarden.

Het aanstotelijke van ‘de dwaasheid van de prediking’ is natuurlijk ‘het woord van het kruis’, dus de verkondiging dat onze Heer aan het kruis, in de geestelijke wereld zijn volk redde uit de dood en uit de macht van satan. Deze wijsheid van God staat tegenover de wijsheid van de wereld die geen kennis van het goddelijke plan heeft, als licht staat tot duisternis, als leven staat tot dood, als geest staat tot vlees, als wijsheid staat tot dwaasheid. Bij de ongelovige wereld ligt een bedekking op het verstand, maar wanneer deze versluiering weggenomen is, leert men God kennen als de enige waarachtige, als de Vader van Jezus Christus, die Hij gezonden heeft (Joh.17:3). De wereld is dwaas, omdat zij de geestelijke en hoge weg niet begaat, om behouden te worden en het wezen van God in zijn genade, barmhartigheid en liefde te verstaan.

Immers, de Joden vragen om een teken en de Grieken zoeken wijsheid; 22.

De Joden willen tekens zien. Zij eisen bewijzen van goddelijke kracht, die zich in de natuurlijke wereld openbaren. Zo had Israël dit immers gezien in de woestijn, waar het volk het manna uit de hemel at en het water uit de rots dronk. In deze traditie pasten ook mannen als Mozes en Elia, die zich als dienstknechten van God konden waarmaken door de wonderen die zij verrichtten. De profeet die vuur doet neerdalen uit de hemel, is ook nu nog voor vele naamchristenen attractief. Jezus echter bestrafte zijn leerlingen voor dit verlangen en sprak ‘U weet niet van hoedanige geest u bent’ (Luc.9:55).  Vanuit deze instelling vroegen de Schriftgeleerden en Farizeeën aan onze Heer: ‘Meester, wij zouden wel een teken van U willen zien’ (Matth.12:38). De tekens die het optreden van Jezus vergezelden en die overeenkwamen met het herstelplan van God, werden echter door deze leiders niet aanvaard. Zij schreven deze zelfs toe aan de openbaring van Beëlzebul, de overste van de demonen. Als Jezus zich als een aardse koning had gedragen in de strijd tegen de bezettende macht van de Romeinen, hadden de Joden Hem ongetwijfeld aanvaard. Dan had Hij aanzien in deze wereld gehad. Nu Hij echter ‘van boven’ was en de mensen verloste van hun geestelijke vijanden, verwierpen zij Hem. De profeet zei: ‘Gestalte of glorie had Hij niet; als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben’ (Jes.53:2).

De Grieken zeggen: ‘Verschaf ons iets dat wij met het natuurlijke verstand kunnen accepteren en toepassen’. Zij zoeken telkens naar iets nieuws dat in deze wereld een oplossing voor hun levensproblemen zal brengen. Zij verlangen regeerders die leiding kunnen geven, sterke karakters, die zich met stoïcijnse kalmte kunnen beheersen in het uur van het gevaar, wanneer ieder ander in paniek dreigt te raken.

wij echter prediken Christus, de Gekruisigde, voor de Joden aanstootgevend en voor de Grieken een dwaasheid 23.

De van God gegeven oplossing door een gekruisigde Christus werd noch door Jood noch door Griek aanvaard. De Joden verwachten een rijk van God op aarde. Zij leggen de profetieën uit in de natuurlijke wereld en projecteren de vervulling ervan op aarde. Zij menen dat het Israël van God verbonden is aan vlees en bloed, aan natuurlijke afstamming. Daarom geloven zij niet in een lijdende en gekruisigde Christus, die hen verlossen zou uit een geestelijke slavernij. Zij zeiden: ‘Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest; hoe zegt U dan: u zult vrij worden?’ (Joh.8:33). Daarom ergerden zij zich aan de woorden van Jezus en ‘verwierpen voor zichzelf de raad van God’, die hen tot vrije, geestelijke mensen wilde maken (Luc.7:30). Om zijn leerlingen voor deze fatale inzichten te waarschuwen, sprak Jezus na zijn opstanding tot de Emmaüsgangers: ‘O, onverstandigen en tragen van hart, dat u niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?’ (Luc.24:25,26).

Dit is zeker ook een waarschuwing voor veel naamchristenen, die zo dwepen met de toekomst van een ongelovig, Jezus verwerpend, natuurlijk volk Israël. Voor de heidenen was de gekruisigde Jezus een gewoon natuurlijk mens, die door zijn vijanden terechtgesteld was en die verder geen betekenis meer had voor het lot van de mensheid. Ook veel kerkmensen weten niet goed raad met het kruis. Dit gaat uit boven hun denken en ook voor hen is alles irreëel. Daarom komen zij ook niet tot de belijdenis dat zij rechtvaardig zijn. Zij verstaan de betekenis in de hemelse gewesten van het lijden en sterven van Jezus niet. Door velen die zich willen blijven ‘vastklemmen’ aan ‘Golgotha’ s kruis’, wordt de kruisdood in de emotionele sfeer getrokken, om zo nog enige beweging in het zielenleven te bewerken, omdat hun geest de hemelse werkelijkheid niet kan aanvaarden.

Maar voor hen die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, prediken wij Christus, de kracht van God en de wijsheid van God. Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen 24,25.

‘Geroepen zijn’ betekent aan een roepstem gehoor hebben gegeven, dus het evangelie beluisterd en in het geloof aanvaard hebben als waarheid en werkelijkheid in de geestelijke wereld. De geroepenen ervaren Christus als een kracht van God tot behoud. Hoe meer zij Hem leren kennen, hoe meer zij ook de wijsheid van God in Hem ontdekken. De Vader heeft immers in Hem een weg geschonken om van een onderdrukte slaaf van de zondemachten, een vrij en gaaf mens te vormen die tot alle goede werken volmaakt is toegerust en die met Hem zal heersen over al de werken van zijn handen. Wanneer Joden en heidenen eenmaal gelovig geworden zijn, veranderen hun inzichten totaal. Zij worden dan vernieuwd in hun denken. Bij de Joden wordt dan het ‘skandalon’, de steen des ‘aanstoots’ die hen deed vallen, of de ‘ergernis’ die hen eenmaal de tanden deed knarsen, weggenomen. De heidenen zien dan in, dat het dwaze van God om mensen te redden, beter is dan de redeneringen van de grootste filosoof. In Hem valt dan de muur van de afscheiding, die Jood en heiden eenmaal scheidde, volkomen weg. Vandaag zien we helaas dat veel Israëlfans deze muur weer hoog aan het opmetselen zijn.

Zij ontmoeten elkaar dus nu in de gemeenschap van geroepenen, in de gemeente van Jezus Christus. Christus betekent ‘gezalfde’. Alle geroepenen zien Hem in de onzienlijke wereld gezalfd met de Heilige Geest en met kracht (Hand.10:38). Voor de natuurlijke mens is dit alles bespottelijk, maar voor de gemeente uit Joden en heidenen is Jezus de kracht en de wijsheid van God. Dan blijkt dat de ‘dwaze’ weg van God om mensen te redden beter functioneert dan de zelfvoldane gedachtenspinsels van de zogenaamd verstandige mensen. Het zwakke van God is de gekruisigde Christus, want ‘Hij is gekruisigd uit zwakheid’, als een zwak mens van vlees en bloed (2 Cor.13 :4). Toch bracht zijn kruisdood de krachtigste overwinning op de zonde en de dood. Nu leeft Hij als Verlosser ‘uit de kracht van God’ en is Hij de sterkere. Hij is zelfs de doper met Heilige Geest, dus schenkt Hij allen die Hem erom bidden de grootste kracht in de hemelse gewesten. Hij is daarom wijzer dan alle knappe mensen en Hij is sterker dan alle krachtige mensen.

Let namelijk op uw roeping, broeders: er zijn onder u niet veel wijzen naar het vlees, niet veel machtigen, niet veel aanzienlijken 26.

De Corinthiërs waren een bewijs, dat God anders werkt en een maatstaf hanteert die verschilt met die van de wereld. ‘Het woord van het kruis’ was een dwaasheid voor de ontwikkelde Grieken en een ergernis voor de orthodoxe Joden, maar de gemeente die dit evangelie aangenomen had, was evenmin acceptabel voor hen. Haar leden hoorden voornamelijk bij de lagere volksklassen, zoals slaven en vrijgelatenen. Zelfs wijst de apostel in hoofdstuk 6:10 erop, dat sommigen eenmaal hoorden bij de zelfkant van de maatschappij. Dezen reflecteerden dus ook ‘naar het vlees’ of in de natuurlijke wereld, de onaanzienlijkheid van het evangelie van Jezus Christus, van ‘het dwaze’ en van ‘het zwakke’ van God. De apostel spreekt hier over een ‘geroepen’ worden van de gemeente of van de ‘ecclesia’, een woord dat afgeleid is van uit- of oproepen.

Door de evangelieverkondiging werden de gemeenteleden uit de wereld geroepen ‘om de levende en waarachtige God te dienen, en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten’ (1 Thess.1:9,10). De meerderheid van hen was geroepen uit de sociaal zwakke groepen. Zij bestond niet uit filosofen, hoogleraars, staatslieden of rijke mannen, want de overwinning van het Woord van God zou in deze gemeente niet te danken zijn aan de inbreng van machtigen, edelen of wijzen. Merkwaardig hoe juist dit soort geringe mensen zich graag op willen trekken aan de grote leiders, die hun in de natuurlijke wereld enig aanzien moeten verschaffen. Tegen deze achtergrond kan men dan ook de genoemde ruzies zien en de leuzen, die iedere groepering in Corinthe had.

Het is alsof de apostel ook in onze dagen aan de gemeenten schrijft: jullie zijn nog maar weinig ontwikkeld en hebben nog geen theologen van formaat en er zijn weinig intellectuelen onder jullie. Krijg daar nu geen minderwaardigheidscomplex van. Probeer niet te wedijveren door ook titels en predicaten te gebruiken die niet bij je passen. Waarom zou een eenvoudige voorganger met zijn simpele schoolopleiding zich perse dominee moeten noemen en waarom moet de ongeletterde zendeling die een paar lessen op de Bijbelschool mag geven, geïntroduceerd worden als docent in de missiologie?

Hier zien we ook de achtergronden van de adoratie en verering van grote ‘Godsmannen’ door de onontwikkelde pinksterchristenen, terwijl ze weigeren in te zien hoe zij door dezen als koopwaar worden behandeld. Paulus beroemt zich in 2 Corinthiërs 1:12 er juist op, dat hij zich in Corinthe niet met vleselijke of natuurlijke wijsheid had opgesteld, maar in de kracht van de genade van God. Natuurlijk waren er onder de ‘geroepenen’ wel enkele aanzienlijken, want God is een behouder van allerlei soort mensen. We denken hierbij aan Erástus, de stadsrentmeester, en aan Gajus, die aan de apostel en zijn team gastvrijheid verleende (Rom.16:23). Ook Crispus en Sósthenes, de voormalige oversten van de synagoge, zullen ongetwijfeld mannen van stand en aanzien zijn geweest (Hand.18:8,17).

Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen. En het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren en wat niets is, om wat iets is teniet te doen, opdat geen vlees voor Hem zou roemen 27-29.

Wat voor de natuurlijke mens geen betekenis heeft en door de wereld versmaad wordt, is door God uitverkoren om het krachtige, het aanzienlijke en het wijze, niet alleen in verlegenheid te brengen, maar dit ook te overtreffen. Zo was het onbetekenende Israël eenmaal uit alle volken van de aarde uitverkoren om Gods eigen volk te zijn: ‘Niet omdat u talrijker was dan enig ander volk, heeft de Heer Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zift u het kleinste van alle volken’ (Deut.7:7). De moeder van de Heer drukte deze onveranderlijke verkiezing uit met de woorden: ‘Hij heeft machtigen van de troon gestort en eenvoudigen verhoogd, hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken heeft Hij leeg weggezonden’ (Luc.1:52,53). Met voorbijzien van de 7 flinke zonen van Isaï werd de verachte David met zijn twijfelachtige afkomst tot koning over Israël gezalfd. Men verweet Jezus dat deze een vriend was van tollenaars en zondaars. Zijn leerlingen waren voornamelijk vissers uit het Galilea van de heidenen. Hij stierf aan het kruis om zelfs de allerslechtste mens met God te verzoenen, hem te verlossen en te verheffen. De eerste die hiervan profiteerde was de moordenaar aan het kruis. Daarom hebben de welgestelden, de gestudeerden, de ‘hoogedelgeborenen’ in de gemeente van Jezus Christus ook geen enkel voorrecht boven de minder bedeelden in de natuurlijke wereld. Ze zijn immers allen broers en zusters in het geestelijke huisgezin.

De apostel schreef dat hij wel reden had om op zijn natuurlijke afkomst te roemen, maar dat hij in de dienst van zijn Meester alle voorrechten of tekens van aanzien prijsgaf, ‘opdat hij Christus zou mogen winnen’ (Filip.3:9). Niet dat onze Heer iets tegen hoge geboorte of tegen een scherp verstand of tegen rijkdom zou hebben, maar in het Koninkrijk der hemelen zijn deze bezitters ‘have-nots’, dus niets bezittenden. Allen zijn daar gelijk, want ze hebben allen gezondigd en delen de heerlijkheid van God en worden allen vanuit de erkenning van eigen onmacht en krachteloosheid langs de weg van het geloof voor niets gerechtvaardigd door de verlossing in Christus Jezus.

Wij zien in de kerkgeschiedenis duidelijk dat de gemeente van God niet werd gebouwd door de wijzen van de wereld, ook niet door haar (kerk)vorsten en edelen die misschien machtige kathedralen bouwden. Er waren echter uitverkoren, onopvallende predikers, die het evangelie van het kruis liefhadden. Wanneer sprake is van goddelijke uitverkiezing, betreft dit niet een van eeuwigheid besliste keuze van aanname of verwerping van een individu, maar de voorkeur van de hemelse Vader voor die groeperingen, die in het maatschappelijke leven onderliggen, die weinig natuurlijke zekerheden en vastigheden hebben, voor hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en die bevrijding zoeken van de overweldiging van de vijand. Het gaat hier over scherpe tegenstellingen: ongeleerde mensen beschamen de gestudeerden, mensen van geringe geboorte en stand overtreffen de machtigen. Wat veracht is, overvleugelt het verhevene en het krachteloze verslaat het sterke. De Joodse leiders verachtten de heidenen, omdat dezen ‘niets’ bezaten en zij minachtten en vervloekten de Joodse ‘menigte die de wet niet kende’. Toch werden de volken massaal geënt op de edele olijf. Aan de religie waarop de Joden zich beroemden, werd de kracht ontnomen en zij werd tot een fossiele eredienst.

Het verachte christendom maakte de mystieke godsdiensten van Egypte, de machtige denkwereld van de Grieken en de organisatorische wijsheid van de Romeinen tot een ‘antieke’ cultuur. De tegenstanders begonnen al binnen twee eeuwen over de christenen te spreken als ‘het derde geslacht’, naast de heidenen en Joden. Binnen zo korte tijd moest men de gemeente al vergelijken met de van oudsher bekende machten. De kerkgeschiedenis leert echter, dat het christendom in de waarheid van ‘het woord van het kruis’ niet staande is gebleven. Het was met de Geest begonnen en eindigde al snel in de wereld van het aardsgericht denken, zoals ook eenmaal ‘de onverstandige Galaten’ deden.

Ook wij mogen verwachten dat wij, ondanks de dwaasheid van de prediking in het natuurlijk zwakke, de grote daden van God zullen zien. Wij weten dat God zijn Geest als een late regen zal storten op het gezaaide. Dan breekt de dag aan, dat onze Heer verheerlijkt wordt in zijn heiligen en met verbazing gezien wordt in ons allen, die tot dit heerlijke geloof gekomen zijn (2Thess.1:10). De bedoeling van God met dit alles is, dat de hele mensheid zich zal moeten onthouden van roemen tegen God. ‘Alle roem is uitgesloten!’, want de Schepper blijft boven zijn schepping staan als de alleen wijze God, aan wie toekomt de heerlijkheid door Jezus Christus, in alle eeuwigheid (Rom.16:27). God heeft de wereld geschapen en Hij alleen redt en herstelt haar om haar tot nog grotere glorie te brengen. Daarom wordt ook nu nog aan de armen het evangelie gepredikt, aan gevangenen vrijlating verkondigd, aan blinden het gezicht geschonken en komen verbrokenen in de vrijheid, om het jubeljaar van de Heer in te luiden.

Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die voor ons is geworden wijsheid van God en gerechtigheid, heiliging en verlossing, opdat het zal zijn zoals geschreven staat: Wie roemt, laat hij roemen in de Heer 30,31.

Door het plan van God zijn wij een nieuwe schepping, waarvan Jezus het begin is, dit wil zeggen het principe of het beginsel (Openb.3:14). Wij zijn daarom ‘in Christus’, als wij deel hebben aan de eeuwige gedachten van God, dus als wij vernieuwd zijn in ons denken. Gods gedachten zijn hoger dan de overleggingen van de natuurlijke mens, want Hij houdt rekening met de waarheid van de geestelijke wereld. Wanneer wij de leer aanvaarden van het Koninkrijk der hemelen, bedenken we de dingen die boven zijn, waar Christus is (Col 3:1-4). In deze onzienlijke wereld vormen wij door deze wedergeboorte een apart volk, het lichaam van Christus, waardoor Hij Zich kan openbaren. Jezus is ons van God geworden, omdat de gedachten van de hemelse Vader in Hem vlees werden.

Al Gods wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossende genade, werden en worden geopenbaard in het vleesgeworden Woord, Jezus Christus, geboren uit Gods Logos. De volheid van God woont in de Zoon. De Vader blijft echter de auteur van het reddingsplan en de schenker van alle goede gaven. Wanneer wij in Christus zijn, dus als wij zijn woord bewaren en in zijn Geest gedoopt zijn, hebben wij Zijn wijsheid die ‘van boven’ is. Deze is dan voor ons geen dwaasheid meer. Aardse wijsheid zien wij dan als ongeestelijk, als natuurlijk en zelfs als demonisch, omdat de god van deze eeuw de inzichten met blindheid slaat. De wijsheid ‘van boven’ is echter ‘rein, vervolgens vreedzaam, vriendelijk, gezeglijk, vol van ontferming en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd’ (Jac.3:17). Deze wijsheid wordt ons bijgebracht door het onderricht van de inwonende Heilige Geest, van wie Paulus schreef: ‘De Heer nu is de Geest’ (2 Cor.3:17). Zoals Christus Jezus de wijsheid van God is, zo is Hij ook zijn rechtvaardigheid. Hij was zelfrechtvaardig en heeft de gerechtigheid voor ons verworven door zijn bloed van het kruis. Wij zijn daarom geen zondaars meer, maar ‘gerechtvaardigd door het geloof’.

Vanuit deze zekerheid hebben wij nu vrede met God. In Christus Jezus verkrijgen wij ook onze heiliging, dit wil zeggen onze heling, onze gaafheid en ongeschondenheid. Hij heeft Zichzelf voor ons geheiligd in deze wereld, opdat ook wij in waarheid – dat is ons bewegende in de gedachten van God – heilig zouden zijn (Joh.17:19). Door de medewerking van zijn Geest worden wij immers gescheiden van de zonde, leugen- en ziektemachten. Heiligen betekent namelijk: apart zetten. Wanneer wij met deze dingen voortdurend bezig zijn, dus ‘boven’ zijn, zullen we als resultaat ‘geheel en al geheiligd’ worden, zodat onze geest, ziel en lichaam, blijken in hun geheel ongerept en onberispelijk bewaard te zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus (1 Thess.5:23). Ook is onze Heer de verlosser, die ons ‘loskocht’ uit de hand van onze vijand en uit de hand van allen die ons haten, want God heeft ons verlost uit de macht van de duisternis door middel van zijn Zoon en overgebracht in diens Koninkrijk (Col.1:13).

Tenslotte herhaalt de apostel nogmaals het doel van de keuze van de verachting: geen vlees zal roemen voor God (vers 29) met de woorden: ‘Wie roemt, roemt in de Heer’. Met uitsluiting van eigen roem zal men alleen de Heer grootmaken. Paulus citeert hier vrij de profeet Jeremia, die het verdrukte en benauwde volk erop wees, dat het roemen mocht in de Heer die enkel goed is en recht en gerechtigheid op aarde doet (Jer.9:24). Ook vinden wij soortgelijke uitspraak in de lofzang van Hanna in 1 Samuël 2:10 (Septuagint). Haar lied eindigt met de woorden: ‘Laat de wijze niet roemen in zijn wijsheid, noch de machtige in zijn kracht, laat de rijke niet pochen op zijn rijkdom, laat iemand die roemt, erin roemen dat hij inzicht heeft en de Heer kent’. Deze lof mogen wij dan ook toebrengen aan Jezus Christus, want door Hem komt iedere gave die goed is en elk geschenk dat volmaakt is, tot ons van de Vader van de lichten.