27. Hou rekening met hen die zwak zijn

<<<<<

1 Corinthe 8:9-13

‘Maar let erop dat deze vrijheid van u niet op een of andere manier een aanstoot wordt voor hen die zwak zijn. Want als iemand u, die deze kennis bezit, in een afgodstempel aan tafel ziet aanliggen, zal dan zijn geweten, omdat het zwak is, er niet toe aangezet worden om afgodenoffers te eten?’ 9,10.

De waarschuwing: pas dan op dat uw vrijheid geen aanstoot gaat worden, zal ongetwijfeld wel bedoeld zijn voor die groep christenen, die zich naar Paulus hadden genoemd. Zij onderschreven zijn beroemde uitspraak: ‘Alles is mij geoorloofd’ (6:12). Zij hoefden geen joodse sabbat meer te vieren, geen besnijdenis te ondergaan, geen spijswetten te onderhouden en zich ook niet te onthouden van offervlees. De uitspraak van het convent te Jeruzalem zagen zij als van tijdelijke waarde en alleen geldig voor ‘de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Silicië’ (Hand.15:23). Ook Paulus zelf stond in deze vrijheid en hij liet zich geen slavenjuk meer opleggen. Toch moest de sterke rekening houden met hen die een ‘zwak geweten’ hadden. Bij het ‘geweten’, dat is het ‘samen weten’ zijn de geest en de ziel van de mens betrokken. Zij wisselen als het ware van gedachten.

De geest is de drager van de ingeschapen wet van God en de begeerten van de ziel worden door allerlei machten beïnvloed of ‘bevrucht’ (Jac.1:15). Bij een goed geweten is er innerlijke harmonie, maar bij een slecht geweten zijn er botsingen tussen de geest en de ziel. Bij een zwak geweten functioneert de geest niet meer zuiver. Hij is dan een beslagen spiegel van de wet, die de afwijkingen van de ziel onduidelijk weergeeft of registreert. Allerlei inzettingen, godsdienstige gebruiken, geboden van mensen, belemmeren de geest om de wil van God te openbaren. Wie opnieuw geboren is, dus vernieuwd is in zijn denken, zal dikwijls geruime tijd nodig hebben deze spiegel schoon te krijgen en zijn geestelijke gebondenheden aan het verleden, kwijt te raken. Zo zijn er christenen die al lang hebben gebroken met een wettische zondagsviering, maar die toch een innerlijke weerstand moeten overwinnen om op ‘de dag des Heren’ met de trein te reizen. Zo voelen sommige vrouwen zich schuldig, wanneer zij zonder UFO (hoofdbedekking) in een samenkomst profeteren (als zij dit al mogen doen).

De ‘zwakken’ verbinden hun religie altijd aan een voorwerp, aan een handeling of aan een gebruik in de zichtbare wereld. Zo wees Jezus er al op, dat het lange bidden een vorm van heidense magie kan zijn, ‘want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden’ (Matth.6:7). Het geloof baseert zich echter alleen op wat men niet ziet (Hebr.11:1). Hoe zwakker het geweten, hoe zwakker ook het geloof’. Vandaar dat de apostel in Romeinen 14:1 nog moest schrijven: ‘Aanvaardt de zwakke in het geloof.’ De ware christen die in de vrijheid staat, moet er rekening mee houden, dat hij niet alléén in de gemeente zit. Naast hem leven mensen, die nog niet zoveel inzicht in de geestelijke wereld hebben. Zulke ‘zwakken’ durven nog niet in de vrijheid te staan. Voor hen zou het eten van offervlees een verloochening van de Naam van Jezus betekenen. De zwakken te Corinthe meenden dat men zich verre moest houden van alles wat met de afgoden in verband stond.

Natuurlijk was dit in een heidense stad als Corinthe moeilijk vol te houden. De offermaaltijden vonden plaats in tempels, die open zuilengalerijen hadden. Vanaf de straat kon men dus zien wie er aanlag aan de maaltijd. De zwakke zag dan hoe een broeder, bijvoorbeeld een lid van de vakvereniging, in de tempel met zijn collega’s feestvierde. Het offervlees dat de ‘sterke’ gebruikte, beschouwde deze als gewoon vlees. De zwakke christen zag dit en werd erdoor aangemoedigd ook deel te nemen. De vertaling Brouwer luidt, dat de zwakke werd ‘opgebouwd’ tot het eten van afgodenoffers. De sterke had immers het beste met de zwakke voor. Hij wilde deze ook tot de volle vrijheid brengen. De zwakke at dan wel, echter niet uit geloof, maar onder een pressie of door verleiding. Tijdens het eten van het vlees werd hij onrustig, want zijn ‘zwak geweten’ begon hem aan te klagen. Vanwege zijn twijfel kregen nu de demonen gelegenheid hun slag te slaan. De apostel geeft hier wel een sterk voorbeeld, want men kan zich moeilijk voorstellen dat hij het bezoeken van heidense tempels zou hebben goedgekeurd.

In hoofdstuk 10:19,20 waarschuwt hij wel degelijk voor de gevaren, die zo’n bezoek met zich bracht. In een afgodentempel eten is ook voor ‘sterke’ christenen een gevaarlijke bezigheid, omdat zij zich dan vrijwillig op occult terrein begeven, waar de onreine geesten op allerlei manieren iemand proberen te beïnvloeden. Het is daarom nog maar de vraag of degene die ‘kennis’ had, wel de juiste kennis van de onzienlijke wereld bezat. 

‘En zal zo de broer die zwak is door uw kennis verloren gaan, een broeder voor wie Christus gestorven is? Door zó te zondigen tegen de broers en hen in hun geweten, dat zwak is, te treffen, zondigt u tegen Christus’ 11,12.

Als de christen offervlees eet, komt hij niet dichter bij God, of ‘vóór God’ zoals de Canisiusvertaling in vers 8 heeft. Dit is waarschijnlijk een uitdrukking die gebruikt werd bij de vorstelijke hoven: bij de koning staan, betekende een bijzondere positie te bekleden. Zo sprak de aartsengel: ‘Ik ben Gabriël, die voor Gods aangezicht staat’ (Lucas 1:19). Het vrij zijn om offervlees te eten zou volgens sommige Corinthiërs een christen een bijzondere hoge plaats in Gods Koninkrijk verschaffen. Niets was echter minder waar, maar men veroorzaakte dan wel dat een broeder voor wie Christus was gestorven, ‘verloren’ ging. Het werkwoord ‘apollumi’ betekent: in het verderf storten, vernietigen, te gronde gaan. Denk in dit verband ook aan Apóllyon in Openbaring 9:11, wiens naam verderver betekent.

‘Verloren gaan’ houdt in, dat zo’n zwakke christen een prooi werd van de Satans demonen. In plaats van een hoge rang bij de Heer te verwerven, zondigde de sterke broeder tegen Christus, want zijn daden gaven er aanleiding toe, dat de zwakke in zijn geweten gekwetst werd. Sommige vertalingen hebben ‘om wie’ Christus gestorven is, maar ‘om wiens wil’ wijst meer op het offer dat de Heer voor hem bracht. De apostel bedoelt: als onze Heer zijn bloed voor deze broeder gestort heeft, als Hij de dood inging, zodat deze broeder niet in het verderf komen zou, horen wij onszelf vanwege hem te verloochenen. De Geest van Jezus in ons, zal zo’n zwakke broeder liefhebben en alles vermijden wat hem kan doen struikelen. Het leed dat hem aangedaan wordt, rekent Christus als aan Zichzelf berokkend. Wie geestelijk zwakken, dus baby’s in het geloof, kwetst, beledigt Christus, want Hij zal ‘in zijn arm de lammetjes verzamelen en ze in zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden’ (Jes.40:11). De Heer wil, dat wij handelen als Hij en wat kwetsbaar is, ontzien. Later schrijft de apostel in deze brief. ‘De liefde kwetst niemands gevoel’.

‘Daarom, als het voedsel mijn broer doet struikelen, dan zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, zodat ik mijn broer geen oorzaak geef tot struikelen’ 13.

Paulus zal zich wel de woorden van Jezus herinnerd hebben: ‘Maar ieder, die één van deze kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt (aanstoot geeft, ergernis geeft, tot een struikelblok wordt), het zou beter voor hem zijn dat er een molensteen om zijn hals werd gehangen en hij verzwolgen was in de diepte van de zee’ (Matth.18:6). In Romeinen 14:15 schreef de apostel: ‘Want als uw broer door iets, dat u eet, gegriefd wordt, wandelt u niet meer naar de eis van de liefde’. Zelf is de apostel bereid om vanwege zijn broer nooit meer (offer)vlees te eten. Hij hechtte zoveel waarde aan de innerlijke mens van de broer, dat hij afstand deed van zijn vrijheid om wel te eten.

Het onderwerp is voor ons als Nederlandse, opnieuw geboren christenen van weinig belang. Misschien meer voor Indonesische en Surinaamse broers en zusters. Denk bijvoorbeeld aan de slametan, dat is de dankmaaltijd die vooraf wordt gegaan door het wijden van het voedsel aan de goden. Het gaat hier dus om kennis van de onzienlijke wereld en het gevaar occult te worden gebonden. Het is niet zo dat we hieruit moeten concluderen dat wij ons zouden moeten onderwerpen aan allerlei instellingen, ceremoniën en uiterlijkheden van mensen, die ons hierdoor onze vrijheid die we in Jezus Christus hebben, willen ontroven en die ons allerlei wetten willen voorschrijven. Maar nogmaals: op occult terrein moet men uiterst voorzichtig zijn, want wie ziet alle gevaarlijke klippen in de geestelijke wereld en wie weet van een ander precies de mate van zijn kwetsbaarheid voor deze dingen?

Zo zijn er bijvoorbeeld christenen die bezwaar hebben tegen het in huis halen van een kerstboom, omdat ook onze heidense voorouders hun feesten zouden hebben gevierd rondom bomen (meiboom, paradijsboom, kruisboom en lichtende boom). Toch kunnen we een dennenboom die in een van onze bossen omgehakt is, moeilijk occult noemen. Wij mogen een dennenboom in onze tuin planten, maar ook in huis hebben, net als zoveel andere planten. Demonenverering komt er niet bij te pas. De boom met zijn lichtjes en versieringen bewerken een bepaalde, gezellige sfeer, net als bloemen en muziek die geven. Ieder is daarom volkomen vrij om zijn feesten te vieren op de wijze als hij dit zelf wil, mits hij alles doet ter ere van God.

Paulus zal nu in de volgende hoofdstukken duidelijk maken op welke wijze hij vrijwillig afstand gedaan had van bepaalde rechten als apostel. Zijn eigen levenswijze is dan een voorbeeld voor de gedragslijn van de sterken ten opzichte van de zwakken. Daarom kan de apostel blijmoedig getuigen: ‘Wordt mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg.’

>>>>>