23. Getrouwd of ongetrouwd zijn

<<<<<

1 Corinthe 7:25-33

Wat betreft hen die nog maagd zijn, heb ik geen bevel van de Heer. Ik geef echter mijn mening als iemand die barmhartigheid van de Heer heeft gekregen om trouw te zijn’ 25.

Ook over de huwbare meisjes hadden de Corinthiërs vragen gesteld. Was de maagdelijke staat beter dan de getrouwde? Mocht voortaan de jonge dochter zelf uitmaken of ze al dan niet zou trouwen? Kon zij vanwege religieuze bezwaren weigeren om te trouwen? Of moest het zó blijven dat deze Corinthische meisjes in deze zaak volkomen afhankelijk bleven van de wil van hun vaders? In die tijd was het immers ondenkbaar dat een Grieks of Joods meisje zelf haar keuze kon bepalen. Het evangelie dat Paulus bracht, was er niet op gericht om de gewoonten te veranderen. Het christendom sloot zoveel mogelijk aan bij de structuur van de bestaande maatschappij. 

Paulus erkent dat hij zich in deze kwestie niet beroepen kan op uitspraken van onze Heer zelf. De Heer had ook geen aanwijzingen gegeven of een gelovige huwelijkspartner de ongelovige man of vrouw mocht verlaten. De apostel geeft daarom zijn eigen gefundeerd oordeel, dat doordrenkt was met goddelijke wijsheid. Zijn conclusie nemen wij zelfs aan ‘als woorden van God’ (1 Petr.4:11). Paulus wist dat hij door de Heer als apostel was geroepen en dat hij de genade had ontvangen betrouwbaar te zijn. Zo schrijft hij later in 1 Timotheüs 1:12,13, dat Christus, onze Heer, hem trouw had geacht en hem ontferming had bewezen. Zijn opinie berustte dus op degelijke kennis, levenservaring en verlichting door Gods Geest, toen hij in het vorige vers schreef, dat ieder voor God maar in die staat moest blijven, waarin hij geroepen was. In dit verband was dit dus voor de maagden de ongetrouwde staat.

Geen vroom pak slaag

In de volgende verzen beschrijft hij waarom dit is. In de kanttekeningen van de Canisiusvertaling gaat men er vanuit dat de apostel het hier heeft over de maagdelijke staat van zowel mannen als vrouwen. Dezen zouden besloten zijn om ‘maagdelijk’ te leven, zonder hiervoor een gelofte afgelegd te hebben. Hoewel het woord ‘parthenos’ bij ons vertaald is door ‘jongemaarter’ (St. Vert)’ schijnt het ook gebruikt te kunnen worden voor mannen, die nog geen gemeenschap met een vrouw hadden gehad. Toch is hier geen enkele aanwijzing dat de apostel het hier over een ‘geestelijke’ stand zou hebben of over een bepaalde klasse van personen die een bijzondere heiligheid zouden bezitten. Hij geeft hier echter in een moeilijke situatie adviezen aan vaders, die met aanwijsbare problemen zaten in verband met hun jonge dochters.

Ik denk dat dit goed is met het oog op de aanstaande nood, namelijk dat het voor een mens goed is om zo te zijn. Bent u aan een vrouw verbonden, zoek geen losmaking. Bent u vrij van een vrouw, zoek dan geen vrouw. Maar ook als u trouwt, zondigt u niet. Ook als een meisje, dat nog maagd is, trouwt, zondigt zij niet. Zulke mensen echter zullen wel verdrukking hebben in het vlees en dat wil ik u besparen’ 26-28.

De apostel schrijft over ‘de aanstaande nood’:

  • Het woordje ‘aanstaande’ kan vervangen worden door ‘tegenwoordige’. Wij lezen dit bijvoorbeeld in de Lutherse vertaling.
  • In de ‘New English Bible’ staat: ‘In tijden van spanning zoals tegenwoordig’.
  • Ook de ‘King James’ en de ‘Revised Standard’ hebben ‘tegenwoordig’ (present).
  • Het Griekse woord ‘enistemi’ wijst op een scherp contrast met het verleden en met de toekomst (Hebr.9:9, Rom.8:38).

In Corinthe beleefde men zware tijden. In 1 Thessalonicenzen 3:7 spreekt de apostel over ‘bij al onze noden en verdrukking’ en het staat wel vast, dat deze brief vanuit Corinthe werd geschreven. Ook denken we aan het gezicht dat Paulus in deze stad ontving, toen de Heer hem ‘s nachts bemoedigde en tot hem zei: ‘Wees niet bang’. Ook uit het feit dat de joden Paulus voor de rechter konden slepen en dat Sósthenes door de Grieken daar mishandeld werd, blijkt wel dat de christenen weinig of geen bescherming van de overheid genoten (Hand.18:9-17). Het was dus voor de ongetrouwden beter om niet te trouwen. Bij vervolgingen zijn gezinnen dubbel kwetsbaar en door zijn raadgevingen bespaarde de apostel hun extra lijden en verdrukkingen. Het is ook opvallend dat de apostel juist aan de Corinthiërs zoveel meedeelt over zijn eigen lijden:

  • ‘In alles zijn wij in de druk en vervolgd en voortdurend worden wij aan de dood overgeleverd (2 Cor.4:7-12).

Ook weidt hij in deze tweede brief uitvoerig uit zijn verdrukkingen: gevangenschap, slagen, geselingen, gevaar door volksgenoten. Hij maakt duidelijk dat de vijandschap uit de onzienlijke wereld kwam: een engel van satan, om mij met vuisten te slaan. Het is of de apostel zijn verdrukte medegelovigen wil zeggen: ‘wordt nu maar mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg’ (11:1). In tijden van nood was het voor de gemeenteleden goed om te zijn zoals de apostel. De getrouwden mochten hieruit echter niet concluderen dat zij dan maar scheiden moesten, met een beroep op de moeilijke levensomstandigheden. Wie echter nog vrij was, deed er beter aan om niet te trouwen.

Het woordje ‘meer’ in: ‘Hebt u geen vrouw meer?’ is in de Nieuwe Vertaling ingevoegd. Men kan ook vertalen: ‘Bent u vrij van een vrouw?’, dus nog ongetrouwd, ‘zoek er geen’. Deze regel gold dus voor alle ongetrouwden en niet alleen voor gescheiden mannen of weduwnaars. De jonge mannen en vrouwen doen echter beslist geen kwaad, als zij op deze apostolische raad niet ingaan. Hij was immers in hun eigen belang gegeven. Letterlijk staat er: je zondigt daardoor niet. Voor God is immers het huwelijk heilig en het staat zedelijk niet lager dan de ongetrouwde staat.

Het vlees pijnigen

Er waren asceten die meenden dat het huwelijk iets minderwaardigs was. De apostel wijst dit nadrukkelijk van de hand. Wie echter trouwt, zal in de bestaande situatie ook nog voor zijn gezin moeten zorgen. Dan wordt het ‘vlees’, dat is de natuurlijke mens, bij de meedogenloze vervolgingen wel zwaar onder druk gezet. De getrouwde staat maakt dan de verschrikkingen groter en dit wil de apostel zijn kinderen als een goede herder besparen. Deze zienswijze is dan wel geheel anders dan het juk dat de ‘geestelijken’ in de roomse kerk te dragen hebben, want hun wordt verboden te trouwen. Er wordt geen rekening mee gehouden of zij dit al of niet kunnen dragen. In de eerste eeuwen bestond er geen kerkelijke wet, die het celibaat voorschreef. Als een getrouwd man tot priester gewijd werd, kon hij het huwelijksleven voortzetten. Wel leefden veel christenen naar het voorbeeld van Christus en Paulus als ongetrouwden. Pas in het jaar 386 werd door de Synode te Rome de ongehuwde staat van de priesters verplicht gesteld.

Maar dit zeg ik, broers, dat de tijd beperkt is’ 29a.

Godsdienst was in het Romeinse rijk geen privézaak. In het dagelijkse leven moest de christen op straat of op de markt maar al te vaak ‘nee’ zeggen tegen de gewoonten van zijn tijd. De apostel begint nu met: ‘dit wil ik u verzekeren dat de tijd beperkt is’ want de gedaante van deze wereld gaat voorbij (vers 31). Men stond aan de grenzen van een nieuw tijdperk. Men was in een zo spannende wereldsituatie gekomen, dat het onoverwinnelijke Romeinse rijk met zijn cultuur en godsdienst zou worden weggeveegd door de opkomende macht van het christendom. In Efeziërs 5:15,16 schrijft de apostel:

  • ‘Ziet dus nauwlettend toe, hoe u wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad’.

In de geest ziet Paulus al de komende bloedige vervolgingen onder de Romeinse keizers, maar ook de triomf van zijn gekruisigde Heer. Een natuurlijk christendom zou niet bestand zijn tegen de verdrukkingen en ook niet in staat zijn een nieuwe wereldorde te vestigen. Het is het uur om uit de slaap te ontwaken, want de nacht is vergevorderd, de dag is nabij (Rom. 13:11,12).

De wetten waren toegevoegd voor een weerspannig volk

De christenen werden omringd door een geestelijke duisternis, die veroorzaakt werd door de satan, de overste van deze wereld. Zo worden wij door deze uitspraak met ónze tijd geconfronteerd: miljarden mensen zijn gebonden aan valse, occulte godsdiensten, aan ongeloof en bijgeloof, aan ziekten, zonde, ongerechtigheid, angst en wetteloosheid. De toegevoegde wetten uit het Oude verbond van het oude verbond waren ten tijde van de apostel niet in staat deze duisternis te verdrijven of de mensen te bevrijden uit de hand van hun vijanden. Daarom ging ook het fossiele Jodendom ten onder, net als vandaag. Zo ook is het schijnheilige naamchristendom van onze tijd onmachtig zijn licht te laten schijnen, maar wij zien echter uit naar de openbaring van de zonen van God, die het licht helderder dan ooit zullen doen stralen in een demonisch ontwrichte eeuw.

Wanneer de apostel profeteert dat de tijd kort is, weet hij ook dat de redding meer nabij is gekomen. Hij zag de overwinning van de christenen op het rijk van de duisternis door de openbaring van de zonen van God. Voor hen die de boodschap van het Koninkrijk van de hemelen kennen, wijkt de nacht ook nu al en is de dag nabij.

Laten zij die vrouwen hebben voortaan zijn alsof ze die niet hebben en zij die huilen, alsof zij niet huilen en zij die blij zijn, alsof zij niet blij zijn en zij die kopen, alsof zij niet bezitten en zij die van deze wereld gebruikmaken, alsof zij die niet gebruiken. Immers, de gedaante van deze wereld gaat voorbij’ 29b-31.

De Corinthiërs waren nog aardsgericht. Daarom kon de apostel zich bij hen moeilijk bezighouden met geestelijke zaken, zoals in andere gemeenten. Hij moest voorschriften, adviezen en aanwijzingen geven in verband met allerlei natuurlijke kwesties, die de ware geestelijke christen probleemloos vanuit zijn hemelse visie kon oplossen. De volgende raadgevingen spreken ook ons aan en wij moeten ze ook ter harte nemen, om onze geestelijke gezindheid eraan te toetsen. De bedoeling is: laten wij toch allereerst een wandel in de hemelse gewesten hebben, want de tijd is kort, of beter: samengedrongen, dit betekent dat er veel dingen gaan gebeuren in een kort tijdsbestek. ‘Immers’, of ‘voor de tijd die ons rest’, wanneer de onzienlijke wereld in beweging komt, maak dan je huwelijk en je gezin niet tot het hoofdthema. Hecht niet teveel aan de genoegens van deze samenleving, want je weet niet hoe spoedig je ze gaat verliezen. Ook met de toekomst van je kinderen moet je niet voortdurend bezig zijn, want de Heer zegt:

  • ‘Maar zoek eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden’ (Matth.6:33).

Het leven van de opnieuw geboren christen wordt getypeerd door zijn hemelse wandel. Vooral zij die een ongelovige huwelijkspartner hebben, zullen een leven moeten opbouwen dat niet door antichristelijke beïnvloedingen overweldigd wordt. Hou er ook rekening mee, dat er in de geestelijke wereld geen man, vrouw of kind meer is.

Het bloed van de martelaren

Ook de martelaren hebben vaak hun vrouw en kinderen moeten loslaten vanwege hun geloof. Ook geeft het natuurlijke leven vaak aanleiding tot diep verdriet. De zieke vrouw, het moeilijk opvoedbare kind, de strijd om het bestaan kunnen permanent als een duistere wolk boven de christen hangen.

De raad is: maak je ervan los. Wie reden heeft om te huilen, moet zich boven de omstandigheden verheffen, alsof hij niet hoefde te huilen. Zo groeit men op tot een sterke christen, die ook anderen weet te helpen. Wie iemand uit de put wil halen, moet er zelf niet eerst inspringen! Ook niet via een uitgekookt, Chinees verhaaltje of sprookjes uit Staphorst en Urk. Leef in de zekerheid dat alle tranen van de ogen worden afgewist. Word door beproevingen niet terneergedrukt, maar hou de blijdschap die inherent (verbonden) is aan het Koninkrijk van God. Word echter ook niet meegesleurd door het enthousiasme van de natuurlijke mens voor allerlei wereldse zaken. Zoek de dingen die ééuwige vreugde geven.

De apostel waarschuwt in verband met een wandel in de hemelse gewesten, voor het gevaar om in uitersten te vervallen: groot verdriet of grote blijdschap. De ware christen moet onbeweeglijk staan te midden van het beweeglijke. Zijn vervoering moet in de geest zijn en niet op het zielse vlak liggen, zoals men die in bepaalde samenkomsten zoekt, om zich te kunnen ‘uitleven’. Zoals het de christen niet verboden is om te trouwen, zijn verdriet te uiten of vreugde te bedrijven, zo mag hij ook handelen en zaken doen. Maar ook hier remt de apostel deze dingen op de juiste wijze weer af, want akkers of ossen kopen, een (ongelovige) vrouw trouwen, kunnen beletsels zijn om het Koninkrijk van God binnen te gaan (Luc.14:15-24).

Wie in de geestelijke wereld volmaakt wil worden, moet in de natuurlijke zich in veel dingen beperkingen opleggen en veel loslaten. Ook mag de christen gebruik maken van alles wat de wereld (kosmos) aan schoonheid en goede dingen biedt. Ook van voorzieningen, medische kennis, techniek en schilderkunst, net zoals hij zijn brood bij een wereldse bakker mag kopen. ‘Niets ervan is verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt’ (1 Tim.4:4). Maar hij verafgoodt geen enkel ding, want de wereld gaat voorbij met al haar (inmiddels perverse medische) kennis, macht en glorie. Die de wil van God doet, blijft echter tot in eeuwigheid!

De met Gods Geest vervulde christen hoeft niet in onthouding te leven, maar zal zich niet te veel aan de natuurlijke dingen hechten, want niets is hier blijvend. Gewoonten, gedragspatroon, kleding, staatsvorm, kunst, macht, eer en rijkdom zijn uiterlijke zaken en horen bij wat de Statenvertaling noemt ‘de gedaante’, of het uiterlijke dat de wereld bedekt. Dit gewaad wisselt voortdurend en zal dan tenslotte geheel verdwijnen, om plaats te maken voor de openbaring van het eeuwige Koninkrijk van God hier op aarde. Naar deze situatie verlangt de zuchtende schepping en wij zien er ook naar uit.

En ik wil dat u zonder zorgen bent. De ongetrouwde draagt zorg voor de dingen van de Heer, hoe hij de Heer zal behagen. Wie echter getrouwd is, draagt zorg voor de dingen van de wereld, hoe hij zijn vrouw zal behagen en hij is verdeeld’ 32-33.

Paulus is een goede herder van zijn kudde. Hij wil dat zijn schapen zonder zorgen kunnen leven. Jezus had immers geleerd dat zijn juk zacht en zijn last licht is. Een christen mag ontspannen leven. Alleen de duivel brengt de obstakels in zijn leven aan. De apostel geeft nu zijn advies, dat echter niet bindend is, want ‘hij zou wel willen’ (vert. Brouwer). De ongetrouwde man schenkt zonder afleiding zijn aandacht aan de Heer. Natuurlijk bedoelt de apostel met deze uitspraak niet, dat dit dan automatisch het geval zou zijn. Hij is hiertoe echter in staat en een waar christen verlangt ook niet anders. Daarom stelt de apostel het als een vanzelfsprekende zaak voor.

Paulus gaat er beslist niet vanuit dat de ongetrouwde man door allerlei hobby’s, functies in het maatschappelijk leven of een uitgaansleven zo in beslag wordt genomen, dat zijn aandacht niet meer volkomen op de Heer is gericht. De ongetrouwde man kan zijn vrije tijd besteden aan het voorzien van ‘de bestaande nood’, aan evangelisatie, aan huisbezoek, aan het opbouwen van de gemeente door bijvoorbeeld het jeugdwerk te leiden, aan voorbede, aan Bijbelstudie, aan de werk onder hulpbehoevenden, ouderen, verslaafden of aan afgedwaalde gemeenteleden. Hij kan dus ruimschoots ‘de Heer behagen’. Dit is alleen mogelijk, als hij niet in het vlees leeft, want dan kan hij God niet behagen (Rom.8:8). Wanneer hij vervuld is met de rechte kennis van Gods wil, met alle wijsheid en geestelijk inzicht, kan hij zelfs de Heer in álles behagen (Col.1:10).

De echtgenoot moet echter ook voor zijn gezin zorg dragen. Zijn aandacht moet hij verdelen tussen de tijdelijke en eeuwige dingen. Hij is verplicht zijn vrouw te behagen, dus gelukkig te maken. Het zou verkeerd zijn, als hij dit niet deed. De huiselijke situatie kan echter door omstandigheden zoals ziekte, financiële zorgen, moeilijkheden met kinderen, zó worden, dat er geen tijd meer overschiet voor de dienst van de Heer, zeker als er nog ‘de bestaande nood’ bijkomt. Het is voor Paulus een normale zaak, dat de getrouwde christen voor zijn gezin zorg draagt.

Hier vinden we een duidelijke aanwijzing dat de man niet iedere avond er op uit moet trekken om te evangeliseren en dat hij niet in allerlei commissies gaat zitten, die al zijn vrije tijd opeisen. Ook hoeft hij niet allerlei karweitjes in de gemeente op te knappen, die normaal door betaalde krachten zouden moeten worden gedaan. De vrije tijd van een man hoort ook toe aan zijn gezin en hij mag zijn vrouw en kinderen niet verwaarlozen door ‘de dingen van de Heer’. In zijn overwegingen was de ongetrouwde apostel nuchterder dan menig leider van een godsdienstige organisatie, die zijn volgelingen prest tot permanente uithuizigheid. Wel is aan te bevelen dat een christen niet een beroep kiest, dat hem dag en nacht bezig houdt, zodat hij door teveel zorgen wordt afgeleid. De getrouwde staat brengt al genoeg wereldse zorgen mee, zeker wanneer iemand met een ongelovige vrouw getrouwd is.

Tenslotte weten wij dat God het huwelijk heeft ingesteld, maar Paulus constateerde dat in een jonge gemeente, waar het geestelijke leven nog zo pril en zwak was en die bovendien met veel tegenstand en vervolging te kampen had, de verantwoordelijkheid voor een gezin op velen zwaar zou kunnen drukken. Denk ook aan het feit dat men dikwijls in zijn bestaanszekerheid werd getroffen of zijn baan kwijtraakte. Paulus vreesde dat de aardse zorgen zoveel aandacht en verantwoordelijk veel van de christen zouden opeisen, dat er geen tijd meer overbleef en de risico’s te groot zouden worden, om tot kinderen van het licht op te groeien te midden van een krom en verdraaid geslacht.

Tijden veranderen snel

Gelukkig zijn de tijden vandaag iets veranderd en de situaties zoals in Paulus’ dagen lang niet meer zo extreem, maar dit verandert in een razend snel tempo. In de laatste eeuw hebben de Satan en zijn beest uit de zee, duizenden helpertjes op aarde gevonden met wereldwijd, miljarden onschuldig vermoorde mensen als resultaat. Ongeboren baby’s, jongeren, gemiddelde leeftijden en ouderen. Wereldwijd gewetenloos vermoord. De moordenaar vanaf het begin van de schepping, haat de mens. Ook zijn helpertjes op aarde zijn vol haat tegen hun medemens (Joh.10:10). Hun einde staat vast (Op.20:14,15).

In verband met de situatie in de gemeente zei eens een Geestvervulde en in water gedoopte hervormde dominee tegen ons:

  • “Ik zou wel tot jullie over willen komen, maar ik heb een vrouw die niet mee wil en ook nog twee jongens op de universiteit die nog studeren. Ik durf de stap niet te wagen…”

De keuze van deze dominee vandaag, verbleekt dus bij keuze die in die dagen genomen moest worden. De risico’s waren voor deze man nog steeds te groot, terwijl de situatie absoluut niet te vergelijken is met die van 2.000 jaar geleden. Wel een teken aan de wand!

>>>>>