15. Het kwaad verbannen uit de gemeente

<<<<<

1 Corinthe 5:9-13

Ik heb u geschreven in de brief dat u zich niet moet inlaten met ontuchtplegers. Echter, niet in het algemeen met de ontuchtplegers van deze wereld, of met hebzuchtige mensen, of rovers, of afgodendienaars, want dan zou u uit de wereld moeten gaan’ 9,10.

De eerste Corinthebrief, zoals wij die kennen, was voor de Corinthiërs de tweede. De eerste echter is zoekgeraakt en wij kennen deze niet. Er staat letterlijk: ‘Ik schreef u in de brief’, namelijk de brief die hij eerder stuurde. Op dezelfde manier vinden we in 2 Corinthiërs 7:8 letterlijk: ‘Omdat ik je inderdaad bedroefd heb door de brief’, dat wil zeggen door onze ‘eerste’ Corinthebrief, die dus eigenlijk de ‘tweede’ was. De apostel moet wel meerdere brieven hebben geschreven, want zijn tegenstanders in Corinthe zeiden: ‘Zijn brieven zijn wel gewichtig’ (2 Cor.10:10).

De apostel had zijn lezers dus al aanwijzingen gegeven hoe zij zich moesten opstellen ten opzichte van hen die in seksuele zonden leefden. Zij mochten zich niet met zulke ontuchtige mensen associëren of vriendschappelijke relaties met hen hebben. De Corinthiërs waren echter op het vorige epistel niet ingegaan of zij hadden het niet goed begrepen. Zij meenden dat de apostel ‘in het algemeen’ iedere omgang met zulke overtreders van Gods wetten had verboden. Dan werd het wel een moeilijke zaak om in een havenstad als Corinthe te leven. De onzedelijkheid was daar immers algemeen. Immorele mensen komt men ook in onze tijd veel tegen tijdens de studie, op de fabriek of op het kantoor, of zelfs in de familie. Men is daar wel verplicht met hen om te gaan, want anders zou men uit de wereld moeten gaan. Heeft Jezus dit probleem niet zo bij zijn Vader gebracht: ‘Ik bid niet, dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze’ (Joh.17:15)?

Behalve de al eerder genoemde zonde van onreinheid, noemt de apostel dan verder nog enkele voorbeelden van slechtheid die men overal tegenkomt. Zo is de geldgierigheid de wortel van alle kwaad. De hang naar geld is trouwens ook een wezenskenmerk van de dwaalleraars en valse profeten, die hun volgelingen ‘uit hebzucht met verzonnen redeneringen als koopwaar behandelen’ (2 Petr.2:3). Het woord ‘oplichters’ wordt ook wel vertaald door ‘rovers’. Zij zijn lieden die met sluwheid of met geweld zich de eigendommen van een ander toe-eigenen. Trouwens ook een kenmerk van de ‘geestelijke leiders’ die in wezen bij deze wereld horen.

Afgodendienaars zijn zij ‘die de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door wat lijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren’. Deze vorm van godsdienst verlaagt het zedelijke gehalte van de mensen, met het gevolg dat zij ‘in hun hartstochten overgegeven zijn aan onreinheid’ (Rom.1:23,24). Hun niveau in de onzienlijke wereld openbaart zich dus op deze wijze in de zichtbare. Een christen kan zulke mensen niet ontwijken, want hij komt ze overal tegen, niet alleen in de antieke wereld, maar ook in de moderne waarin wij leven. De raad is: ‘ga rustig met de zondaar in de wereld om. Probeer niet de zedenmeester uit te hangen, maar laten zij door je wandel zonder woorden gewonnen worden, doordat zij je zuivere en godvrezende wandel opmerken’.

Maar nu heb ik u geschreven dat u zich niet moet inlaten met iemand die, terwijl hij een broer wordt genoemd, een ontuchtpleger is, of een hebzuchtige, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een oplichter. Met zo iemand moet u zelfs niet eten’ 11.

De Corinthiërs waren van mening, dat ze absoluut geen omgang mochten hebben met de goddeloze wereld, maar wel (vanwege ‘de liefde’) met een zondige broer of zuster. Aan de ene kant aanvaardden zij dus een rigoureuze afscheiding met de buitenstaanders en tegelijkertijd tolereerden zij het verkeerde binnen eigen kring. Zo komt het ook voor dat men het kwaad in eigen kerk of kring vergoelijkt, terwijl men dat in andere gemeenschappen nauwkeurig weet te omschrijven. Paulus begint dit vers met het woordje ‘nu’, dat niet als bijwoord van tijd, maar als redengevend voegwoord is bedoeld. Hij wil zeggen: ‘Maar mijn bedoeling was, dat u de gemeenschap zult vermijden met de broeder die in zonde leeft’.

Opnieuw geboren christenen hoeven niet uit de wereld te gaan. Zij mogen zaken doen met ongelovigen en zondaars. Zij kunnen ook rustig met zulke mensen eten. Tijdens de maaltijd hebben zij met hen alleen gemeenschap op het natuurlijke vlak. Samen eten betekent dan: contact hebben met mensen met wie je werkt, met wie je een dagje uitgaat vanwege je dagelijkse werk.

In de gemeente mag je echter niet eten met mensen die zich christen noemen en die toch allerlei dwalingen accepteren, zoals dit algemeen gebeurt bij de ‘charismatische bewegingen‘. Of christenen die zich nog nooit hebben bekeerd en toch bewust willen leven met de aangename sprookjes van Satan. Je zoekt hun fellowship immers niet wegens natuurlijke omstandigheden of hun vele shows, maar omdat zij ‘broers of zusters’ zijn.

Daarom mag je met hen ook geen avondmaal vieren, want dan ben je in de geestelijke wereld met onreine geesten verbonden. Waarschuw dus, voordat je met elkaar ‘het brood breekt’, dat men aan een ‘heilig avondmaal’ deelneemt. Wie dan toch met zijn onbeleden zonden aanzit, ‘eet en drinkt zichzelf een oordeel’. Een gelovige man kan echter rustig met zijn ongelovige vrouw eten, net als ouders dit mogen doen met kinderen die in zonde leven. Hier is immers sprake van een natuurlijke band en niet van een geestelijke.

De apostel geeft nu enkele voorbeelden van zonden, die in een gemeente door zogenaamde broeders bedreven kunnen worden:

  • Het Griekse woord ‘porneia’, vertaald door ‘hoereerder’, ziet op allerlei soorten ontucht. Zo is pornografie: vuilschrijverij.
  • Een met Gods Geest vervulde christen hoort geen onzedelijke boeken te lezen of slechte films te gaan zien en zich niet te verdiepen in de creaties van onreine geesten. In de huidige literatuur is tegenwoordig niet veel meer dat door hem gelezen kan worden.
  • Een geldgierige maakt de mammon tot zijn god en hij kan dus nooit oprecht de ware God dienen. Hebzucht is niet anders dan afgoderij (Col.3:5). Wanneer men zichzelf onderzoekt hoe men tegenover zijn geld en bezit staat, mag men ook wel eens letten op wat men voor de dienst van de Heer in de zienlijke wereld afzondert. Denk bijvoorbeeld aan het geven van een bepaald percentage van de inkomsten.
  • Een afgodendienaar bedrijft de werken van het vlees. Hij keert dus terug tot het oude, zondige leven (Gal.5:20). Hij valt terug van de hemel op de aarde (Op.6:13, 8:6-13) want hij verandert God die geest is, in een stoffelijk beeld.
  • Tot de afgodendienaren kan men ook de occultisten rekenen. Zij stellen de werken van Satan en zijn demonen boven die van Christus; bijv. waarzeggerij boven profetie en magnetisme boven goddelijke genezing.
  • Lasteraars zijn mensen die ‘liegende allerlei kwaad spreken’ (Matth.5:11). Onder hen zijn ook de roddelaars, die tot de ‘fatsoenlijke zondaars’ gerekend worden. In de gemeente van Jezus Christus werken zij als de slechte zuurdesem, die tenslotte het hele brood doortrekt.
  • Dronkaards zijn verslaafden, net als rokers, cokesnuivers, of zij die gebonden zijn aan gokken, loterij of kansspel.
  • Rovers zijn onbetrouwbare mensen, vooral wat geld betreft. Zij weten op bedrieglijke wijze hun broeders geld of goederen afhandig te maken.

Wanneer iemand een broer heet en lid is van een gemeente en het openbaar wordt dat hij zulke zonden doet, moet men alle contact en omgang met hem vermijden, hem ontwijken en schuwen, want hij onteert de naam van Christus. Hij mag zichzelf ‘broeder’ noemen, maar hij is het niet. Hij is alleen gezelschap voor zijn ‘broeders’ in de onreinheid en moet aan hen worden overgelaten. In wezen hoort hij niet meer bij de gemeente van Jezus Christus, het paaslam, want het brood dat erbij hoort moet ongezuurd zijn. De apostel somt hier bepaalde zonden op, die ook door de gewone natuurlijke mens worden veroordeeld.

Wie tot de Heer komt, wie de eerste stappen zet in het Koninkrijk van God, zal ‘breken met deze ongerechtigheden’. Ze horen zelfs in een normale gemeente niet genoemd te worden. Hoe kan een christen ooit verder komen in de geestelijke wereld, als hij nog gebonden is aan zulke vormen van kwaad? Ook mogen wij geen mensen in ‘ons huis’, dat is de gemeente, ontvangen, die dwalingen brengen. Wij zullen hen niet welkom heten en hen in ons midden geen boodschap laten brengen, ook al heten zij misschien gerenommeerde evangelisten (2 Joh.10,11)!

Het is toch niet aan mij om hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u immers niet alleen hen die binnen zijn? Maar hen die buiten zijn, oordeelt God. En doe de kwaaddoener uit uw midden weg’ 12,13.

Paulus had in zijn eerste brief niet over wereldse zondaars geschreven. Met hen had hij niets te maken. Het misverstand waartoe de brief aanleiding gegeven had, was dat men meende de buitenstaanders wél te moeten oordelen. Wij hoeven echter de relaties met de wereld of met hen die buiten onze gemeente zijn, niet te verbreken. Wij oordelen zulke mensen niet en bemoeien ons niet met hun doen en laten. Als wij onderscheiding van geesten bezitten, zullen ze ons niet besmetten. Zij die deze gave nog niet of onvoldoende hebben ontwikkeld zullen we waarschuwen voor de rampen die hun kunnen opkomen. Paulus oordeelde alleen hen die bij de gemeente hoorden. Zij vormden het ‘huisgezin’ of de ‘kring’.

Deden de Corinthiërs dit nu ook? Of maakten zij alleen maar scheiding tussen hen die van Paulus, van Céfas of van Apóllos waren? Waarom dan niet tussen valse en ware broeders? Wij leren hieruit dat wij alleen ons oordeel zullen uitspreken over zondigende gemeenteleden, want zij zijn van ons. In andere gemeenschappen hebben wij geen zeggenschap. Wij bemoeien ons niet met het handhaven van de tucht bij gereformeerden of hervormden, maar in eigen gemeente zullen wij geen mensen verdragen die dwalingen promoten of die in zonde leven. Wij moeten ze uit ons midden wegdoen, uit de gemeente waarvoor God ons verantwoordelijk stelt. Alleen de plaatselijke gemeente bezit het recht zondaars die in hun kwaad volharden te excommuniceren. In vele vertalingen staat: ‘Verwijdert de boze uit uw midden’. Daar gaat het om. In dit verband zei onze Heer: ‘Voorwaar, Ik zeg u, alles wat u op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel en alles wat u op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel. Nogmaals, voorwaar Ik zeg u, dat, als twee van u (de zondaar en de broeder die met en voor hem bidt) op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun zal ten deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is’ (Matth.18:18,19).

Wanneer de zondaar niet luistert en weigert voor zich te laten bidden, dan verdrijven we de Satan door de zondaar uit de gemeente te verwijderen. In het oude Israël deed men ‘de boze uit het midden’ door de zondaar te doden. In onze tijd bannen we de overtreder buiten het Israël van God en leveren we hem over aan de wereld. Dan valt hij in handen van haar overste, de Satan. In de gemeente wordt niemand gestraft en hoeft niemand boete te doen. Het gebod is: de zonde belijden en laten. Dit doet men dus door de boze geest openlijk ten toon te stellen, hem te weerstaan of uit te drijven. Op deze manier wordt iemand een vrij mens en kan hij de Heer dienen naar eigen wil en begeerte.

>>>>>