Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde

2 Petrus 3:11-18

Als deze dingen dus allemaal vergaan, hoe moet u dan zijn in heilige levenswandel en in Godsvrucht;’ 11.

Petrus komt hier terug op wat hij in de vorige verzen heeft geschreven, namelijk hoe de dag van de Heer zal komen. In die tijd zullen de ordenende wereldgeesten wankelen en hun instituten in elkaar storten. Het hele maatschappelijke, economische en staatkundige leven verliest ieder gezag vanwege de overal penetrerende, ontwrichtende demonen. De vertaling Brouwer luidt:

  • ‘Wanneer al deze dingen op deze wijze ontbonden worden’.

De samenwerking tussen de menselijke geesten valt dan uit elkaar. De wettelozen zullen, net als de zonen van God door Gods Geest, tot rijpheid komen onder leiding van de mens van de zonde, de zoon van het verderf, dè antichrist (Op.13). Alleen zij die vervuld zijn met Gods Geest, zijn bestand tegen de demonische vloed ‘die over de hele wereld komen zal, om hen te verzoeken die op de aarde wonen’ (Op.3:10).

De gemeente in de eindtijd levert de menigte van overwinnaars in deze laatste geestelijke worsteling tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de boze geesten in de hemelse gewesten, die nog versterkt worden door de occulte demonen die uit de afgrond komen (Op.9:2). In de gelovigen wordt de volle vrucht van de aarde gezien. Zij heeft wel tijd nodig gehad om tot ontwikkeling te komen, maar uiteindelijk zal Gods volk geopenbaard worden in al zijn heerlijkheid. Als opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christenen hebben wij de zekerheid dat de goddelozen zullen ondergaan, maar dat de verstandigen, dat zijn degenen die Gods woord hebben verstaan en ernaar gehandeld hebben, zullen stralen als de glans van het uitspansel en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht, dus de leraars van de gerechtigheid, als de sterren, voor eeuwig en altijd (Dan.12:3).

Wanneer wij dit alles weten en geloven en deel hebben aan de tempel van God die geopenbaard zal worden, moet dit door ons doen en laten zichtbaar worden. Heel ons wezen zal de heerlijkheid van God moeten uitstralen, zodat het beeld van Jezus met verbazing kan worden gezien in zijn heiligen (2 Thess.1:10). De woorden ‘levenswandel’ en ‘Godsvrucht’ staan in het oorspronkelijke in het meervoud, want ieder van onze werken moet getuigenis afleggen van ons geloof en de vruchten van de Geest zijn in veelvoud.

u, die de komst van de dag van God verwacht en daarnaar verlangt, de dag waarop de hemelen, door vuur aangestoken, zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten’ 12.

In dit vers staat letterlijk: ‘Verwachtende en haastende de parousia van de dag God’. Degenen die deze parousia menen te moeten verstaan als de terugkomst van de Heer met de wolken naar de aarde, komen hier in moeilijkheden, want deze dag kunnen zij wel verwachten, maar niet naar voren halen. Dit tijdstip hoort bij: ‘de tijden en gelegenheden, waarover de Vader de beschikking aan Zich heeft gehouden’ (Hand.1:7). Om echter aan deze uitleg toch een schijn van waarheid te geven, voegde men het woordje ‘u’ ertussen en vertaalde in plaats van ‘bespoedigende’ of ‘verhaastende’: ‘U spoedende naar’. De bedoeling is echter dat wij moeten uitzien en er naar streven om de parousia of de tegenwoordigheid van Christus in ons, te openbaren. Daarom moeten wij ook streven naar de gaven van Gods Geest en naar de volkomenheid. Wanneer dit proces in het volk van God tot zijn doel gekomen is, zullen in die tijd ook de machten van de duisternis uit de hemel op de aarde zijn geworpen.

Michaël en zijn heilige engelen kunnen de strijd niet beginnen voordat de zonen van God geopenbaard zijn. Wanneer de invasie van Satans demonen eerder zou gebeuren, zou immers ‘geen enkel mens worden gered’. Alleen de zonen van God die op weg zijn om vaders in Christus te worden, kunnen in die tijd standhouden. Wanneer de gemeente zich geheel toebereid heeft, kan de oorlog in de hemel, waarvan Openbaring 12:7 spreekt, tot een goed einde gebracht worden. Zij houdt stand en van haar leden wordt gezegd: ‘Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood’ (Openb.12:11). De elementen of de wereldgeesten zullen echter niet in staat blijken de invasie van wetteloze boze geesten te stuiten. Zij kunnen als menselijke geesten het leven op de wereld dan niet meer in goede banen leiden. De wereldgeesten zullen versmelten en verbranden, dus ondergaan in deze strijd en de chaos op aarde zal compleet zijn.

Petrus gebruikt hier het woord ‘hemelen’, dus de meervoudsvorm. Wij denken hierbij aan het feit dat bij de laatste slag in het Koninkrijk van de hemelen, de slag bij Armageddon, het koninkrijk van de satan met zijn leugenmachten – het koninkrijk van de dood met zijn geesten uit de afgrond – en de menselijke geesten uit het leger van de antichrist, nauw verbonden zijn. Er zijn dus behalve het Koninkrijk van God verschillende onzienlijke werelden: de wereld van de inwendige mens, die van de satan en die van de dood. De antichrist en de in hem wonende geest, het beest uit de afgrond, worden dan ‘levend geworpen in de vuurpoel, die van zwavel brandt’, terwijl de lichamen van de overigen van zijn leger tot ontbinding overgaan en hun geest en ziel in de afgrond worden geworpen.

Maar wij verwachten, overeenkomstig Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont’ 13.

Dit alles hoeft echter het leven van Gods volk dat gedoopt is met Zijn Geest, dus verzegeld is aan het voorhoofd, geen angst aan te jagen. De belofte is dat God zijn gemeente zal weten te bewaren tijdens het uur van de verzoeking die over de hele aarde komt (Op.7:3 en 3:10). Wij houden vast aan zijn belofte en deze is, dat er nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zullen komen, waarin geen wetteloosheid of zonde meer gevonden zal worden. Alles zal dan functioneren in gerechtigheid, dit wil zeggen naar de wetten van God.

De geest van Petrus houdt zich nu verder bezig met de heerlijkheid die komen zal na het duizendjarige rijk. Ook de duivel zal na dit tijdperk aan het vuur worden prijsgegeven. Ook hij wordt dan geworpen in dezelfde poel, waar ook het beest en de valse profeet zijn. Daarna volgt het oordeel over hen die uit het dodenrijk komen en over wie vonnis geveld wordt naar hun werken. De maatstaf zal zijn of zij barmhartig zijn geweest ten opzichte van de minste en meest hulpbehoevende medemens.

Van een belofte over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde lezen wij in Jesaja 65:17:

  • ‘Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen’. De vervulling ervan vinden we in Openbaring 21:1 waar staat: ‘En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan en de zee was niet meer’.

Zoals er gesproken wordt van een nieuwe mens, maar een vernieuwde mens bedoeld wordt, zo denken wij aan een vernieuwde hemel en aan een vernieuwde aarde. God maakt immers alle dingen nieuw, maar geen nieuwe dingen. Hij voltooit zijn schepping naar zijn oorspronkelijke bedoeling.

Wie meent dat deze aarde door natuurlijk vuur vergaan zal, gelooft daarmee dat het leven dat God in het begin geschapen heeft, door de satan uiteindelijk zal worden vernietigd. Dit zou een overwinning betekenen voor het dodenrijk. Deze theorie houdt in feite in, dat God wat de aarde betreft, in de eindtijd ‘dood’ is. De laatste dagen zijn echter het begin van het herstel of de heroprichting van alle dingen, waarvan God gesproken heeft door zijn heilige profeten, van oudsher (Hand.3:21). Zowel Jesaja als Johannes in de Openbaring, spreken van een nieuwe hemel in het enkelvoud.

Petrus spreekt hier echter over hemelen in het meervoud. Dit betekent dat de invloedssferen en machtsterreinen van het rijk van de duisternis gezuiverd worden, doordat de geesten die er de dragers van waren, geworpen zijn in de vuurpoel. De alleenheerschappij is gegeven aan de geesten die bij het rijk van God horen. De boze geesten worden eerst uit de hemel geworpen naar de aarde, de mens, en uiteindelijk samen met het dodenrijk, na het eeuwig oordeel, de tweede dood, gedreven in de vuurpoel (Op.20-11-15).

Daarom, geliefden, terwijl u deze dingen verwacht, beijver u om onbevlekt en smetteloos door Hem bevonden te worden in vrede en beschouw het geduld van onze Heer als zaligheid; zoals ook onze geliefde broer Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, u geschreven heeft, zoals ook in alle brieven, wanneer hij deze dingen ter sprake brengt. Daaronder zijn sommige zaken die moeilijk te begrijpen zijn, die de onkundige en onstandvastige mensen verdraaien, tot hun eigen verderf, net als de andere Schriften’ 14-16.

Wanneer wij toekomstverwachtingen koesteren waarin God voor eeuwig in en door zijn volk regeren zal, zullen wij ons samen moeten inspannen om toegerust te zijn voor dit doel. Wij zullen dus verlost moeten worden van iedere macht van de duisternis en alles afleggen wat ons bevuild en waarover wij berispt zouden kunnen worden, zodat de gerechtigheid volkomen in ons kan worden geopenbaard. Deze zuiverheid kan zich echter alleen ontwikkelen, wanneer er vrede is in ons hart. Gerechtigheid is immers een vrucht, die in het vredige hart van de met God verzoende mens een vruchtbare grond vindt. Zij ontkiemt daar, ontwikkelt zich en brengt een rijk gewas voort aan hen van wie de akker, dat is het hart, is (Jac.3:18). De ware christen heeft vrede met God, vrede met de broers en zusters en zoveel als in zijn vermogen is, vrede met alle mensen.

Wij gaan niet om met de spotters en de twijfelaars die beweren dat van al dat streven naar de volkomenheid toch niets terecht komt. Paulus opperde zelfs de mogelijkheid dat onze geest, ziel en lichaam ongerept en onberispelijk kunnen zijn bij de terugkomst van Jezus (1 Thess.5:23). Hij voegde eraan toe dat Hij die ons roept, ook trouw is en het ten uitvoer zal brengen. Wanneer de Heer nog geduldig is en afwacht, hebben wij nog enige tijd, die wij mogen gebruiken om zelf verder te komen en ook het geloof van onze broers en zusters op te bouwen. Wij hebben dan bovendien nog gelegenheid om hen die buiten staan, uit te nodigen om deze redding met ons te delen. Het is een voorrecht om de tijd die nog rest, te besteden in de dienst van God en tot opbouw van de gemeente van Jezus Christus.

Petrus memoreert hier dat ook Paulus de geadresseerden over dit onderwerp, dus over de verwachting van de komst van de Heer en over een onberispelijke en smetteloze levenswandel, geschreven had. De lezers van zijn brief woonden immers in Klein-Azië, een gebied waar ook Paulus gewerkt had. Denk bijvoorbeeld aan diens brief aan de Galaten en aan de Efeziërs. Uit de opmerking van de schrijver van onze brief over Paulus kunnen we opmaken, dat er bij hem geen enkele rancune of wrok aanwezig was, hoewel Paulus hem vroeger wel eens openlijk had moeten berispen. Petrus noemt Paulus hier zijn ‘geliefde broer’. Ze zijn immers beiden tot hetzelfde ambt geroepen in de dienst van dezelfde Heer. Daarom verheugen zij zich in het goede resultaat van elkaars werk. Er is ook principieel geen verschil tussen het gebrachte evangelie van Petrus en dat van Paulus, zoals sommigen ten onrechte menen.

Petrus erkent dat aan Paulus veel wijsheid was geschonken. Hier is dus sprake van een charismatische gave van Gods Geest. Paulus had natuurlijk naar deze gave gestreefd en hij getuigde in Efeziërs 3:4 over dit inzicht in het geheimenis van Christus. Verder blijkt uit deze opmerking van Petrus, dat hij niet alleen Paulus had gesproken, maar zich ook de moeite had getroost kennis te nemen van diens brieven. Hij voegt eraan toe dat de inhoud van de geschriften van deze vroegere wetgeleerde niet altijd even gemakkelijk te begrijpen was voor geestelijk onontwikkelde, en ongeletterde lezers. Zij gaven zelfs aanleiding tot misverstand en verdraaiingen.

De kerkgeschiedenis toont ons trouwens hiervan ook veel voorbeelden. We denken alleen maar eens aan de verdraaide opvattingen over de leer over de uitverkiezing, over de erfzonde, over de toekomstverwachting en over de opstanding van de doden. De oorzaak van de verwarring geldt overigens niet alleen de brieven van Paulus, maar ook de overige schriften, zoals die van Jacobus, die van Johannes, die van Petrus zelf, de evangeliën en het Oude Testament. Men leest ze ook nu nog al te vaak met een bedekking op het hart, want men heeft geen inzicht in de geestelijke wereld en mist de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Men komt dan niet verder dan een natuurlijke, aards gerichte uitleg, zoals men deze ook vond bij de Farizeeën en Schriftgeleerden.

Het is de tragiek van het orthodoxie, dat het meent de Bijbel te geloven van kaft tot kaft (zelfs de kaft), terwijl het geen begrip heeft van de wezenlijke bedoeling van de woorden van God. Daarom worden ook dikwijls de kenmerkende eigenschappen van het Koninkrijk God: de gerechtigheid, de vrede en de blijdschap, bij de rechtzinnigen gemist. Men komt maar al te vaak tot leringen die niet ‘omhoog’ voeren, maar die het klimaat van de duisternis meebrengen, zoals: angst, vrees, twijfel en bangmakerij.

Opwekking en lofprijzing

U dan, geliefden, omdat u dit van tevoren weet, wees op uw hoede, zodat u niet door de dwaling van normloze mensen wordt meegesleept en afvalt van uw eigen vastheid. Maar groei in de genade en kennis van onze Heer en Redder Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als in de dag van de eeuwigheid. Amen’ 17,18.

Nogmaals waarschuwt de apostel tegen de valse leraars, die de gemeenteleden door tuchteloosheid op de weg van het verderf brengen. Het persoonlijke voornaamwoord ‘U’ wijst erop dat zijn lezers ‘geheel anders’ zijn dan de domme misleiders uit het vorige vers, want ze zijn ‘geliefden’, dit wil zeggen bemind door God en Christus en daarom ook door Petrus. Petrus vermaant zijn lezers standvastig te blijven bij wat ze geleerd hadden en hun plaats te gaan innemen in de hemelse gewesten. Daar moeten zij opgroeien in de genade. De genadegaven die zij ontvangen hebben, zijn in de eerste plaats de schuldvergeving op grond van het verzoenend bloed, waardoor zij tot rechtvaardigen werden en in de tweede plaats Gods Geest door wie de Vader en de Zoon woning in hun harten maakten. Dit is dan de grond waarin de ware christen geworteld is; daarin moet hij vaststaan en opgroeien tot volle volmaakte volwassenheid.

Er is een tegenstelling in: afvallen van eigen standvastigheid of zijn vastigheid verliezen en opgroeien in de genade. Het eerste zouden we kunnen vergelijken met een plant die verwelkt en het laatste met een die opbloeit en vrucht gaat voortbrengen.

Petrus accentueert ook de belangrijkheid van het verzamelen van kennis als grond voor de ontplooiing van het geestelijke leven. Zijn lezers moeten immers dezelfde gedachten bezitten als onze Heer Jezus. Zij moeten dus zijn woorden die de waarheid bevatten, in zich opnemen en daarin blijven om er groeikracht uit te putten. De Heer had aan Petrus gevraagd of deze Hem liefhad. Het antwoord luidde: ‘ja Heer, U weet, dat ik U liefheb’ (Joh.21:15). Hoe wist Jezus dit dan? De struikelingen van deze leerling in de hof van Kajafas hadden deze indruk beslist niet gewekt of bevestigd. De Heer wist echter dat Petrus de gedachten van Hem liefhad. Deze leerling wilde niet van Hem heengaan, omdat Jezus ‘woorden van eeuwig leven’ doorgaf (Joh.6:68).

Jezus liefhebben betekent: zijn woorden horen en zijn gedachten overnemen en bewaren, dit wil zeggen: ernaar handelen. Zo krijgt de met Gods Geest vervulde christen kennis van zijn Heer en Verlosser. Dit geestelijk bezit zal hem bewaren om bedrogen en meegevoerd te worden door allerlei valse leringen. Let op hoe duidelijk Petrus zijn Heer hier identificeert. Jezus is voor hem niet de naam van een vage persoonlijkheid, maar Hij is de aanduiding van zijn Heer en Redder: de Redder die voor zijn zonden gestorven is, die van zijn Geneesheer die hem geneest naar ziel, geest en lichaam en ook die van zijn Heer die hij volgen wil waarheen Hij ook gaat. Jezus is voor hem de Naam van de Zoon van God, de Mensenzoon, de Geliefde in wie de Vader zijn vreugde heeft. Petrus identificeert Hem ook met het predicaat Christus, dat betekent: de gezalfde met Gods Geest en met kracht, die bovendien doopt met Gods Geest. In de hemelse gewesten is vergissing verder uitgesloten.

Met een doxologie of lofprijzing voor deze verwerver en uitdeler van de grote genade van God beëindigt nu de apostel zijn brief. Hij geeft Jezus zoals het eeuwig evangelie Hem brengt, alle eer en spreekt zijn geloof uit dat Hij deze glorie zal behouden tot in de nooit eindigende eeuwigheid. Geen wonder dat sommige handschriften besluiten met het woordje ‘amen’, dit wil zeggen dat dit vast en zeker is!