8. Ophouden met de zonde

<<<<<

1 Petrus 4:1-6

Welnu, omdat Christus voor ons in het vlees geleden heeft, moet ook u zich wapenen met dezelfde gedachte: wie in het vlees geleden heeft, is opgehouden met de zonde’ 1.

Met deze tekst sluit Petrus weer aan bij de woorden van hoofdstuk 2:21-23, waar onze Heer tot voorbeeld gesteld wordt, zodat wij in zijn voetsporen zouden stappen: ‘Die, als Hij gescholden werd, niet terug schold en als Hij leed, niet dreigde’ en bij hoofdstuk 3:18: ‘Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, zodat Hij u tot God zou brengen’.

Wanneer heeft Christus naar het vlees geleden? Toen Hij op aarde leefde en ook toen Hij door de Vader overgegeven werd aan de machten van de duisternis. Toen Hij rondging, heeft Hij geleden onder veel verleidingen, die rechtstreeks of door mensen heen tot Hem kwamen. De schrijver van de brief wist dat ook hij aan dit lijden naar het vlees onbewust meegewerkt had. Toen de Meester zijn leerlingen het verlossingsplan van de Vader openbaarde en over zijn lijden en sterven sprak, werd Petrus door satan gebruikt om dit voornemen te weerstaan. Hij misbruikte hierbij zelfs de naam van God, door te zeggen:

  • ‘Dat verhoede God, Heer, dat zal U zeker niet overkomen!’ Jezus herkende echter de geest die Petrus inspireerde en zei: ‘Ga weg, achter Mij, satan; jij bent Mij een aanstoot, want jij bent niet bedacht op de dingen van God, maar op die van mensen’ (Matth.16:21-23).

In alle verzoekingen is Jezus echter overwinnaar gebleven, omdat Hij zich had gewapend met de gedachten van het plan van God. Satans demonen vonden hierdoor in Hem geen enkel aanknopingspunt. Daarom kwam Hij niet onder hun heerschappij en werd Hij ook niet door hen aangetast. Zelfs toen de zondeschuld van de hele wereld op Hem rustte en zijn lichaam afgebroken werd, bleef zijn innerlijke mens staande, want Hij bleef God zijn Vader noemen en Hij overwon zelfs de dood. In elke situatie wanneer de overste van deze wereld tot Hem kwam, vond deze in Hem niets dan de gedachte van God en zijn overeenstemming hiermee. Hij was ermee gewapend en hierdoor was Hij onaantastbaar.

De apostel wijst nu zijn lezers de weg om het zondeprobleem in hun leven op te lossen. Hij spreekt over de mogelijkheid om onttrokken te zijn aan de zonde. Wanneer een kind onttrokken is aan de ouderlijke macht, hebben zijn vader en moeder geen enkel gezag meer over hem. Wie zich onttrekt aan zijn kerk, betuigt dat hij geen gemeenschap meer met haar heeft en geen tucht van haar aanvaardt. Wie naar het vlees geleden heeft, stelt zich buiten het rijk van de duisternis, is ‘los van de zonde’ (vert. Canisius) of ‘heeft opgehouden te zondigen’ (vert. Brouwer). Ongelooflijke woorden voor een aards denkend christen, want deze belijdt immers dat hij tot de dood toe een zondaar blijft en dat zijn beste werken met zonden bevlekt zijn…

Wat betekent ‘naar het vlees lijden’? Zijn hier zware inspanningen voor nodig, een ernstig ziekbed, een kloosterleven zoals men dat ook soms in de protestantse wereld als oplossing zoekt? Moet de christen de weg gaan van onthouding, boete, vasten, zichzelf naar lichaam of naar ziel pijnigen? Het Bijbelse antwoord vinden we in vers 21 van het vorige hoofdstuk:

  • ‘Als tegenbeeld daarvan redt u nu de doop, die niet is een afleggen van lichamelijke onreinheid, maar een gebed van een goed geweten’.

In zijn waterdoop betuigt de christen dat hij met Jezus gekruisigd is, dat zijn zonden door zijn Heer geboet en betaald zijn! Hij belijdt in zijn doop dat hij het oude leven afgelegd heeft, dat is zijn vertrouwen op het natuurlijke denken. Hij heeft door zijn doop ‘geleden naar het vlees’, want hij verwacht immers niets meer van natuurlijke inspanningen. Hij heeft daar ook geleden naar het ‘vrome’ vlees, want hij belijdt niet langer dat wat van de uitwendig godsdienstige wereld komt:

  • in geboden,
  • inzettingen,
  • vaste regels,
  • verzonnen verhaaltjes van mensen,
  • het fanatiek houden van sabbatten en zondagen,
  • in ernst,
  • in tale Kanaäns,
  • in onthouding van voedsel, drinken, enz, EN ZO VOORT… 

Dit alles heeft geen enkele waarde in zijn strijd tegen Satans’ demonen. Ook wijst hij alle dwalingen en leugens van de hand die zijn gedachteleven aan de natuurlijke wereld vastbinden, bijvoorbeeld de verwachting van een plotseling herstel van het vleselijke Israël. Hij sluit zich niet aan bij organisaties en groeperingen die het zwaartepunt leggen op activiteiten in de zichtbare wereld, zoals Jehovah’s getuigen, Zevendedagsadventisten, Leger des Heils of kerken die zich nog slechts richten op maatschappelijke,  sociale en vooral politieke inspanningen. De ware gelovige getuigt dat de duivel geen enkele claim meer op hem heeft, omdat Jezus voor zijn zonden gestorven is.

Allereerst heeft hij ‘overwonnen door het bloed van het Lam’ (Op.12:11). Hij steunt niet op iets uit de zichtbare wereld, niet op vlees en bloed, of op een lijn van geslachten, of op een voorvaderlijk erfdeel, maar hij wapent zich met een gedachte. Wanneer de tegenstander nadert en vat op hem probeert te krijgen, is zijn wapen altijd het overwinnend Woord van God. Wanneer de satan hem schuldbesef wil suggereren, is zijn reactie: ‘ik ben een rechtvaardige door het geloof!’ Wanneer onreine geesten hem willen infiltreren, is zijn verweer: ‘ik ben rein door het woord dat de Heer gesproken heeft’. Vallen driftmachten hem aan, dan verzet hij zich door te bedenken dat hij deel heeft aan de vrede van het Koninkrijk van God en dat Jezus hem rust schenkt. Komt een jaloerse geest hem prikkelen, dan roemt hij:

  • ‘Ik ben een erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus, ik ben schatrijk en hoef op geen mens jaloers te zijn’.

Paulus schreef: ‘Met de mond belijdt men tot behoud’ (Rom.10:10). Wij behalen de overwinning door een vernieuwing van denken, die resulteert in een positief spreken en niet door natuurlijke inspanningen. De natuurlijke mens begrijpt deze dingen niet en ze zijn hem dwaasheid, maar de geestelijke mens weet dat hij op deze manier onttrokken wordt aan de invloed van de satan. Hij bewaart dan de Woorden God en dit is de enige waarheid die alleen vrijmaakt.

Wanneer de christen na zijn doop een opstandingsleven gaat leiden, zal de satan hem opnieuw benaderen en opnieuw proberen vat op hem te krijgen, maar de wetenschap dat hij naar het woord van God gerechtvaardigd is door het geloof en gereinigd is naar de inwendige mens, geeft hem een wapen in de hand om de vijand te weerstaan en te overwinnen. Wanneer wij als kinderen van God blootgesteld zijn aan het lijden dat van buitenaf komt, hoeft dit ons niet te verontrusten, bang te maken of te beschadigen. We moeten geloven dat in de strijd die wij hebben te voeren tegen satans demonen, wij zullen overwinnen zoals Jezus overwonnen heeft, namelijk door het Woord van God. Wie dit Woord bewaart, ontvangt kracht, wijsheid en onderscheiding van geesten door Gods Geest.

Onze strijd in de hemel

Het geloof in het Woord kunnen we als een schild opheffen om de vurige pijlen van de satan te weerstaan. Daardoor zijn wij onttrokken aan de beïnvloedingen en aan de kracht van de vijand. Wij hoeven ons niet meer te laten verleiden en geen verkeerde verlangens in ons te laten opwekken zoals de duivel dit ook bij ons in het oude leven deed. De christen voert strijd op dezelfde manier als Jezus, die de boze geesten uitdreef door het Woord, de drager van Gods gedachten.

De natuurlijke mens wil echter steeds iets ervaren in de zichtbare wereld. Hij zoekt de oplossing alleen maar in het emotionele leven en wil dat dit in beweging gebracht wordt. Hij wil juichen, zingen, huilen, maar zich ook op de grond gooien of zelfs zich door occulte demonen neer laten werpen, desnoods dansen of met de voet stampen en hij zoekt het massale schuld belijden en verootmoedigen. Een kerkdienst zonder deze emotionele uitingen is dan niet attractief genoeg.

De ware christen echter houdt zich bezig met de eeuwige gedachten van God over de mens en de schepping. Hij is opnieuw geboren door het eeuwige, blijvende woord van God dat hem vernieuwt in zijn denken. Zo gaat hij over de hoge weg die hem voert tot gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon. Toen velen Jezus verlieten, was de vraag van de Meester aan zijn leerlingen:

  • ‘Jullie willen toch ook niet weggaan?’ De schrijver van onze brief reageerde: ‘Heer, tot wie zullen wij heengaan? U hebt woorden van eeuwig leven’ (Joh.6:67,68).

Jezus had visie op de hemelse gewesten, het Koninkrijk van de hemelen. Zijn woorden wapenen zijn volgelingen. Dezen zoeken niet meer het tijdelijke en het zichtbare, maar het eeuwige en onzichtbare. Zij lijden naar het vlees, maar worden levend naar de geest. Langs deze weg ontvangen zij eeuwig en onvergankelijk leven.

om nu, in de tijd die ons nog overblijft in het vlees, niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de wil van God te leven. Want wij hebben de voorgaande tijd van ons leven lang genoeg de wil van de heidenen gedaan en gewandeld in uitingen van losbandigheid, begeerten, dronkenschap, zwelgpartijen, drinkgelagen en allerlei walgelijke afgoderij’ 2,3.

De verlangens van de mensen liggen in de zichtbare wereld: de begeerten van het vlees, de ogen en een arrogant leven en aanzien (1 Joh.2:16). Een naamchristendom verlangt een mooi huis, weinig kinderen, rijkdom in geld en goed, een gemakkelijk leven en bevrediging van de wellust. Deze verlangens geven aanleiding tot veel verzoekingen, want de zonde ‘komt voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte’ (Jac.1:14). Op godsdienstig terrein gaat het dan dikwijls om macht en eer, aantallen mensen, mooie gebouwen, liturgie of gecultiveerd lawaai op enorme podiums met wilde orkesten en heelalstralers. Wie niet opnieuw geboren is door het levende, blijvende en vernieuwende woord van God, zal steeds maar weer zijn leven zoeken in de natuurlijke dingen, in plaats van in de gedachten van God, geopenbaard in zijn Woord en uitgewerkt door zijn Geest.

Wij mogen ons echter als geestelijke mensen die vrijgekocht, verlost en gedoopt zijn met Gods Geest, richten op de wil van God: het goede, welgevallige en volkomene (Rom.12:2). Wanneer zijn wil in ons denken en handelen functioneert, wordt de wet van God in ons vervuld. Wij hebben dan de oude mens afgelegd en wandelen niet meer naar het vlees, maar naar de Geest (Rom.8:4). De overige tijd van ons aardse leven mogen wij dus, beschermd door ons geloof in het woord van God en bekrachtigd door Gods Geest, leven in blijdschap, vrede en gerechtigheid van het Koninkrijk van God. Wij mogen overwinnen zoals Jezus overwonnen heeft.

Heidenen en hun onwetendheid

Onder ‘heidenen’ verstaat de Bijbel altijd mensen die geregeerd worden door demonen en die geen kennis hebben van en geen rekening houden met de ware God, de Vader van Jezus Christus. Van Jezus staat dat Hij de heidense volken zal hoeden met een ijzeren staf (Op.19:15). Daar worden de demonen mee bedoeld die deze heidenen inspireren en voor hun doeleinden gebruiken. Niet alle christenen hebben in grove zonden geleefd, zoals Petrus hier opsomt. Er zijn echter opnieuw geboren christenen die jaren lang hebben geleefd met weinig of geen inzicht hadden in het Koninkrijk van de hemelen. Zij hebben jarenlang in een naargeestig geestelijk klimaat geleefd, wat niet de sfeer was van het Koninkrijk van God. Zo kwamen ware christenen vroeger door gebrek aan inzicht in handen van occultisten, zoals magnetiseurs, waarzeggers en hypnotiseurs, of zij werden misleid en gebonden door astrologie. Anderen werden zwaar beschadigd door zogenaamde ‘vrome‘ geesten, die hun klimaat van droefgeestigheid, depressie, fanatisme en agressiviteit op hun slachtoffers legden.

Petrus somt nog zes openbare zonden op, die met elkaar in verband staan en die door onreine geesten worden bewerkt. Losbandigheid is een algemeen begrip voor iedere vorm van wetteloosheid, waarbij de wetten van God voor lichaam en ziel worden overtreden en de harmonische verhouding ten opzichte van de medemens wordt verstoord. Onze Heer sprak over een smalle weg, dat is die van matigheid en zelfbeheersing. Zo is de smalle weg bijvoorbeeld dat de man slechts één vrouw bezit. Onreine geesten doen hem andere vrouwen begeren en ‘vrome’ geesten spiegelen hem voor dat de ongetrouwde staat meerdere ‘heiligheid’ geeft. Onreine geesten inspireren tot overmatig gebruik van voedsel, drank en peuken; ‘vrome’ geesten zwammen over het onthouden van voedsel. Beide categorieën zijn er echter op uit de wet van God te minachten.

Verder noemt de apostel onheilige en zondige verlangens, waarin onzedelijke daden als overspel en hoererij begrepen zijn, zonden die veel christenen ten val hebben gebracht, zelfs van hen die meenden geroepen te zijn om het evangelie te brengen. Ook de begeerte naar geld heeft menig christen tot een dief of vervalser of bedrieger gemaakt. Dit kwaad heeft ook sommige dienstknechten van de Heer in zijn strikken gevangen. Dan volgen dronkenschap, zwelgpartijen en drinkgelagen. Het onmatige gebruik van sterke drank en verslavende middelen misleidt de geest en benevelt het verstand. Het wordt hier, voor een christen onwaardig zijnde, veroordeeld. Deze moet dan ook met grote wijsheid en voorzichtigheid soms nee durven te zeggen tegen het gebruik van drank en dergelijke op feesten, begrafenissen, personeelsavonden, diners en partijen, waar hij aanwezig moet zijn. Hij immers is ambassadeur van een heilige God die hij met zijn hele hart en met al zijn krachten wil dienen, terwijl dit dingen zijn uit het oude, voorbije leven, die hij vroeger misschien ook gewoon vond.

Tenslotte noemt Petrus nog de zondige afgoderij, waarbij het geestelijke overspel gepaard gaat met zedeloosheid en ontucht. De ‘vreemdelingen in de verstrooiing’ hebben na hun bekering met al deze gruwelen gebroken. Waar zij vroeger ook aan meegedaan mogen hebben, ze hebben nu iedere vorm van vuilheid afgelegd, omdat zij alleen voor God vruchten willen dragen.

Daarbij vinden zij het vreemd dat u niet meeloopt in dezelfde uitbarsting van losbandigheid en zij belasteren u. Maar zij zullen rekenschap moeten afleggen aan Hem, Die klaar staat om de levenden en de doden te oordelen’ 4,5.

De christenen uit de volken hadden met de heidense levenswandel radicaal gebroken en hun oude mens afgelegd. Ook van hun vroegere denkwereld hadden zij zich losgemaakt. Zij waren in een nieuw leven gaan wandelen in de voetsporen van Christus. Zij vergaten wat achter hen lag en strekten zich uit naar wat voor hen was en jaagden naar de prijs, naar het doel, waartoe God hen geroepen had, namelijk de mens van God in mannelijke volwassenheid.

Is het een wonder dat zij die nog aan het oude leven vasthielden en daarin hun levensvulling zochten, dit nieuwe gedrag niet konden begrijpen? Zij verwonderden zich erover dat hun oude vrienden zo veranderden. Zij meenden dat het alleen maar uiterlijk vertoon was en dat de christenen in het verborgen toch nog hetzelfde dachten en deden, dus dat dezen in wezen nog leefden zoals zijzelf. Daarom lasterden zij de volgelingen van de Heer en noemden hen huichelaars. Maar dezen hoefden zich tegen al die aantijgingen niet te verdedigen, want hun Meester kende hun hart en Hij zou deze lasteraars rekenschap vragen van hun spreken en handelen.

De Heer staat klaar om te oordelen, dit wil zeggen om scheiding te maken tussen bozen en goeden. Wie rein is, zal nog reiner worden, maar wie vuil is, nog vuiler. Zo wordt het onderscheid voor ieder openbaar. Dit gebeurt ook onder  naamchristenen, waar naast de gerechtigheid ook telkens weer ongerechtigheid en dwaling uitgroeien en tot openbaring komen. Levenden zijn zij die gemeenschap met God hebben en doden zijn degenen die dood zijn in zonden en misdaden, die gemeenschap hebben met boze geesten en door dezen geïnspireerd en geleid worden. Jezus maakte deze scheiding tussen beide categorieën openbaar. Hij zei:

  • ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen’ en van Hem staat ook geschreven dat Hij dit oordeel of deze scheiding zal brengen tot overwinning (Joh.9:39; Matth.12:20).

Wij moeten goed onderscheid maken tussen oordelen en vèroordelen. Het oordeel van Jezus is rechtvaardig en waarachtig (Joh.5:30 en 8:16). Oordelen is scheiding maken en dit begint bij het huis van God, de gemeente. Veroordelen is in staat van beschuldiging stellen, dus naar het rijk van de duisternis verwijzen aan de kant van satan.

Jezus’ boodschap in de gevangenis

Want daartoe is aan de doden het Evangelie verteld, zodat zij wel geoordeeld werden naar de mens in het vlees, maar ook zouden leven naar God in de geest’ 6.

In dit vers grijpt Petrus weer terug naar hoofdstuk 3:19 en 20. Daar sprak hij over Christus die het evangelie gebracht heeft aan de geesten in het dodenrijk. Hij behandelde daar het lot van de ongehoorzame mensen die zich in de tijd van Noach niet bekeerd hadden en die bij de opstanding van Jezus Christus vanuit hun ‘gevangenis’ niet overgeplaatst werden naar het hemelse Jeruzalem. Maar in dat dodenrijk was nog een andere categorie – gestorvenen. Aan hen werd ‘ook’ het evangelie gebracht, zodat er een oordeel of scheiding teweeg gebracht zou worden tussen de doden in de Hades. De vertaling Brouwer luidt:

  • ‘Want met dit doel (dus om ‘levenden en doden te oordelen’) is ook aan doden het evangelie verkondigd’.

Het gaat dus nu bij Petrus over de ‘gehoorzamen’ die zich in de schoot van Abraham bevonden, dus over hen die naar oudtestamentische begrippen, rechtvaardig waren, wier geloof tot gerechtigheid gerekend werd.

Na zijn sterven ging Jezus naar het dodenrijk en bracht ook onder de gestorvenen het oordeel tot overwinning. De rechtvaardigen verlieten immers de Hades om deel te krijgen aan de heilige stad of Gods paradijs. In hun leven als mensen op aarde, dus in het vlees, hadden de gelovigen van het oude verbond al een getuigenis ontvangen dat zij rechtvaardig waren (Hebr.11:4). Zij waren dus al tijdens hun leven geoordeeld en bevonden zich daarom als kinderen van God aan de goede kant van de onzichtbare kloof die door het dodenrijk gaat, zoals ons het verhaal van de ‘arme’ man en de ‘rijke’ Lazarus leert. De kloof is daar in het dodenrijk onoverbrugbaar in tegenstelling met hier op aarde, waar in de geestelijke wereld nog steeds de mogelijkheid bestaat om van de duisternis over te gaan naar de behouden kant.

In Romeinen 5:14 lezen we dat de dood als koning heeft geheerst van Adam tot Mozes. Tot aan de opstanding van Jezus waren dus ook alle rechtvaardigen van het oude verbond in het dodenrijk. Hun geest of innerlijke mens werd uit de heerschappij van de dood verlost, toen Jezus zijn intree deed in de Hades en daar de blijde boodschap doorgaf, dat de schuld was betaald en de weg naar de Vader was vrijgemaakt. De volmaakte rechtvaardigheid die toen hun toegerekende gedeeltelijke gerechtigheid verving, gaf ook aan hen het eeuwige en onvergankelijke leven.

>>>>>