Aan de verspreide vreemdelingen

1 Petrus 1:1-12

Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de verspreide vreemdelingen in Pontus, Galatië, Cappadocië, Asia en Bithynië 1.

In dit eerste vers stelt Petrus zich voor als auteur van de brief en noemt hij de geadresseerden, de gelovigen in Klein-Azië, met wie hij contact had. Misschien waren de eerste contacten gelegd nadat hij in Jeruzalem op de Pinksterdag gesproken had, toen hij onder Joden en Jodengenoten niet alleen over Jezus getuigde, maar ook aan hun vertelde over de doop met Gods Geest. De namen van landstreken worden ook al in Handelingen 2 vermeld, van de Romeinse provincie Pontus, waaronder ook het in dit vers genoemde landschap Bithynië hoorde en verder Galatië, Cappadocië en Asia.

Petrus noemde de christenen die in deze streken wonen: ‘vreemdelingen die in de verstrooiing zijn’ (NBG). Het woord voor ‘verstrooiing’ was bij de Joden bekend als ‘diaspora’ en werd gebruikt voor de volksgenoten die buiten eigen land in een vreemd land woonden. Er zou ook vertaald kunnen worden ‘gasten in de diaspora’ en dit zou dan doelen op de zogenaamde ‘vereerders van God’, waarover in Handelingen 13:16 gesproken wordt. Deze ‘vereerders van God’ waren heidenen, die na hun bekering, op voorwaarde van de letterlijke besnijdenis, deelnamen aan de Godsverering in de Joodse synagogen. Zij bleven echter derderangs-leden van het ‘uitverkorene’ en ‘heilige’ volk, van het ‘koninklijk priesterdom’. De hele brief van Petrus wordt beheerst door het feit dat de christelijke gemeente hen wél als volwaardige leden had aanvaard, zoals deze apostel in Handelingen 15:8 en 9 zegt:

  • ‘En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun Gods Geest te geven net als ook aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende’.

De geadresseerden vormen de uitverkoren pelgrims in de streken van Klein-Azië. Zij waren ‘vreemdelingen en gasten’ zoals ook de aartsvaders, die ‘een beter, dat is een hemels vaderland’ zochten (Hebr.11:13, zie ook 2:11). Zij waren immers in werkelijkheid bewoners van het hemelse Kanaän. Paulus sprak over zulke christenen als mensen die, zolang zij in het lichaam hun verblijf hebben, ver van de Heer zijn, in een vreemd land (2 Cor.5:6). In hoofdstuk 1:17 spreekt Petrus ook over ‘de tijd van uw vreemdelingschap’. De gedachte aan een hemels vaderland en aan een hemels Jeruzalem vinden wij ook in Galaten 4:25,26, in Hebreeën 12:22, Openbaring 3:12, 21:2,10 en in Filippenzen 3:20. Het ware Israël wordt door Paulus nog aangeduid door ‘het Israël van God’ (Gal.6:16). Petrus schrijft deze brief dan ook om de hoop op de redding en op de heerlijkheid van de hemelse erfenis onder deze christenen in ballingschap te verlevendigen.

Uitverkoren volgens de voorkennis van God de Vader, door de heiliging van Zijn Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met het bloed van Jezus Christus: dat genade en vrede voor u vermeerderd mag worden’ 2.

Petrus verklaart nu nader wat de positie van degenen aan wie hij schrijft is. Zij zijn uitverkorenen naar de voorwetenschap van God de Vader. Van eeuwigheid zijn zij dus al als geestelijk volk in het plan van God tot herstel van de hele schepping, opgenomen. Zij zijn niet individueel uitverkoren, maar zoals Efeziërs 1:4 zegt: ‘Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld’, dit wil zeggen dat God, Jezus uitverkoren had als de Christus. Hij is het Lam dat in de raad van God al ‘geslacht is, sinds de grondlegging van de wereld’ (Op.13:8).

Als wij in Hem zijn, horen wij bij de Uitverkorene. Wij zijn in Hem, als wij zijn woorden bewaren en daarnaar leven. God erkent als zijn kinderen alleen degenen die in Christus zijn en ‘die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon’ (Rom.8:29). ‘Uitverkoren zijn’ heeft dus niets te maken met een zekere willekeur of onberekenbaarheid bij God, maar met de eeuwige verkiezing van het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegnam en dat door God als Grootste Leider gesteld is om veel zonen tot heerlijkheid te leiden.

Het doel van de verkiezing is hen, die in Christus zijn – het uitverkoren volk – te heiligen door Gods Geest, dat is hen af te zonderen van het kwaad en te herstellen van hun ziekten en beschadigingen. Zo worden zij vrijgemaakt tot gehoorzaamheid, dit wil zeggen dat zij de woorden van God horen en ook doen wat Hij zegt, dus in gerechtigheid en waarheid leven. Op deze manier worden zij ‘een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk, eigendom van God’ (2:9). Zoals in het oude verbond alles wat met bloed besprenkeld werd, gereinigd was, zo krijgt ook ieder die door gelooft in Jezus’ vergroten bloed – dus daarmee besprenkeld wordt – gereinigd van de zondeschuld.

In een zegengebed richt Petrus zich nu rechtstreeks tot zijn lezers. Zij hebben al deel aan de genade van God en aan diens vrede, omdat zij door het bloed van Christus de verzoening hebben ontvangen. Maar er is ook een rijkdom van genade, een ‘genade op genade’ en een ‘vrede die alle verstand te boven gaat’. Deze ontvangen zij door de doop met Gods Geest, door de ontwikkeling van de geestelijke gaven, door de zekerheid van het geloof bij het volhardend vasthouden aan de beloften in tijden van verdrukking en beproeving.

Vrede in het hart hebben, is belangrijk voor de opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christen, want vrede is afwezigheid van levensstoornis. Zij kan hier op aarde al heersen in de innerlijke mens, ook al proberen de demonen buiten hem onrust en spanning te verwekken. De innerlijke vrede straalt uit de ware christen en blijkt in het bijzonder in tijden van storm en verdrukking.

Hoop, geloof en liefde

Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden’ 3.

Na de zegengroet vervolgt Petrus met een lofprijzing aan God de Vader, die het machtige reddingsplan heeft bedacht. Hij noemt Hem niet alleen de Vader van Jezus Christus, maar ook diens God en Vader. Let op dat Jezus zelf dus geen God is. Petrus erkent dat Jezus niet alleen de Zoon is, maar zegt ook dat Jezus door de Vader werd ‘geïnspireerd’. Een ‘god’ is immers een inspirator en voorwerp van aanbidding. Zo was Mozes de god van zijn broer Aäron en deze was hem als een mond (Ex.4:16). Jezus zelf zegt: ‘Wat Ik van Hem (de Vader) gehoord heb, dat spreek Ik tot de wereld’ (Joh.8:26). Gods barmhartigheid is zijn gevende liefde die onze schuld en ellende wegneemt en die ons nieuwe perspectieven geeft.

Als een ware aanbidder wendt Petrus zich tot God in geest en in waarheid, dat is: Hij is bezig in de geestelijke wereld met de waarheid of het eeuwige plan van de Vader. Hij noemt hierbij de naam van de Heer Jezus Christus, omdat door deze dit reddingsplan functioneert en de gebeden waarde hebben om aangenomen te worden. Petrus zelf weet zich opnieuw geboren door het woord van God, net als zijn lezers (1:23). Hij weet dat hij uit de duisternis overgegaan is in een nieuw leven met nieuwe ervaringen. De hoop op wat nog gebeuren gaat, houdt hem levend. Voor hemzelf was dit reëel geworden na de opstanding van Jezus.

Tijdens Jezus’ lijden en sterven leefde de apostel in grote duisternis. Hij twijfelde toen aan alle woorden die zijn Meester gesproken had en hij werd een speelbal van satanische machten, die hem probeerden los te weken van Jezus, zoals het onkruid gescheiden worden van het koren. De opstanding van zijn Heer werd het grote keerpunt in zijn leven, zoals Jezus tegen hem gezegd had: ‘En jij, als je eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan je broeders’ (Luc.22:32). Zijn gedachten werden toen vernieuwd en hij ging de Schriften begrijpen. Hij richtte zich vanaf dat ogenblik volkomen op Jezus als de Zoon van God en verwachtte in zijn leven het waarmaken van al Zijn beloften. Daarom stond hij met de andere leerlingen na de hemelvaart met blijdschap en vol verwachting in de tempel om God te danken en te loven.

Ook voor ons is het geloof in de opstanding van Jezus een voornaam punt. Wanneer de Heer niet was opgestaan, zou ons geloof waardeloos zijn (1 Cor.15:14) en het offer van Hem zinloos. Als de Vader Hem niet had opgewekt en Hij door de kracht van Gods Geest niet was opgestaan en de plaats aan de rechterhand van de Vader niet zou hebben ingenomen, zou Hij ook de heerlijkheid niet ontvangen hebben en dus ook geen zonen tot heerlijkheid hebben kunnen leiden: ónze hoop op deze heerlijkheid heeft dan geen enkele grond.

Tot een eeuwigdurende en smetteloze erfenis, die in de hemelen bewaard wordt voor u’ 4.

Het hoogtepunt van het bestaan van een rups ligt in haar metamorfose, waarbij zij van larve tot vlinder wordt. Zo is niet het natuurlijke leven voor de christen het belangrijkste, maar de vernieuwing tot geestelijk mens. Hij ziet uit naar het eeuwigdurende leven. Zijn hoop is erop gericht om aan het beeld van de Zoon gelijk te worden, mede-erfgenaam van Christus te zijn en de geestelijke rijkdommen, die zijn Heer ontvangen heeft, ook te ontvangen. Hij heeft immers de belofte dat dit erfgoed in de hemelse gewesten voor hem is weggelegd, want ‘wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgeklommen, al wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben’ (1 Cor.2:9).

Waaruit bestaat deze erfenis? In de eerste plaats is er de belofte van redding, dat is de verzoening van schuld, de verlossing van de machten van de duisternis en de heling of het herstel. Ten tweede is de doop met Heilige Geest het onderpand van de totale erfenis of de eerste gave. Ten derde is er de belofte van het opgroeien tot zonen, waarbij de geestelijke gaven tot ontwikkeling komen en de gelovigen deel krijgen aan de goddelijke natuur. Tenslotte hebben zij de belofte dat zij langs deze weg klaargemaakt worden om de troon met hun Meester te delen en mederegeerders te zijn over alle werken van Gods handen. Dit is een geestelijke erfenis die onvergankelijk is, dus eeuwig haar waarde behoudt. Wanneer de hele erfenis het eigendom van de ware christen geworden is, hoort hij bij de vrouw van het Lam die zonder smet of rimpel aan de Vader voorgesteld kan worden. De kracht van Gods Geest die in hem tot volle ontwikkeling gekomen is, houdt dit rijke leven in eeuwigheid in stand, zodat er geen achteruitgang mogelijk is.

U ziet immers door de kracht van God de volkomenheid tegemoet, die aan het einde van de tijd zeker geopenbaard zal worden’ 5.

De Heilige Geest, dat is Gods eigen Geest, is ook de ‘hand’ van God die ons bewaart tegen de aanvallen van satan. Deze kracht van God beschermt ons, zoals een stad wordt beveiligd waarin een garnizoen gelegerd is; deze beschermende macht bewaart haar voor verovering en val. In de tijd van het Oude Testament moest de wet de mens in verzekerde ‘bewaring’ houden, want zij was niet krachtig genoeg (Gal.3:23). Nu bewaart of beschermt de kracht van God ons in vrede (Fil.4:7). De kracht van God hebben wij niet alleen in de doop met Gods Geest door het geloof ontvangen, maar zij wordt ook in geloof benut, omdat wij op haar vertrouwen en streven naar de ontplooiing van de geestelijke gaven in ons. Dit blijft zo, totdat de hele volkomenheid ons eigen geworden is. Deze volle vrucht zal in de laatste tijd gezien worden. In het plan van God ligt de openbaring ervan voor ons klaar.

“Het einde van de tijd’ of de ‘laatste dagen’ is een periode waarin de geestelijke mens tevoorschijn komt. Dit gebeurt, doordat de Geest van God in de laatste dagen opnieuw als een late regen uitgestort wordt over alles wat (voor God) leeft, dus over ieder mens die met God verbonden is.

Daarin verheugt u zich, ook al wordt u nu voor een korte tijd – als het nodig is – bedroefd door allerlei verzoekingen’ 6.

Het woordje ‘daarin’ wijst terug op de grote erfenis die in de hemelen klaar ligt voor de gelovigen en die zij nu al bezig zijn in bezit te nemen. Van buitenaf wordt de christen nog aangevallen of verdrukt, maar innerlijk kan hij zich verheugen in de gemeenschap met God door Zijn Geest en in de hoop op de rijkdommen die voor hem zullen zijn. De christen is een mens van de toekomst. In Romeinen 5:2 zegt Paulus tot degenen die gerechtvaardigd zijn door het geloof, dat zij toegang gekregen hebben tot de rijkdom van genade en dat zij roemen mogen in de hoop. In Romeinen 12:12 schrijft deze apostel dan: ‘Wees blij in de hoop, geduldig in de verdrukking’. Hoewel de christen het Koninkrijk van God in zich heeft en hierdoor de blijdschap en vrede van God ervaart, zal dal satan niet nalaten te komen om te roven en te stelen. De Canisiusvertaling van onze tekst luidt: ‘Door allerlei beproevingen gekweld’. De kracht van God maakt ons daartegen echter bestand, zodat wij kunnen blijven staan en overwinnen.

Er is sprake van ‘een korte tijd’, omdat het leven op aarde slechts een fractie is van het eeuwige leven dat wij ontvangen hebben. Paulus schrijft hierover: ‘Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden’ (Rom.8:18). Ook Jezus heeft geleden en de verdrukkingen in deze wereld meegemaakt. De verzoekingen en de verdrukkingen hebben een doel, want hieruit blijkt of het geloof van de christen echt is, of hij onder alle omstandigheden vasthoudt aan het woord van God, dus staat in het geloof en ook de hoop tot het einde toe onwankelbaar vasthoudt. Langs deze weg wordt hij geestelijk sterk en onbeweeglijk.

‘Zodat de echtheid van uw geloof – die van groter waarde is dan die van goud, dat vergaat en door het vuur getoetst wordt – tot lof en eer en roem mag blijken te zijn, bij de openbaring van Jezus Christus’ 7.

Wie het woord van God vasthoudt en hierop vertrouwt, zal door de aanvallen en verleidingen van de duivel niet opstandig worden of agressief, maar ook niet ontmoedigd worden of depressief. Zo sprak de profeet over een volk dat afgevallen was van het geloof: ‘Dan trekt men rond, neergedrukt en hongerig, en wanneer men hongert, zal men in woede uitbarsten, en zijn koning en zijn God vervloeken’ (Jes.8:21). Bij de opnieuw geboren christen echter wordt het geloof in moeilijke tijden gelouterd. In plaats van ‘echtheid van uw geloof’ kan ook gesproken worden over ‘uw gelouterd geloof’. Het geloof wordt gelouterd zoals goud op het vuur; dit wordt verhit en smelt en laat zijn onedele bestanddelen los. Het louteren, het zuiveren of veredelen is nodig en nuttig. God laat de verzoekingen toe, maar Hij wil niet dat ze tot onze ondergang leiden. Zij dienen alleen om de waarde en de kracht van ons geloof te leren kennen en die te openbaren. Zo bad Jezus voor Petrus zelf in verband met satans verzoekingen: ‘Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken’ (Luc.22:32).

Juist door de aanvallen van de vijand leert men de geestenwereld goed onderscheiden en worden de gedachten van satan bekend (2 Cor.2:11). De christen die overwint, heeft dan zijn lessen in de onzienlijke wereld geleerd en de beproevingen blijken dan te zijn tot lof, eer en roem bij de openbaring van Jezus Christus. Het gelouterde geloof is daarom zo kostbaar, omdat de rechtvaardige uit geloof leeft, door het geloof overwint en al de beloften van God die hij in geloof heeft vastgehouden, zal erven (Rom.1:17 en Openb.21:7). In hoofdstuk 4:12 vermaant Petrus: ‘Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwam. Integendeel, wees blij’.

Als ons geloof standhoudt, zal ons innerlijke leven niet geroofd of beschadigd worden, maar het zal zich juist des te beter en mooier ontplooien. In dit soort oorlog worden de geloofshelden sterk (Hebr.11:34). De kracht van de Heer gaat zich hierdoor des te meer in ons openbaren. Dit is de openbaring van Jezus Christus in ons. Wij zullen dan standhouden en ook groeien en opgroeien tot lof van de Heer, die zichzelf door zijn kracht en geestelijke gaven openbaart. Ook Hij heeft standgehouden in de strijd tegen de satan en zich niet laten overweldigen. Door volharding en geduld zullen wij naar zijn beeld toegroeien.

Openbaring (apokalupsis) betekent: onthullen of ontsluieren. De openbaring van Jezus Christus ziet dus allereerst op de uitwerking van het reddingsplan van God in óns, waarbij wij door Gods Geest tot de volkomenheid gebracht worden. Bij de terugkomst van de Heer heeft deze openbaring haar hoogtepunt bereikt in een gemeente, die onberispelijk is naar geest, ziel en lichaam en tot zijn lof, eer en roem ook door de zichtbare schepping gezien zal worden, want ‘wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zullen ook jullie met Hem verschijnen in heerlijkheid (zijnde)’ (Col.3:4).

Hoewel u Hem niet gezien hebt, hebt u Hem toch lief. Hoewel u Hem nu niet ziet, maar gelooft, bent u blij met een onuitsprekelijke en heerlijke blijdschap’ 8.

‘De verspreide vreemdelingen’ hebben Jezus nooit op aarde gezien, maar door het brengen van het evangelie hebben zij Hem leren kennen, hebben zij in Hem geloofd en Hem lief gekregen. Petrus zelf had Jezus wél gezien en gekend. Met Johannes kon hij zeggen: ‘Wat wij hebben gezien en gehoord, dat vertellen wij ook aan u, zodat u met ons verbonden bent. En onze verbondenheid is een verbondenheid met de Vader en met zijn Zoon, Jezus Christus’ (1 Joh.1:1-3).

De geadresseerden hadden dus het evangelie, dat de apostelen brachten, aanvaard, niet alleen over de schuldvergeving door het bloed van het kruis, maar ook over de heerlijkheid die God voor de gelovigen bestemd heeft. Zij zagen Jezus niet op aarde, maar in de geestelijke wereld ‘met heerlijkheid en eer gekroond’ (Hebr.2:9). Hun geloof was voor hen het bewijs van de dingen die ze niet zagen: de hemel was voor hen opengegaan. Daarom werden zij blij als ze dachten aan de rijkdommen die zij niet met het natuurlijke oog konden waarnemen. Zij waren blij in geestelijk opzicht. Daarom is sprake van ‘een onuitsprekelijke en verheerlijkte blijdschap. Zo zei Maria: ‘Mijn geest is blij in God, mijn Verlosser’ (Luc.1:47). Zo werd ook de geest van Jezus blij door Gods Geest (Luc.10:21). 

De onuitsprekelijke en verheerlijkte blijdschap vindt haar oorsprong in de geestelijke wereld, terwijl daarnaast onze ziel zich ook verblijden kan over de dingen die vanuit de natuurlijke wereld tot haar komen. Deze laatste blijdschap is gemakkelijk te begrijpen, maar de geestelijke blijheid kan men aan een ongeestelijk mens niet uitleggen. Hoewel kinderen van God vaak verdrukt worden en de vijand hen van alle kanten aanvalt, kunnen zij in het geloof getuigen: ‘Al zou de vijgenboom niet bloeien, geen opbrengst aan de wijnstok zijn, toch zal mijn beker overvloeien, want Jezus geeft mij vreugdewijn. Al draagt ook de olijf geen vruchten, ontbreekt het koren op het veld, met Hem heb ik geen kwaad te vrezen, die zelfs mijn hoofdhaar heeft geteld’.

En ontvangt u het einddoel van uw geloof, namelijk de redding van uw zielen’ 9.

Het einddoel (télos) is de volle openbaring van de redding van Jezus Christus in ons. ‘Dit evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gebracht worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde (télos) gekomen zijn’ (Matth.24:14). Het einddoel is de volle vrucht, namelijk de openbaring van de zonen van God. Deze ontwikkelt zich in het tijdperk dat de Heer komt, ‘om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing gezien te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn’ (2 Thess.1:10). Steeds weer wijzen de nieuwtestamentische schrijvers naar de periode dat de gemeente tot haar volheid komt. Jacobus sprak over de boer die op de kostbare vrucht van de aarde wachtte en geduld had, totdat de vroege en de late regen erop gevallen was (Jac.5:7). Deze kostbare vrucht van de aarde bestaat uit een gemeente die aan haar doel beantwoordt. De zaligheid of redding van de zielen, betekent het volkomen behoud, het voldoen aan alle eisen die aan een volmaakt geestelijk mens mogen en kunnen worden gesteld. Het betekent totale bevrijding uit de macht van satan en volledig herstel.

De ziel is hier de innerlijke mens. Het lichaam kan ziek en zelfs ontbonden worden, dus het hoort bij het tijdelijke. Maar de Heer zegt dat de schade aan de ziel van de mens het allerergste betekent wat hem overkomen kan, want zij is eeuwigdurend (Matth.16:26). Een onbeschadigde ziel bezit het Koninkrijk van God, namelijk: vrede, gerechtigheid en blijheid. Zij is met de geest de drager van het koningschap en maakt de mens, waarin ook Gods Geest woont, tot een beeld en gelijkenis van de Schepper van hemel en aarde. De redding van de zielen veronderstelt een zuiver functionerend verstand, een gaaf gevoelsleven en een absoluut vrije wil die op God gericht is. Zo’n ziel kan volledig geleid worden door de geest die de drager is van Gods wetten en door Gods Geest die haar in alle waarheid leidt, zowel in de zichtbare als in de onzichtbare wereld.

Naar deze redding of zaligheid hebben de profeten, die geprofeteerd hebben over de genade die aan u bewezen is, gezocht en onderzoek gedaan’ 10.

Nu gaat de apostel spreken over de profeten van het oude verbond. Onder zijn lezers zijn natuurlijk ook Joden en Jodengenoten aan wie hij op de Pinksterdag al mocht meedelen dat de Joëlsprofetie in hun tijd bezig was in vervulling te gaan. Ook de gemeenteleden uit de heidenen hadden hier deel aan, omdat de tussenmuur, die scheiding maakte tussen jood en heiden, weggebroken was (Ef.2:14). Petrus wijst nu op het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond.

Laten de lezers niet denken dat de prachtige oudtestamentische profetieën bedoeld waren voor een natuurlijk zaad van Abraham. Hoewel de godsspraken dikwijls een aanvankelijke vervulling hadden in het oude verbondsvolk, in de geest ervoeren de geïnspireerde profeten van de Heer dat hun voorspellingen op hoger niveau lagen. Gods Geest overtuigde hun dat er een hoger geluk en een grotere heerlijkheid was, die verder reikte dan de oude bedeling. Daarom doorzochten en doorgrondden zij hun eigen profetieën om aan de weet te komen, wat nu eigenlijk de voorspelde genade inhield en voor wie deze bedoeld was.

Toen Abraham uit Ur der Chaldeeën trok en hij eindelijk in Kanaän aankwam, leek het alsof nu de belofte werkelijkheid geworden was. Toch bleef hij in tenten wonen, net als later de aartsvaders Izaäk en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. De oorzaak hiervan was, dat zij beleden slechts vreemdelingen en gasten te zijn op aarde. Zij zochten de geestelijke wereld en verwachtten de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Zij hadden in geloof de schaduw in bezit genomen, maar zochten naar de hemelse realiteiten, want zij verlangden naar een hemels vaderland (Hebr.11:9-16).

Duidelijk wordt ons hier door de apostel meegedeeld, dat de oudtestamentische profetieën niet meer sloegen op het aardse volk Israël en op een zichtbare stad Jeruzalem, maar op de gemeente van Jezus Christus, op het hemelse Jeruzalem en op de hemelse tempel. ‘De vreemdelingen in de verstrooiing’ moesten zich immers richten op ‘een eeuwigdurende en smetteloze erfenis, die in de hemelen weggelegd is’ (1:4); men moest haar dus niet op aarde zoeken.

Zij onderzochten op welke omstandigheden en wat voor tijd de Geest van Christus, Die in hen was, doelde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat op Christus komen zou, en ook van de heerlijkheid daarna’ 11.

De in de profeten sprekende stem was die van Gods Geest, dezelfde waarmee Jezus gedoopt werd aan de Jordaan. Daarom is er ook sprake van: de Geest van Christus. God sprak immers vaak op allerlei manieren tot de vaders in de profeten en in de tijd van het herstel spreekt Hij tot ons en alle mensen in de Zoon (Hebr.1:1). De profeten onderzochten niet alleen op welke tijd, maar ook op zoals de vertaling Brouwer heeft: ‘Naar wat voor tijd’ de geest van de profetie heen wees. Dit laatste wijst erop dat zij wel vermoedden dat de vervulling van hun godsspraken niet alleen veel later zou zijn, dus niet in hun tijd zou worden gerealiseerd, maar ook dat dit in een heel ander tijdperk zou plaatsvinden. De oudtestamentische profetieën krijgen hun uiteindelijke vervulling in het tijdperk van het Koninkrijk der hemelen zoals Jezus deze bracht.

Nadat Jezus in de Jordaan ondergedompeld was, werd Hij ook gedoopt met Heilige Geest. Zijn menselijke geest werd toen verbonden met de Geest van God die vroeger gesproken had ‘in de profeten’. Deze Geest had vóór Hem al vaak getuigd van Jezus. Toen de leerlingen dit nog niet begrepen, opende de opgestane Heer hun verstand, zodat zij de uitspraken van de profeten alsnog begrepen (Luc.24:45). Ook de woorden van Jezus waren door Gods Geest geïnspireerd. Hij sprak zelf over zijn getuigenis, dat is van ‘wat Hij gezien en gehoord’ had door de Geest (Joh.3:31). Het is deze zelfde Geest die ook woont in het lichaam van Christus, dus in allen die gedoopt zijn met Gods Geest. Wanneer in de nieuwtestamentische gemeente geprofeteerd wordt, is dit ook door deze Geest.

De profeten van het oude verbond die door de Geest geïnspireerd werden, spraken over de komende Christus, dus over Jezus en zijn gemeente die beiden gezalfd zijn met de Geest van God. Deze oudtestamentische profeten getuigden van het lijden van Christus, maar ook van de heerlijkheid die erna zou komen. Zo sprak bijvoorbeeld Jesaja over het lijden van de Heer, over zijn ‘verbrijzeling’, maar ook over zijn ‘nakomelingen’, dat wil zeggen over allen die ‘in Christus’ zijn en met Hem de heerlijkheid zullen delen (Jes.53:10). Psalm 22 gaat over de lijdende Messias, de van zijn God verlatene, maar hij eindigt met de grootheid te vermelden van de opgestane Heer, want ‘alle geslachten van de volken zullen zich neerbuigen voor u. Want het Koninkrijk is van de Heer, Hij is heerser over de volken’. In Zacharia 13:7 wordt gesproken over de geslagen Herder, maar hoofdstuk 14:4 tekent Hem als degene die de Olijfberg, het beeld van de macht over de dood, middendoor splijt.

  • Wij lezen over de heerlijkheid die volgt na de schuldvergeving: ‘Ik zal niet meer aan hun zonden denken’ (Jer.31:34).
  • Over het nieuwe verbond: ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Heer, dat Ik met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten’ (Jer.31:31).
  • Over de Geest die gegeven zou worden: ‘Daarna zal Ik mijn Geest uitstorten op al wat voor God leeft’ (Joël 2:28).
  • Of: ‘Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest van genade en de gebeden’ (Zach.12:10).
  • Over de hoge weg voor rechtvaardigen: ‘Daar zal een gebaande weg zijn, die de heilige weg genaamd wordt’, waardoor de ‘vrijgekochten van de Heer met gejubel in Sion komen’ (Jes.35:8-10).
  • Over het herstel van de gemeente: ‘Die tot Jeruzalem zegt: Het wordt bewoond; tot de steden van Juda: Laten zij herbouwd worden, haar puinhopen richt Ik weer op’ (Jes.44:26).

Duidelijk zegt ook de apostel Paulus dat alle beloften van God voor Christus en voor zijn gemeente bestemd zijn: ‘want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het: ja; daarom is ook door Hem het: Amen’ (2 Cor.1:20).

Aan hen werd geopenbaard dat zij niet zichzelf, maar ons dienden in de dingen die u nu verkondigd zijn door hen die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die vanuit de hemel gezonden is; dingen, waarin de engelen begerig zijn zich te verdiepen’ 12.

De onderzoekingen van de profeten hadden resultaat. ‘Aan hen werd geopenbaard’ wil zeggen dat zij net als de gelovigen die in Hebreeën 11 genoemd worden, een getuigenis ontvingen. Voor hen werd een tipje van de sluier, die de gang van zaken in de hemelse gewesten verborg, opgelicht. Hun werd gegeven dat zij iets konden zien van het plan van God met de mens. Petrus deelt nu mee dat de voorspellingen van de profeten van het oude verbond voor de christenen in het nieuwe in vervulling zijn gegaan of nog zullen gaan. Die profeten hebben de heerlijkheid van ons tijdperk ‘slechts van verre gezien en omhelsd’ (Hebr.11:13, St. Vert.). Zij dienden dus niet zichzelf, maar ons, niet een natuurlijk volk Israël, maar de gemeente van Jezus Christus.

Sommigen zeggen dat de profeten soms wel profeteerden over dingen die later aan het volk Israël vervuld werden. Denk bijvoorbeeld aan de profetieën van Jeremia over de terugkeer uit Babel na zeventig jaar. Uit de woorden van Petrus ‘dat zij niet zichzelf dienden’, blijkt echter dat de vervulling aan het natuurlijke volk Israël niet te vergelijken was bij de vervulling die aan het volk van het nieuwe verbond zou worden gegeven. Zelfs de vervullingen van de profetieën in het oude verbond waren schaduwen van de werkelijkheid in het nieuwe. Zo was de terugkeer van Babel een beeld van de uittocht van de ware gemeente uit de verwarring van een ontrouwe kerk (Openb.18:4).

De oude Godsmannen profeteerden over het nieuwe verbond wat vol is van genade, zoals de komst van de Zoon van God, zijn lijden, sterven, opstanding en hemelvaart. Zij schreven over de doop met Gods Geest, over de geestelijke gaven en de vrucht van de Geest (zie bijvoorbeeld Joël 2:18-32). Zij wisten dat de wet van de schaduwen plaats zou moeten maken voor de wet van de Geest van God die in de harten geschreven zou worden. Zij spraken over het reinigende bloed van Jezus Christus, over de schuldvergeving die God zou geven: ‘Ik zal niet meer aan hun zonden denken’.

Gods Geest die eerder de profeten geïnspireerd had, in wie Hij had gesproken, was nu vanuit de onzienlijke wereld gekomen in de harten van de gelovigen. Deze geest inspireert en leidt nu de apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars en wijst de gemeente de weg naar de volle waarheid. De manier waarop Gods Geest zich onder ons zou openbaren, zijn kracht en autoriteit in de harten van de gelovigen die zelfs grotere werken zouden verrichten dan Jezus, hun strijd tegen en overwinning op de machten van de duisternis waren mysteries die de oude profeten niet konden bevatten. De inhoud en betekenis van hun boodschappen betroffen dus de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen, die Jezus zou bekendmaken en zijn apostelen als betrouwbare getuigen zouden verspreiden.

Door wat de apostel hier schrijft, komt het uitzonderlijke voorrecht van het nieuwtestamentische volk van God uit, boven dat van de oude bedeling. Hoe dichter wij het einde naderen, hoe meer van dit evangelie openbaar wordt. Het zich ontwikkelende kind van God grijpt in geloof al naar de volkomenheid, maar voor buitenstaanders is dit nog een mysterie. Ook de heilige engelen, die toch erg graag wilden zien hoe God zijn plannen uitvoert, kunnen dit mysterie alleen begrijpen in zoverre het in het volk van God gerealiseerd wordt. Deze engelen willen op de hoogte blijven, want zij zijn als dienende geesten nauw bij het reddingsplan betrokken en zij moeten allen, die de redding zullen erven, bij hun groei en ontwikkeling helpen en beschermen. Hoe vaak zijn ook de engelen gebruikt om het plan van God met de mens aan de profeten te vertellen. Zo verscheen aan Daniël een engel die hem meedeelde wat geschreven stond in het boek van de waarheid, dus in het plan van God (Dan.10:21).

En nu wordt door middel van de gemeente ook aan deze heilige engelen de veelkleurige wijsheid van God bekendgemaakt (Ef.3:10). Ze willen er meer van weten net als, als beeld, de cherubs op de ark gericht waren naar het verzoendeksel. Persoonlijk kennen de engelen immers geen verlossing, herstel of groei. Deze zaken kunnen zij alleen waarnemen bij de kinderen van God.