1 Petrus 4:7-11
‘En het einde van alle dingen is nabij; wees daarom bezonnen en nuchter in het bidden’ 7.
Petrus schreef over het leven en het lijden van de christenen en over het oordeel; de scheiding tussen goed en kwaad dat de Heer gaat uitvoeren. Hij concludeert nu: het einde van alle dingen nadert. Dit einde (télos) betekent hier: doel, waarmaking, of vervulling. Het einde wil zeggen: de tijd waarin het oordeel tot overwinning gebracht wordt (Matth.12:20). Zowel het goede als het kwade zullen hun volle vrucht opleveren. De oogst van het goede is dan een gemeente zonder vlek of rimpel (Op.14:14-20). De mogelijkheid van dit bij elkaar verzamelen van Gods zonen heeft Jezus geschapen door zijn offer op Golgotha en door de doop met Gods Geest. Door de ontplooiing van de geestelijke gaven zal de mens van God geopenbaard worden.
‘Het einde van alle dingen’ was in het oude verbond niet nabij gekomen, maar in het nieuwe tijdperk is sprake van een ‘herstel van alle dingen’. Dit woord in Handelingen 3:21 gebruikt, houdt in het opruimen van het oude en het brengen in een nieuwe toestand. God zegt: ‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’. Wanneer een zieke zich weer opricht of herstelt, verdwijnt de wetteloosheid van zijn lichaam en ontvangt hij nieuwe krachten. Herstel vraagt tijd net als een groeiproces. Daarom verwerpen wij de hysterische dwaling, die leert dat Jezus terug zou kunnen komen, vóórdat de gemeente haar doel bereikt heeft en waarvoor een geforceerde vernieuwing nodig zou zijn. God zal met de gemeente van zijn Zoon zijn doel bereiken, maar ook met de hele schepping en wel door middel van deze herstelde gemeente.
Onze strijd in de hemel
Voor ons, die deel hebben aan deze ontwikkeling, is het zaak ‘tot bezinning te komen’ en ‘nuchter’ te zijn. Het eerste betekent: een helder besef hebben van de bestaande toestand en verhoudingen. In Marcus 5:15 wordt van de bezetene van Gadara hetzelfde Griekse woord gebruikt dat daar vertaald is door: ‘goed bij zijn verstand’. Wij moeten dus proberen het woord van God, met zijn beloften en zijn raad voor onze tijd, goed te begrijpen. Wij moeten ook ‘nuchter’ zijn. Bij iemand die dit in de natuurlijke wereld niet is, zijn de gedachten beneveld, verduisterd en verward. Wat de sterke drank in de natuurlijke wereld veroorzaakt, doen de demonen van satan rechtstreeks in de geestelijke regionen. De apostel Paulus schrijft:
- ‘Ongelovigen, wier overleggingen de god van deze eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie van de heerlijkheid van Christus’ (2 Cor.4:4).
Deze sluiers over het denken en deze verblinding moeten wij wegdoen en ons verstand stellen onder de verlichting van Gods Geest, zodat wij ermee bezig kunnen zijn in deze wereld, maar ook in de geestelijke. Wij moeten helder kunnen denken en ons een duidelijke voorstelling kunnen maken, zowel van de natuurlijke dingen als van alles wat leeft en zich beweegt in de hemelse gewesten. Pas dan zijn we in staat te bidden, dit wil zeggen bezig te zijn in de hemelse gewesten en de positie die ons door God gegeven is, daar in te nemen. Alleen op de hoge, geestelijke weg kunnen wij met God die geest is, wandelen in de voetsporen van Jezus. Daar voeren wij ook de strijd tegen de tegenstanders van God en van de mens en daar behalen wij de overwinning op Satans’ demonen. Langs deze weg worden wij vuistvechters die niet in de lucht slaan. Dan kunnen wij het zwaard van de Geest, het Woord van God, als een geoefende strijder hanteren.
Domheid is in het natuurlijke leven al een handicap om vooruit te komen, maar gebrek aan verstand in de geestelijke wereld heeft desastreuze of rampzalige gevolgen. Als iemand het aardse niet kan begrijpen dat zo vaak gebruikt wordt als beeld van het bovennatuurlijke, hoe zal hij dan het geestelijke kunnen bevatten? Wie zich door waandenkbeelden en dwalingen laat leiden, verliest het contact met God en kan dus niet meer in waarheid bidden, dat is met Hem bezig zijn in de onzienlijke wereld. God wil geen domheid, maar Hij wil het verstand verlichten, dat betekent de bedekking die erop ligt wegnemen. Ook een dom mens kan zich in de naam van Jezus laten bevrijden van zijn gebondenheid, die hem zowel in de natuurlijke als in de geestelijke wereld belemmert. Onder domheid verstaan wij natuurlijk niet: het niet hebben gestudeerd of ongeleerdheid, maar het hebben van een afgeremd verstand en een zwakke geest. Er is echter een weg tot ontkoming voor de arme van geest. Voor hem is ook het Koninkrijk van God, zodat hij ziende kan worden en met een helder verstand blij mag zijn met de geestelijke gaven van kennis en wijsheid.
‘Maar heb voor alles vurige liefde voor elkaar, want de liefde zal veel zonden bedekken’ 8.
Geen enkele christen moet denken dat hij in zijn eentje het doel kan bereiken. Hij kan dit alleen in gemeenschap met zijn medegelovigen en dat is dan ook de bedoeling van God. Vandaar dat Petrus in dit verband schrijft: blijf voor alles elkaar liefhebben. Hij spreekt hier niet: heb liefde tot de heidenen, tot hen die buiten staan, maar onder elkaar. Blijf dus voortdurend positief ingesteld tegenover de broers en zusters in de gemeente. Het is gemakkelijk om vriendelijke woorden vrijblijvend uit te spreken tegenover medegelovigen van andere plaatsen die men op massale charismatische meetings (kan) ontmoeten. Maar in een plaatselijke gemeente met elkaar zonder spanningen omgaan, vraagt zelfverloochening. Daar heeft men gelegenheid elkaar altijd lief te hebben.
Het Griekse woordje ‘ektenes’ wordt in Handelingen 12:5 door de vertalers weergegeven met: gedurig, zonder ophouden, aanhoudend. Liefde verbindt. Ieder opnieuw geboren christen die gedoopt is met Gods Geest, hoort bij het lichaam van Christus. Maar deze nieuwe mens heeft hier op aarde een plaats nodig om in gemeenschap met andere broeders en zusters, te groeien en tot ontwikkeling en volwassenheid te komen. Men kan wel kennis hebben van de gaven van Gods Geest, maar deze functioneren alleen in gemeentelijk verband en in onderling samenwerken: ‘Maar aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen’ (1 Cor.12:7). Gaven van profetie, onderscheiding van geesten, om te onderwijzen, van behulpzaamheid, van wijsheid, van barmhartigheid, om te vermanen en dergelijke, ontwikkelen zich alleen door oefening in de gemeente.
In de gemeente merkt men bijvoorbeeld dat iemand tot zonde komt, dat hij ziek wordt of in de leugen verstrikt raakt. Daar probeert men zo’n zwakke broer of zuster te redden en te helpen. Men praktiseert daar de ware liefde van God die met Gods Geest uitgestort is in onze harten. Wie iemand van een dwaalweg terugbrengt, behoudt de ziel van zo’n persoon van de dood, dit wil zeggen van een totale vervreemding van God. Zijn zonden zullen dan ‘bedekt’ of liever verzoend worden door het reinigende bloed van Jezus. Ook de apostel Paulus brengt dezelfde waarheid naar voren, wanneer hij in 1 Corinthiërs 13:7 schrijft, dat de liefde alles bedekt. Wij krijgen dus geen afkeer van de afgedwaalde broer of zuster, maar hebben hen lief en proberen hen te behouden door de liefde tot God.
Natuurlijk is het niet de bedoeling van de apostel te beweren dat de liefde van de gelovigen de zondeschuld van de medechristen kan wegnemen. Dit doet alleen het bloed van Jezus Christus. De ware liefde bedekt tal van zonden, wanneer aangedane beledigingen vergeven en vergeten worden en niet verzwaard worden door ze overal rond te vertellen. De Heer zei: ‘Wie u hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden’ (Joh.20:23). Wanneer wij het aangedane kwaad van harte vergeven, komt God er bij de overtreder ook niet meer op terug. De aanklager heeft dan geen enkele claim meer op hen wier zonden wij vergeven hebben.
‘Wees gastvrij voor elkaar, zonder mopperen. Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God’ 9,10.
Ook in het natuurlijke leven zal de ontfermende liefde van God zich in zijn kinderen openbaren. Zij zullen gastvrij zijn ten opzichte van de broers en zusters en wel met een blij hart. Zij moeten ook zichzelf niet beklagen met de opmerking: ‘Waarom moet ik dit nu altijd doen?’ De huisvesting was in het bijzonder nodig in tijden van vervolging en verdrukking. Meerdere keren werden de christenen beroofd van al hun bezittingen en vluchtten zij naar veiliger oorden. In dit geval moesten zij gebrek lijden, als hun medechristenen hen niet wilden ontvangen. Zo zullen in de plaatselijke gemeenten in onze tijd de broers en zusters elkaar helpen, door met een blij hart de kinderen van zieke gemeenteleden op te nemen.
Haal geen demonen in huis!
Petrus spreekt over gastvrijheid t.o.v. elkaar en niet ten opzichte van allerlei buitenstaanders, van wie we dus niet weten of zij wel broers of zusters zijn. Er zijn goed bedoelende gemeenteleden die onwetend geen heilige engelen, maar massa’s demonen in huis halen. Zij missen de nodige onderscheiding van geesten en kennen zichzelf niet. Zij halen uit misplaatst medelijden personen in huis, die hun gezin in verwarring brengen en allerlei spanningen veroorzaken. De Heer vraagt echter zulke offers niet en zet zijn kinderen niet onder druk.
Gegeven talenten om mee te werken
Er zijn echter ook veel andere manieren om aan de broers en zusters te laten zien dat men ze liefheeft, dat men zorg voor elkaar draagt en elkaar wil dienen. De Heer geeft daartoe de ontplooiing van de geestelijke gaven die veel en verscheidend zijn. Ieder is geroepen om het ‘charisma’ dat hij van God ontvangen heeft, in het belang van de gemeente te gebruiken: ‘Aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen’. Ook de dragers van bijzondere taken heeft de Heer gegeven om de gemeente te dienen. Wanneer wij weten dat wij deze ons verleende gaven moeten gebruiken in dienst van de leden van het lichaam van Christus, dan is er sprake van een rentmeesterschap. Deze gaven moeten dus rente opbrengen (Matth.25:15).
Er zijn veel soorten genadegaven. Paulus somt in 1 Corinthiërs 12 er een negental op, maar in Romeinen 12:6-8 worden weer andere genoemd. Zoals de menselijke geest een rijkdom aan talenten bezit, zo heeft Gods Geest ook talrijke gaven, die Hij aan de gelovigen wil meedelen. Om te spreken over ‘negen’ geestesgaven is veel te beperkt en hiermee doet men aan de grootheid van Gods Geest tekort. Ook wat iemand in de natuurlijke wereld aan capaciteiten en stoffelijke goederen bezit, is een genade van God ontvangen en ook hierover zal hij een goede rentmeester moeten zijn.
Woorden van God
‘Als iemand spreekt, dan als iemand die de woorden van God spreekt; als iemand dient, dan als iemand die dient uit kracht die God schenkt; zodat God in alles verheerlijkt wordt door Jezus Christus. Hem komt de heerlijkheid en de kracht toe, tot in alle eeuwigheid. Amen’ 11.
Spreekt iemand, hetzij om te leren, hetzij om te vertroosten of om te waarschuwen, laat het altijd voortkomen uit een hart dat afgestemd is op het woord van God en dat geïnspireerd wordt door Gods Geest. Een christen moet een mens zijn die woorden van God spreekt. Men kan dit alleen als men doordrenkt is met de gedachten van God, dus vernieuwd is in zijn denken. Met het woord ‘logion’ dat de apostel gebruikt, wordt een godsspraak bedoeld, een hemels orakel, een openbaring van de gedachten van God. Dit Griekse woord wordt ook gebruikt in Handelingen 7:38, waar staat dat Mozes de levende ‘woorden’ ontving. In Romeinen 3:2 wordt gezegd dat aan de Joden de ‘woorden’ van God waren toevertrouwd en in Hebreeën 5:12 dat de lezers de eerste beginsels van de ‘uitspraken’ van God moeten leren.
Van de ware christen wordt dus verlangd dat hij in zijn omgang met anderen in zijn profeteren en in zijn brengen van het evangelie, een hemels niveau bewaart. Zijn wijze van spreken zal daarom nooit platvloers of vulgair zijn, maar zij zal zich aanpassen bij de goede, verheven en goddelijke inhoud. Het is ook van groot belang nooit negatief te spreken ten opzichte van God, de naaste of zichzelf, want Gods gedachten zijn altijd positief ten opzichte van de mens. Wanneer men een ander dient, dit wil zeggen hulp verleent, moet men dit niet doen in eigen kracht, maar men zal zich laten leiden door Gods Geest. Men moet zijn kracht van boven verwachten om alles tot een goed einde te brengen.
Petrus maakt de geadresseerden nog duidelijk, dat God de kracht geeft die nodig is om een roeping te vervullen. Niemand hoeft boven zijn vermogen te werken. Wie God dient, heeft een goede Meester die hem toerust voor zijn taak en die ook voor zijn lichamelijk welzijn zorgt. Men hoeft zich ook niet te meten aan de bekwaamheden die andere geroepenen bezitten. Wie een andere dienstknecht van God wil imiteren, wordt gefrustreerd, dit wil zeggen: bereikt het voor hem gestelde doel niet. Paulus schrijft over zulke werkers in Gods Koninkrijk:
- ‘Want we wagen het niet, ons te rekenen tot, of ons te vergelijken met zekere lieden, die zichzelf aanprijzen, maar door zich onderling aan elkaar te meten en zich onderling te vergelijken, tonen zij hun onverstand’ (2 Cor.10:12, vert. Brouwer).
In een samenleving van de gemeente die goddelijke inspiraties ontvangt en waar het werk gedaan wordt naar de kracht en de wijsheid van Gods Geest, zal de heerlijkheid van God geopenbaard worden. Daar zal de gemeente een gezonde groei laten zien en zich kunnen richten op de gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus. Niet de demonen zullen, door het maken van zonden, ziekten of dwalingen, de overwinning behalen, maar de heerlijkheid of de volkomen overwinning zal voor God zijn, gerealiseerd door de kracht van Jezus Christus. Dit zal niet slechts tijdelijk zijn, maar zoals er letterlijk staat: tot in ‘de eeuwen van de eeuwen’ voortduren. De apostel eindigt daarom met een hartgrondig ‘amen’ en wij herhalen met blijdschap dit slot, want het is waar en zeker!





