1 Petrus 5:8-14
‘Wees nuchter en blijf alert; want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden’ 8.
Voor de derde keer in deze brief roept de apostel de lezers op om nuchter te zijn. In hoofdstuk 1:13 raadt hij aan de heupen van het verstand te omgorden en nuchter te zijn. Wanneer men dus zijn nuchtere (en niet zwevend!) verstand gaat gebruiken, komt men in de juiste balans. Men moet zijn denken niet laten benevelen of laten versluieren door satans demonen. Men moet de werkelijkheid zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld, helder voor ogen stellen. De tweede keer lezen we het in hoofdstuk 4:7: ‘Kom tot bezinning en wordt nuchter’. Hier gaat het om het in staat zijn zich in de hemelse gewesten te bewegen. Wanneer de gedachten vertroebeld zijn, is men niet in staat om werkelijk met vrucht en resultaat bezig te zijn in de geestelijke wereld.
Nu zegt Petrus dat de christen ‘nuchter en waakzaam’ moet zijn. Hij mag niet wegdoezelen, maar moet goed wakker blijven, zodat hij niet alleen in de zienlijke wereld duidelijk de dingen onderscheidt, maar ook in de onzienlijke wereld behoedzaam is en op zijn qui-vive. Hij moet altijd erop bedacht zijn dat zijn vijand, de duivel, rondgaat om te stelen, te roven en te verscheuren. Zoals een wachter voortdurend kijkt om een naderbij sluipend roofdier zien, zo zal de waakzame christen opletten om te weten vanwaar het vijandelijke gevaar dreigt.
Een voorbeeld van gebrek aan nuchterheid: iemand vertelt dat hij op gebed genezen is… maar we zien bij hem nog allerlei ziektesymptomen. De Bijbel waarschuwt: ‘Houdt u het geloof, dat u hebt bij uzelf voor het aangezicht van God’ (Rom.14:22). Wij mogen zelf wel geloven dat na het gebed het genezingsproces begonnen is, maar deze wetenschap bewaren wij in het hart, totdat het herstel ook in de natuurlijke wereld openbaar wordt. Veel kerkmensen laten zich door enthousiaste sprekers opjagen tot allerlei activiteiten. Zij geven grote giften, omdat door sentimentele verhalen hun gevoelsleven in beweging werd gebracht. Zij zijn niet meer in staat objectief te denken en te oordelen.
Permanente, giftige invloeden van de duisternis
In onze tijd beïnvloedt de staatsmedia 24/7 de gedachten van de mens. Denk aan de sterk opdringende meningen vandaag: goedgeprate abortussen, geforceerde euthanasie en de verzonnen, nieuwste seksuele geslachten. De waanzinnige verplichte miljarden € voor de volken die elkaar dagelijks, graag afslachten. Kunst, holistische cultuur, enz, en zo voort. Hoe proberen ook de verootmoedigingsbewegingen, de oprechte kinderen van God die de Heer met hun hele hart dienen, schuld aan te wrijven. Wie onder beslag komt van het wereldse denken en van de infiltraties van ‘vrome’ geesten, is niet meer in staat de gedachten van God onder leiding van Gods Geest over te nemen, zodat hij tot een juist oordeel van zaken komt. Wij moeten onze ziel dus in geen enkel opzicht laten verwarren door satans demonen die werken in de kinderen van de óngehoorzaamheid (Ef.2:2). Paulus schreef aan de broers en zusters:
- ‘Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen zoals de anderen, maar wakker en nuchter zijn’ (1 Thess.5:5,6).
Van hen die in een ‘godsdienstig’ namaakleven, leiding geven, geldt de opmerking:
- ‘De wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, zij zijn allen stomme honden, die niet kunnen blaffen; dromend liggen zij neer, zij hebben de sluimering lief’ (Jes.56:10).
Wekte Petrus de geadresseerden eerst op tot bedachtzaamheid en tot waakzaamheid om bezig te kunnen zijn in de dingen van God, hij vraagt ook dezelfde instelling om klaar te zijn voor de strijd tegen de machten van de duisternis. Wij weten dat het Gods plan is om veel zonen tot heerlijkheid te brengen en dat het zijn wil is dat ieder mens tot kennis van de waarheid komt en behouden wordt. Wij mogen echter niet vergeten dat het de wil van de satan is, dat geen enkele zoon tot heerlijkheid kan komen en dat niemand gered wordt. Deze twee gedachtewerelden zijn met elkaar als het ware in een totale oorlog en de mens is de inzet van deze strijd tussen God en satan.
Hoewel Jezus als Zoon van God een algehele overwinning op de duivel behaald heeft en de plaats op de troon al heeft ingenomen, gaat de wetteloze toch onvermoeid door de mens tot zonde te verleiden, bang te maken, te pressen en te verleugenen. Petrus vergelijkt hem met een brullende leeuw die zijn slachtoffers door zijn gebrul intimideert en schrik aanjaagt en op deze wijze zodanig beïnvloedt, dat hun geestkracht wordt verlamd en zij het vermogen om te ontkomen, niet meer op kunnen brengen.
‘Biedt weerstand aan hem, vast in het geloof, in de wetenschap dat hetzelfde lijden ook aan al uw broeders in de wereld opgelegd wordt’ 9.
Wie nuchter is, houdt rekening met de werkzaamheden en de niet aflatende haat en tegenstand van de duivel en hij vertrouwt op de kracht van God, die hem te hulp komt en hem bewaart. Daarom zal de gelovige zich geen angst laten aanjagen, maar hij zal sterk zijn in het geloof, dat de God van de vrede hem zal heiligen en bewaren in Christus Jezus, want: ‘Die u roept, is trouw; Hij zal het ook doen’ (1 Thess.5:24). Heel duidelijk wordt hier door de apostel naar voren gebracht, dat alleen de duivel onze tegenstander is. De christen hoeft niet tegen zichzelf te strijden of de oorzaak van het leed en de ellende bij andere mensen te zoeken. Zijn vijand is de satan, die hem de plaats in het plan van God misgunt en daarom de tegenstander is van God en van de mens.
Paulus schreef dat wij niet te worstelen hebben tegen bloed en vlees, maar tegen de trawanten van de duivel, tegen de overheden, tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldheersers van de duisternis om ons en tegen de boze geesten in de hemelse wereld. De duivel is de bron van alle ongerechtigheid en leugen. Jezus noemde hem de vader ervan. Wie verlost is van de duivel, is onttrokken aan iedere vorm van wetteloosheid. De duivel is de bewerker van alle kwaad en van het lijden op de wereld. Er zijn geen twee oorsprongen van zonde, ziekte en gebondenheid: de duivel én de mens, maar er is er slechts één. Wij mogen echter niet met de tegenstander samenwerken, want dan laden wij schuld op onszelf, als verdiend loon voor ons negatieve werk. Wij moeten hem weerstaan en zelfs aanvallen op zijn eigen terrein.
Paulus bemoedigde zijn lezers met de woorden: ‘Jullie wáren slaven van de zonde… en; vrijgemaakt van de zonde, zijn jullie in dienst gekomen van de gerechtigheid’, ‘dat is dus ‘in dienst van God’ (Rom.6:17-23). De christen moet niet denken dat hij als enige de verdrukkingen van de vijand heeft te weerstaan, want al zijn broers en zusters over de hele wereld verspreid, weten dat zij een zware strijd hebben met Gods tegenstander, die met geweld en met list hun weg naar de volkomenheid wil blokkeren. Niet alleen ziekte, verdrukkingen, vijandschap van mensen, maar ook verleidingen tot zonde zijn een vorm van lijden. De christen komt er immers door in onrust en strijd, want hij wil zijn verlangens niet laten ombuigen door verleidende geesten, die hiervoor ook menselijke dienstknechten kunnen gebruiken, maar hij zal volharden in zijn tegenstand en zijn blik richten op zijn Heer, de Leider en Voleinder van het geloof en uitzien naar een uiteindelijke, totale overwinning.
Alle vervolgingen worden verwekt, aangestookt en geleid door de satan. In Openbaring 2:10 staat: ‘Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, zodat u verzocht wordt’. Hij is de verleider en de aanklager van de broeders en mensen kunnen zich als zijn gewillige werktuigen laten gebruiken. Daarom kan geconstateerd worden: ‘Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid’ (Op.12:12).
Zegen, afzender, groeten
‘De God nu van alle genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, Hij zal u na een korte tijd van lijden toerusten, bevestigen, versterken en funderen. Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen’ 10,11.
Wij komen nu aan het slot van de eerste Petrusbrief. De apostel bemoedigt nu ‘de vreemdelingen in de verstrooiing’. Wanneer dezen nuchter en waakzaam zijn, komen zij alleen in aanraking met een God van rijke genade. Er is geen sprake van een God van wraak, van een die rampen zendt of ziekte of ongeval. Hij is alleen de God van álle genade. Hij is ‘de Vader van de lichten’, dat is de bron van het leven. Hij kan en zal nooit iets doen dat het leven van een mens, hetzij in de natuurlijke, hetzij in de geestelijke wereld, aantast en beschadigt. De genade houdt niet enkel schuldvergeving in, maar ook die rijkdom die daarna als hemelse erfenis ten deel valt. Het volk van God is ingevoegd in het lichaam van Christus en geroepen tot diens eeuwige heerlijkheid. Jezus zelf heeft deze glorie al ontvangen en Hij zegt: ‘En als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken’ (Joh.12:32).
Wanneer ons denken en onze wandel ‘boven’ zijn, zal Christus ons door de kracht van Gods Geest tot de volmaaktheid brengen. Hij zal ons bevestigen, dat is het plan van God met de mens, in ons ten uitvoer brengen. Hij zal de gelovige die in Christus is, sterk maken, want diens leven is op Jezus gefundeerd, dus gegrondvest op het woord van God (1 Cor.3:11 en Hebr.6:1,2). Zo zal de gelovige onbeweeglijk kunnen zijn in tijden van beproeving en lijden. Petrus schrijft niet dat het lijden zijn lezers bespaard zal blijven, want in deze wereld zullen onze verhoging en vervolmaking gepaard gaan met verdrukking en lijden. Dit laatste duurt voor ons slechts een korte tijd, als wij het in onze gedachten vergelijken met de eeuwige heerlijkheid waaraan wij deel zullen hebben. Jezus heeft alle macht in hemel en op aarde. Zijn kracht faalt nooit, maar werkt door tot in de eeuwen van de eeuwen. Deze kracht is zo sterk dat het resultaat van Jezus’ werk standhoudt tot in alle eeuwigheid. Dit nu is onze vaste overtuiging en onze hoop die niet beschaamd wordt. Daarom zeggen ook wij: ‘Amen!’, dit wil zeggen: het zal waar en zeker zijn.
‘Met de hulp van Silvanus, die voor u, naar ik meen, een trouwe broeder is, heb ik met weinig woorden geschreven, u aangespoord en betuigd dat dit de ware genade van God is, waarin u staat’ 12.
Petrus laat deze kleine brief bezorgen door Silvanus of Silas, dezelfde broeder die zo vaak met Paulus reisde en van wie ook al in Handelingen 15:40 en 16:19, 2 Corinthiërs 1:19 en 1 Thessalonicenzen 1:1 melding wordt gemaakt. In de meeste gemeenten kende men Silas wel als de betrouwbare reisgenoot van Paulus. Misschien heeft hij deze brief ook wel voor Petrus op schrift gesteld, zoals Tertius dit soms deed voor Paulus (Rom.16:22). De bijvoegingen ‘zoals ik meen’ en ‘voor u een betrouwbaar broeder’ wijzen er echter op, dat Silas ook de bezorger van deze brief geweest moet zijn. Hij was ook de man die met de apostel Paulus opgesloten was in de gevangenis te Filippi en met de voeten in het blok toch lofzangen opzond tot God. Geen wonder dat hij ook een vertrouwensman van Petrus was. Het is goed om zulke personen in ere te houden en hen met liefde te ontvangen, want zij zijn het die door hun ervaringen en geloofsblijheid de gemeenten verder brengen.
Door deze brief heeft Petrus de verspreide christenen willen bemoedigen en nog eens duidelijk voor ogen willen stellen wat de ware genade van God is en wat deze beoogt. Dit moesten zij in geloof vasthouden, ook al overkwam hun menigmaal vervolging en lijden. Zij moesten ‘vast staan’ in de gezindheid van de Meester, Jezus Christus, die hun een voorbeeld nagelaten had.
‘U groet de mede-uitverkoren gemeente die in Babylon is en Markus, mijn zoon. Groet elkaar met een kus van de liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus bent. Amen’ 13,14.
Babylon is in het Nieuwe Testament een beeld van de afvallige en met de demonen hoererende kerk. Zo tekende Johannes haar in de Openbaring. Zoals de gelovige Israëliet zich in Babel in ballingschap wist, zo voelden Petrus en veel christenjoden zich tussen hun volksgenoten die Jezus verwierpen. Dezen vervolgden hen tot het uiterste (1 Thess.2:15). Er is geen enkele aanwijzing dat met Babylon hier letterlijk de stad aan de Eufraat bedoeld wordt. De Bijbel maar ook de overlevering vermeldt nergens dat Petrus daar ooit geweest zou zijn. Deze apostel schrijft echter in overdrachtelijke zin, zoals wij dit ook constateerden in 1:1, 17; 2:11 en ook in dit vers als hij Marcus zijn zoon noemt.
Petrus weet zich met Marcus uitverkorene van God te zijn. Zij waren immers ‘uitverkorenen in Christus’ (Ef.1:4). Zij hoorden bij het Israël van God, dat is het volk zoals God dit zich van eeuwigheid had voorgesteld. Daarom staan op de poorten van de geestelijke stad van God, de woonplaats van de rechtvaardigen, de namen van de stammen van dit geestelijke Israël, Gods uitverkoren volk. Marcus is de geestelijke zoon van Petrus. Hij was waarschijnlijk een bekeerling van de apostel en de auteur van het evangelie van Marcus en wellicht dezelfde als de neef van Barnabas (Col.4:10). Diens moeder bezat een groot huis, waar de gemeente samenkwam (Hand.12:12). Paulus en Barnabas namen hem mee op hun eerste zendingsreis, maar dit werd een mislukking. Later is deze jongeman toch weer medewerker van Paulus (Col.4:10, 2 Tim. 4:11 en Filemon 24). Op dezelfde manier als Petrus hier over Marcus, zijn zoon, sprak, deed Paulus dit over Timotheüs en Titus (1 Tim.1:2 en Titus 1:3).
Overeenkomstig de oosterse beleefdheid vraagt Petrus zijn lezers hun onderlinge genegenheid te uiten in een liefdeskus. De gewoonte was dat deze groet voor mannen zowel als voor vrouwen apart was bedoeld. Het was ondenkbaar dat de verschillende seksen elkaar in het openbaar zouden kussen. Deze oosterse begroeting behoeft nog niet als christelijke traditie beschouwd te worden, hoewel zij buiten Nederland veel voorkomt. Zo waren wij (als tolk, webb.), na de opening van het IJzeren gordijn (1989), in Roemenië bij de broers en zusters van Hongaars sprekende gemeenten. Deze begroeting was daar heel gewoon. De bevrijding van het (toen nog) communistische juk was immers de vreugde waard. Nu verlangt een gedegenereerde generatie 68′ graag weer terug naar dit afschuwelijk juk. Die gaan we dus zeker niet kussen in eeuwigheid…
Petrus wenst tenslotte allen die in Christus zijn, die zich dus als levende stenen in de tempel van de Heer bevinden, vrede toe, dit wil zeggen de rust en de gemeenschap met God. Sommige handschriften voegen aan de naam Christus nog ‘Jezus’ toe en eindigen met het woordje ‘amen’. Zo luidt de oude Statenvertaling: ‘Vrede zij u allen, die in Christus Jezus zijt. Amen’. Dit tweede ‘Amen’ in het slot van deze brief bevestigt dan de zekerheid en de waarachtigheid van Petrus’ zegengebed. Deze vrede van het hart zij ook in ons die op hetzelfde fundament bouwen en naar hetzelfde doel streven!

