Hoe men hoort te bidden

1 Timotheüs 2:1-8

Ik roep er dan vóór alles toe op dat smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen,’ 1.

Paulus gaat verder met Timotheüs instructies te geven, allereerst over de plaats en de functie die de gemeente in deze wereld heeft. Zij is het verlossingsorgaan waardoor God, onze Redder, kan werken en waardoor het herstel van alle dingen zal plaatsvinden. Zij is daarbij een biddende gemeenschap en deze positieve invloed zal zich naar alle mensen uitstrekken. De ruimte van het christelijk gebed wordt geaccentueerd door het woordje ‘alle’: bidden voor alle mensen, voor alle hooggeplaatsten, zodat alle mensen gered worden.

De gemeente bidt, dit wil zeggen beweegt zich in de hemelse gewesten om de redding van alle mensen. De gemeente leeft niet op een geïsoleerd eiland, maar is bij het lot van de hele mensheid betrokken. Daarom dringt de apostel erop aan dat in de samenkomst een openbaar gebed zal zijn voor hen die buiten zijn. Hij noemt hierbij vier vormen van gebed, die echter niet nauwkeurig te scheiden zijn:

  1. Allereerst het normale gebed waarbij het vragen of de ‘smeking’ op de voorgrond staat. Zo stond Abraham in zijn gebed, voor Sodom en Gomorra op de bres, toen hij God smeekte deze steden te sparen (Gen.18:23-32).
  2. Bij ‘gebeden’ of aanroepingen denkt men meer aan de houding van de christen ten opzichte van God en diens gemeenschap met Hem. Dit betreft dus het bidden in zijn algemene vorm.
  3. Het woord ‘voorbeden’ komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor en drukt hier het werk uit van de gemeente in de hemelse gewesten ten behoeve van de buitenstaanders. In 2 Corinthiërs 1:11 wordt het woord dat hier voor ‘smekingen’ staat in de Nieuwe Vertaling weergegeven door ‘voorbede’.
  4. Dan komt de ‘dankzegging’ (eucharistia, vergelijk 1 Cor.14:16), die nog kan worden opgezonden, omdat er nog zoveel goede, natuurlijke mensen zijn, ondanks het feit dat zij allen op het domein van de overste van deze wereld verblijven.

De gebeden moeten voor alle mensen worden opgezonden. Deze gebeden mogen zich niet in vaagheid verliezen en niet in het wilde weg worden opgezonden, maar ze zijn gericht en ze omschrijven het doel dat men ermee wil bereiken. ‘Alle mensen’ zijn de buren, de kennissen en de familieleden met wie de opnieuw geboren christenen contact hadden. De kleine huisgemeenten uit die tijd zouden op deze manier kunnen uitgroeien, want God wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen (2 Petr.3:9). De hemelse Vader wil niet dat de mens in de vuurpoel komt, want deze is bestemd voor satan en zijn demonen.

We vinden hier dus niet in de eerste plaats een oproep om voor ons onbekende volken – waarmee wij op geen enkele wijze contact hebben – te bidden of voor hen in de bres te springen. We zouden dan even goed kunnen bidden voor komende generaties van wie wij nog geen idee hebben. Ons gebed geldt voor allen die wij met de waarheid van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen in aanraking kunnen brengen. Dit betekent niet dat wij voor elk mens die wij tegenkomen zonder meer moeten bidden, alleen voor hen die op zoek zijn naar het eeuwig evangelie. Men kan immers niet bidden voor mensen, die bewust leven vanuit een onchristelijke houding, voor hen, die satan op wat voor manier dan ook in hun leven hebben toegelaten.

  • Opgemerkt moet worden dat het getal van hen die oprecht God zoeken maar bijzonder klein is.

Meer en meer krijgen we in onze omgeving te maken met mensen die heel bewust God buiten de deur zetten en slechte dingen doen. Wij willen wel dat zij behouden worden, maar het is zinloos voor hen te bidden zolang zij bewust volharden in hun houding. Wij bidden en strijden daarom in de hemelse gewesten voor de zoekenden zodat bij hen de wetteloze machten beteugeld worden, zodat hun ogen geopend kunnen worden voor de waarheid, voor de gerechtigheid en voor de liefde van God.

voor koningen en allen die hooggeplaatst zijn, zodat wij een rustig en stil leven zullen leiden, in alle godsvrucht en waardigheid’ 2.

De verplichting om in de onzienlijke wereld te bemiddelen geldt ook ten behoeve van de overheid. Door háár werken immers de ordenende wereldgeesten, die het leven op aarde draaglijk moeten maken. Wij moeten hen gehoorzamen, omdat de autoriteiten door God zijn aangesteld (Rom.13:1). Ze zijn een scheppingsorde van de Allerhoogste. Zo wil Hij dat de aarde wordt bestuurd. Deze overheid heeft als Gods dienares een zware taak en wij moeten haar in de geestelijke wereld bijstaan, zodat zij haar opdracht naar behoren kan vervullen. Wanneer de overheidspersonen hun gezag goed uitoefenen, is dit altijd tot bescherming van de goeden. Dan resulteert hun optreden erin dat de ware christenen een rustig leven kunnen leiden.

Falen de overheden en worden zij door demonen geïnspireerd, zoals dit in de geschiedenis maar ook nu maar al te vaak voorkomt vanwege o.a. de invloed van de valse kerk, dan moeten christenen God smeken dat deze machthebbers dit gaan inzien. Wanneer het gebed resultaat heeft en wij als christenen rustig kunnen leven en samenkomen, mogen wij ook voor zo’n regering danken. Zo kregen de Joden tijdens de ballingschap de raad om de vrede te zoeken voor het vijandige Babel en te bidden voor een langdurige rust, want de vrede van deze stad hield ook de vrede van het volk van God in (Jer.29:7).

In de tijd van Paulus dreigde de Romeinse overheid vijandig te worden en ging ze al snel over tot vervolgingen. Het wrede optreden van Nero was niet ver meer weg. De rustige en kalme sfeer, die het mogelijk maakten de samenkomsten te houden, dreigde verstoord te worden. Net zoals christenen in de dagen van de vervolging in Jeruzalem moesten vluchten, zo zijn zij ook gevlucht tijdens de christenvervolgingen te Rome (vergelijk Matth.24:15-22; Hand.8:1-3 en o.a. Aquila en Priscilla te Corinthe). Verder nog tijdens de duistere middeleeuwen en daarna nog naar allerlei landen, zelfs Amerika en Canada. Denk ook aan de slechte invloed van de Joden, van wie de apostel moest schrijven: ‘Die zelfs de Heer Jezus en de profeten gedood en tot het uiterste vervolgd hebben, die God niet behagen en tegen alle mensen ingaan, daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud’ (1 Thess.2:15,16).

  • De apostel schrijft hier: doe voorbede, smeek zolang het nog kan tot God dat Hij ingrijpt, zodat de vervolgingen die het werk van de demonen zijn, ophouden.

Met ‘koningen’ (basileus) worden hier vermoedelijk de Romeinse keizers bedoeld en niet de plaatselijke koningen zoals de Herodessen. De hooggeplaatsten zijn de hoge ambtenaren en waardigheidsbekleders. Dezen kunnen met elkaar – als zij niet door occulte demonen worden gemanipuleerd – de rust en vrede bevorderen, zodat de christenen niet worden opgejaagd, verdrukt en verstrooid. Let er op dat vooral in de laatste dagen van de eindtijd, het bidden voor een overheid die zich vol overtuiging heeft vastgehecht aan de antichrist en zijn gemeente, weinig zin heeft. Dezen hebben zich één gemaakt met het beest uit de afgrond, Apollyon en zijn daarmee gedoopt in de geest van het beest uit de zee (zie het getal 666 – Op.13:16-18). De apostel Johannes schreef al dat bidden voor hen die bewust zondigen tot de dood, nutteloos is (zie verder Rom.13:3 en 1 Joh.5:16,17). Het gaat er bij de apostel echter ook niet om in de schijnchristelijke kerk dode formulieren en ambtelijke gebeden in te voeren, want die zijn nietszeggend en kleurloos.

Let nu eens op het gewenste resultaat voor de gemeente. Haar leden wensen een rustig leven te leiden in alle godsvrucht en waardigheid. Het gaat dan bij hen niet om een bepaalde welvaart te genieten, om rijk te worden, in eer en aanzien toe te nemen, maar om een rustig leven te leiden. Rust en vrede zijn immers kenmerken van het Koninkrijk van God.

Het woordje ‘godsvrucht’ is typerend voor deze eerste Timotheüsbrief (zie 2:2;10;3:16; 4:7,8; 5:4; 6:3,5,6 en 11). Godsvrucht en waardigheid duiden op een innerlijk respect voor de wetten van God en op eerbied voor de van God gestelde orde in de samenleving en voor die in het huis van God. Het is voor het huisgezin van God geen geestelijke achteruitgang wanneer er vrede en rust heersen, want deze sfeer bevordert de gezonde groei en ontwikkeling van de gemeente. Er komt onrust, wanneer er valse leringen worden gepredikt, wanneer men geen vertrouwen heeft in de leidende broers, wanneer de leden door drijvende geesten worden opgejaagd tot daden, waardoor niemand meer geschikt is.

De ware christen houdt van de stilte en de rust, want zij typeren de goddelijke sfeer. Jezus zei ook: ‘Ik zal u rust geven.’ Inspanningen, ascetische onthoudingen, vormen van opwinding en opgeschroefde geloofsuitingen zijn van geen enkel nut voor de verwerking en realisering van God reddingsplan, zoals er staat: ‘In stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn, maar u hebt niet gewild. U hebt gezegd: Nee, op paarden zullen wij voortvliegen’ (Jes.30:16). Daarom waarschuwt de Heer zijn volk voor een hysterisch voortrennen, want zulke christenen raken bij het snelle bestijgen van de berg Sion buiten adem en zij worden onrustig. Rust, godsvrucht en waardigheid zijn onafscheidelijk verbonden met een christelijke levenswandel.

Natuurlijk zullen wij het bidden in de geest niet verwaarlozen, ook niet in de gemeente, maar daarnaast kennen wij ook de voorbede en dankzegging, de smekingen en het bidden met ons verstand in de openbare samenkomsten of op onze bidstonden. Uit de opmerking van de apostel mogen wij concluderen dat de ware christenen niet door geesten worden opgejaagd, geen luidruchtige figuren zijn die willen opvallen en ongevraagd de leiding willen nemen, maar geestelijke mensen, die rustig en tevreden zijn.

Want dat is goed en aangenaam in de ogen van God, onze Behouder, Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van de waarheid komen’ 3,4.

‘Dit is goed en welgevallig aan God’, zoals de Canisius-vertaling heeft, ziet terug op de aansporing tot voortdurend gebed voor alle mensen, ook natuurlijk voor de zwakken, zieken en aangevochtenen. Deze opmerking heeft echter ook betrekking op de genoemde levenswijze van de christenen. Christendom is door de vernieuwing van denken een manier van leven waar rust vanuit gaat. Een rustig en waardig optreden trekt zielen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Hierin laten de christenen een koninklijk priesterschap en een heilige natie zien. Op deze manier prediken zij de grote daden van God aan allen met wie ze in aanraking komen. God werkt immers niet door kracht en geweld maar door zijn Geest. Hij kan geen negatieve, onrustige mensen gebruiken, maar alleen positieve en rustige gemeenteleden.

De wereld moet tot erkenning van de waarheid komen, dit wil zeggen dat haar ogen moeten worden geopend voor de kracht en harmonie in het ware christendom, dat uit de leer van het Koninkrijk der hemelen leeft, de gerechtigheid naleeft en de liefde van God in het hart heeft. Dan zal de wereld geloven, dat God zijn Zoon heeft gezonden (Joh.17:21). God is de bedenker van het geweldige verlossingsplan. De apostel noemt Hem zelfs onze Behouder. Hij wil alleen het goede en wil het herstel van alle mensen. Dit is echter alleen mogelijk, als de mensen de waarheid verstaan, zodat zij vrijkomen van al hun gebondenheden. Door de bestudering van het Woord van God kunnen zij de bedoeling van de Schepper met de mens begrijpen. Dit leren verstaan kan alleen, wanneer de gemeenteleden hun priesterlijke taak verstaan en het evangelie verkondigen en het horen door het woord van Christus. En hoe zullen zij horen zonder prediker (Rom.10:14,17)? De leden van de gemeente bidden zodat de wetteloze geesten worden beteugeld, zodat de ogen ook voor de waarheid kunnen opengaan. Zij getuigen door hun levenswandel met blijdschap en in eenvoud en zij prediken het evangelie van Jezus Christus, hun Verlosser.

Tenslotte merken wij op dat God het goede, het welgevallige en het volkomene wil voor alle mensen. Hij wil dat alle mensen behouden of gered worden. Daarom kan Hij nooit de auteur van een uitverkiezingsleer zijn, waarin sprake is dat praktisch de hele wereld gepredestineerd is voor een eeuwig verderf. De uitspraak: ‘God wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van de waarheid komen’ is tegelijkertijd zijn uitverkiezingsplan! God neemt de engelen niet aan maar de mens. Gods uitverkiezing gaat nooit tegen deze wil in. Hij heeft de mensheid lief en zijn Zoon, die de uitdrukking is van zijn wezen, kocht het hele menselijke geslacht vrij uit de claim van satan (Op.5:9,10). God en Jezus Christus zij daarvoor eeuwig lof en dankzegging toegebracht.

Want er is één God. Er is ook één Bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus’ 5.

De kennis van de waarheid waarover het vorige vers spreekt, heeft te maken met het onderscheiden van goed en kwaad. Wij willen het goede, dat is de waarheid, met ons geloof aanvaarden en worden ons hiervan bewust door middel van ons verstand. De waarheid dat er maar één God bestaat, is de basis van alles wat wij verder geloven. Tegenover het polytheïsme (veelgodendom) van de heidenwereld stelt de apostel de uitspraak: ‘God is één’ (vert. Brouwer en The Centenary Translation). Hij is dus de ene en enige bron van alle leven, van alle wijsheid en van alle kennis, van alle goedheid, van alle kracht, van alle heiligheid, van alle vrede, blijdschap en gerechtigheid, met uitsluiting van een godenwereld waarin iedere god weer een andere identiteit en andere eigenschappen bezit. De boze geesten sidderen voor deze onverbreekbare eenheid van God waarop zij geen enkel vat kunnen krijgen (Jac.2:19).

Als gevolg van het feit dat God één en onverdeeld is, schreef de apostel: ‘Eén Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen’ (Ef.4:5,6). Omdat God één is, is ons geloof ook één en onze doop in Heilige Geest ook één. Wij zijn immers allen met een en dezelfde Geest gedoopt, zodat wij deel hebben aan het ene onveranderlijke, goddelijke wezen. Die ene doop in Heilige Geest staat daarom in Efeziërs 4 tussen één Heer en één God in, want de Geest gaat van beiden uit die wezens één zijn. Gods Heilige Geest verbindt dus de mens met God en met de Zoon in een eeuwige eenheid. In onze goddeloze tijd accentueren wij ook de waarheid dat er één God is, want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem serieus zoeken’ (Hebr.11:6). In de Bijbelse tijden van Paulus waren er nog geen Joodse godloochenaars en atheïsten. Zeker ook geen christenen die in een god geloofden die uit wel drie personen zou bestaan, zoals deze dwaling nu algemeen wordt geleerd. Deze rampzalige leer is pas ontstaan in de derde eeuw n.Chr.

Net als in Hebreeën 8:6; 9:15 en 12:24 wordt Christus hier een Bemiddelaar genoemd. In het oude verbond waren Mozes en de hogepriester bemiddelaars tussen God en Israël, maar Christus is de éne ‘Bemiddelaar van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust’. Een bemiddelaar stelt zich tussen de partijen. Mozes en de hogepriester hoorden zelf bij het volk waarvoor zij tussenbeide traden. Zo is Jezus Christus als de Mensenzoon de vertegenwoordiger van het hele menselijke geslacht, waar Hij zelf bij hoort. Daarom wordt Hij ook de tweede of laatste Adam genoemd. In dit verband wordt de vraag: ‘Of is God alleen de God van de Joden? Niet ook van de heidenen?’ beantwoord met: ‘Zeker ook van de heidenen’ (Rom.3:29).

Mozes was bemiddelaar tussen God en Israël vanwege de overtredingen van het volk. Hij zei: ‘Maar nu, vergeef toch hun zonde – en zo niet, delg mij dan uit het boek dat u geschreven hebt’ (Ex.32:32). De hogepriester was bemiddelaar, wanneer hij op de grote verzoendag eenmaal per jaar het heilige van de heiligen binnentrad met ‘het bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonde door het volk in onwetendheid bedreven’ (Hebr.9:7). Een bemiddelaar is iemand die geschillen bijlegt en een verzoening tot stand brengt tussen twee partijen, die in twist en onvrede met elkaar leven. In Galaten 3:20 staat: ‘Een bemiddelaar is niet de vertegenwoordiger van één; God echter is één’.

De mens moet tot God worden gebracht. God verandert daarbij niet, maar de mens moet veranderen en ook één worden, net als God. Jezus bad: ‘Opdat zij één zijn, zoals Wij één zijn’ (Joh.17:22). Daarom kan ook gezegd worden: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’ (1 Petr.1:16). Wanneer we alleen heilig zijn, zijn we één en niet meer innerlijk verdeeld. Door het Bemiddelaarschap van Christus wordt de mens teruggebracht tot God die één is en hieruit ontstaat de ene hoop, het ene geloof, de ene doop en ook het ene lichaam, de gemeente.

Hij heeft Zich gegeven als een losprijs voor allen. Dit is het getuigenis op de door God bestemde tijd’ 6.

Hoe heeft Jezus deze verzoening tot stand gebracht? Door zijn leven te geven tot een losprijs voor allen of liever ten bate van allen. Daarmee heeft Hij namelijk de schuld van de hele mensheid betaald, dus voor alle mensen van alle plaatsen en van alle tijden. ‘Zo luidt het getuigenis voor onze tijd’ heeft de Canisiusvertaling, dus dit betreft het evangelie van het nieuwe verbond. Christus gaf Zich als losprijs voor allen. Deze tekst loopt parallel met Marcus 10:45 waar staat: ‘Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’.

De verlossing van de mensheid wordt hier uitgebeeld door het betalen van een losprijs aan hem die de mensen gevangen hield. De losprijs zelf bestond uit het volmaakte leven van Jezus Christus. De bedoeling van God was daarmee dat niet maar één Mensenzoon het doel zou bereiken, maar dat vele zonen tot heerlijkheid zouden worden gebracht en velen de troon van God zouden bestijgen. Maar al deze mensen waren als slaven onder de claim van de satan, zowel degenen die hij in het dodenrijk gevangen hield, als zij die op aarde onder de bezetting van de machten van de duisternis leefden. De verwachting van de duivel was dat hij allen die nog geboren zouden worden, ook onder zijn heerschappij zou weten te krijgen en hen dus ook onnut zou maken. Wilde de Vader met de mensheid ook verder zijn doel bereiken, dan zou Hij deze, met schuld beladen, beschadigde en onderdrukte schepsels onder het slavenjuk vandaan moeten halen.

Kon God dit dan niet met geweld? Het antwoord is dat Hij rechtvaardig is en nooit geweld gebruikt om zijn doel te bereiken. God is geen rover of dief, maar is rechtvaardig en daarom kócht Hij de mens vrij door Jezus Christus, die vrijwillig zijn leven hiervoor gaf. Er is sprake van een losprijs en van vrijkopen (1 Petr.1:18). Een losprijs is het geld dat voor een krijgsgevangene of voor een slaaf wordt betaald. Daarnaast kan dit woord ook ‘verzoeningsgeld’ betekenen. Degene die losgeld betaalt, geeft de slaaf of de gevangene gelegenheid om een nieuw leven te beginnen. Alle mensen waren gevangenen van de dood, want deze is tot alle mensen doorgegaan. Jezus kwam om aan gevangenen vrijlating te prediken. Dr. J.F. Nielsen schrijft in zijn commentaar op Mattheüs 20:28:

  • ‘Naar onze mening is het niet juist te stellen dat Jezus zijn leven als ‘losgeld voor velen’ aan God zou hebben betaald’ (De prediking van het Nieuwe Testament). God voorzag als offeraar Zichzelf van een lam ten brandoffer (Gen.22:8). Het zou dwaasheid zijn te veronderstellen dat een offeraar aan zichzelf offert. Jezus gaf zijn heerlijk leven wel over aan God, maar om dit door de Vader te laten gebruiken als losgeld.’

Dat de duivel onrechtvaardig en wetteloos is, mag bekend worden geacht. Hij houdt zich niet aan deze transactie, maar God wel. Een slavenhouder kan wreed en gemeen zijn, maar toch kan iemand voor een hoge prijs een slaaf bij hem kopen. Wanneer dan de slaaf zijn vrijheid krijgt, is het zaak voor hem niet te dicht in de buurt van zijn vorige eigenaar te komen, want deze is niet te vertrouwen. Het aanbod van een losprijs ging van de Vader uit. Hij was het die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende. Een gaaf en volmaakt geestelijk mens aan wie de Vader ‘alles overgegeven had’, werd gesteld tegenover vele geschonden en beschadigde zondeslaven die onder de claim van de satan leefden. Wanneer gezegd wordt: ‘De mens Christus Jezus, die Zich heeft gegeven tot een losprijs voor allen’, betekent dit dat Hij Zich gegeven heeft aan de Vader om door deze als losprijs te worden gebruikt.

In Romeinen 8:32 staat, dat God zijn Zoon niet heeft gespaard, maar voor ons allen heeft overgegeven. De Vader gaf dus zijn Zoon, die zich vrijwillig aanbood, prijs aan de satan, zoals iemand die een offer prijsgeeft aan het vuur. Hierdoor verloor de duivel zijn claim op de mensheid. Jezus heeft ons voor God gekocht met zijn bloed (Openb.5:9). In de natuurlijke wereld werd Jezus aan het einde van zijn leven op aarde overgeleverd in de ‘handen van wetteloze mensen’, die dus in verbinding stonden met de duivel (Hand.2:23). In de onzienlijke wereld werd Jezus een vervloekte, want er staat: ‘Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is ieder, die aan het hout hangt’ (Gal.3:13).

Jezus was dus door de Vader overgegeven aan de machten van de duisternis, want Hij was een vervloekte. Hij was omringd door ‘stieren’ en omsingeld door ‘buffels’ van Basan. Een verscheurende ‘leeuw’ sperde zijn muil tegen Hem open en ‘honden’ hadden Hem omringd (Ps.22:13-17). Op deze wijze kocht Jezus de mens vrij uit de macht van de satan en bracht hem tot God, opdat hij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zou ontvangen (Hand.26:18). In de natuurlijke wereld zei de Heer tot zijn belagers: ‘als u dan Mij zoekt, laat deze heengaan’ (Joh.18:8). Hij drukte hiermee uit dat Hij deel had aan een transactie, waarvoor gold: één voor allen. Deze parel van grote waarde werd als losprijs voor de wereld aangeboden. Dat hier staat dat onze Heer Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen en niet voor vélen, zoals in Marcus 10:45 te lezen is, houdt verband met de wil van God, die zich richt op het behoud van alle mensen.

‘Voor velen’ zegt niet dat Jezus niet voor allen is gestorven. Het duidt ook niet aan dat niet allen daardoor aan de redding deel zullen hebben, maar het is een aansluiting op Jesaja 53:12 waar staat, dat Hij de zonden van velen gedragen heeft. Het gaat dan over de tegenstelling tussen de ‘ene’ Jezus en het groot aantal van de anderen, dus in feite een aanduiding van allen gezamenlijk. Paulus schreef: ‘Omdat wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor állen gestorven is’ (2 Cor.5:15). Daarom gaan alleen mensen vanwege hun eigen gezindheid verloren, want ze hebben dan de duisternis liever gehad dan het licht en hebben vrijwillige banden met de demonen aangeknoopt. Jezus stierf om een algemeen behoud te garanderen. Het getuigenis van dit reddingsfeit is in de tijd van het welbehagen van de Heer over de aarde uitgegaan en ook wij hebben de opdracht deze boodschap bekend te maken.

Daartoe ben ik aangesteld als prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), als een leraar van de heidenen in geloof en waarheid’ 7.

De vertaling Brouwer legt verband tussen het slot van vers 6 en het begin van vers 7. Zij luidt: ‘Het getuigenis dat thans te rechter tijd gebracht wordt, en waarvan ik tot prediker en apostel ben aangesteld’. Natuurlijk hoort dit getuigenis bij het verlossingsplan van God, waarbij zijn Zoon zich als een vrijwillige losprijs overgaf, tot vrijkoping van alle mensen, dus ook van de heidenen of de volken. Paulus moest dit herstelplan van God bekend maken. Hij moest de volken tot het geloof brengen, zodat zij deze redding ook voor eigen leven zouden aanvaarden. Zo moest hij de volken bewerken tot de gehoorzaamheid van het geloof in de waarheid (vergelijk Rom.16:26). Jezus Zelf had gezegd dat hij tot de heidenen zou worden gezonden: ‘Om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, zodat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij (Hand.26:18). Zo gehoorzaamde Paulus aan de grote opdracht: ‘Ga heen in de hele wereld, verkondig het evangelie aan de hele schepping’ (Marc.16:15).

Het is duidelijk dat bij zo’n geweldige taak er geen verschil mag en kan gemaakt worden tussen Joden en heidenen. De volken of ‘alle mensen’ staan centraal, want de middelmuur van de afscheiding was op Golgotha afgebroken. De apostel kende echter het altijd durende verzet van de Judaïsten. In zijn tijd, dat parallel loopt met de oppositie tegen het verlossingsplan van een gehele mensheid in de Israëlleer van onze tijd. Deze weigert immers een evangelie te aanvaarden dat alle mensen betreft en waarin geen onderscheid gemaakt wordt tussen Jood en heiden. Vandaar de uitroep van Paulus: ‘Ik spreek waarheid en geen leugen’ en ‘ik ben de trouwe (gelovige) en oprechte leraar’. Zijn lezers en hoorders konden zich rustig aan hem toevertrouwen. Zij noch wij zullen met zijn evangelie beschaamd worden of aan de verkeerde kant van de scheidslijn terecht komen.

Paulus weet zich hier de heraut, de apostel en de leraar van de volken in het brengen van een algeheel herstelplan voor de hele schepping. Noch Johannes noch Petrus hebben zichzelf ooit als leraar opgeworpen of aangeduid. Deze functie was naast zijn roeping als apostel speciaal aan Paulus toevertrouwd. Wij komen het woordje ‘leraar’ daarom praktisch alleen tegen in de brieven van Paulus, die gericht zijn aan de heiden-christenen. Paulus gaf aan het christendom een nieuwe koers en hij maakte het los uit de Joodse traditie en leringen, die de leraars onder de wet onderwezen. Hij transponeerde de woorden en beloften van God uit het oude verbond naar de hemelse gewesten. Hij leerde het volk van God in het nieuwe verbond de betekenis van het ‘vergeestelijken’.

Ik wil dan dat de mannen op alle plaatsen bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en meningsverschil’ 8.

Onder de Joden was het de gewoonte om te bidden met tot schouderhoogte opgeheven handen, de handpalm daarbij naar boven gekeerd, als een gebaar om uit te drukken dat zij de goddelijke gaven in ontvangst wilden nemen. Natuurlijk konden ook zij ‘op iedere plaats bidden’, zoals bijvoorbeeld in hun synagogen, maar ‘heilige handen’ konden ze eigenlijk maar alleen in de tempel opheffen, want daar werden hun zonden verzoend en werden zij gereinigd van het kwaad.

Voor dit laatste kenden de Joden ook nog een gebedsrichting die hen met het heiligdom verbond. Zo bad Daniël in ballingschap driemaal daags voor een open venster in de richting van Jeruzalem (Dan.6:11). Zo sprak Salomo bij de inwijding van de tempel: ‘Wanneer uw volk gaat strijden tegen zijn vijanden langs de weg waarop U hen zendt en zij bidden tot U in de richting van deze stad die U verkoren hebt en van het huis dat ik voor uw Naam gebouwd heb, hoor dan uit de hemel naar hun gebed en smeking en verschaf hun recht’ (2 Kron.6:34).

Het was bij de Joden de gewoonte om met opheffing van handen hun smeking bij God bekend te maken. Als opnieuw geboren christenen kennen wij ook de gestrekte, opgeheven hand, die uitdrukking is van aanbidding en een getuigenis van onze gemeenschap met God. Paulus verlangt hier dat de christenmannen overal waar zij bidden, reine handen opheffen, omdat zij weten dat hun schuld is verzoend en dat zij gebroken hebben met iedere vorm van ongerechtigheid (2 Tim.2:19). Wanneer zij bidden en de naam van Jezus noemen, treden zij de geestelijke tempel binnen in het Koninkrijk van God. Daarom kent de met Gods Geest vervulde christen op aarde geen heilige plaatsen, waar God in het bijzonder zijn zegeningen zou schenken, maar hij mag overal zijn hart ‘verheffen’. De Heer heeft immers gezegd: ‘Het uur komt, dat u noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden; maar het uur komt en is nu, dat de waarachtige bidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid’ (Joh.4:21-23).

Bidden betekent bezig zijn in de onzienlijke wereld en het is van groot belang zich daar aan de juiste kant op te stellen, dus in het Koninkrijk van God. Bij zijn gebed moet de opnieuw geboren christen innerlijk vrij zijn, want anders wordt hij afgeremd. Kenmerkende mannenzonden als toorn, drift- en haatgevoelens, die door geweldgeesten aangewakkerd worden, mogen niet mee vibreren. Het gebed: vergeef mij mijn schulden, zoals ook ik mijn schuldenaren vergeef, is het levensprincipe tijdens het christelijke gebed. Dan heeft men het ook niet meer moeilijk met zijn naaste of met zijn broer of zuster. Ook kan men niet zomaar voor iemand bidden, als men innerlijk nog met hem redeneert en discussieert. Men kan ook niet bidden met een ruziegeest bij zich. Denk ook aan Mattheüs 5:23,24. In plaats van ‘twist’ hebben de Canisiusvertaling, de Lutherse vertaling net als de King James Version ‘twijfel’ staan. We denken hierbij aan Jacobus 1:6, waar staat dat men moet bidden in geloof en geen enkele twijfel mag toelaten, omdat iemand dan niets van de Heer kan ontvangen.

Van deze tekst mogen we wat het uiterlijke betreft, geen voorschrift maken, alsof het een verplichting zou zijn met opgeheven handen te bidden. Ook hoeven wij niet net als de apostel met zijn oudsten van Efeze, knielend te bidden, hoewel hier natuurlijk niets op tegen is (Hand.20:36). Wel is het noodzakelijk om ‘heilige handen’ te hebben. Zei God niet tegen de godsdienstige tempelgangers in Jeruzalem, dat hun handen tijdens het gebed ‘vol bloed’ zaten (Jes.1:15)? Niet wat men ziet, dus de gebedshouding, is belangrijk, maar wat men niet ziet, de innerlijke heiliging. Wij mogen echter ook niet naar de andere kant doorslaan door te menen dat een onverschillige houding tijdens het gebed: onderuit gezakt zittend op een stoel, de handen in de zakken, met geopende ogen, ook God aangenaam zou zijn. Deze uiterlijke zaken drukken immers ook een innerlijke, oneerbiedige en nonchalante levenshouding uit.

Duidelijk zien we hier dat het gebed in samenkomsten, in vergaderingen, in het gezin, in huisgemeenten, niet beperkt mag blijven tot de enkeling die vooraan staat of de leiding heeft. In dit vers gaat het over allerlei soort mannen, want de opzieners en oudsten worden in het volgende hoofdstuk aangesproken.