1 Timotheüs 2:5-7
‘Want er is één God. Er is ook één Bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus’ 5.
De kennis van de waarheid waarover het vorige vers spreekt, heeft te maken met het onderscheiden van goed en kwaad. Wij willen het goede, dat is de waarheid, met ons geloof aanvaarden en worden ons hiervan bewust door middel van ons verstand. De waarheid dat er maar één God bestaat, is de basis van alles wat wij verder geloven. Tegenover het polytheïsme (veelgodendom) van de heidenwereld stelt de apostel de uitspraak: ‘God is één’ (vert. Brouwer en The Centenary Translation). Hij is dus de ene en enige bron van alle leven, wijsheid en kennis, van alle goedheid en kracht, van alle heiligheid, van alle vrede, blijdschap en gerechtigheid, met uitsluiting van een godenwereld waarin iedere god weer een andere identiteit en andere eigenschappen bezit. De demonen sidderen voor deze onverbreekbare eenheid van God waarop zij geen enkel vat kunnen krijgen (Jac.2:19). Omdat God één en onverdeeld is, schreef de apostel:
- ‘Eén Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen’ (Ef.4:5,6).
Omdat God één is, is ons geloof en onze doop in Gods Geest ook één. Wij zijn immers allen met een en dezelfde Geest gedoopt, zodat wij deel hebben aan het ene onveranderlijke, goddelijke wezen. Die ene doop met Gods Geest staat daarom in Efeziërs 4 tussen één Heer en één God in, want de Geest gaat van beiden uit die wezens één zijn. Gods Geest verbindt dus de mens met God en met de Zoon, in een eeuwige eenheid.
Géén verzonnen ‘drie-eenheid’
In onze goddeloze tijd accentueren wij ook de waarheid dat er één God is, want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem serieus zoeken’ (Hebr.11:6). In de Bijbelse tijden van Paulus waren er nog geen Joodse godloochenaars en atheïsten. Zeker ook geen christenen die in een god geloofden die uit drie personen zou bestaan, zoals deze dwaling nu algemeen wordt geleerd. Deze rampzalige leer is pas ontstaan in de derde eeuw n.Chr.
Net als in Hebreeën 8:6; 9:15 en 12:24 wordt Christus hier een Bemiddelaar genoemd. In het oude verbond waren Mozes en de hogepriester bemiddelaars tussen God en Israël, maar Christus is de éne ‘Bemiddelaar van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust’. Een bemiddelaar stelt zich tussen de partijen. Mozes en de hogepriester hoorden zelf bij het volk waarvoor zij bemiddelden. Zo is Jezus Christus als de Mensenzoon de vertegenwoordiger van het hele menselijke geslacht, waar Hij zelf bij hoort. Daarom wordt Hij ook de tweede of laatste Adam genoemd. In dit verband wordt de vraag:
- ‘Of is God alleen de God van de Joden? Niet ook van de heidenen?’ beantwoord met: ‘Zeker ook van de heidenen’ (Rom.3:29).
Mozes was bemiddelaar tussen God en Israël vanwege de overtredingen van het volk. Hij zei: ‘Maar nu, vergeef toch hun zonde – en zo niet, delg mij dan uit het boek dat u geschreven hebt’ (Ex.32:32). De hogepriester was bemiddelaar, wanneer hij op de grote verzoendag eenmaal per jaar het heilige van de heiligen binnentrad met ‘het bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonde door het volk in onwetendheid gedaan’ (Hebr.9:7). Een bemiddelaar is iemand die meningsverschillen bijlegt en een verzoening bewerkt tussen twee partijen, die in onvrede met elkaar leven. In Galaten 3:20 staat: ‘Een bemiddelaar is niet de vertegenwoordiger van één; God echter is één’.
De mens moet tot God worden gebracht. God verandert daarbij niet, maar de mens moet veranderen en ook één worden, net als God. Jezus bad: ‘Zodat zij één zijn, zoals Wij één zijn’ (Joh.17:22). Daarom kan ook gezegd worden: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’ (1 Petr.1:16). Wanneer we alleen heilig zijn, zijn we één en niet meer innerlijk verdeeld. Door het Bemiddelaarschap van Christus wordt de mens teruggebracht tot God die één is en hieruit ontstaat de ene hoop, het ene geloof, de ene doop en ook het ene lichaam, de gemeente.
‘Hij heeft Zich gegeven als een losprijs voor allen. Dit is het getuigenis op de door God bestemde tijd’ 6.
Hoe heeft Jezus deze verzoening gerealiseerd? Door zijn leven te geven tot een losprijs voor allen of liever ten bate van allen. Daarmee heeft Hij namelijk de schuld van de hele mensheid betaald, dus voor alle mensen van alle plaatsen en van alle tijden. ‘Zo luidt het getuigenis voor onze tijd’ zegt de Canisiusvertaling, dus dit betreft het evangelie van het nieuwe verbond. Christus gaf Zich als losprijs voor allen. Deze tekst loopt parallel met Marcus 10:45 waar staat:
- ‘Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’.
De kostbare parel als beeld van de losprijs aan satan
De verlossing van de mensheid wordt hier uitgebeeld door het betalen van een losprijs aan hem die de mensen gevangen hield (verg. de kostbare parel). De losprijs zelf bestond uit het volmaakte leven van Jezus Christus. De bedoeling van God was daarmee dat niet maar één Mensenzoon het doel zou bereiken, maar dat veel zonen tot heerlijkheid zouden worden gebracht en velen op de troon van God zouden zitten. Maar al deze mensen waren als slaven onder de claim van de satan, zowel degenen die hij in het dodenrijk gevangen hield, als zij die op aarde onder de bezetting van de machten van de duisternis leefden. De verwachting van de duivel was dat hij allen die nog geboren zouden worden, ook onder zijn heerschappij zou weten te krijgen en hen dus ook nutteloos zou maken. Wilde de Vader met de mensheid ook verder zijn doel bereiken, dan zou Hij deze, met schuld beladen, beschadigde en onderdrukte schepsels onder het slavenjuk vandaan moeten halen. Kon God dit dan niet met geweld? Het antwoord is dat Hij rechtvaardig is en nooit geweld gebruikt om zijn doel te bereiken. God is geen rover of dief, maar is rechtvaardig en daarom kocht Hij de mens vrij door Jezus Christus, die vrijwillig(!) zijn leven hiervoor gaf.
Er is sprake van een losprijs en van vrijkopen (1 Petr.1:18). Een losprijs is het geld dat voor een krijgsgevangene of voor een slaaf wordt betaald. Daarnaast kan dit woord ook ‘verzoeningsgeld’ betekenen. Degene die losgeld betaalt, geeft de slaaf of de gevangene gelegenheid om een nieuw leven te beginnen. Alle mensen waren gevangenen van de dood, want deze is tot alle mensen doorgegaan. Jezus kwam om aan gevangenen vrij te laten. Dr. J.F. Nielsen schrijft in zijn commentaar op Mattheüs 20:28:
- ‘Naar onze mening is het niet juist te stellen dat Jezus zijn leven als ‘losgeld voor velen’ aan God zou hebben betaald…’ (De boodschap van het Nieuwe Testament).
God voorzag als offeraar Zichzelf van een lam als ‘brandoffer’ (Gen.22:8). Het zou dwaas zijn te veronderstellen dat een offeraar aan zichzelf offert. Jezus gaf zijn leven wel over aan God, maar om dit door de Vader te laten gebruiken als losgeld voor alle mensen van goede wil.
Dat de duivel onrechtvaardig en wetteloos is, weet bijna iedereen. Hij houdt zich niet aan deze transactie, maar God wel. Een slavenhouder kan wreed en gemeen zijn, maar toch kan iemand voor een hoge prijs een slaaf bij hem kopen. Wanneer dan de slaaf zijn vrijheid krijgt, is het belangrijk voor hem om niet te dicht in de buurt van zijn vorige eigenaar te komen, want deze is niet te vertrouwen. Het aanbod van een losprijs ging van de Vader uit. Hij was het die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende. Een gaaf en volmaakt geestelijk mens aan wie de Vader ‘alles overgegeven had’, werd gesteld tegenover vele geschonden en beschadigde zondeslaven die onder de claim van de satan leefden. Wanneer gezegd wordt: ‘De mens Christus Jezus, die Zich heeft gegeven tot een losprijs voor allen’, betekent dit dat Hij Zich gegeven heeft aan de Vader om door deze als losprijs te worden gebruikt.
In Romeinen 8:32 staat, dat God zijn Zoon niet heeft gespaard, maar voor ons allen heeft overgegeven. De Vader gaf dus zijn Zoon, die zich vrijwillig aanbood, prijs aan de satan, zoals iemand die een offer prijsgeeft aan het vuur. Hierdoor verloor de duivel zijn claim op de mensheid. Jezus heeft ons voor God gekocht met zijn bloed (Openb.5:9). In de natuurlijke wereld werd Jezus aan het einde van zijn leven op aarde overgeleverd in de ‘handen van wetteloze mensen’, die dus in verbinding stonden met de duivel (Hand.2:23). In de onzienlijke wereld werd Jezus een vervloekte, want er staat:
- ‘Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is ieder, die aan het hout hangt’ (Gal.3:13).
Jezus was dus door de Vader overgegeven aan de machten van de duisternis, want Hij was een vervloekte. Hij was omringd door ‘stieren’ en omsingeld door ‘buffels’ van Basan. Een verscheurende ‘leeuw’ sperde zijn muil tegen Hem open en ‘honden’ hadden Hem omringd (Ps.22:13-17). Zo kocht Jezus de mens vrij uit de macht van de satan en bracht hem tot God, zodat hij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zou ontvangen (Hand.26:18). In de natuurlijke wereld zei de Heer tot zijn belagers: ‘als u dan Mij zoekt, laat deze heengaan’ (Joh.18:8). Hij drukte hiermee uit dat Hij deel had aan een transactie, waarvoor gold: één voor allen. Deze parel van grote waarde werd als losprijs voor de wereld aangeboden. Dat hier staat dat onze Heer Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen en niet voor vélen, zoals in Marcus 10:45 te lezen is, houdt verband met de wil van God, die zich richt op het behoud van alle mensen.
‘Voor velen’ zegt niet dat Jezus niet voor allen is gestorven. Het betekent ook niet dat niet allen daardoor aan de redding deel zullen hebben, maar het is een aansluiting op Jesaja 53:12 waar staat, dat Hij de zonden van velen gedragen heeft. Het gaat dan over de tegenstelling tussen de ‘ene’ Jezus en het groot aantal van de anderen, dus in feite een aanduiding van allen gezamenlijk. Paulus schreef: ‘Omdat wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor állen gestorven is’ (2 Cor.5:15). Daarom gaan alleen mensen vanwege hun eigen gezindheid verloren, want ze hebben dan de duisternis liever gehad dan het licht en hebben vrijwillige banden met de demonen aangeknoopt. Jezus stierf om een algemeen behoud te garanderen. Het getuigenis van dit reddingsfeit is in de tijd van het welbehagen van de Heer over de aarde uitgegaan en ook wij hebben de opdracht deze boodschap, wereldwijd bekend te maken (Matth:28:19,20).
‘Daarvoor ben ik aangesteld als boodschapper en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), als een leraar van de heidenen in geloof en waarheid’ 7.
De vertaling Brouwer legt verband tussen het slot van vers 6 en het begin van vers 7. Zij luidt: ‘Het getuigenis dat thans te rechter tijd gebracht wordt en waarvan ik tot prediker en apostel ben aangesteld’. Natuurlijk hoort dit getuigenis bij het verlossingsplan van God, waarbij zijn Zoon zich als een vrijwillige losprijs overgaf, tot vrijkoping van alle mensen, dus ook van de heidenen of de volken. Paulus moest dit herstelplan van God bekend maken. Hij moest de volken tot het geloof brengen, zodat zij deze redding ook voor eigen leven zouden aanvaarden. Zo moest hij de volken oproepen tot gehoorzaamheid van het geloof in de waarheid (vergelijk Rom.16:26). Jezus Zelf had gezegd dat hij tot de heidenen zou worden gezonden:
- ‘Om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, zodat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij (Hand.26:18).
- Zo gehoorzaamde Paulus aan de grote opdracht: ‘Ga heen in de hele wereld, verspreid het evangelie aan de hele schepping’ (Marc.16:15).
Een nieuwe afscheidingsmuur, gebouwd door Joden aanbiddende dwalingen en leugens
Het is duidelijk dat bij zo’n geweldige taak er geen verschil mag en kan gemaakt worden tussen Joden en heidenen. De volken of ‘alle mensen’ staan centraal, want de middelmuur van de afscheiding was op Golgotha afgebroken.
De rampen van de tijdperkenknippers – Slechts 2 eeuwen oud
De apostel kende echter het altijd durende verzet van de Judaïsten in zijn tijd. Zo ook vandaag. Dit verzet loopt parallel met de oppositie tegen het verlossingsplan van de gehele mensheid: de aardse Israëlleer van onze tijd. Deze weigert immers een evangelie te aanvaarden dat alle mensen betreft en waarin geen onderscheid gemaakt wordt tussen Jood en heiden. Vandaar de uitroep van Paulus: ‘Ik spreek waarheid en geen leugen’ en ‘ik ben de trouwe (gelovige) en oprechte leraar’. Zijn lezers en luisteraars konden zich rustig aan hem toevertrouwen. Zij noch wij zullen met zijn evangelie beschaamd worden of aan de verkeerde kant van de scheidslijn terecht komen.
Paulus weet zich hier de heraut, de apostel en de leraar van de volken in het brengen van een algeheel herstelplan voor de hele schepping. Noch Johannes noch Petrus hebben zichzelf ooit als leraar opgeworpen of aangeduid. Deze functie was naast zijn roeping als apostel speciaal aan Paulus toevertrouwd. Wij komen het woordje ‘leraar’ daarom praktisch alleen tegen in de brieven van Paulus, die gericht zijn aan de heiden christenen. Paulus gaf aan het christendom een nieuwe koers en hij maakte het los uit de Joodse traditie en leringen, die de leraars onder de wet onderwezen. Hij transponeerde de woorden en beloften van God uit het oude verbond naar de hemelse gewesten. Hij leerde het volk van God in het nieuwe verbond de betekenis van het ‘vergeestelijken’.




