22. De plichten van de rijken – Zegenwens

<<<<<

1 Timotheüs 6:17-21

Beveel de rijken van vandaag dat zij niet arrogant zijn en hun hoop niet vestigen op de onzekerheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen royaal geeft om ervan te genieten; ook om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig te zijn en bereid om samen te delen. Zo verzamelen zij voor zichzelf een schat: een goed fundament voor de toekomst, zodat zij het eeuwige leven ontvangen’ 17-19.

Paulus spreekt hen die rijk zijn opnieuw aan (vers 9). Wanneer de rijken alleen rijk in de zichtbare wereld zijn, komen ze hierdoor gemakkelijk op de brede weg. Ze laten zich dan gelden door hun bezit en zien trots neer op anderen die minder bedeeld zijn met aardse goederen, kennis, eer en aanzien, waarvan het laatste het gevaarlijkst is. De apostel vermaant hen om hun hoop en vertrouwen niet te stellen op wisselvallige rijkdom, want dat is een onzeker bezit, een pijl die de hand doorboort.

Het grote gevaar is dat de rijke aan zijn bezit gebonden wordt en zijn leven hierop concentreert. Het beheren en bewaren van de aardse rijkdom vragen veel tijd en aandacht, want de Heer zegt dat mot en roest ze ontoonbaar kunnen maken en de inbrekers ze kunnen stelen (Matth.6:19,20). De bezitter komt daarmee niet toe aan de zekerheid van het geloof in de geestelijke wereld. Het gaat dus om een hoop die men put uit de onzekere rijkdom óf een hoop op God die eeuwige geborgenheid geeft. In Spreuken 2:3-5 staat dat de rijkdom zich vleugels maakt om als een arend die naar de hemel stijgt, weg te vliegen. Jezus waarschuwde: ‘Kijk uit en wees op uw hoede voor de hebzucht. Immers, al heeft iemand overvloed, zijn leven hoort niet bij zijn bezit’ (Luc.12:15,21). Jezus is de vaste rots waarop men zijn levenshuis bouwt en die onvergankelijke rijkdommen schenkt.

Wat zijn aardse goederen betreft, mag de ware christen daarvan overvloedig gebruik maken als een goede rentmeester en ervan ‘genieten’ zoals de Statenvertaling nogal uitbundig luidt. Hij moet er echter goed mee doen en anderen er mee helpen. Een christen die de nood van anderen niet opmerkt, ook niet van die van de gemeente, is misschien rijk aan goederen, maar naakt aan goede werken die zijn statuur moeten vormen voor de eeuwigheid. Paulus roept hier de christenen op om liefde te tonen in woord en daad. Op deze manier verzamelen zij schatten in de hemel die vast zijn. Jezus zei: ‘Maar als u een liefdegave geeft, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet, zodat uw liefdegave in het verborgene zal zijn; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden’ (Matth.6:3,4).

Christenen moeten vrienden maken door middel van de onrechtvaardige mammon, dus hun geld besteden om anderen te helpen en te winnen voor de Heer. Vrijgevigheid en goederen delen zijn de Bijbelse manier om rijk te worden, een veiligheid voor een zekere toekomst. Er is een tegenstelling tussen rijkdom, en godsdienst die overbrugd wordt door het geven van hulp aan ieder die erom vraagt zonder dat men iets terugverwacht. De goede werken zijn een wissel op de eeuwigheid en de aardse rijkdom biedt ook een gelegenheid ze te doen. Het is opmerkelijk dat de apostel Timotheüs adviseert om de rijken te bevélen, ook al hebben zij invloed en financiële inbreng. Ook zij moeten leven als niets hebbend en toch alles bezittend (2 Cor.6:10).

Zegenwens

O Timotheüs, bewaar wat u is toevertrouwd. Keer u af van onheilige, inhoudsloze praat en tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde ‘kennis’. Sommigen, die deze ‘kennis’ brengen, zijn van het geloof afgeweken. De genade is voor u allen. Amen’ 20,21.

Timotheüs moet dit evangelie vasthouden en zich niet bezighouden met allerlei praatjes, die geen redding brengen en die de mens niet voeren op de hoge weg. De oude vertaling luidt: ‘Bewaar het pand u toevertrouwd’, waarvoor men ook lezen kan ‘bewaar of liever bewaak het deposito’. Timotheüs moet dit bewaken zoals de soldaat de apostel bewaakte ‘in diens eigen gehuurde woning te Rome’ (Hand.28:16). Het deposito ziet op zijn roeping, op zijn geestelijke gaven en op zijn toerusting.

De dienstknechten van God hebben vaak een bijzonder charisma. Ook Timotheüs had een genadegave ontvangen d.m.v. een profetenwoord onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten. Zo was Paulus aangesteld tot apostel en leraar om het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen door te geven. Hij wist dat God hem de macht had gegeven om zijn ‘deposito’ te ‘bewaken’ en ook aan Timotheüs ‘door Gods Geest die in ons woont’ (2 Tim.1:11-14). Paulus wist wat voor invloed de dwaalleraars hadden, die een bedreiging vormden voor het zuivere evangelie. Tegen deze beïnvloeding moest Timotheüs de hem toevertrouwde opdracht zorgzaam bewaken en zich niet laten intimideren door de schijn vroomheid en eigenwijsheid van hen, die geen inzicht hadden in het geheimenis van Christus, dat vroeger niet bekend was geworden aan de kinderen van de mensen, zoals het toen werd geopenbaard aan de heiligen, de apostelen en de profeten (Ef.3:5).

Wie de boodschap van Jezus Christus en zijn apostelen niet wil aannemen maar vast blijft houden aan de blinde voorvaders, vervalt in een aards evangelie wat niet verder reikt dan de bekering en vergeving van zonden, maar die zich vér houdt van alles wat de geestelijke wereld betreft. Het ‘deposito’ of ‘onderpand’ staat dus ook in verband met de leer of met de waarheid waarvan de gemeente pijler en fundament is. Het is de ‘goede’ leer of de ‘gezond makende’ leer. Het is de leer die Jezus zelf bracht, ‘de leer van God, onze Redder’ (Titus 2:10). De énige boodschap die de apostelen op betrouwbare wijze hadden doorgegeven.

Om bovenstaande reden vermaant de apostel Timotheüs nogmaals zich ver te houden van het zinloos gezwets van de zogenaamde gnosis of kennis. Deze van huis uit heidense religie was al snel in het christendom geslopen. Denk bijvoorbeeld aan een figuur als Simon de tovenaar in Samaria, die zich de grote kracht van God noemde, die tot geloof kwam, zich liet dopen en zich uitstrekte naar de doop met Gods Geest (Hand.8:9-24). Hij had part noch deel aan de redding.

Het gnosticisme maakt onderscheid tussen de God van de schepping die slechts regeert vanuit een blinde noodlotsgedachte en de Vader van Jezus Christus, de God van het evangelie, die enkel liefde is en die de mensheid en de schepping met grote wijsheid naar een zeker en gelukzalig doel voert. Het kent twee goden en was dus dualistisch. Het christendom werd door het gnosticisme vermengd met de astrologie en het occultisme van het oosten en met de diepzinnige formules en fijne onderscheidingen van de filosofie van de Grieken.

De waarschuwing van de apostel: ‘Laat niemand van u de prijs missen door gewilde nederigheid en engelenverering, als ingewijden om wat hij heeft gezien’, wijst op deze strijd met het gnosticisme of ‘kennis’ (Col.2:18). Timotheüs mag zich daarmee niet bezighouden, want anders zou hij van het goede pad afraken. Velen zijn ook later door de zogenaamde ‘geheime wetenschappen’ in een leegte terecht gekomen waar de duivel tenslotte door middel van het occultisme zijn slag slaat. Tot aan vandaag.

Hoewel deze brief aan Timotheüs gericht was, schijnt zij toch door meerderen te zijn gelezen. Vandaar in het slot, dat de genade met ‘u allen’ zal zijn. Het verlangen van de apostel is, dat allen met wie Timotheüs samenwerkt, deelgenoten mogen zijn van de rijkdom en Gods genade, om zo door het geloof deel te mogen hebben aan het waarachtige leven.

>>>>>