20. Vasthouden aan de Schriften en aan de gezonde leer

2 Timotheüs 3:10-17

Maar ú hebt mij nagevolgd in mijn onderwijs, levenswandel, levensopvatting, geloof, geduld, liefde, volharding in mijn vervolgingen en lijden zoals die mij overkomen zijn in Antiochië, in Iconium en in Lystra. Wat heb ik al niet aan vervolgingen doorstaan en uit die alle heeft de Heer mij verlost 10,11.

Paulus gaf aan Timotheüs een vlijmscherpe tekening van een schijnchristendom, maar hij deed het op zo’n manier dat de evangelist tegelijkertijd de zwakheid en het dwaze van de dwaalleraars zag. Nu wendt de apostel zich opnieuw tot Timotheüs om deze jongeman op te beuren en te bemoedigen. Paulus had hem de volle waarheid verkondigd en Timotheüs had met volle aandacht geluisterd en de woorden van zijn leermeester over de hoge weg van God in zich opgenomen. Ook had hij gezien hoe Paulus ernaar leefde, hoe zijn manier van doen was en welke doelstellingen hij najaagde als hij mensen tot de Heer bracht. Hij had opgemerkt dat Paulus een geloofsheld was en hoe deze in moeilijke omstandigheden de toezeggingen en beloften van zijn Heer niet losliet. De oude apostel bleef altijd geduldig en verdraagzaam t.o.v. de leden van de gemeenten die hij gesticht had. Ook was hij altijd vol liefde t.o.v. alle mensen, hij had altijd een positieve instelling tegenover God en mensen.

Ook bleef Paulus volharden wanneer alles tegenliep en vervolgingen en strijd zijn deel waren. Wanneer de apostel lijden moest om Christus’ wil en in zijn vlees aanvulde wat aan de verdrukkingen van Christus t.b.v. zijn lichaam, de gemeente, ontbrak, bleef hij standvastig en trouw (Col.1:24). Paulus prijst zijn jonge vriend, omdat deze zoveel vertrouwen in hem had gesteld en hem tot norm had genomen in leer en levenswandel: ‘U bent een navolger geworden van mijn onderwijs, van mijn levenswandel en levensopvattingen.’ En ook aan ons schrijft deze historische fundamentlegger: ‘Wordt mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg’ (1 Cor.11:1).

Antiochië, Iconium en Lystra

Als illustratie noemt Paulus nu enkele voorbeelden van vervolgingen tijdens zijn eerste zendingsreis, toen Timotheüs hem nog niet zo goed kende. In Antiochië werd hij de stad uitgedreven. In Iconium moest hij vluchten en in Lystra, waar Timotheüs gewoond had, werd hij gestenigd en meende men dat hij dood was (Hand.13:50-14:20). Natuurlijk had Timotheüs al deze verhalen uit de eerste hand gehoord. Zij hadden hem waarschijnlijk aangespoord zich bij Paulus aan te sluiten en hem te volgen ‘waarheen hij ook ging’. De zwakke en vaak nog instabiele jongeman begon daar Paulus te bewonderen en diens evangelie werd toen ook zijn evangelie. Altijd waren het de verstarde, ‘wetsgetrouwe’ Joden, die zo negatief op de boodschap van het Koninkrijk der hemelen reageerden, want in al de genoemde vervolgingen hadden zij de hand gehad. Waar dit evangelie van Jezus Christus ook in onze tijd gepredikt wordt, zullen de verkondigers ervan opnieuw merken dat de zogenaamde fundamentalisten en ‘Bijbelgetrouwe’ christenen dezelfde afkeer van het Israël van God tonen.

Dat Paulus werkelijk een gezant van Christus was en de waarheid van God verkondigde, bleek ook wel uit zijn optimistische kijk op het lijden, want de Heer had hem in al deze verdrukkingen bewaard en gered, zoals Hijzelf ook beschermd was gebleven, zolang zijn uur nog niet was gekomen’. Wat in het wapen van de provincie Zeeland staat, gold ook voor Paulus: ‘Luctor et emergo’, ik worstel en kom boven. Dit ondervonden ook de vrienden van Daniël in de brandende oven, Daniël in de leeuwenkuil, David tijdens zijn vluchten voor Saul (1 Kon.1:29) en Elia in de dagen van Achab.

En ook allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden 12.

Het gaat hier over christenen die de gezonde leer vasthouden en daarnaar ook willen leven. De apostel gebruikt hier de bekende uitdrukking ‘in Christus Jezus’ leven, dat is die voortdurend in zijn woorden blijven en deze voor ogen houden. Zo sprak de Heer: ‘Als u in Mij blijft en mijn woorden in u blijven’ (Joh.15:7). Zo werden in de begintijd niet de Judaïserende broeders vervolgd, want zij leefden gedeeltelijk vanuit het compromis met de tempel (Hand.21:20). Stefanus was echter anders, hij verkondigde de leer van het Koninkrijk der hemelen zoals Jezus deze had verkondigd. Hij bleef alleen in de woorden van Jezus. Hij werd vervolgd en gedood, maar zijn gedrag werd een voorbeeld voor Paulus (Hand.7:54-60). Zo werden diens standvastigheid en geloof weer tot voorbeeld voor Timotheüs.

De steniging van Stefanus maakte diepe indruk op Saulus van Tarsen, zo ook de steniging van Paulus te Lystra op Timotheüs. Is niet het bloed van de martelaren het zaad van de kerk? Wanneer de apostel spreekt over de vervolgingen en het lijden, zoals hij deze moest doorstaan, wijst het voegwoord ‘zoals’ (vers 11) niet alleen op overeenkomstige gevallen zoals vermeld in 2 Corinthiërs 11:23-28, maar ook op de zwaarte van het lijden. De apostel voegt hier nu aan toe, dat deze verdrukkingen zich beslist niet beperken tot enkele vooraanstaande leiders. Allen die zich vasthouden aan het eeuwig evangelie, zullen vervolgingen ondergaan. Dit geldt dan niet voor de passieve en gemakzuchtige kerkgangers, maar voor hen die zich actief bezighouden met de strijd in de hemelse gewesten, want dan komt er immers oorlog in de hemel. In alle tijden zullen de opnieuw geboren en Geestvervulde christenen vervolgd, gesmaad, achteruit gezet, geboycot en uitgestoten worden door hen, die een schijn van godsvrucht bezitten, maar de kracht van het eeuwig evangelie loochenen (vers 5). Wanneer zo’n discriminatie uitblijft, is er met de christen iets niet in orde. Zo probeerden zij, die in de dagen van Paulus de Joodse en de christelijke leer samen wilden voegen, aan de vervolging te ontkomen (Hand.15:1-21; Gal.6:12).

Maar slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger gaan: zij misleiden en worden misleid 13.

Slechte mensen zijn zij die de zonde vasthouden en bedriegers zijn zij die leugens en dwalingen brengen. Zij zullen de redding en het behoud niet ontvangen, maar het zal hoe langer hoe erger met hen worden: wie vuil is, wordt nog vuiler en wie onheilig is, wordt nog onheiliger (Openb.22:11). Dit geldt dan in het bijzonder voor ‘de laatste dagen’, wanneer ‘zware tijden zullen komen’. De afvallige christenen zullen dan in snel tempo van kwaad tot erger gaan, want het pad van de zonde is een hellend vlak. Slechte mensen en misleiders proberen de mensen op de verkeerde weg te brengen, maar de bedriegers worden altijd zelf bedrogen. Zij komen bedrogen uit! Steeds sterkere, verleidende geesten overweldigen hen en zij worden steeds verder naar het verderf gevoerd. De regel is dat zij, die onder Gods volk hun slachtoffers maken, zelf slachtoffer worden van de demonen. Het Griekse woord voor ‘bedrieger’ kan ook vertaald worden door ‘tovenaar’ en daarmee herinnert de apostel zijn kind Timotheüs aan de figuren van Jannes en Jambres, die in rechtstreekse verbinding stonden met het rijk van de duisternis (vers 8). De uitdrukking ‘verleide verleiders’ was toenmaals een gevleugeld woord. Zij die echter om Christus’ wil vervolgd worden en die de goede strijd gestreden hebben, wacht de krans van de rechtvaardigheid (4:8). ‘Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort’, zodat de mens van God in hen wordt geopenbaard (vers 17).

Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent, omdat u weet van wie u het geleerd hebt, 14.

In tegenstelling met hen die verleid werden, vermaant de apostel Timotheüs om vast te houden wat hij had geleerd en dit ook door te geven. Het zuivere evangelie was hem toevertrouwd zoals aan een rijke zijn kapitaal of de goederen aan een rentmeester toevertrouwt. Dezen moeten alles goed beheren, zodat het hun toevertrouwde goed, rente en vrucht zou opleveren. Paulus voegt er nog bij dat Timotheüs zich bewust moet zijn aan wie hij dit geestelijk bezit te danken had. Het voornaamwoord ‘wie’ is in het Grieks een meervoudsvorm. Verscheidene personen hadden hem dus onderwezen. Dat waren in de eerste plaats zijn grootmoeder Loïs en zijn moeder Eunice, die hem in de kennis van het Oude Testament hadden opgevoed, terwijl Paulus hem later voortgezet onderwijs gaf in het eeuwig evangelie, waarbij hij een dankbaar gebruik maakte van de kennis die Timotheüs al bezat. Voor ons is dit een aanwijzing hoe belangrijk het is om van jongs af aan met de enige waarheid vertrouwd te worden en ook een goede kennis van de Bijbel te hebben. Het voordeel van een opvoeding in een christelijk gezin, op een christelijke school, een kinder- of een jeugdclub is voor het hele verdere leven kenmerkend voor veel christenen.

Het enige Bijbels Fundament

Wij voeden onze kleinen op als natuurlijke kinderen, maar brengen hun wel kennis bij van het Koninkrijk der hemelen en van de verlossingsgeschiedenis. Wanneer ze dan later hun keus maken, weten ze ook waarvoor ze kiezen. Wij dwingen hen niet voortijdig tot een keuze, maar leven hun de waarheid en de werkelijkheid van het evangelie voor. Wij brengen hen ook niet voortijdig tot de doop in water of tot die in Heilige Geest, maar wachten daarmee totdat ze zelf een beslissing hebben genomen om voor de Heer te leven. Hen wordt dan geen kerklidmaatschapformulier of een verzonnen ‘verbond met Abraham’ opgedrongen, maar zij leggen dan zelf het enige Bijbelse fundament in hun leven. Timotheüs moest volharden in wat hij geleerd en gelovig aanvaard had, omdat degenen die hem hadden onderwezen zeer betrouwbare mensen waren. Zijn grootmoeder Loïs en zijn moeder Eunice hadden immers ‘een ongeveinsd geloof’ net als later de apostel Paulus. Zij waren als leesbare ‘brieven van Christus’ voor hem geweest, ‘niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God’ (2 Cor.3:3).

en u van jongs af de heilige Schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof dat in Christus Jezus is 15.

Ook de kennis van het Oude Testament was voor Timotheüs en is voor ieder christen van groot belang, omdat men daar veel wijsheid uit kan putten en die dient tot behoud van de mens. Van de vaders in Christus zegt de apostel Johannes: ‘U kent Hem, die vanaf het begin is’ (1 Joh.2:13). Om deze kennis te krijgen moet men met Genesis beginnen, dus met de Schepper van hemel en aarde. Deze kennis van het Oude Testament moet wel gepaard gaan met geloof in Christus Jezus. Men mag het Oude Testament niet op zichzelf lezen en onderzoeken, maar in het licht van het Nieuwe, want anders ontgaat iemand de bedoeling van het geschrevene. Men heeft immers niets aan de schaduw van een persoon, want die komt een dimensie te kort. Petrus schreef: ‘Naar deze zaligheid hebben de profeten, die geprofeteerd hebben over de genade die aan u bewezen is, gezocht en gespeurd. Zij onderzochten op welke en wat voor tijd de Geest van Christus, Die in hen was, doelde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat op Christus komen zou, en ook van de heerlijkheid daarna. Aan hen werd geopenbaard dat zij niet zichzelf, maar ons dienden in de dingen die u nu verkondigd zijn door hen die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die vanuit de hemel gezonden is; dingen, waarin de engelen begerig zijn zich te verdiepen’ (1 Petrus 1:10-12).

Schaduw en werkelijkheid horen bij elkaar en ‘de werkelijkheid is van Christus’ en is voor allen die in Hem zijn en Hem toebehoren (Col.2:17). Het Oude Testament alleen kan geen redding schenken. Het kon alleen de gestorven rechtvaardigen in de schoot van Abraham voeren. Door Christus werd echter ook voor de oudtestamentische heiligen de weg naar het paradijs van God geopend, want daartoe werd ook aan deze doden het evangelie verkondigd (vergelijk 1 Petr.4:6). Ook kunnen deze gestorvenen niet zonder ons, die de volle waarheid bezitten tot de volkomenheid komen (Hebr.11:40).

De uitdrukking ‘heilige schriften’ had te maken met de eredienst in het oude verbond. Zij was onder de Joden gebruikelijk, zoals dit blijkt uit de werken van Flavius Josephus. De aanduiding ‘heilige’ wijst erop, dat ze net als de tempeluitrusting afgezonderd waren van de profane boeken die met menselijke wijsheid werden geschreven. Zo is de profetie van het Oude Testament niet voortgekomen uit de wil van een mens, maar – door de Heilige Geest gedreven of geïnspireerd – hebben mensen van Godswege gesproken. Van deze heilige schriften zei onze Heer: ‘Zij zijn het, die van Mij getuigen’ (Joh.5:39). De prediking van Jezus en van de apostelen gaf deze boeken een nieuwe en hogere waarde. De leiders van de Joden hadden deze schriften gedevalueerd tot een aantal voorschriften en wetten en tot een zuiver historische kennis, maar de Heer en zijn apostelen revalueerden ze, zodat ze een hemelse dimensie ontvingen. Toen bleek het dat ze deel uitmaakten van ‘het eeuwig evangelie’ (Op.14:6). Zo is ook het oude verbond niet los te maken van het nieuwe, maar samen vormen zij het ‘eeuwig verbond’, dat door God met de mens werd gesloten vanaf de grondlegging van de wereld. Ook Paulus kwam uit een geslacht van mensen dat God met een rein geweten diende. Hij werd ook bij de kennis van de heilige schriften opgevoed, dus bij het traditioneel vastgelegde woord van God. Hij leefde als kind ver van Jeruzalem en kon getuigen, dat hij vroeger zonder wet leefde, dus in een vrije en ontspannen sfeer van een goed gezin, waar Gods geboden in hart en verstand waren geschreven, want er was sprake van een rein ‘geweten’.

Toen Paulus echter de theologische school te Jeruzalem ging bezoeken en daar door de rabbijnen onderwezen werd, ging het mis. Toen kwamen er theologische speculaties die zijn eenvoudige opvoeding teniet deden. De geboden en menselijke inzettingen kwamen als een zware last op hem te liggen. Hij kon ze niet dragen, zag het niet meer zitten en begon ‘te sterven’. Het gebod dat door God ten leven bedoeld was, bleek daar voor hem ten dode te zijn. Hij was in handen gevallen van mensen, die hem verleidden en zelf verleid werden. Hij werd een fanatieke vrome ‘ijveraar en ‘een godslasteraar en een vervolger en een geweldenaar’ (1 Tim.1:13 en Rom.7:8-12). Dit duurde zo lang, totdat de Heer hem van die school afhaalde, want hij werd ‘van de schoot van zijn moeder – van de leerstoel van de rabbijnen – afgezonderd’ of gesepareerd (Gal.1:15). Toen kreeg hij een andere moeder, namelijk het hemelse Jeruzalem en zij schonk hem de ware vrijheid en de zaligheid (Gal.4:26).

Elk van God (geïnspireerd!) Schriftwoord is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid 16.

Nu volgt de beroemde tekst voor de inspiratie-theorie, waarvan de uitleg grote voorzichtigheid naar links en naar rechts vereist. Wij aanvaarden dat de Bijbel onder leiding van Zijn Heilige Geest is ontstaan. Mensen hebben, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege geschreven (2 Petr.1:21). Ieder Schriftwoord is belangrijk om de gedachten van God te leren begrijpen. Het Oude Testament waarover in verband met het vorige vers gesproken wordt, is dus nuttig om de dingen van de geestelijke wereld te leren verstaan. Vandaar de vraag van de evangelist Filippus aan de eunuch: ‘Verstaat u ook wat u leest?’ Hieruit blijkt wel dat de woorden en zinnen in het Oude Testament niet vanzelfsprekend letterlijk in de natuurlijke wereld moeten worden genomen. Ook het Oude Testament heeft een geestelijke betekenis. Men zegt wel eens: wat de duivel of een goddeloze koning hebben gesproken, of ook een natuurlijk mens ‘onder de zon’, is toch niet door God geïnspireerd? Dit is zeker waar, maar God heeft alles laten optekenen, zodat wij ervan zouden leren en zijn gedachten, maar ook die van de vijand, ons niet onbekend zouden zijn. De Heer geeft ons ook dit Oude Testament als een wapen om de satan te weerleggen. Denk maar aan de antwoorden die Jezus aan de satan gaf bij de verzoeking in de woestijn.

God schenkt ook het Oude Testament om de mens terug te brengen van zijn dwaalweg, dus om hem te corrigeren en te verbeteren. Allereerst dienen deze geschriften om de gedachten van God, zijn reddingsplan met de mens, te leren kennen. God wil hem zodanig opvoeden, dat hij wandelt naar de geboden die in de Bijbel bekend zijn gemaakt door profeten en apostelen en in het bijzonder door de Zoon, die het Woord van God is (Gods Logos, Joh.1:1) en die daarom het ware licht op het Oude Testament wierp. Door het lezen en het overpeinzen van wat in die schriften opgetekend is, komt de mens op de enige weg van de waarheid en gerechtigheid. In verband met de opvoeding van onze kinderen zullen ook wij ze daarom de mooie geschiedenissen van het Oude Testament voorlezen en verklaren. Op een eenvoudige en illustratieve wijze brengen wij ze dan in aanraking met het leven van godsmannen die wel niet bekend waren met het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, maar die in de natuurlijke wereld, waarin ook onze kinderen leven, de juiste koers hielden.

Wij wijzen bij deze tekst ook op het verschil in overzetting tussen de Statenvertaling, de Leidse vertaling en de Canisiusvertaling enerzijds en de Lutherse vertaling, die van Brouwer en de Nieuwe Vertaling anderzijds, om bij de bekende ‘Zes Nederlandse vertalingen’ te blijven. De eerste groep heeft: ‘Al de Schrift is van God ingegeven’, terwijl het tweede drietal heeft: ‘Alle Schrift van God ingegeven’, of ‘Elk van God ingegeven Schriftplaats’. De opvatting van de eerste groep is dus, dat de hele Bijbel door God is geïnspireerd en de tweede groep laat door haar manier van vertalen de mogelijkheid open, dat er ook Schriftplaatsen zijn die niet werden geïnspireerd.

Nu is het zo dat het hulpwerkwoord ‘is’ er oorspronkelijk niet staat. We zouden letterlijk moeten lezen: ‘Elke schriftuur (door) God ingeblazen of ingeademd’, waarin de adem of Geest van God is. Hiermee wordt dan de waarde van de Schrift afhankelijk gesteld van de inspiratie in bepaalde gedeelten. Zo heeft de King Jamesversion, die gelijkluidend is met de Statenvertaling, toch het woordje ‘is’ cursief gedrukt. Wij moesten dus in het begin van onze verklaring eigenlijk al tussen twee soorten vertalingen een keus maken. Wij volgen de Statenvertaling waar staat, dat al de Schrift van God is ingegeven, omdat de bedoeling van Paulus dan beter tot haar recht komt. De apostel heeft het immers in vers 15 over de heilige schriften waarin Timotheüs was opgevoed. Hij ziet deze als bij elkaar horende en als heilig of afgezonderd van de profane literatuur. Daarom is het vanwege het verband logisch om dan ook de gezamenlijke schriften als door God geïnspireerd te beschouwen, waarbij wij het voorbehoud maken, dat ze niet woord voor woord maar als totaliteit onder de werking van Gods Geest zijn ontstaan, samengesteld en ons overgeleverd.

Zo wordt over de schrijvers ook gesproken als over heilige mannen van God, hoewel in hun leven nog onrechtmatigheden werden gevonden. Denk maar aan Mozes die de eerste vijf boeken van de Bijbel schreef en aan David, die zulke mooie psalmen dichtte. Verder maken we de restrictie dat de profetische schrijvers hun inspiraties hebben opgetekend naar de mate van hun geloof (Rom.12:7). Er werden in hen gedachten gewekt die zij weergaven overeenkomstig de denkwereld waarin ze leefden. Zo geloofden ze vaak dat alles wat uit de onzienlijke wereld kwam, van God afkomstig was, zowel het goede als het kwade. Alleen Jezus openbaarde de volle waarheid en wij mogen leven bij het licht dat Hij en zijn navolgers op de heilige schriften van het oude verbond wierpen. Ook voor de schrijvers in het Oude Testament geldt, dat ze nog door een spiegel in raadsels zagen en dat zij probeerden te weten te komen op welke wijze of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde. Ze werden ‘omwaaid’ door de goddelijke adem. De rabbijnen spraken over een aanwaaiing van God’. Vanuit de Nieuwe Vertaling lezen we dan, dat het Oude Testament ‘óók’ van profijt is voor de uitgroei en ontwikkeling van het christelijke leven, maar alleen wanneer het gepaard gaat met ‘het geloof in Christus Jezus’ (vers 15).

Het woord ‘ingegeven’ kan dus in onze tekst vervangen worden door ‘geïnspireerd’. Deze laatste term is ingeburgerd, omdat de Vulgata hier luidt: ‘Omnis Scriptura divinitus inspirata utiles est’, dat is: ‘Al de Schrift, van Godswege geïnspireerd, is nuttig’. Ook in 2 Petr.1:21 gebruikt deze Latijnse vertaling het woord ‘geïnspireerd’: ‘Door de Heilige Geest geïnspireerd hebben heilige mensen gesproken’ in plaats van ‘door de Heilige Geest gedreven’. De inspiratie gebeurde niet mechanisch, zodat de menselijke auteurs gedegradeerd werden tot stenografen van de Heilige Geest, die letterlijk neerschreven wat gedicteerd werd. De Bijbelschrijvers gebruikten echter hun gaven en talenten bewust om de gedachten van God te vertalen, want ‘de geesten van de profeten zijn aan de profeten onderworpen’ (1 Cor.14:32). Zij waren meer dan alleen kanalen waardoor het water heen stroomt. Wij spreken daarom liever van een organische inspiratie, waarbij de persoonlijkheid, de gave, het denken en doen, de ervaringen, de belevenissen, het taalvermogen, de stijl, het (oosterse) milieu, de cultuur, de beperkte woordenschat en de verworven Godskennis een belangrijke rol spelen. De godsspraken van de profeet hebben dus bepaalde kleurschakeringen of kenmerken, die nauw in verband staan met zijn ontwikkeling en persoonlijkheid. Dit zien wij ook in de profetieën die in de gemeenten worden uitgesproken. Bij het meerdere licht dat wij door het evangelie van het Koninkrijk der hemelen bezitten, mogen en moeten wij de oudtestamentische profetieën oordelen en hierdoor beter leren verstaan (vergelijk 1 Cor.14:29). In de volheid van de tijd spreekt Gods Geest meer volledig en duidelijker dan in het oude tijdperk. Gods Geest wijst ons immers in dit tijdperk de weg tot de volle waarheid (Joh.16:13).

Verder zien wij nog een selectieve inspiratie zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Johannes merkte aan het einde van zijn evangelie op, dat Jezus nog veel andere dingen gedaan en gesproken had die hij niet had opgetekend. Door Gods Heilige Geest geleid had hij dus de gebeurtenissen, maar ook de woorden van Jezus geselecteerd. Wanneer de Heilige Geest die in Jezus was ook in ons woont, is het mogelijk dat Hij ons de gedachten ingeeft die door Johannes of de evangelisten niet zijn opgetekend. De selectieve inspiratie merken wij bijvoorbeeld ook in de historische boeken, zoals die van Samuël, de Koningen en Kronieken. In een tijdsbestek van ruim vijfhonderd jaar zijn er veel gebeurtenissen geweest en is er veel gesproken. De Heilige Geest die de schrijvers van deze boeken leidde, maakte een keuze die beperkt bleef tot nog geen 200 pagina’s in onze Bijbel, waarbij nog veel doublures. Dezelfde keuze zien wij ook bij de geslachtsregisters. Van deze dingen geldt ook: ‘Als alles één voor één beschreven was, dan zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die geschreven waren, niet kunnen bevatten’ (Joh.21:25).

Ook voor de Joden waren niet alle Bijbelboeken gelijkwaardig. Als men zich de Joodse indeling van de Tenach, de aanduiding van het Oude Testament, in drie concentrische cirkels denkt, hoort de Thora, de vijf boeken van Mozes, bij de binnenste cirkel. Zij is het hart van de openbaring. In de cirkel erom heen zijn dan de profetische boeken, die de Thora actualiseren, dus de beleving in het heden tonen. De buitenste cirkel wordt gevormd door de Geschriften, waarin de reactie van de mens op de Thora en de Geschriften naar voren komt. Hierbij horen bijvoorbeeld de Psalmen, Prediker, Job, Esther.

zodat de mens van God, volmaakt zou zijn, tot alle goede werken volkomen toegerust 17.

Duidelijk wordt hier door de apostel het door God gewilde en zekere gevolg van het aanvaarden van de Schriften, meegedeeld. Met het doel aanwijzend voegwoord ‘opdat’ wijst hij erop, dat de mens van God de volmaaktheid niet alleen wil, maar ook zal bereiken. Het Woord van God gaat immers uit, overwinnende en om te overwinnen (Op.6:2), ondanks de tegenstand van legioenen hielbijters. De uitverkoren christen, die hier de mens van God genoemd wordt, is dus het eigendom van zijn Meester en hoort Hem volledig toe. Hij werd door het ‘zaad van God’, dat is het levende en blijvende woord van God (1 Petr.1:23), opnieuw geboren of vernieuwd in zijn denken. Hierdoor is hij ook geschikt gemaakt om volledig toegerust te worden om goede werken te doen. Het gaat daarbij niet om ‘enkele’ goede werken, maar om een algehele toerusting tot ‘alle’ goede werken.

De christen functioneert dan naar alle goddelijke wetten en in hém heeft God een welbehagen. Hij leeft immers als een zoon van het welbehagen zoals de Schepper dit vanaf het begin bedoelde, toen Hij tot de engelen zei: ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld en als onze gelijkenis’. Door de kracht en de gaven van de Heilige Geest rust de Heer zo’n christen toe, zodat hij goede werken kan verrichten zowel in de zichtbare als in de onzichtbare wereld. Zo’n man van God kan zeggen: ‘Ik dank God door Jezus Christus, want wat ik wil, doe ik en wat ik niet wil, doe ik niet! Ik gelukkig mens’ (Rom.7:24,25). Geen wettische voorschriften, geen overleveringen van de voorvaders, geen geforceerde emoties kunnen dit bereiken. Dit kan alleen de prediking van de gezonde leer. Op deze manier heiligt de God van de vrede ons geheel en al en geheel onze geest, onze ziel en ons lichaam zullen blijken op aarde onberispelijk bewaard te zijn bij de parousia van Jezus Christus (1 Thess.5:23).

Het aanvaarden van de mogelijkheid om de volkomenheid te bereiken heeft bij de geestelijke leiders nooit ingang gehad. Zij achten het maar een vrome wens, die dus nooit tijdens het aardse leven in vervulling gaat, zoals de Heidelbergse Catechismus het uitdrukt, ‘dat wij tot deze voorgestelde volkomenheid ná dit leven geraken’ (zondag 44)! Men verbond dus deze zaligheid met het wonderbare, ongrijpbare ‘hiernamaals’ zonder haar te koppelen aan een dergelijke wandel in de hemel tijdens het aardse leven. Paulus was echter geen extreme, ongebreidelde fantast, want de Geest had heel duidelijk in hem gesproken, dat de zonen van God naar wie de zuchtende schepping reikhalzend uitziet, hier ook zullen worden geopenbaard. Zij zullen immers de werken van herstel doen die Jezus deed en zelfs nog grotere (Joh.14:12). Daarom verlangen wij ernaar, hoe meer wij die grote dag van de Heer zien naderen, die doelstelling van het Woord van God in ons eigen leven hier en nu te bereiken.