1 Timotheüs 4:6-10
‘Als u de broers deze dingen voorhoudt, zult u een goed dienaar van Jezus Christus zijn, gevoed door de woorden van het geloof en door de goede leer, die u nagevolgd hebt. Maar verwerp de onheilige en onzinnige verzinsels en oefen uzelf in de godsvrucht’ 6,7.
Timotheüs is goed bezig als hij de dwaalleraars en de Judaïsten bestrijdt en de gemeente de zuivere wil van God voorhoudt. In eerste instantie slaat ‘deze dingen’ natuurlijk op de juiste inzichten met betrekking tot het verbod om te trouwen en op het zich ontzeggen van bepaald voedsel. Het algemene van ‘deze dingen’ blijkt echter uit vers 11, waar het een ruimere inhoud heeft. Het woord ‘broers’ past bij de opmerking van hoofdstuk 3:15, dat de gemeente een huisgezin is (vergelijk 5:1; 6:2; en 2 Tim.4:21). Uiteraard willen wij door het herstel van de positie van de vrouw hierin ook onze zusters betrekken (vergelijk 2:13-15). Het woord ‘adelphos’ betekent broer of zuster, zelfs in ruimere zin ook bloedverwant.
Het is van belang dat de voorgaande broers de gemeente op de rechte weg houden en dit kan alleen als zij zelf goede inzichten hebben. Paulus had Timotheüs opgeleid en deze kende de Schriften, de woorden van God, waaraan het geloof zich moet vastgrijpen om niet op allerlei dwaalwegen te worden gebracht. Deze boodschapper had de ‘goede leer gevolgd’, wat letterlijk betekent: van dichtbij benaderd of bestudeerd. Wie op wat voor manier ook het woord brengt, moet er een gedegen studie van maken, zodat het eigen is geworden en hij niet vervalt in zinloos gepraat, in allerlei slogans, in (evangelische) kreten, of in wat men zelf aardig en mooi vindt, maar de spreker eenzijdig gericht maken.
In onze dagen zijn er zich christelijk noemenden die zeggen dat het met de leer niet zo nauw komt: ‘niet de leer maar de Heer’, of het denigrerende gezegde: ‘leer zit onder mijn schoenen.’ Zij gaan liever op de emotionele toer om hun geestelijke onkunde te compenseren. De apostel spreekt hier echter over de ‘goede’ leer en in hoofdstuk 1:10 had hij het over de ‘gezonde’ leer. Wie de juiste leer brengt, is een goed ‘diaken’ van Christus. Dwalingen zijn juist heel gevaarlijk, want zij misleiden de mensen massaal door hun zicht te ontnemen op het doel, de volkomenheid en hen te richten op natuurlijke en zichtbare zaken.
Valse leringen van voorvaders
De grote ellende van veel gemeenten bestaat hierin, dat men boodschappers heeft, die niet zelfstandig de Bijbel onderzoeken, maar die zich houden aan de traditionele opvattingen van de voorvaders, die geen enkel perspectief geven in een antichristelijk tijdperk. Zulke mensen worden daarom gemakkelijk meegesleept door allerlei eindtijd-uitleggingen, die het zielenleven in beroering brengen. Paulus hekelt de ‘oudwijfse fabelen’ (St. Vert.) het zich bezighouden met allerlei geslachtsrekeningen, verhaaltjes, inzettingen, tradities, voorschriften van mensen, inspanningen en met onthoudingen, die geen enkele vrucht afwerpen. Het lijkt alles wel verbazend interessant, maar ze betekenen niet meer dan de ‘muthos’, de mythen of de fabels uit de heidense godenleer, die geestelijk op gelijk niveau staan met de sprookjes en spookgeschiedenissen die oude vrouwen aan hun kleinkinderen vertellen. Hierbij denken wij bijvoorbeeld aan een boek zoals ‘De planeet die aarde heette’ van Hal Lindsey.
Natuurlijk namen de heidense godsdienstleraren en de Joodse rabbijnen, Paulus uitdrukkingen heel kwalijk, net als men dit ook in onze tijd allen doet die het nuchtere en reële evangelie van het Koninkrijk van de hemelen brengen. Denk ook eens aan wat de ‘vrome geesten’ eeuwenlang met hun schijnbare diepzinnigheden hebben bereikt: zij konden hun volgelingen geen enkele zekerheid tot behoud schenken!
Timotheüs moest zich oefenen in de godsvrucht. Van dit woord ‘oefenen’ dat Paulus hier gebruikt is ons woord gymnastiek afkomstig, oorspronkelijk de sportbeoefeningen in het ‘gymnasion’, de plaats waar geworsteld en getraind werd. Bij de apostel dienen deze sporttermen als beelden om hogere en geestelijke oefeningen aan te duiden. Op deze manier zou Timotheüs dan deel krijgen aan de ontwikkeling tot zonen van God. Hij zou zich moeten inspannen om gemeenschap te hebben met God door Zijn Geest. Wie aan topsport doet, ontzegt zich veel om in goede conditie te blijven. Zo oefent zich ook de opnieuw geboren christen in de geest, want hij wil niet dat in zijn gedachteleven het goede zaad verstikt wordt.
‘Want de oefening van het lichaam is van weinig nut, maar de godsvrucht is nuttig voor alle dingen, omdat zij de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven heeft’ 8.
Paulus leefde in een tijd waarin Joodse en heidense, godsdienstige mensen door allerlei onthoudingen, kastijdingen en verstervingen van het vlees, meenden tot bevrijding van de geest te komen. Zij zochten dus een oplossing in de zichtbare wereld door allerlei oefeningen zoals wij deze nu nog vinden bij de beoefenaars van yoga en het monnikenwezen, bij de protestantse heiligingsbewegingen, die het dragen van sieraden verbieden, die vaak de mensen opwekken tot lange gebeden, vasten, stille tijd, het dragen van ouderwetse kleding en lichaamstrainingen of onthoudingen. Het is duidelijk dat de apostel dit soort oefeningen dezelfde geestelijke waarde toekent als die van de sport.
De Griekse wereld kende ook al de sportverdwazing met haar bodybuilding en aanbidding van lichamelijke kracht. Denk maar aan de Olympische spelen en de beeldhouwwerken die bewaard zijn gebleven. Natuurlijk bedoelt de apostel niet dat lichamelijke oefening en sport te veroordelen zijn. Deze zijn vaak nodig voor de gezondheid van het lichaam, vooral in een tijd waarin veel mensen een zittend leven leiden. Uiteraard had de apostel weinig behoefte aan lichamelijke training, gezien de vele lange voetreizen die hij maakte, als hij tenminste niet in de gevangenis zat. Paulus stelde de ‘vrome kastijding’ van het vlees, waarover hij ook in Colossenzen 2:23 schreef, op dezelfde lijn als de overdreven en nutteloze sportprestaties.
De gemeenschap met God is geen fysische of natuurlijke maar spirituele of geestelijke zaak. Hiervoor is een geestelijke oefening nodig. Denk bijvoorbeeld aan de oefening in het onderscheiden van goed en kwaad (Hebr.5:14). Als een verlangen of gedachte bij je opkomt, moet je deze leren onderscheiden. Paulus oefende zich erin om geen aanstoot te geven, maar om een zuiver geweten te hebben (Hand.24:16). Men moet zich ook in geduld oefenen (Jac.5:8 en Hebr.6:15). In de geestelijke strijd moet er geoefend worden voor een godvruchtig leven, het zoeken naar God, het in genade leven. Het leven naar het plan en naar de gedachten van God, heeft een belofte voor het heden en voor de toekomst.
Het woord ‘godsvrucht’ dat de Nieuwe Vertaling gebruikt, is de vrucht die God zoekt, namelijk de volkomen geestelijke mens. Deze is ook het doel dat wij zoeken en wij moeten ons oefenen om deze te openbaren en dit doel te bereiken, want wij lopen in een wedloop. Jezus zei: ‘Zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid en al het andere zal u gegeven worden’. Onze hemelse Vader weet wat wij nodig hebben voor het natuurlijke en geestelijke, voor het heden en voor de toekomst. Hij garandeert ons dat wij altijd onbezorgd zullen kunnen leven, nu en in eeuwigheid.
‘Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard. Want daarvoor spannen wij ons ook in en worden wij gesmaad, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, Die een Behouder is van alle mensen, in het bijzonder van de gelovigen’ 9,10.
Opnieuw gebruikt de apostel de bekende uitdrukking van die tijd: ‘Dit is een betrouwbaar woord’ (zie 3:1 en 2 Tim.2:11). Deze uitspraak is waard om zich er op te richten en deze in gedachten te houden. Uit vers 10 blijkt wel dat Paulus geen overtrokken geestelijk mens is. Hij spant zich met zijn helpers in voor God, maar dit is geen nutteloze oefening, het doet God plezier. Hij spant zich als een atleet in om het evangelie verder uit te dragen. Paulus weet wat God bedoelt en wat Hij heeft weggelegd voor de mens in de geestelijke wereld. Daarop heeft hij zijn hoop gevestigd voor zichzelf, maar hij kent ook zijn roeping om dit evangelie te verspreiden.
Voor zichzelf hoopt hij op de redding en op de heerlijkheid, op de overwinning op de boze geesten en het uitgroeien tot een man van God in Christus. Hij weet dat God niet alleen voor hem, maar voor alle mensen deze mogelijkheid heeft geschapen. Zijn hoop heeft hij daarbij op een ‘levende’ en geen dode God, zoals de dwaalleraars die hadden met hun vormendienst. Ieder mens die wil, kan de redding en verlossing ontvangen zonder natuurlijke inspanningen. Hij kan zelfs deel krijgen aan de goddelijke natuur.
God heeft een bijzondere taak voor de gelovigen, want zij kennen Hem als hun Verlosser. Roept Hij in de eerste plaats de mensen in de wereld op tot bekering, de gelovigen worden geroepen om aan het beeld van de Zoon gelijk te worden en Paulus spant zich in om de gemeenteleden onberispelijk te krijgen. Hij heeft hen onderwezen en terecht gewezen of vermaand, dikwijls onder veel tranen. Hij had niet nagelaten de gemeente al de raad van God te verkondigen (Hand.20:27,31). Vanwege zijn bediening had hij verdrukking, smaad en vervolging verdragen.
De oefeningen en inspanningen waren bij Paulus geen activiteiten die bedoeld waren om zijn persoonlijkheid te ontwikkelen, maar ze kwamen voort uit zijn gezindheid om zich als zoon van God te openbaren, om voor God ‘vrucht’ te dragen. Denk ook aan de engel van satan die hem het leven probeerde te vergallen door hem extra lasten op te leggen bij het brengen van het Woord. Hij vulde in zijn lichaam door zijn inspanningen en lijden aan, wat ontbrak aan de verdrukkingen van zijn Heer tijdens diens leven op aarde. Deze was immers bij zijn boodschap aan de ruimte van Palestina en aan de tijd van drie en een half jaar gebonden. Hij kon in zijn vlees niet lijden voor wat wij ook nu in onze plaats en in onze tijd doorgeven (Col.1:24).

