
1 Thessalonicenzen 5:12-28
‘Wij verzoeken u broers en zusters, hen – die onder u alle moeite doen om u te leiden in de Heer en terechtwijzen – te erkennen en hen zeer hoog te schatten in liefde, om hun werk. Leef in vrede met elkaar’ 12,13.
Aan het eind van de eerste brief aan de Thessalonicenzen geeft Paulus allerlei aanwijzingen voor de gemeente. Als eerste schrijft hij dat de oudsten van de gemeente moeten gesteund worden in hun werk. Gemeenteleden moeten zich niet tegen hen verzetten of hen afwijzen, maar hen waarderen om het werk dat zij doen voor de gemeente. Paulus vraagt dit ook in andere brieven: ‘Laat oudsten, die goed leiding geven, extra gewaardeerd worden’ en ‘Neem tegen een oudste geen beschuldiging aan, tenzij er twee of drie getuigen zijn’ (1 Tim.5:17,19). In Hebreeën 13:7 staat: ‘Denk aan uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben. Let op het einde van hun wandel en volg hun geloof na.’ De taak van de voorgangers wordt daar door Paulus omschreven als ‘het waken over uw zielen’.
Moet men alles dan maar accepteren wat voorgangers en oudsten zeggen? Nee, blinde gehoorzaamheid is nooit goed. Men moet kritisch blijven op de boodschap die zij brengen, daarbij onderzoeken of de geesten uit God zijn. Maar als de boodschap zuiver is, moet men respect en erkenning tonen, ook als men gewezen wordt op fouten.
Ook onderling moet men in vrede met elkaar leven. Vrede is afwezigheid van levensstoornis, dus er is geen plaats voor ergernis, ruzie, bitterheid. Men moet elkaar juist helpen en – bij fouten – elkaar vergeven naar het voorbeeld van Jezus Christus (Ef.4:25-32). De duivel zal altijd een manier zoeken om verdeeldheid te zaaien, dus in dit opzicht moeten de gemeenteleden ook wakker en nuchter blijven.
‘En wij roepen u op, broers en zusters, op hen te corrigeren hen die een ongeregeld leven leiden. Bemoedig de moedeloze mensen, ondersteun de zwakkeren en heb met allen geduld’ 14.
Het woord lankmoedig werd vroeger gebruikt, nu spreekt men van geduld. Het Griekse grondwoord is makrothumia, wat letterlijk betekent: traag tot toorn. Iemand die deze eigenschap heeft kan dus veel dulden zonder boos te worden. Hij/ zij kan mensen, die zich aan het werk onttrekken om zich zogenaamd voor te kunnen bereiden op de komst van Jezus, rustig corrigeren. Hij/ zij kan moedeloze mensen weer opbeuren en zwakken in het geloof ondersteunen. Vanuit de vrede in de gemeente kunnen de zwakkere broers en zusters bemoedigd en versterkt worden, zodat zij weerstand kunnen bieden aan satan en zijn demonen.
‘Pas op dat niemand een ander kwaad met kwaad vergeldt, maar streef naar altijd het goede, én voor elkaar én voor allen’ 15.
Kwaad met kwaad vergelden is niet de oplossing als men als kind van God te maken krijgt met onrecht. Het met gelijke munt terug betalen past niet bij hen die Jezus willen volgen. Jezus zelf heeft immers gezegd dat we 70 maal 7 maal moeten vergeven als een broer of zuster zondigt (Matth.18:21,22). Moeten we dan alles maar toestaan en de zonden ‘met de mantel van de liefde bedekken? Nee, ook daarin is Jezus heel duidelijk geweest in datzelfde hoofdstuk. Het gaat hier echter om onze houding hoe wij reageren op onrecht wat ons aangedaan wordt. Wij nemen geen wraak maar overwinnen het kwaad door goed te doen.
Paulus maakt hier onderscheid tussen elkaar (in de gemeente) en allen (zij die buiten de gemeente staan). Ook hierover heeft Paulus al eerder én in andere brieven geschreven, zoals in Galaten 6:10: ‘Laten wij dus – omdat wij de gelegenheid hebben – doen wat goed is voor allen, maar vooral aan de huisgenoten van het geloof’.
‘Wees altijd blij, bid zonder ophouden, dank onder alle omstandigheden, want dat is de wil van God in Christus Jezus ten opzichte van u’ 16-18.
Paulus roept de Thessalonicenzen op om altijd blij te zijn, hoe de situatie ook is. Deze oproep deed hij ook aan de Filippenzen. Altijd blij zijn lijkt een onmogelijke opgave, maar het kan! Petrus spreekt van een ‘onuitsprekelijke en heerlijke blijdschap’ (1 Petr.1:8). De reden van de blijdschap is: we hebben Jezus Christus leren kennen (ook al hebben we hem nog nooit gezien). Deze blijdschap blijft in opnieuw geboren kinderen van God, ondanks tegenslagen en teleurstellingen. De satan probeert de blijdschap weg te nemen, maar als wij leven in de hemelse gewesten, vindt hij in ons niets.
Het continu bezig zijn in de hemelse gewesten uit zich in bidden en danken. ‘Zonder ophouden’ betekent niet het ’traditionele bidden’, waarbij men de handen vouwt en de ogen sluit. Deze manier van bidden zou onpraktisch zijn in het leven van elke dag. Het betekent dat we in elke situatie de rust en de vrede vasthouden die Jezus Christus ons geeft. Dit betekent tegelijkertijd dat we ons bewust zijn van de aanvallen van satan en zijn demonen.
Wie zo bewust met de Heer leeft, heeft alle reden om Hem te danken. De aandacht gaat op die manier uit naar alle zegeningen die Hij geeft. Veel mensen hebben de neiging om altijd maar tijdens het bidden op te sommen wat er ontbreekt, maar Paulus zegt: ‘Tel uw zegeningen!’
‘Doof Gods Geest niet uit’ 19.
Gods Geest wordt hier voorgesteld als een brandend vuur, terwijl bijna ‘vuur’ meestal het beeld is van demonen. Het gaat hier echter om de eigenschap van het vuur dat licht produceert. Men zou het dus zo kunnen lezen: doof het licht van Gods Geest niet. Dit beeld doet denken aan Jesaja die van Jezus zegt: ‘de walmende vlaspit zal Hij niet doven (Jes.42:3). Een vlaspit was een van vlas gedraaide lont voor in een olielamp. Een rokende lont brandt wel, maar geeft meer rook dan licht. Er is maar weinig voor nodig om de vlam te doven. De walmende vlaspit moet weer helder licht gaan geven. De Thessalonicenzen worden hier nu opgeroepen om het werk van Gods Geest niet te belemmeren. Ze moeten daarbij streven naar de ontwikkeling van de geestelijke gaven.
‘Veracht de profetieën niet, maar onderzoek alles en hou het goede vast. Hou u ver van al het kwaad’ 20-22.
Profeteren is het spreken van een mens die rechtstreeks geïnspireerd en aangedreven wordt door de Geest van God. Bij het profeteren trekt de wil van de mens zich terug, want de profetie wordt nooit voortgebracht uit de wil van een mens. In de gemeente moet de gave van profetie aangewakkerd worden en niet veracht of geminacht worden.
De gave van profetie wordt in veel kerken en groepen niet meer gevonden. Of men erkent deze gave wel, maar de profetie is gedevalueerd tot een spreken van de menselijke geest. Gods Geest wordt buiten werking gesteld. Jezus waarschuwde al voor valse profeten. Die zijn er immers altijd: mensen die óf uit hun eigen hart profeteren óf geleid worden door waarzeggende geesten of misleidende machten. Het Oude Testament spreekt over het profeteren uit de Baäl. De oproep aan de Thessalonicenzen om de profetische gave niet te verachten, geldt daarom ook voor de gemeentes van nu.
Men spreekt tijdens het profeteren woorden van God. Deze woorden moeten wel getoetst worden. In de eerste plaats wordt dit gedaan door de andere profeten, de voorgangers en de oudsten in de gemeente. Zij zijn immers verantwoordelijk voor wat er in de gemeente gebeurt. Maar ook de gemeenteleden moeten in staat zijn de profetieën te beoordelen en wanneer zij bezwaar hebben, moeten zij dit kenbaar maken aan de voorganger of aan de oudsten. Alles wat tot ons komt, moeten wij beoordelen, zodat we het kwade afwijzen en het goede aanvaarden. Dit geldt voor zowel de inspiratie uit de onzichtbare wereld als de woorden en werken van mensen.
Soms wordt vers 21 gelezen als: ‘Onderzoek alle dingen en behoudt daarna het goede’. Dit betekent dat men eerst het slechte moet opzoeken en daarna moet kiezen of dit goed of fout is. Maar dit is niet de bedoeling, want op die manier zoekt men (misschien onbewust) contact met satan en zijn demonen. Daarom schrijft Paulus direct daarna: ‘Hou u ver van al het kwaad’. We moeten ons direct distantiëren van elke vorm van slechtheid. Op die manier kan God ons heiligen. De Thessalonicenzen stonden in hun tijd bloot aan de zedeloosheid van de Griekse cultuurwereld. Ook de Griekse filosofieën en godsdiensten vormden een gevaar. Ook de vrome geesten roerden zich, zodat ze geen duidelijk inzicht meer hadden in de terugkomst van de Heer.
‘En Hij, de God van de vrede, zal u helemaal reinigen, zodat uw geest, ziel en lichaam bij de terugkomst van onze Heer Jezus Christus in alle opzichten onberispelijk zal blijken te zijn. Die u roept, is trouw; Hij zal het ook doen’ 23,24.
Het is Gods wil dat er vrede is in geest, ziel en lichaam van de gelovigen en daarmee ook in de gemeente. Hier geldt: ‘Gerechtigheid of heiligheid is een vrucht, die in vrede wordt gezaaid door hen, die vrede stichten’ (Jac.3:18). Wanneer wij geheiligd, dat is afgezonderd worden van het kwade en hersteld van onze beschadigingen, zullen onze geest, ziel en lichaam onberispelijk of gaaf bewaard blijven. Deze volmaaktheid zal zijn toppunt bereiken in degenen die bij zijn komst aan het einde van de parousia in een punt van de tijd veranderd worden. Paulus bevestigt zijn uitspraak met de woorden: Hij, die u roept is trouw; Hij zal het ook doen’. God verandert niet, Hij blijft bij Zijn plan.
Afsluiting
‘Broers (en zusters), bid ook voor ons. Groet alle broers en zusters met een heilige kus. Lees deze brief aan hen voor. Dat is een opdracht van de Heer Jezus. Ik wens jullie de genade toe van onze Heer Jezus Christus’ 25-28.
Paulus vraagt om gebed voor hem, zodat ze met hem kunnen strijden tegen de vijanden en voor de verdere verspreiding van het evangelie. De kus is een uiting van liefde. Deze groet komt in veel oosterse landen nog voor, Deze gewoonte vinden we daarom ook op veel plaatsen in de Bijbel terug.
Paulus verzoekt dringend – in opdracht van de Heer – de brief voor te lezen in de gemeente. De zegenwens komt in alle brieven van Paulus voor, behalve van die aan de Romeinen, voorkomen. Voor de gelovigen ligt de verwachting en de redding in de genade van Jezus Christus.