
1 Thessalonicenzen 3:1-13
‘Daarom heb ik ( want wij konden het niet langer uithouden) besloten om alleen in Athene te blijven. Wij hebben Timotheüs, onze broer en een medewerker van God in het evangelie van Christus, naar u gestuurd om u m.b.t. uw geloof te versterken en te vermanen,’ 1,2.
Paulus is halsoverkop uit Thessalonica gevlucht. Nu hij in Athene is, maakt hij zich echter zorgen over de christenen in Thessalonica. Zij worden vervolgd en onderdrukt. Paulus wil zeker weten of ze dit vol kunnen houden. Daarom stuurt hij Timotheüs, zijn jonge maar betrouwbare medewerker, terug naar Thessalonica. Petrus vindt het moeilijk om in alleen in Athene achter te blijven. Dit blijkt uit de woorden ‘alleen in Athene’.
Het is de gewoonte voor apostelen om samen te werken – de Heer stuurt hen normaal gesproken twee aan twee uit, zodat ze elkaar kunnen steunen, bemoedigen en zo nodig ook corrigeren (vgl. Luc.10:1; Hand.13:2, 15:39,40). Paulus brengt het evangelie o.a. ook in Athene, vooral vanwege de vele afgodsbeelden in de stad, maar er zijn maar weinig mensen die zich bekeren. Het zijn er te weinig om een gemeente te stichten (Hand.17:16,34).
Paulus heeft veel vertrouwen in Timotheüs, ondanks zijn jonge leeftijd. Hij noemt hem niet alleen een broer, maar ook een medewerker van God, die het evangelie van Christus brengt. Paulus vertrouwt erop dat Timotheüs de gelovigen kan versterken in hun geloof en hen zo nodig zal bijsturen. Hij kan bij ontsporingen ingrijpen en hen bemoedigen, corrigeren en helpen.
‘zodat niemand onderdoor gaat aan deze verdrukkingen. U weet immers dat u met verdrukkingen te maken krijgt. Dat hebben we u ook al verteld toen we bij u waren. En ondertussen hebt u dit ook ondervonden. Daarom kon ik het ook niet langer uithouden en stuurde ik Timotheüs. Ik wilde horen hoe het met uw geloof ging. Ik was bang dat al mijn moeite voor niets geweest was. Ik was bang dat het satan gelukt was om jullie te laten zondigen’ 3-5 .
Paulus is bezorgd. Hij is bang dat de Thessalonicenzen de verdrukkingen die zij, net als hijzelf, ervaren van de Joden en hun eigen landgenoten (zie 2:14), niet aan kunnen. Hij herinnert hen eraan dat verdrukking bij het christelijk leven hoort. Jezus zelf zegt immers: ‘In de wereld lijdt u verdrukking!’ (Joh.16:33). Tegen de oudsten in Klein-Azië had Paulus gezegd dat ‘wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk van God moeten binnengaan’ (Hand.14:22). In Romeinen 5:3 schrijft hij zelfs: ‘Maar wij roemen ook in de verdrukking’. Ook in Thessalonica brengt Paulus deze boodschap. Hij vertelt overal over de weg van God en het behoud, maar waarschuwt tegelijk dat de tegenstander steeds zal proberen om gelovigen – direct of via andere mensen – van de goede weg af te brengen. Paulus kent de tactieken van satan maar al te goed (2 Cor.2:11). Hij vraagt zich af of ze misschien door angst voor verdrukking het geloof hebben losgelaten, waardoor zijn werk tevergeefs zou zijn geweest. Hoe totaal anders werken tegenwoordig ‘evangelisten’. Zij trekken rond en houden indrukwekkende toespraken zonder zich bezig te houden met nazorg. Zij maken zich niet druk om wat er na hun vertrek met hun bekeerlingen gebeurt. Paulus wil er echter zeker van zijn dat mensen die tot geloof zijn gekomen, volhouden in de verdrukkingen en vrucht dragen.
‘Maar Timotheüs is bij ons teruggekomen met goed nieuws over uw geloof en uw liefde. Hij vertelde ook dat u altijd met goede herinneringen aan ons terug denkt. En dat u er ook naar verlangd om ons weer te ontmoeten. Daarom zijn wij, ondanks alle moeilijkheden, vertroost over uw geloof,’ 6,7.
Paulus is onder de indruk van het standvastige geloof van de Thessalonicenzen en hun liefde voor Jezus en voor hem als brenger van het evangelie. De gemeente praat nog steeds positief over de apostel en zijn boodschap. Het verlangen om elkaar weer te zien is wederzijds. Dit goede nieuws is een bemoediging voor Paulus, want waar hij nu is, heeft hij het niet makkelijk (Hand.18:6,12). Hij heeft conflicten met de Joden, terwijl hij bezig is met het stichten van een gemeente. Ondanks alle zorgen die hij nu heeft, is dit goede nieuws van Timotheüs in ieder geval een zorg minder (vgl. 2 Cor.11:28).
‘U bent sterk in de Heer, dat verlicht ons leven. Onze God geeft ons zoveel blijdschap om u, wij kunnen Hem niet genoeg danken. Dag en nacht bidden wij omdat we u zo ontzettend graag weer willen ontmoeten en wij u kunnen helpen om uw geloof volmaakt te maken’ 8-10.
Nu Paulus deze zorgen kwijt is, voelt hij zich opgelucht. Hij kan weer volop leven – in vrede en met blijdschap. Hij ziet dat de gemeente in Thessalonica sterk staat. Ze blijven trouw aan de Heer en zijn standvastig in de gemeente, het lichaam van Christus. Paulus is zo blij dat hij nauwelijks woorden kan vinden om zijn blijdschap te beschrijven. Toch wil hij deze gemeente nog verder onderwijzen, want Gods doel – de volmaaktheid – is nog niet bereikt. Ze moeten verder worden opgebouwd in hun geloof totdat ze ‘allen de eenheid van het geloof en de volledige kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid van Christus’ (Ef.4:13). In zijn geest is Paulus daar dag en nacht mee bezig. Als ze elkaar weer persoonlijk ontmoeten kan hij doorgaan met het brengen van het evangelie, die hen verder brengt op de weg van het geloof. Want zoals geschreven staat: ‘Het geloof is uit het horen en het horen door het Woord van Christus’ (Rom.10:17). Hoe meer mensen horen van de Woorden van God, hoe meer ze in staat zijn om te geloven. Paulus heeft veel inzicht in het ‘geheimenis van Christus’ (Ef.3:4) en hij kan hen daar nog veel over leren.
‘Onze God en Vader, en onze Heer Jezus, zal ons de weg banen zodat we bij u kunnen komen. Ik bid dat de Heer u nog sterker zal maken in de liefde tot elkaar en tot allen, zoals wij ook vol liefde zijn t.o.v. u. Zo zult u versterkt worden in uw hart, zodat u onberispelijk leeft in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen’ 11-13.
Paulus sluit zijn persoonlijke opmerkingen af met een zegenwens. In hoofdstuk 4 vervolgt hij met meer algemene leringen. In de onzienlijke wereld richt hij zich tot God de Vader en tot Jezus, die in zijn denken nauw met elkaar zijn verbonden. Het woord ‘Hij’ (autós in het Grieks) kan ook worden vertaald als ‘zelf’. Het is God zelf die ervoor kan zorgen dat hun wegen elkaar weer kruisen. Hoewel de satan kan tegenwerken, vertrouwt Paulus op Gods almacht. Dit bidt hij voor zichzelf: dat God deuren opent zodat hij de Thessalonicenzen weer tot zegen mag zijn. Voor deze gemeente bidt hij dat hun liefde voor elkaar en voor anderen mag groeien.
Paulus heeft zelf een grote liefde voor deze gemeente. Met ‘allen’ bedoelt Paulus allereerst de medegelovigen, maar ook de ‘naasten’ die we als onszelf moeten liefhebben om hen te redden. Petrus schrijft daarover: ‘Want als deze dingen bij u aanwezig zijn en toenemen, zullen ze u niet doelloos en onvruchtbaar laten wat de kennis van onze Heer Jezus Christus betreft’ (2 Petr.1:8). Door deze liefde worden hun harten (de innerlijke mens) sterker en zuiverder, gereinigd van alle kwaad, zodat ze onberispelijk en heilig worden. Als de gemeente zo volwassen is geworden in het geloof, is het doel bereikt en kan de Heer terugkomen met de Zijnen.