2. Paulus’ werk brengt vruchten voort

<<<<<

1 Thessalonicenzen 2:1-20

‘Want u weet zelf dat ons verblijf bij u niet zonder vrucht is geweest. Immers, u weet dat wij, ondanks de mishandeling en de smaad die wij in Filippi moesten meemaken, bij u in alle vrijmoedigheid het evangelie van God bij u gebracht hebben. En dat terwijl wij een zware strijd hadden te voeren’ 1,2.

Paulus herinnert de Thessalonicenzen aan de gebeurtenissen die beschreven staan in Handelingen 17. In de weken dat hij daar het evangelie bracht, kwamen velen tot bekering. Deze bekeerlingen noemt hij de vruchten van zijn werk. Een christen draagt twee soorten vrucht: ten eerste in het eigen leven, zoals beschreven in Galaten 5:22. De tweede soort vrucht is dat hij als medewerker van God vrucht draagt doordat mensen zich bekeren, genezen, bevrijd worden en groeien.

Paulus had het niet gemakkelijk gehad. Thessalonica lag dichtbij Filippi, waar hij net vandaan kwam. In Filippi was hij fysiek mishandeld door geseling en mentaal gepijnigd door smaad en laster, omdat hij als misdadiger behandeld werd. Ondanks dit alles was hij in Thessalonica direct naar de synagoge gegaan om daar vrijmoedig het evangelie van Gods Koninkrijk te brengen. Ook in Thessalonica was het voor Paulus niet gemakkelijk. Hij werd tegengewerkt door de demonen van de duisternis. Deze demonen werkten door mensen heen. Eerst kwam de weerstand van de Joden en later van de Grieken die door de Joden waren opgehitst (Hand.17:5). De satan maakte hierbij gebruik van het gepeupel, het laagste deel van de bevolking.

‘Want wij vermanen u niet vanuit onzuivere bedoelingen of misleiding. Wij brengen geen dwaling. Integendeel, God heeft ons waardig geacht om ons het evangelie toe te vertrouwen. Wij spreken dan ook niet om mensen te plezieren, maar wij doen dit voor God, die onze harten keurt’ 3,4.

Paulus brengt niet alleen het evangelie, maar wijst de gelovigen ook op aspecten van hun leven die verandering en vernieuwing nodig hebben. Dit doet hij niet om hen te misleiden. Hij heeft geen verborgen agenda, maar hij wil hen leren leven als kinderen van God en zoals God het heeft bedoeld. Hij communiceert eerlijk en direct, zonder bijbedoelingen. In zijn brief beroept Paulus zich op zijn apostelschap. God heeft hem het evangelie toevertrouwd, met name om het aan de heidenen te brengen. Een deel van zijn kennis komt van de andere apostelen, maar veel inzicht ontving hij door speciale openbaringen. God heeft hem diepgaand inzicht gegeven m.b.t. het mysterie van het Koninkrijk van de hemelen. Hij noemt de reden voor het doorgeven van dit evangelie: hij wil Gods medewerker zijn. Hij brengt deze boodschap niet om geëerd te worden door mensen.

Tegenwoordig horen wij veel over sprekers, die graag in veel gemeenten willen spreken. Zij doen dit vanuit een bepaalde trotse houding, zij ‘willen door de mensen gezien worden’. Maar Paulus handelt primair uit gehoorzaamheid aan God en in de naam van Jezus, die zei: ‘Jullie zullen mijn getuigen zijn’ (Hand.1:8).

‘U weet dat ik nooit iets gezegd heb om het mensen naar de zin te maken. Ik wilde ook geen geld verdienen aan mijn boodschap. God is getuige!’ 5.

Paulus heeft het evangelie nooit verdraaid of aangepast om mensen te pleasen of om er zelf beter van te worden. Hij geeft het door, zoals de Heer het aan hem heeft geopenbaard. De overtuigingskracht zit in het Woord zelf. Een ziel die hongert en dorst naar waarheid zal Gods goede Woord zeker omarmen. God kent Paulus’ diepste motieven en de apostel roept Hem aan als getuige dat hij de waarheid spreekt.

‘Ook zochten wij geen eer bij mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden; maar wij gedroegen ons in uw midden vriendelijk, zoals een moeder haar eigen kinderen koestert’ 6.7.

Paulus streeft niet naar de erkenning van mensen, of het nu de Thessalonicenzen waren of anderen die door zijn boodschap zich bekeerd hadden of door zijn bediening bevrijd en genezen waren. Hij richt zich alleen op de eer die God geeft; ‘het goede gedaan en trouwe dienaar’ (Matth.25:21,23). Hij beroept zich niet op zijn apostelschap of zijn bijzondere openbaringen. In plaats daarvan staat hij naast hen als een vriend die hen vriendelijk de weg wijst en ondersteunt. Hij doet dit vol liefde en vergelijkt dit met een moeder die vol liefde voor haar kinderen zorgt. Zij verzorgt, troost, beschermt en voedt hen (het Griekse woord dat hier wordt gebruikt voor ‘moeder’ betekent letterlijk ‘voedster’). Hij toont de Thessalonicenzen zijn (gevende) liefde, zoals een moeder die aan haar kind geeft.

‘Zo hebben wij, uit liefde voor u, niet alleen het evangelie van God gebracht, maar wij deelden ook ons leven met u. Wij zijn veel van jullie gaan houden. Daarom hebben wij, zoals u weet, veel moeite voor u gedaan. Wij werkten dag en nacht om niemand van u lastig te vallen en zo konden we u het evangelie van God brengen’ 8,9.

Paulus liefde voor de Thessalonicenzen was zo groot, dat hij zelfs bereid was zijn leven voor hen te riskeren. Hij week alleen maar uit naar Beréa omdat de broers en zusters in Thessalonica dat wilden. Hij herinnert de Thessalonicenzen aan alles wat zij voor hen gedaan hebben. Paulus bracht het evangelie niet alleen met woorden, maar ook met kracht van tekens en wonderen. Hij vermaande en troostte hen in persoonlijke gesprekken en werkte daarnaast dag en nacht voor zijn onderhoud. Hij wilde namelijk niemand tot last zijn voor zijn dagelijks brood. Het kan heel goed zijn dat hij dit opschreef omdat de Joden hem verdacht maakten en beschuldigden. Zij suggereerden namelijk dat hij alleen maar mooie verhalen vertelde (zoals een leven zonder de inspanning van de wet) om ervan te leven en er zelf beter van te worden.

‘Wij hebben bij u, die gelooft, ons gedragen zoals God het wil: zuiver, rechtvaardig en onberispelijk. U bent samen met God getuigen’ 10.

Als de Thessalonicenzen terug denken aan de tijd dat Paulus bij hen was, kunnen zij bevestigen dat Paulus zich correct heeft gedragen. Hij was oprecht en zuiver, hij onderhield een zuivere relatie met God en mensen. Hij handelde rechtvaardig, in overeenstemming met de wil van God en leidde een leven waar niets op aan te merken was. Zo gedraagt hij zich tegenover alle gelovigen. Die kennen zijn gedrag en kunnen naar waarheid over hem getuigen. Anderen worden misleid door leugenmachten óf door mensen die leugens verspreiden. Een voorbeeld hiervan is de groep die in Thessalonica werd opgehitst door de Joden.

‘U weet trouwens hoe wij – als een vader zijn eigen kinderen – u ieder persoonlijk waarschuwden, aanmoedigden en opriepen om naar de wil van God te leven. Hij roept u tot zijn eigen Koninkrijk en heerlijkheid’ 11,12.

Paulus toont de Thessalonicenzen niet alleen moederlijke liefde door voor hen te zorgen en met hen mee te leven. Als een goede vader geeft hij hen ook persoonlijke raad, moedigt en spoort hij hen aan om op het juiste pad te blijven. Hij wil dat ze zullen leven op een manier die past bij kinderen van God. Daarnaast houdt Paulus hen continu het doel voor ogen waarvoor God de mens heeft geroepen, geschapen en vernieuwd. Dit doel is ten eerste om deel te hebben aan Gods Koninkrijk van blijdschap, vrede en gerechtigheid en ten tweede om deel te hebben aan Zijn heerlijkheid. Dit laatste betekent dat ze mogen delen in de goddelijke natuur en kracht, zodat God uiteindelijk de troon met hen kan delen.

‘Hierom danken wij God onophoudelijk, dat u de woorden van God die wij u brachten, aangenomen hebt. U hebt deze woorden geaccepteerd, niet als een woord van mensen, maar (zoals het inderdaad is) als een woord van God die werkt in u die gelooft’ 13.

Paulus heeft veel redenen om dankbaar te zijn als hij in gedachten bij de Thessalonicenzen is. Hij herinnert zich de tijd dat hij in Thessalonica het evangelie van Jezus Christus (het woord van God) aan deze gemeente bracht. Dit woord is daar als zaad in goede aarde gevallen. De Thessalonicenzen hebben het aangenomen en hebben begrepen dat dit niet zomaar een menselijke gedachte of leer is, maar dat God deze dingen heeft geopenbaard. Ze zijn hongerig en dorstig naar de gerechtigheid en worden door het woord verzadigd. Het evangelie werkt nog steeds door en brengt vernieuwing in hun leven. Het woord van God brengt genezing, verlossing en herstel, maar ook innerlijke groei voor degenen die het door het geloof hebben aangenomen.

Jezus Christus en apostelen vermoord door de Joden

‘Want u, broers en zusters, bent navolgers geworden van de gemeenten van God in Christus Jezus, die in Judea zijn. Ook zij hebben hetzelfde lijden meegemaakt. U hebt geleden onder uw eigen volksgenoten, zij hebben geleden onder de Joden,’ 14.

Ook in Judea zijn er veel gemeenten, die het evangelie op dezelfde manier hebben aanvaard. Dit heeft bij hen geleid tot zware verdrukking. Denk bijvoorbeeld aan de dood Jezus Christus, Stefanus en Jacobus en de vervolging die hier uit voortkwam (Hand.8:1). Toch blijven ze hun geloof vasthouden en worden ze sterker in de strijd. De gelovigen in Thessalonica ondergaan vergelijkbare vervolgingen van hun landgenoten, maar ze volgen het voorbeeld van de gemeenten in Judea. Ook zij blijven standvastig, ze groeien en worden sterker. Paulus benadrukt dat de verdrukking en vervolging, die de Heer toestaat, bedoeld zijn om hun volharding en standvastigheid te testen.

‘die zelfs de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben. Zij eren God niet en gaan tegen alle mensen in, omdat zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken om hen te redden. Zij maken constant de maat van hun zonden vol. De toorn is over hen gekomen tot het einde’ 15,16.

Paulus herinnert zijn lezers aan de vijandigheid van de Joden t.o.v. Jezus en zijn apostelen, die het evangelie hebben gebracht. De Joden lieten zich gebruiken als instrumenten van satan om Jezus te doden. Zowel profeten uit het oude verbond die over Jezus profeteerden (Jeremia en Zacharias, de zoon van Berechja) als Johannes de Doper en profeten uit het nieuwe verbond ,werden gedood. Ook vervolgden ze Paulus van stad tot stad en probeerden hem te verhinderen het evangelie aan heidenen te brengen. Zelfs veel Joodse ‘christenen’ verzetten zich tegen Paulus en het evangelie van Jezus Christus, omdat ze vasthielden aan oude Joodse gebruiken, ook al pasten die niet bij het nieuwe verbond (zie de brief aan de Galaten). Maar zowel Paulus als Jezus zeggen:

  • ‘Deze mensen plezieren God niet, want hun gedachten en daden komen niet overeen met Zijn plan. Alleen wat daarmee overeenstemt, doet God goed. De tegenstanders zijn niet bezig met Gods eer. Ze gaan tegen alle mensen in, omdat ze niet hun welzijn op het oog hebben. Ze verhinderen hen juist om in te gaan in Gods koninkrijk, terwijl ze hen zware lasten opleggen’ (Luc.11:46 en 52).

Paulus echter wil mensen redden. Daarom brengt hij de blijde boodschap ook aan niet-Joden.

Helpers van SatanTot aan vandaag

De Joden tonen zich in hun verzet tegen Gods evangelie als helpers van de duivel. Zij zondigen en door anderen te verhinderden Gods Koninkrijk binnen te gaan. Ze maken de maat van hun zonden vol. Jezus heeft al eerder gezegd dat de rechtzinnige Joden dezelfde vijandschap tegen God hebben als hun voorouders, die afgoden dienden en profeten doodden. Zij maken de maat van hun voorouders vol (Matth.23:43). Omdat ze de Zoon ongehoorzaam zijn blijft Gods toorn op hen rusten tot het laatste oordeel (Joh.3:36; Op.20:11). Deze toorn betekent dat ze worden overgeleverd aan demonen. Dit zal voortduren tot het einddoel (telos) van God is bereikt, namelijk dat er een gemeente is gevormd zonder vlek en rimpel (Ef.5:27). Na Jezus’ dood scheurt het voorhangsel en wordt het volk Israël gelijkgesteld aan alle(!) andere volken, waarop ook Gods toorn rust. Ook zij worden overgeleverd aan satan en zijn demonen. Israëls taak is volbracht, wanneer het Zaad (Christus) is gekomen.

‘Maar wij, broers, zijn u niet vergeten ook al hebben we een hele poos niet meer gezien. Wij dragen u in ons hart en hebben al van alles geprobeerd om u weer te kunnen zien. Wij, of liever: ik, Paulus, heb namelijk al verschillende keren u willen bezoeken, maar de satan heeft het ons verhinderd’ 17,18.

Toen de vervolging in Thessalonica uitbrak, werd Paulus gedwongen de stad te verlaten. Hij voelt zich nu gescheiden van deze gemeente, zoals een vader die onvrijwillig van zijn kinderen gescheiden is. Hij ziet hen op dit moment niet in levende lijve, maar zijn hart is dicht bij hen en hij wil graag hun ontwikkeling nauwlettend volgen. Paulus heeft ook erg zijn best gedaan om hen weer terug te zien, want hij verlangt er sterk naar om hen verder op te bouwen en met hen mee te leven. Kennelijk heeft hij al twee keer een poging gedaan om af te reizen, maar de satan heeft hem verhinderd naar hen toe te komen. We weten niet precies wat hem heeft tegengehouden, maar de apostel schrijft het dwarsbomen van zijn plannen toe aan de duivel. Het is dus nadelig voor de gemeente wanneer hij wordt verhinderd. In een ander geval schrijft hij dat het juist Gods Geest is die hem niet toestaat een eerder gemaakt plan uit te voeren (Hand.16:6-7). Wat daarop volgt is een zegenrijke reis, die hij niet van tevoren had kunnen bedenken, namelijk zijn eerste reis naar Europa (Hand.16:9-10).

‘Want wie is onze hoop of blijdschap of erekrans voor onze Heer Jezus bij zijn komst, wie anders dan u? Ja, u bent onze eer en blijdschap’ 19,20.

Een gemeente zoals die in Thessalonica, is het resultaat van Paulus’ werk voor Jezus. Hoe groter, standvastiger en meer ontwikkeld de gemeente is, hoe rijker zijn vrucht en hoe groter zijn beloning. Daarom hoopt hij dat ze sterk zullen blijven in Gods kracht en hij is blij als hij hoort dat dit inderdaad gebeurt. Wanneer de Heer Zich in deze gemeente kan laten zien, is dat een eer voor Paulus. Zij vormen de kroon op zijn werk. Dit zal duidelijk worden bij de komst van de Heer, zijn parousia (tegenwoordigheid, aanwezigheid), het moment waarop de Heer komt om verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing gezien te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn (2 Thess.1:10). Paulus hoopt dat hij niet voor niets heeft gewerkt. Hij gelooft dat de Thessalonicenzen hem blijdschap en een erekrans zullen verschaffen als een goede boodschapper van het evangelie.

>>>>>