Judas: 3-10
‘Geliefden, toen ik mij er met alle inzet toe zette u te schrijven over het gemeenschappelijke geluk, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de aansporing om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is’ 3.
Het was Judas’ bedoeling, toen hij deze brief schreef, om de broers en zussen op te bouwen. Hij wilde hen nog eens attenderen op het gemeenschappelijke geluk: de redding door Jezus Christus. Het evangelie van Jezus Christus had hen al veel gebracht en zou nog meer geluk brengen. Geluk is: afzondering van het kwaad, toewijding aan de Heer, maar ook gezondmaking en herstel.
Judas was helaas met mensen in contact gekomen, die van het rechte pad waren afgeweken. Daarom moest hij de broers en zussen eerst waarschuwen. Hij wist dat het de satan is, die met leugens de kinderen van God wil verleiden, zodat zij het geloof in Jezus Christus loslaten. Het eeuwig evangelie van het Koninkrijk van de hemelen was door de apostelen betrouwbaar overgeleverd aan hen. Door bekering en nieuwe geboorte waren zij burgers geworden van dat Koninkrijk. Daarom werden ze als ‘heiligen’ aangesproken.
Het in geloof vasthouden aan de woorden van Jezus betekent strijd als de grote leugenaar, de satan, twijfels gaat zaaien. Het geloof is daarom niet iets wat je ‘bij overlevering’ ontvangt. Geloofszaken kunnen wel aangeleerd worden, maar het blijft een zaak van de menselijke geest. Elk mens moet zich bekeren en losmaken van de satan om zich vervolgens te willen richten op Jezus Christus. Het is een keus en geen erfenis.
‘Want er zijn sommige mensen binnengeslopen, die tot dit oordeel al lang tevoren opgeschreven zijn. Het zijn goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en die de enige Heerser, God en onze Heer Jezus Christus, verloochenen’ 4.
Judas beschrijft mensen, die zich christenen noemen, maar in werkelijkheid goddelozen zijn. Zij zijn binnengedrongen in de gemeente. Het zijn mensen die de schuldvergeving wel aangenomen hebben, maar niet leven zoals dat hoort bij hun status als kinderen van het licht. Petrus beschrijft deze mensen in 2 Petrus 2:1-3. Het zijn mensen die in de zonde blijven. Ondanks de schuldvergeving blijven ze spreken over een ‘dagelijkse bekering’, iets waar de Bijbel niet over spreekt. Paulus schrijft over deze ‘zondaars tot de dood’ in Romeinen 6:1-2.
Wij zien dat vandaag veel kerken met deze valse leer doordrenkt zijn. Judas noemt hen geen gelovigen, maar goddelozen, die de genade van onze God veranderen in ongebondenheid aan de wetten van God. Zij houden er geen rekening mee, dat zij bij het lichaam van Christus horen, door wie de genade is gekomen. Dit lichaam moet uit louter rechtvaardigen bestaan. Rechtvaardigen zijn mensen die niet alleen gerechtvaardigd zijn uit geloof, maar die ook leven in gerechtigheid. Uiteraard is dit een groeiproces van deze rechtvaardigen. Ze kunnen misschien wel eens in zonde vallen, maar Johannes zegt: ‘Als iemand gezondigd heeft (dit is dus geen regel) hebben wij een voorspraak bij de Vader’.
Het onkruid in de akker
De regel is dat wij het woord van God vasthouden door de kracht en de gaven van Gods Geest. Zo leven en groeien we als rechtvaardigen. Dat er ook in de gemeente onkruid zou zijn tussen de tarwe, er mensen zouden komen met een schijn van godvruchtigheid, maar die de kracht ervan verloochenen, was al in het plan van God opgenomen. Dit was van tevoren opgeschreven. De profeten hadden erover gesproken. Jezus had het voorspeld en ook in alle brieven van de apostelen vinden wij de waarschuwingen tegen de valse kerk, het grote Babylon met miljarden inwoners. Er zal een oordeel gaan over het huis van God, waarbij een scheiding zal worden gemaakt tussen de tarwe en het onkruid. Deze woorden van Judas zijn nog steeds actueel.
‘Maar ik wil u eraan herinneren – u weet dit eens en voorgoed – dat de Heer het volk uit het land Egypte verlost heeft. Vervolgens heeft hij hen, die niet geloofden, losgelaten’ 5.
De schrijver Judas spreekt over mensen die wél de verzoening van hun zonden aanvaard hebben of tenminste deden alsof, maar verder niet in gerechtigheid leefden. Zij erkenden Jezus niet als Heer, luisterden niet naar zijn woorden maar leefden losbandig. Zij hadden ook niet de instelling van Jezus Christus. Zij zullen niet standhouden, wanneer het oordeel over ‘het huis van God’ begint. Zij zullen onder het oordeel vallen. Uit het Oude Testament haalt de schrijver nu verschillende voorbeelden aan van groepen personen of engelen of individuen die eerst de genade en de heerlijkheid van God ervaarden, zijn woord hoorden, maar ongehoorzaam werden, het pad van de zonde bewandelden en de genade tevergeefs hadden ontvangen (2 Cor.6:1). De schuldvergeving wordt ons aangeboden, zodat wij ook verder als rechtvaardigen en verlosten kunnen leven in de hemelse gewesten.
Het eerste voorbeeld waaraan Judas herinnert, is er een dat zij allen goed kenden. Het gaat over het volk Israël dat bij zijn uittocht uit Egypte de wonderen van God had meegemaakt en zijn stem had gehoord. Later in de woestijn werd het volk ongehoorzaam, ze geloofden God en zijn dienaren niet meer. Ze mopperden en verzochten God. Hun oordeel bleef niet uit, want allen, die 20 jaar en ouder waren toen zij uit Egypte trokken, kwamen in de woestijn om. Zelfs Mozes en Aäron gingen het beloofde land niet binnen. Alleen Jozua en Kaleb mochten er wonen, want zij hadden zelfs in de kritische momenten in geloof op de Heer vertrouwd en dit ook uitgesproken. God had meer beloften aan Israël gegeven dan alleen zijn woord dat het uit Egypte zou trekken. Hij had ook beloofd dat zijn volk het land vloeiende van melk en honing zou binnengaan en daar als overwinnaars in rust zouden leven. Deze laatste belofte hielden zij niet in geloof vast. Zo zijn er naamchristenen die wél de schuldvergeving willen aannemen, maar niet geloven in de beloofde redding. Zij blijven vasthouden aan de erfzonde en lasteren daarmee Jezus én God.
Val van een troonengel – satan en zijn demonen
‘En de engelen die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij voor het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien in de duisternis in verzekerde bewaring gesteld’ 6.
Het tweede voorbeeld neemt Judas uit de engelenwereld. Deze geestelijke wezens zijn allen door God goed en volmaakt geschapen. Hij was hun begin. Hij gaf hen zijn wetten mee en bepaalde de plaats die zij in zijn plan zouden innemen. Niet alle engelen bleven echter trouw aan de gedachten van God. Toen de mens geschapen werd, wisten zij dat zij allen uitgezonden waren om hen te dienen die het volmaakte zouden ontvangen. Zij wisten dat God, die geest is, met de mens geestelijk contact wilde en dat de mens de kroon van de schepping was. Toen werd een gedeelte van de engelen ontrouw en verloor daardoor het contact met God, die leven is en licht.
In het vervolg waren zij aan dood en duisternis voor eeuwig gebonden en hun werk was ontbinden en vernietigen. Zij verlieten hun eigen woning, de hemelse sfeer en zochten contact met de mensen. Niet om hen te dienen, maar om over hen te heersen en wanneer mogelijk in hun leven de plaats in te nemen die God zichzelf had toegedacht. Zij zetten nu nog steeds hun vreselijke werk voort, maar alleen tot hun veroordeling op de grote dag. Dan zullen zij worden geworpen in de vuurpoel. Zoals de ware christenen die in gerechtigheid en waarheid leven voor Jezus Christus ‘bewaard’ zijn (zie vers 1), zo worden deze onheilige engelen tot de oordeelsdag ‘bewaard’ voor de vuurpoel.
Sodom en Gomorra
‘Zo zijn ook Sodom en Gomorra en de steden eromheen tot waarschuwend voorbeeld. Zij hebben op dezelfde manier als de engelen ontucht gepleegd en zijn ander vlees achterna gegaan. Zij zullen ook de straf van het eeuwige vuur ondergaan’ 7.
Het derde voorbeeld van ongehoorzaamheid en straf wordt ontleend aan de steden Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid, Adama en Zeboïm. De bewoners van deze steden overtraden de wetten van God overtraden. Ze leefden alleen voor hun eigen (seksuele) plezier. De streek van deze steden was rijk en vruchtbaar, de inwoners leefden in een welvaartsstaat in ‘overdaad’. Zij waren arrogant en trots en in ‘zorgeloze rust’ gaven zij zich over aan hun gruwelijke zonden, zonder zich verder druk te maken om de gedachten van God over de mens (Ez.16:49-50). Zij kenden geen medelijden en barmhartigheid. Het ‘nalopen van ander vlees’ wijst op homoseksualiteit van de Sodomieten, dus op het geforceerd toegeven aan tegennatuurlijke lusten, wat een gruwel is in het oog van God. Het oordeel is over hen gekomen en nog altijd wijst de Zoutzee (of Dode Zee) waarin geen enkel leven wordt gevonden, de plaats aan, waar het oordeel is voltrokken.
Het voorbeeld van Sodom en Gomorra is duidelijk. De engelen in de voortijd verbonden zich in de geestelijke wereld met de geesten van mensen (Gen.6:1). De inwoners van Sodom zochten een onnatuurlijke omgang met hun eigen seksegenoten. Zoals de vuurpoel het einde van de engelen zal zijn, zo was verbranding en vernietiging in de zichtbare wereld het einde van deze steden.
Dwaalleraars en antichristen
‘Niettemin bezoedelen deze dromers ook nu op dezelfde manier hun lichaam en zij verwerpen het gezag en lasteren al wat eer toekomt’ 8.
Mensen die in de gemeente van Jezus Christus zijn binnengedrongen en die geraffineerd opwerpen als ‘leidinggevende leraars en profeten’, gaan een vleselijke weg. Zij leven niet als burgers in het Koninkrijk van de hemel, maar naar het vlees en de begeerten die van deze aarde zijn. Om zich nog een tintje van geestelijkheid te geven, dragen ze zwarte pakken, rode, paarse of groene soepjurken, petjes en ufo’s. Zij promoten hun hallucinaties, zoals ook de valse profeten in de dagen van Jeremia deden (Jeremia 23:25-32). Verder zijn deze dromenzieners en breedsprakige leden voor het volk van God totaal nutteloos, zoals Jeremia zegt. Zij leven naar het vlees en brengen ook de vruchten van het vlees voort (Gal.5:19-21).
Ook de profeet Ezechiël vergelijkt het ontrouwe Jeruzalem met de inwoners van Sodom en Gomorra. Hij verwijt hen dat hun zonden nóg groter zijn (Ezechiël 16:47). Zij hebben immers meer kennis en rijkere beloften ontvangen. Als ze deze negeren en niet in geloof aanvaarden en ernaar leven, zullen zij een veel zwaarder oordeel ontvangen. Zij verwerpen alle geestelijk gezag en daarmee hun Heer die hen voor God gekocht heeft met Zijn leven.
- Zij erkennen Jezus niet als Heer en luisteren niet naar zijn stem.
- Zij luisteren ook niet naar de vermaningen van de door de Heer aangestelde apostelen, maar zoeken hun aandacht en persoonlijke aanbidding in de nieuwste buitenwijken van Babel.
- Zij hebben geen behoefte aan de doop met Gods Geest of aan de ontwikkeling van de geestelijke gaven, zodat zij de volmaaktheid niet bereiken en de heerlijkheid met Christus niet delen. Als (perfect) geoefende niet-bekeerden praten ze veel over “de Heilige Geest”, maar lasteren God door hun levenswandel en maken het eeuwig evangelie daarmee belachelijk. Het ergste is dat deze leugenaars nooit het enige Bijbelse fundament in hun leven hebben gelegd.
Het lichaam van Mozes
‘Michaël, de aartsengel echter durfde, toen hij met de duivel ruzie had en een woordenwisseling had over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uit te brengen, maar zei: Dat de Heer u mag straffen!’ 9.
Judas spreekt nog steeds over mensen die wel de vergeving door Jezus hebben aangenomen, maar toch niet leven als opnieuw geboren christenen. Zij doen zich vaak voor leraar of dienaar van God en stellen zich zo boven de ander, dat zij veroordelend of lasterend spreken over de heerlijke weg van God en over degenen die daarop wandelen. Zelfs de heilige engelen – die zeer nauwkeurig zijn in het brengen van Gods wil in de hemelse gewesten – zullen zo’n veroordelend vonnis niet eens uitspreken. Dit schreef ook Petrus in 2 Petrus 2:11: ‘Terwijl zelfs engelen, in kracht en macht toch hun meerderen, het niet aandurven om die machten namens de Heer te beschuldigen en te veroordelen’.
Michaël – De grote vorst
Judas neemt nu als voorbeeld de aartsengel Michaël, de grootste vorst van Gods hemelse legers (Daniël 10:13) die met deze bijzondere naam wordt aangeduid. Aartsengel of archangel betekent voornaamste engel. dit woord ‘aarts’ vind je ook terug in aartsbisschop en aartsbedrieger. Van Michaël wordt in Daniël 12:1 gezegd, dat hij de zonen van Gods volk bij staat. Hij is met het volk Israël meegetrokken in de woestijn en heeft een speciale opdracht gehad om de leider van het volk, Mozes, te beschermen en bij te staan.
Van nature, dus zoals hij vroeger was en leefde, was Mozes een man, die gemakkelijk driftig werd. Toen hij in Egypte overweldigd was door zo’n driftbui, doodde hij een Egyptische opzichter die iemand van zijn broers sloeg (Ex.2:11). Maar in de leerschool van God werd hij een man, van wie de Bijbel getuigt, dat de man Mozes zachtmoediger was dan enig mens op de aarde (Num.12:3). Hij onderging met groot geduld de kritiek en tegenstand van het volk. Tot op een gegeven moment het volk opnieuw met hem ruziede over het gebrek aan water. De Israëlieten verweten Mozes dat hij hen opzettelijk weggehaald had uit een rijk land om hen in de woestijn met hun vee te laten omkomen. Ondanks hun opstand wilde God toch water geven en Hij beval Mozes tegen de rots te spreken. Hiervoor was zelfbeheersing nodig.
Toen greep de driftmacht Mozes na zoveel jaren weer aan. Michaël wilde tussen beiden komen en hij ruziede met de duivel, zodat deze het lichaam van Mozes niet zou gebruiken. Als Mozes echter zijn zelfbeheersing verliest en zich openstelt voor de demon, kan Michaël hem niet helpen en ondersteunen, of de boze geest tegenhouden. Deze aartsengel stond Mozes bij, maar hij sprak geen veroordelend vonnis over Mozes uit. Hij gaf de beoordeling van Mozes over aan God en zei toen: ‘Mag de Heer u straffen’. Uit het vervolg van het verhaal blijkt, dat God geen aanzien van de persoon kent en ook van zijn trouwe dienaar gehoorzaamheid verwachtte. Ook Mozes en Aäron stierven in de woestijn vanwege hun ongehoorzaamheid.
Praktisch alle uitleggers menen dat Michaël tot de duivel zei: ‘Mag de Heer u straffen’. Omdat Michaël zo vaak in strijd gewikkeld is met de duivel, lijkt ons dit onwaarschijnlijk. Dan had Michaël bij wijze van spreken deze woorden dagelijks kunnen uitspreken. De duivel wist echter zijn straf en zijn verstoting was bekend.
‘Maar deze mensen lasteren alles waarvan zij geen kennis hebben en met de dingen die zij, net als de redeloze dieren, van nature wel begrijpen, richten zij zichzelf te gronde’ 10.
Judas waarschuwt voor niet bekeerde mensen. Zij zijn nog vleselijk en een geestelijk leven kennen zij niet. Zij kunnen onmogelijk over geestelijke kinderen van God of over de heerlijkheden, die God geeft aan zijn kinderen, een oordeel vellen. Zij kennen alleen een natuurlijk leven, dat dan nog beïnvloed en misbruikt wordt door de demonen van de duisternis. Vanaf dit niveau willen ze over anderen een oordeel vellen. Ze zijn goed op de hoogte als het gaat om eten en drinken, de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de grootheid van het leven. Omdat hun leven daarmee vervuld is, gaan ze er zelfs aan ten onder en willen zij door hun lasterend spreken ook anderen omlaag trekken. Vanuit hun vleselijk gedachteleven en hun aards niveau beoordelen zij dus opnieuw geboren en Geestvervulde christenen.






