De brief van Judas

De schrijver van deze laatste brief, die in de nieuwtestamentische canon (lijst van boeken) is opgenomen, is Judas, een broer van Jacobus. Hij is dus niet de apostel Judas, de zoon van Jacobus, van wie bijvoorbeeld in Handelingen 1:13 gesproken wordt. Hij is een halfbroer van Jezus en een broer van Jacobus. Jacobus was de schrijver van de brief Jacobus en in de oudchristelijke kerk was hij een leidinggevende figuur, in het bijzonder in de gemeente te Jeruzalem. In Mattheüs 13:55 worden de halfbroers van de Heer genoemd: Jacobus, Jozef, Simon en Judas. Judas is dus waarschijnlijk de jongste van de broers. Hij maakt zichzelf niet bekend als broer van Jezus, maar als zijn dienstknecht, net zoals Jacobus dit doet.

Stonden de broers bij het begin van de boodschap van Jezus nog sceptisch tegenover de Heer, nu blijkt dat zij Hem werkelijk als hun verlosser en Heer hebben aangenomen en hem niet meer kennen naar het vlees, maar alleen als geestelijke Meester. In deze brief komt veel overeen met wat Petrus in zijn tweede brief heeft geschreven. Sommige uitleggers concluderen, mee op grond van vers 18 – waar de brief van Petrus letterlijk wordt aangehaald (2 Petr.3:3) – dat Judas de brief van Petrus gelezen had en daarom ditzelfde thema nog eens behandelt.

Opschrift, geadresseerde, groet

‘Judas, een dienstknecht van Jezus Christus en broer van Jacobus, aan de geroepenen, die door God de Vader zijn geheiligd en die door Jezus Christus worden bewaard’ 1.

Judas richt zijn brief tot de geroepenen. Dit zijn degenen die Jezus hebben aangenomen en die nu als opnieuw geborenen overgezet zijn van de duisternis naar het Koninkrijk van Jezus Christus. Zij zijn de mensen die geluisterd hebben naar de roepstem van God en daarom speciaal geliefden zijn van de Vader. Zij zijn degenen van wie Jezus zegt ‘die U Mij gegeven hebt’. Zij worden geheiligd en toegerust om de Heer te dienen als levende stenen in de tempel die Christus in de onzienlijke wereld bouwt.

‘mogen barmhartigheid en vrede en liefde voor u vermeerderd worden’ 2.

Deze geroepenen hebben de barmhartigheid van God al ervaren door de schuldvergeving en de verlossing. Zij kennen al de vrede met God, zoals Paulus schreef: ‘Wij zijn dus als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof en leven in vrede met God’. Zij kennen zijn ontfermende liefde, omdat God de Vader positief is ingesteld t.o.v. alle mensen, maar speciaal t.o.v. de kinderen van God. Zij weten ook hoe met Gods Geest de liefde van God in hun harten is uitgestort en een vernieuwing van denken en leven is begonnen. Judas bidt hen toe dat al deze ervaringen met God in hun leven worden vermenigvuldigd of groot zullen worden, zodat zij zich hoe langer hoe meer kunnen ontplooien als kinderen van God in het Koninkrijk van Jezus Christus.

Strijden voor het geloof

‘Geliefden, toen ik mij er met alle inzet toe zette u te schrijven over het gemeenschappelijke geluk, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de aansporing om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is’ 3.

Toen Judas zich voornam deze brief te schrijven, was het zijn bedoeling de broers en zusters op te bouwen en op te wekken door nog eens de gemeenschappelijk redding of geluk naar voren te brengen. Hij wilde hen nog eens attenderen op al het goede dat het evangelie hen al had gebracht en verder nog zou brengen. Hij wilde de weg van het behoud nog eens duidelijk schilderen. Geluk houdt in: afzondering van het kwaad, toewijding aan de Heer, maar ook gezondmaking en herstel.

Het zou voor de schrijver heel fijn geweest zijn om samen nog eens met dit onderwerp bezig te zijn. Maar hij was in aanraking gekomen met mensen, die het rechte spoor hadden verlaten. Judas vindt het daarom noodzakelijk om eerst met waarschuwingen te komen, zodat ze hun voeten weer zouden zetten op de goede weg. Hij weet dat het de satan is, die met leugens en verleidingen de kinderen van God wil aftrekken van het ware geloof. Dit geloof hecht zich vast aan de woorden van Jezus Christus, zoals Hij die gesproken had tegen zijn apostelen, van de grote groep mensen, waar ook de broers van de Heer vaak bij waren. Dit eeuwig evangelie van het Koninkrijk van de hemelen was door de apostelen betrouwbaar overgeleverd aan hen, die door bekering en nieuwe geboorte ingegaan waren in het Koninkrijk van de hemelen en dus met ‘heiligen’ worden aangesproken.

Judas vermaant hen de woorden van Jezus in geloof vast te houden om zo het leven te erven. Dit zal vaak strijd kosten wanneer de grote leugenaar Satan, zijn twijfels komt zaaien. We merken op dat het geloof niet overgeleverd kan worden, maar alleen de inhoud ervan. Geloof is een eigenschap van de menselijke geest en het moet zich ergens op richten. Het geloof dat levend maakt, richt zich op de ‘Woorden van God’ en houdt deze stevig vast.

‘Want er zijn sommige mensen binnengeslopen, die tot dit oordeel al lang tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en die de enige Heerser, God en onze Heer Jezus Christus, verloochenen’ 4.

Dan geeft Judas een beschrijving van de mensen die zich christenen noemen, maar die in werkelijkheid goddelozen zijn. Zij zijn binnengedrongen in de gemeente. Het zijn mensen die de schuldvergeving wel aangenomen hebben, maar die niet leven zoals dat hoort bij hun status als kinderen van het licht. Petrus beschrijft deze mensen in 2 Petrus 2:1-3. Het zijn mensen die in de zonde blijven en die telkens weer de schuldvergeving zoeken, zodat telkens weer genade over hun leven kan komen. Vandaar dat zij spreken over een ‘dagelijkse bekering’, waar in de Bijbel nooit over gesproken wordt. Paulus schrijft over deze ‘zondaars tot de dood’ in Romeinen 6:1-2. Wij zien dat vandaag hele kerkgemeenschappen met deze valse leer doordrenkt zijn. Judas noemt hen geen gelovigen, maar goddelozen, die de genade van onze God veranderen in ongebondenheid aan de wetten van God. Zij houden er geen rekening mee, dat zij bij het lichaam van Christus horen, door wie de genade is gekomen en dat dit lichaam uit louter rechtvaardigen moet bestaan. Rechtvaardigen zijn mensen die niet alleen gerechtvaardigd zijn uit geloof, maar die ook leven in gerechtigheid, wat natuurlijk een groeiproces van deze rechtvaardigen niet uitsluit. Ze kunnen misschien wel eens in zonde vallen, maar Johannes zegt:

  • ‘Als iemand gezondigd heeft (dit is dus geen regel) hebben wij een voorspraak bij de Vader’.

Waarom de Satan de Bijbel ging doceren

Het is daarom niet verbazingwekkend dat er vandaag miljoenen ‘zich christelijk noemenden’ zijn die zonder het enige Bijbels Fundament, menen bekeerd te zijn. Protestante formuliertjes, Roomse sacramenten en andere leugenachtige leringen van Satan hebben dit overgenomen en allen vinden dit prima omdat zij zich hierdoor niet werkelijk hoeven te bekeren. Het door God ingeschapen geweten wordt dan niet aangesproken en het vrome ‘deugen’ camoufleert al hun werken. Deze miljoenen wel of niet bewuste weerspannigen staan buiten het evangelie en maken Jezus Christus tot een bespotting. Ze komen er mee weg op aarde en zijn algemeen door de wereld geaccepteerd en vinden zich comfortabel in Satans omgeving, die alle leven op aarde wil vernietigen. Inderdaad zoals in de dagen van Noach!

Het onkruid in de akker

De regel is dat wij het woord van God vasthouden door de kracht en de gaven van Gods Geest en zo als rechtvaardigen kunnen leven en groeien. Dat er ook in de gemeente onkruid zou zijn tussen de tarwe, er mensen zouden komen met een schijn van godvruchtigheid, maar die de kracht ervan verloochenen, was al in het plan van God opgenomen. Dit was van tevoren opgeschreven. De profeten hadden erover gesproken. Jezus had voorspeld – en ook in alle brieven van de apostelen vinden wij de waarschuwingen tegen de valse kerk – het grote Babylon met miljarden inwoners. Er zal een oordeel gaan over het huis van God, waarbij een scheiding zal worden gemaakt tussen de tarwe en het onkruid. Deze woorden van Judas zijn nog steeds actueel.

‘Maar ik wil u eraan herinneren – u weet dit eens en voorgoed – dat de Heer, nadat Hij het volk uit het land Egypte verlost had, vervolgens hen die niet geloofden, te gronde heeft gericht’ 5.

De schrijver Judas heeft gesproken over mensen die wel de verzoening van hun zonden aanvaard hebben of tenminste deden alsof, maar verder niet in gerechtigheid leefden. Zij erkenden Jezus niet als Heer, luisterden niet naar zijn woorden maar leefden losbandig. Zij hadden ook niet de instelling van Jezus Christus. Zij zullen niet standhouden, wanneer het oordeel over ‘het huis van God’ begint. Zij zullen dan onder het oordeel vallen. Uit het Oude Testament haalt de schrijver nu verschillende voorbeelden aan van groepen personen of engelen of individuen die eerst de genade en de heerlijkheid van God ervaarden, zijn woord hoorden, maar ongehoorzaam werden, het pad van de zonde bewandelden en de genade tevergeefs hadden ontvangen (2 Cor.6:1). De schuldvergeving wordt ons aangeboden, zodat wij ook verder als rechtvaardigen en verlosten zouden leven in de hemelse gewesten.

Het eerste voorbeeld waaraan Judas herinnert, is er een dat zij allen goed kenden. Het betreft het volk Israël dat bij zijn uittocht uit Egypte de wonderen van God had meegemaakt en zijn stem had gehoord, maar later in de woestijn ongehoorzaam was, de Heer en zijn dienstknechten niet meer geloofden en al mopperend God verzochten. Hun oordeel bleef niet uit, want allen die 20 jaar en ouder waren toen zij uit Egypte trokken, kwamen in de woestijn om. Zelfs Mozes en Aäron gingen het beloofde land niet binnen. Alleen Jozua en Kaleb mochten er wonen, want zij hadden zelfs in de kritische momenten in geloof op de Heer vertrouwd en dit ook uitgesproken. God had meer beloften aan Israël gegeven dan alleen zijn woord dat het uit Egypte zou trekken. Hij had ook gesproken dat zijn volk het land vloeiende van melk en honing zou binnengaan en daar als overwinnaars in rust zouden leven. Deze laatste belofte hielden zij niet in geloof vast. Zo zijn er naamchristenen die wel de schuldvergeving willen aannemen, maar niet geloven in de rijkdommen van behoud en heerlijkheid die verder zijn toegezegd.

De val van een troonengel

‘En de engelen die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij voor het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien in de duisternis in verzekerde bewaring gesteld’ 6.

Het tweede voorbeeld neemt Judas uit de engelenwereld. Deze geestelijke wezens zijn allen door God goed en volmaakt geschapen. Hij was hun begin. Hij gaf hen zijn wetten mee en bepaalde de plaats die zij in zijn plan zouden innemen. Niet alle engelen bleven echter trouw aan de gedachten van God. Toen de mens geschapen werd, wisten zij dat zij allen uitgezonden waren in dienst van hen die het volmaakte zouden ontvangen. Zij wisten dat God plannen had was met de mensen en dat God, die geest is, met de mens geestelijk contact wilde. Toen werd een gedeelte van de engelen ontrouw en verloor daardoor het contact met God, die leven is en licht. In het vervolg waren zij aan dood en duisternis voor eeuwig gebonden en hun werk was ontbinden en verderven. Zij verlieten hun eigen woning, de hemelse sfeer en zochten contact met de mensen, niet om hen te dienen, maar om over hen te heersen en wanneer mogelijk in hun leven de plaats in te nemen die God zichzelf had toegedacht. Zij zetten nog steeds hun vreselijke werk voort, maar alleen tot hun veroordeling op de grote dag. Dan zullen zij worden geworpen in de vuurpoel. Zoals de ware christenen die in gerechtigheid en waarheid leven voor Jezus Christus ‘bewaard’ zijn (zie vers 1), zo worden deze onheilige engelen tot de oordeelsdag ‘bewaard’ voor de poel van vuur.

Sodom en Gomorra

‘Ook is het met Sodom en Gomorra en de steden eromheen, die op dezelfde wijze als zij hoererij bedreven hebben en ander vlees achterna zijn gegaan. Zij liggen daar als een waarschuwend voorbeeld, doordat zij de straf van het eeuwige vuur ondergaan’ 7.

Het derde voorbeeld van ongehoorzaamheid en straf wordt ontleend aan de steden Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid, Adama en Zeboïm, van wie bewoners de wetten van God overtraden en slechts leefden voor eigen wellust en om elkaar te behagen. Ze deden dit in zorgeloze rust. De streek van deze steden was rijk en vruchtbaar, de inwoners leefden in een welvaartsstaat in ‘overdaad’. Zij waren arrogant en trots en in ‘zorgeloze rust’ gaven zij zich over aan hun gruwelijke zonden, zonder zich verder te bekommeren om de ingeschapen wetten van God en de gedachten van God over de mens (Ez.16:49-50). Ook kenden zij geen medelijden en barmhartigheid. Het ‘nalopen van ander vlees’ wijst op homoseksualiteit van de Sodomieten, dus op het geforceerd toegeven aan tegennatuurlijke lusten, wat een gruwel is in het oog van God. Het oordeel is over hen gekomen en nog altijd wijst de Zoutzee (of Dode Zee) waarin geen enkel leven wordt gevonden, de plaats aan, waar het oordeel is voltrokken.

Het voorbeeld van Sodom en Gomorra is duidelijk. Zoals de engelen in de voortijd deden in de geestelijke wereld, waar zij zich verbonden met de geesten van mensen, zo zochten de inwoners van Sodom een onnatuurlijke omgang met hun eigen seksegenoten. Zoals de vuurpoel het einde van de engelen zal zijn, zo was verbranding en vernietiging in de zichtbare wereld het einde van deze steden.

Dwaalleraars

‘Niettemin bezoedelen deze dromers ook nu op dezelfde wijze hun lichaam en zij verwerpen het gezag en lasteren alles wat eer toekomt’ 8.

Zo gaan ook deze mensen, die in de gemeente van Jezus Christus zich hebben binnen gedrongen en die zich misschien wel opwerpen als leraars en profeten, een vleselijke weg. Zij leven niet als burgers in het Koninkrijk van de hemelen, maar naar het vlees en de begeerten die van deze aarde zijn. Om zich nog een tintje van geestelijkheid te geven vertellen zij hun dromen, zoals ook de valse profeten in de dagen van Jeremia deden (lees vooral Jer.23:25-32). Verder zijn deze dromenzieners en breedsprakige leden, voor het volk van God totaal nutteloos, zoals Jeremia zegt. Zij leven naar het vlees en brengen ook de vruchten van het vlees voort (Gal.5:19-21).

Ook de profeet Ezechiël vergelijkt het ontrouwe Jeruzalem met de inwoners van Sodom en Gomorra. Hij verwijt hen dat hun zonden nog groter zijn (Ez.16:47). Zij hebben immers meer kennis en rijkere beloften ontvangen en als ze deze negeren en niet in geloof aanvaarden en ernaar handelen, zullen zij een veel zwaarder oordeel ontvangen. Zij verwerpen alle gezag: in de eerste plaats erkennen zij Jezus niet als Heer en luisteren niet naar zijn stem. Ten tweede luisteren ze ook niet naar de vermaningen van de voorgangers van de gemeente. Zij hebben geen behoefte aan de doop met Gods Geest of aan de ontwikkeling van de geestelijke gaven, zodat zij de volmaaktheid niet bereiken en de heerlijkheid met Christus niet delen.

Het lichaam van Mozes

‘Michaël, de aartsengel echter durfde, toen hij met de duivel redetwistte en een woordenwisseling had over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uit te brengen, maar zei: Dat de Heer u mag straffen!’ 9.

Judas spreekt nog steeds over mensen die wel het bloed van Jezus tot vergeving hebben aangenomen, maar toch niet leven als vernieuwde christenen. Zij geven zich dan nog vaak uit voor leraar of dienaar van God en stellen zich zo boven de ander, dat zij veroordelend of lasterend spreken over de heerlijke weg van God en over degenen die daarop wandelen. Zelfs de heilige engelen – die zeer nauwkeurig zijn in het volbrengen van Gods wil in de hemelse gewesten – zullen zo’n veroordelend vonnis niet eens uitspreken. Dit schreef ook Petrus in 2 Petrus 2:11:

  • ‘Terwijl zelfs engelen, in kracht en macht toch hun meerderen, het niet aandurven om die machten namens de Heer te beschuldigen en te veroordelen’.

Judas neemt nu als voorbeeld de aartsengel of archangel Michaël, de enige grote vorst (zie Dan.10:1-3) die met deze bijzondere naam wordt aangeduid. Aartsengel of archangel betekent voornaamste engel. Men heeft dit woord ‘aarts’ ook in aartsbisschop en aartsbedrieger. Van deze hemelvorst wordt in Daniël 12:1 gezegd, dat hij de zonen van Gods volk bij staat. Hij is met het volk Israël meegetrokken in de woestijn en had een speciale opdracht om de leider van het volk, Mozes, te beschermen en bij te staan. Van nature, dus zoals hij vroeger was en leefde, was Mozes een opvliegend man, die gemakkelijk driftig werd. Toen hij in Egypte in de macht kwam van zo’n driftbui, doodde hij een Egyptische opzichter die iemand van zijn broeders, sloeg (Ex.2:11) Maar in de leerschool van God werd hij tot een man, van wie de Bijbel getuigt, dat de man Mozes zachtmoediger was dan enig mens op de aarde (Num.12:3). Hij onderging met groot geduld de kritiek en tegenstand van het volk. Tòt op een gegeven moment het volk opnieuw met hem ruziede over het gebrek aan water. De Israëlieten verweten Mozes dat hij hen opzettelijk weggehaald had uit een rijk land om hen in de woestijn met hun vee te laten omkomen. Ondanks hun opstand wilde God toch water geven en Hij beval Mozes tegen de rots te spreken. Hiervoor was zelfbeheersing nodig. Toen greep de driftmacht Mozes na zoveel jaren weer aan.

Michaël wilde tussen beiden komen en hij ruziede met de duivel, zodat deze het lichaam van Mozes niet zou gebruiken. Als Mozes echter zijn zelfbeheersing verliest en zich openstelt voor deze demon, kan Michaël hem niet helpen en ondersteunen of deze macht tegenhouden. Deze aartsengel stond Mozes bij, maar hij sprak geen veroordelend vonnis over Mozes uit. Hij gaf de beoordeling van Mozes over aan God en zei toen: ‘Mag de Heer u straffen!’ Uit het vervolg van het verhaal blijkt, dat God geen aanzien van de persoon kent en ook van zijn trouwe dienaar gehoorzaamheid verwachtte. Ook Mozes en Aäron stierven in de woestijn vanwege hun ongehoorzaamheid. Praktisch alle uitleggers menen dat Michaël tot de duivel sprak: ‘Mag de Heer u straffen’. Omdat Michaël zo vaak in strijd gewikkeld is met de duivel, lijkt ons dit onwaarschijnlijk. Dan had Michaël bij wijze van spreken deze woorden dagelijks kunnen uitspreken. De duivel kende echter zijn straf en zijn verstoting was bekend.

‘Maar deze mensen lasteren alles waarvan zij geen kennis hebben en met de dingen die zij, net als de redeloze dieren, van nature wel begrijpen, richten zij zichzelf te gronde’ 10.

Deze niet vernieuwde mensen zijn nog vleselijk en een geestelijk leven kennen zij niet, zodat zij onmogelijk over geestelijke kinderen van God of over de heerlijkheden die God geeft en die Hij voor zijn kinderen gemaakt heeft, een oordeel kunnen vellen. Zij kennen alleen een natuurlijk leven, dat dan nog beïnvloed en misbruikt wordt door de machten van de duisternis. Vanaf dit niveau willen ze over anderen een oordeel vellen. Ze zijn goed op de hoogte met eten en drinken, seks en ook met de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven. Omdat hun leven daarmee vervuld is, gaan ze er zelfs aan ten onder en willen zij door hun lasterend spreken ook anderen omlaag trekken. Vanuit hun aardsgerichte gedachteleven beoordelen zij dus opnieuw geboren christenen met het enig gelegde Bijbels fundament.

Kaïn en Abel

‘Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn ingeslagen en hebben zich om loon in de dwaling van Bileam gestort en zijn door het tegenspreken als van Korach omgekomen’ 11.

Judas laat nog een keer een waarschuwend ‘wee hun!’ horen. Zij konden beter weten, want ze hebben het evangelie gehoord, maar wanneer ze daarnaar niet luisteren, doen ze als Kaïn, die ook gewaarschuwd was en die wist, dat wanneer hij wél deed, er bevrijding was. Toch volhardde deze in zijn boosheid. Dit kan ook gezegd worden van Bileam, die ook gewaarschuwd was, maar die toch de wens naar een financiële beloning niet los wilde laten. God hield hem tegen om het volk te vervloeken, maar toen gaf Bileam aan Balak de raad om Israël te laten zondigen (Num.25 en 31:16). Ook Korach en zijn vrienden Dathan en Abiram verzetten zich in de woestijn tegen de raad van God, die Mozes en Aäron als leiders van het volk had aangesteld. Zij zeiden heel vroom: ‘Alle leden van de gemeenschap zijn heilig en de Heer is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de Heer verheven?’ (Num.16:3). Zij verwierpen daarmee wat gezag heette (vers 8). God strafte de aantasting van het gezag van zijn dienstknechten zwaar, zodat Korach, Dathan en Abiram levend naar het dodenrijk voeren toen de aarde zich opende.

‘Deze mensen zijn schandvlekken bij uw liefdemaaltijden. Als zij met u de maaltijd gebruiken, doen zij zichzelf schaamteloost te goed. Zij zijn wolken zonder water, die door de winden heen en weer gedreven worden. Zij zijn als bomen in de late herfst, zonder vrucht, tweemaal gestorven en ontworteld’ 12.

Judas schildert – net als Petrus – deze christenen die in ongerechtigheid en leugen leven, af als schandvlekken bij hun maaltijden. Ook Petrus schrijft in 2 Petrus 2:13 over schandvlekken en smetten bij de gezamenlijke feestvieringen. Judas noemt in het bijzonder de liefdemalen waarbij de gemeente tot ongeveer de vierde eeuw samen kwam om in de verzamelplaats samen de maaltijd te gebruiken en avondmaal te vieren (zie 1 Cor.11:20). Hier kwam de onderlinge liefde,  saamhorigheid en eenheid sterk naar voren. Het maakte zulke maaltijden tot een feest. Dit soort christenen hoorden hier echter niet thuis, want hun leven was niet in overeenstemming met de geboden van Jezus Christus. Zij kwamen dan ook met grote brutaliteit om zichzelf vol te eten, bekommerden zich niet om hun medechristenen en hadden geen enkele positieve inbreng. Het woord ‘schandvlekken’ betekent letterlijk ‘een verborgen rots onder water’ waarop een schip te pletter loopt. Daarom noemt Judas hen ook wolken die geen water geven. Regen was in Israël een belangrijke zaak, omdat hij vruchtbaarheid, groei en zegen bracht. Wanneer mensen een wolk zagen naderen, waren zij uitgelaten en blij. Denk aan Elia op de Karmel, toen zijn knecht een wolkje ter grootte van een hand aan de horizon zag. Groot was dan de teleurstelling wanneer de wind de wolk voorbij joeg, zonder dat er een druppel regen viel. Zo brachten ook deze mensen geen enkele zegen in de gemeente, geen hulp en geen opbouw, want Satans demonen joegen hen op en zij brachten alleen maar teleurstelling en verwarring.

Wat is onze inbreng in de gemeente?

Sommige mensen zijn al langere tijd in de gemeente, maar zij zijn als bomen die zelfs in de late herfst, de uiterste termijn om vrucht voort te brengen, nog geen goede opbrengst opleveren. Zij zijn met Christus gestorven en met hem opgestaan tot een nieuw leven, maar zij hebben dit nieuwe leven weer verloren. Door Jezus worden zij vergeleken met zaad dat op de rotsbodem valt, een poosje groeit, maar dan weer sterft zonder vrucht voort te brengen (Luk.8:13). Petrus zegt ervan in 2 Petrus 2:20:

  • ‘En als zij die zich door hun kennis van onze Heer en redder Jezus Christus hebben losgemaakt van het vuil van de wereld, daar weer in verstrikt raken en er opnieuw door worden beheerst, zijn ze er erger aan toe dan voorheen’.

Voor hun bekering waren ze dood en nu zijn ze weer dood. Wij concluderen hieruit dat de Bijbel het mogelijk acht dat heiligen weer kunnen afvallen. Toen deze mensen Jezus aanvaard hadden, werden zij overgeplant in zijn Koninkrijk en konden zij hun wortels uitslaan in de liefde van God (Ef.3:17), maar na korte tijd lieten hun wortels de rijke voedingsbodem los en verdorden zij.

‘Zij zijn wilde golven van de zee, die hun eigen schanddaden opschuimen, dwaalsterren, voor wie de diepste duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt’ 13.

Judas vergelijkt hen met hoog opgejaagde golven in de zee, waarvan het witte schuim beeld is van hun zonde die openbaar wordt. Het zijn twijfelaars die hun vast geloof kwijt zijn en opgejaagd worden door de demonen. Jacobus zegt dat de ware christen moet bidden in geloof zonder te twijfelen (Jac.1:6-8). Judas vergelijkt ze tenslotte met dwaalsterren of meteorieten, die zich door het luchtruim bewegen zonder vast doel of richting. De verschrikkelijke conclusie is dan, dat zulke mensen naar de ondergang snellen, omdat zij zich voor eeuwig verbonden hebben met de leugen en met zondemachten die hen meevoeren naar de buitenste duisternis of absolute duisternis, het diepste punt in de afgrond. Zij hadden immers de duisternis liever dan het licht. Petrus zegt van hen dat het beter was, dat zij geen kennis hadden gekregen van de weg van de gerechtigheid dan met die kennis zich af te keren van het heilig gebod dat hun overgeleverd is (2 Petr.2:21).

Henochs hemelvaart

‘Ook over hen heeft Henoch, de zevende vanaf Adam, geprofeteerd, toen hij zei: Zie, de Heer is gekomen met Zijn tienduizenden heiligen, om over allen de vierschaar, het oordeel te vellen en alle goddelozen onder hen terecht te wijzen voor al hun goddeloze daden, die zij op goddeloze wijze bedreven hebben en voor al de harde woorden die zij, goddeloze zondaars, tegen Hem gesproken hebben. Zij zijn het die morren, die klagen over hun lot, die naar hun eigen begeerten wandelen. Hun mond spreekt hoogdravende woorden, terwijl zij mensen naar de ogen zien ter wille van voordeel’ 14-16.

Er staat letterlijk: ‘Henoch, zevende van Adam’ want ook Lamech hoorde via Kaïn bij de zevende generatie. Toen al, zo vroeg in de geschiedenis, heeft de Heer aan Henoch – die zelf rechtvaardig leefde en die zich bezig hield met het probleem van de zonde – een getuigenis gegeven. God maakte deze profeet duidelijk dat er een oordeel zou gaan over alle mensen. Henoch zelf kreeg het getuigenis dat hij een rechtvaardige was en hij mocht dan ook zonder te sterven het nieuwe Jeruzalem binnengaan. De zonde zou niet ongestraft blijven, maar de Heer zou komen met zijn heilige tienduizendtallen om over allen het vonnis uit te spreken. Onder de vierschaar (NBG 1951) verstond men in de middeleeuwen de vier schepenbanken (schepen of rechter). Met spannen – dat is sluiten – bedoelde men waarschijnlijk het met een touw omgeven van de banken, waarbinnen de beschuldigde stond. Het vonnis werd tussen deze touwen uitgesproken. Ook de afvallige christenen zouden in het dodenrijk terecht komen en op de oordeelsdag zou blijken dat hun namen niet meer geschreven stonden in het levensboek.

‘De Heer met zijn heilige tienduizendtallen’ is Christus met zijn gemeente, die zit op de grote witte troon, waarvan Openbaring 20:11 spreekt, om te oordelen. De tienduizenden zijn dus geen engelen, maar het volk van God. Paulus schreef: ‘Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?’ (1 Cor.6:2). De vraag komt naar boven hoe Judas aan deze profetie van Henoch kwam. Ze staat niet in de Bijbel. Er bestaat wel een apocrief boek van Henoch, waar deze woorden voorkomen. Men kan echter niet met zekerheid beweren dat Judas zijn kennis aan dit boek ontleende.

Tenslotte wordt erop gewezen, dat het oordeel van God niet alleen gaat over wetteloze werken, maar ook over de wetteloze woorden die gesproken zijn. Jezus waarschuwde: ‘Van elk nutteloos woord dat mensen spreken, zullen ze op de dag van het oordeel rekenschap moeten afleggen. Want op grond van je woorden zul je worden vrijgesproken en op grond van je woorden zul je worden veroordeeld’ (Matth.12:36,37). Het is dus belangrijk om op onze woorden te letten en niet zo maar wat te kletsen. Judas spreekt hier over de ontevredenen, die altijd vol kritiek zijn en vol zelfbeklag. Ze zijn zwak van geest en stellen hun vertrouwen ook niet op Gods Geest, maar zij geven toe aan allerlei verlangens en lusten, die door misleidende geesten worden opgewekt. In de gemeente zoeken zij geen contact met geestelijke mensen, maar zij letten op de leden die rijk zijn of invloedrijk en die hen voordeel kunnen bezorgen. Tegenover hen hebben zij geen kritiek op de levenswandel, maar zij slijmen met hen en zij doen zichzelf voor als heel vrome mannen, die rijke geestelijke ervaringen hebben, waardoor zij dus denken dat deze leden hen eerder zullen accepteren. Zij noemen zich bijvoorbeeld graag ‘gezalfden van de Heer’ of ‘mannen van God’, spreken over hun visioenen en over hun bijzondere openbaringen die zij van ‘hun Heer’ ontvingen. Zo verblinden zij de ogen en proberen hieruit munt te slaan en zichzelf te bevoordelen.

Roeping van de gelovigen

‘Maar u, geliefden, herinnert u zich de woorden die voorzegd zijn door de apostelen van onze Heer Jezus Christus, dat zij u gezegd hebben dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun eigen goddeloze begeerten wandelen’ 17,18.

We hebben gezien dat Judas eerst op allerlei manieren waarschuwt voor hen die wel in de gemeente zijn, maar die niet als rechtvaardige en geestelijke mensen wandelen naar het plan van God. Nu richt hij zich tot de geliefden, d.w.z. tot hen die wél als geestelijke mensen willen leven. Het woordje ‘maar’ geeft een scherpe wending aan zijn betoog, zoals Paulus wel eens schreef: ‘Maar u bent totaal anders’.

Judas herinnert de oprechte broers en zusters eraan, dat hij niet de eerste is die hen wijst op het gevaar, dat de vleselijke broers en zusters in de gemeente brengen. Ook andere apostelen hebben daarvoor gewaarschuwd. Paulus schreef in 1 Cor.3:1-3 over zulke natuurlijke christenen, die hoewel ze zelfs geestelijke gaven bezaten, toch vleselijk leefden en die de oorzaak waren van jaloezie, ruzie en verdeeldheid. Ook in 2 Tim.3:1-9 waarschuwt deze apostel voor de manier van leven van christenen ‘met een zieke geest en een onbetrouwbaar geloof. Judas gebruikte dezelfde uitdrukking als Petrus, die voorspelde dat er aan het einde van de tijd spotters zullen komen, die hun eigen begeerte volgen (2 Petr.3:3). Zij trokken zich dus van het herstel van de gemeente weinig aan, maar handelden buiten de broeders om naar eigen goeddunken. Hoewel ze zeggen bij de gemeente te horen, zijn hun begeerten goddeloos, doordat ze beïnvloed worden door de machten van de duisternis en zij zich niet houden aan de wetten en regels van God.

Nu zijn er altijd al zulke huichelachtige en innerlijk verdeelde gasten in de gemeente geweest, maar speciaal ‘in de tijd als hij op het laatst is’, wanneer de gemeente zich naar de volmaaktheid gaat ontwikkelen, zullen deze dubbelhartige mensen zich duidelijker openbaren. Een waarschuwing ook voor de gemeente van nu. Het verschil wordt immers groter. Vroeger leerde men immers dat allen zondaars bleven en zelfs de beste werken met zonde waren bevlekt, naar in de eindtijd worden de zonen van God geopenbaard, die de duivel overwinnen en die naar de wetten van God leven.

‘Zij zijn het die scheuringen veroorzaken, natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben’ 19.

Paulus zei al in 1 Cor. 1:10 dat zulke mensen de oorzaak waren van haat en ruzie en dat zij door hun verdeeldheid scheuringen veroorzaakten. Zij werden niet geleid door de Woorden van God en Gods Geest, die naar eenheid voeren, maar door hun natuurlijke begeerten gedreven. Zij bleven bij de aarde en werden geen geestelijke mensen en veroorzaakten zo spanningen en scheuringen in de gemeente.

‘Maar u, geliefden, bouw uzelf op in uw allerheiligst geloof en bid Gods Heilige Geest, bewaar uzelf in de liefde van God en verwacht de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, tot het eeuwige leven’ 20,21.

Weer richt Judas zich tot de ‘geliefden’, tot degenen die werkelijk in Christus zijn en in het Koninkrijk van God willen leven. Judas geeft nu duidelijke aanwijzingen hoe de ware kinderen van God zich op moeten stellen in de geestelijke wereld. In de eerste plaats moeten zij zichzelf bewaren in de liefde van God. Hoe blijft een leerling hierin? Op dezelfde manier als Jezus, door de wil van de Vader te bewaren, dus te leven naar zijn ingeschapen geweten (Joh.15:9-10). Wij blijven in de liefde van God door Hem gehoorzaam te zijn, zoals een kind t.o.v. zijn ouders. Worden wij ongehoorzaam, dan keren wij ons af van de positieve instelling van God en zoeken contact met het rijk van de duisternis.

Ten tweede draagt daartoe bij dat wij onszelf opbouwen in ons allerheiligst geloof. Dit is het geloof dat zich alleen richt op de woorden van God en geen dwaling of leugen in het denken toelaat. Hoe meer men de beloften en woorden van God het geloof aanvaardt en belijdt, hoe meer het geloof groeit en opgebouwd wordt. Het is dus erg belangrijk voor het kind van God de Bijbel te leren kennen en te begrijpen. Ook werkt het bidden met Gods Geest mee aan de opbouw van het geloof. Dit is een bezig zijn in de hemelse gewesten onder leiding van God en Jezus zelf. Bij dit alles moeten wij de hoop vasthouden die op het eeuwige leven is gericht. In zijn barmhartigheid en ontferming heeft Jezus immers toegezegd dat wie in Hem gelooft, het eeuwige leven zal erven. De Heer zei: ‘Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in hem gelooft, eeuwig leven heeft’ (Joh.6:40, zie ook 17:2).

‘En ontferm u over sommigen en ga daarbij met onderscheid te werk. Red anderen echter met vrees en ruk hen uit het vuur. U moet ook het onderkleed dat door het vlees bevlekt is haten’ 22,23.

Nu geeft Judas een aanwijzing hoe de ‘sterke’ zich op moet stellen tegenover de ‘zwakke’ broeders. Hij zegt dat zij medelijden moeten hebben met christenen die nog op bepaalde punten twijfelen, die dus geen overwinning hebben. Dezen zullen dan weer geloven en dan zien ze het wel weer zitten. Judas wijst aan dat deze mensen in ‘het vuur’ zijn en hij wekt de geliefden op hen te helpen en te ondersteunen, zodat ze uit het vuur gerukt worden en op vaste grond terecht komen. Als dit lukt, is er weer een broeder of zuster gewonnen voor de redding. Tegenover degenen die in zonde leven, moet de gemeente zich anders opstellen. Men moet niet hard tegenover hen zijn, maar zich wel van hen distantiëren, dus afstand van hen nemen om ook niet besmet te worden en geen deel te hebben aan hun ongerechtigheid. Misschien zullen deze mensen, wanneer zij merken dat zij alleen komen te staan en niet langer geaccepteerd worden in de gemeente, tot inkeer komen. Paulus drukt het zo uit:

  • ‘U moet die persoon aan satan uitleveren. Dan gaat zijn huidige bestaan verloren, zodat hij zal worden gered op de dag van de Heer’ (1 Cor.5:5).

Lofprijzing

‘Aan Hem nu Die bij machte is u voor struikelen te bewaren en u smetteloos te stellen voor Zijn heerlijkheid, in grote vreugde, de alleenwijze God, onze Redder, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, nu en in alle eeuwigheid. Amen’ 24,25.

Judas eindigt met een loflied, waarbij hij tegelijkertijd de kinderen van God bemoedigt. De verheerlijking is bestemd voor en gaat alleen over de enige God, die luister, majesteit, kracht en macht nu en in alle eeuwigheden toekomt door het werk van Jezus Christus. Wanneer er staat ‘nu en in alle eeuwigheden’ zouden wij dit ook kunnen vertalen door ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’. Het is deze God en deze Heer die ons voor struikelen kan behoeden door ‘te blijven in Hem’, dat is Jezus Christus. Wanneer wij acht geven op zijn Woord en luisteren naar de leiding van Gods Geest en blijven in de gezindheid van Jezus Christus, zal de Geest ons opmerkzaam maken op alles wat de duivel op onze weg legt om ons te laten vallen. Wij zullen echter door de kracht van God blijven staan en door Hem geleid het einddoel bereiken, zodat wij deel krijgen aan zijn heerlijkheid en in jubelende vreugde zullen staan voor de Mensenzoon in zijn majesteit. Dit zal vast en zeker gebeuren; vandaar dat Judas besluit met het woordje: ‘Amen’.