13. De onzekerheid van het leven

<<<<<

Jacobus 4:13-17

13: ‘En nu dan u, die zegt: Wij zullen vandaag of morgen naar die en die stad reizen en daar een jaar doorbrengen en handeldrijven en winst maken’.

Wij mogen niet naar onze eigen wens beschikken over het leven van onze broer, man, vrouw of kind, maar ook niet over ons eigen leven. Wanneer wij kinderen van God zijn, heeft de Heer de leiding en de supervisie over ons doen en laten. Wij mogen er niet naar eigen inzicht over heersen. Als voorbeeld neemt Jacobus hier de gedachten van een oosterse koopman, die van plan is een grote reis naar het westen te ondernemen en steden te bezoeken zoals Corinthe, Alexandrië of Rome. Hij heeft alles van tevoren uitgestippeld en gepland, zowel wat zijn zaken doen als wat zijn tijd betreft.

Met de uitspraak: ‘Vandaag of morgen zullen wij reizen naar die of die stad; een jaar zullen wij daar blijven’, typeert hij een hoogmoedige mentaliteit die beschikt over eigen leven en over dat van zijn ondergeschikten die hem zullen vergezellen. Hij gaat ervan uit dat hun ‘morgen’ even zeker is als hun ‘vandaag’ en dat hijzelf over een jaar van hun leven mag beschikken. Ook in de gemeente waren zulke plannenmakers, die helemaal in het natuurlijke leven opgingen, om naar eigen inzicht zaken te doen en winsten te maken. Zij hielden geen rekening met God en Zijn doel met hun leven en tijd.

God wil echter niet dat zijn kinderen naar eigen inzichten leven en vrijelijk over hun tijd beschikken. Zo zal de gelovige in onze tijd misschien zijn vakantie, zijn nachtrust, of zijn vrije tijd wel eens moeten opofferen, of zijn huis moeten openstellen, omdat de Heer hem een bepaalde taak of opdracht geeft. Misschien moet hij een gezellige samenzijn met familieleden of vrienden afzeggen om zijn plaats in de gemeente in te nemen. Het kan echter ook zijn dat hij de samenkomst van de gemeente niet kan bijwonen, omdat hij een ziek, gebonden mens moet helpen en bijstaan.

‘Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?’

De gouden regel voor de christen is: leef hier en nu! Hij kan wat het natuurlijke leven betreft zo weinig vooruitzien dat de Heer vermaant:

  • ‘Maak u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad’ (Matth.6:34).

Daarom is het rustgevend om de toekomst te leggen in de handen van de Heer, die de tijden en gelegenheden overziet. De psalmist zei: ‘Mijn tijden zijn in uw hand’ (Ps.31:16). De Heer kent de situaties die op ons af zullen komen en de geestelijke invloed en druk waaraan wij bloot zullen staan. Wanneer wij aan zijn leiding gehoorzamen, zal Hij ons precies tussen alle verborgen klippen door loodsen en in veilige havens brengen. Voor wie zich zo richt naar de wil en de wet van God, geldt de beschrijving uit Psalm 1, dat hij is als een boom die geplant is aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, waarvan het loof niet verwelkt. Voor hem is dan de toezegging: ‘Alles wat hij onderneemt, lukt’.

Wie de Goddelijke leiding in zijn leven aanvaardt, verliest zich niet meer in het maken van toekomstplannen. Zijn zekerheid ligt ook voor de komende tijd in zijn leven met God onder leiding van Gods Geest. Toch sluit deze leiding het eigen initiatief niet uit en het maakt ook de overwegingen van de menselijke geest niet overbodig. Zij geeft de zekerheid dat de gelovige op het kritieke en belangrijke ogenblik de stem van God in zijn binnenste zal horen en dat de inwonende Geest hem dan in de juiste koers zal leiden. Zo neemt de ware christen met de kennis en de wijsheid die hij ontvangen heeft, zijn beslissingen en maakt hij zijn plannen. Hij staat echter altijd open voor een koerswijziging onder leiding van Gods Geest. Zo lezen wij van Paulus dat hij zich voornam naar Bithynië te reizen. Toen hij echter zijn plan wou uitvoeren, verhinderde de Geest van Jezus hem dit te doen (Hand.16:7).

Wanneer de mens niet de beschikking heeft over eigen leven, betekent dit ook, dat hij zijn leven niet zelf mag beëindigen of zelfmoord plegen. God alleen is Heer van zijn leven. Wie de hand aan zichzelf slaat, voldoet aan de dwang van demonen, die het hoogste vragen wat de mens heeft, namelijk zijn leven. Zelfmoord is een offer aan de demonen en God wil niet dat wij gemeenschap hebben met occulte demonen. Hij wil ons juist van hen bevrijden door de kracht van zijn Geest, ons leven herstellen en heerlijk maken.

14,15: ‘U, die niet weet wat er morgen gebeuren zal, want hoe is uw leven? Het is immers een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt. In plaats daarvan zou u moeten zeggen: Als de Heer wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen’.

Wij zelf zijn beperkt in het overzien van tijden en situaties en weten niet wat morgen gebeuren kan. De Spreukendichter zegt: ‘Beroem u niet op de dag van morgen, want u weet niet wat een dag kan baren’ (Spr.27:1). Men weet zelfs niet of de dood misschien morgen zal toeslaan. Jacobus vergelijkt nu het leven van de mens hier op aarde met een damp of nevel, die slechts een ogenblik gezien wordt en dan weer oplost in onzichtbaarheid. Zo is de mens maar een korte tijd op aarde en bij zijn sterven gaat hij geheel over naar de onzienlijke wereld, waar hij zintuiglijk niet waarneembaar, voortleeft. We weten niet hoe lang wij op deze aarde zullen zijn en weten ook niet hoe snel ons aardse leven wordt afgesneden. Daarom vermaant de Heer ons te bepalen tot het overzien van één dag en ook daarbij moeten wij ons vertrouwen stellen op de leiding van Gods Geest. Zoals een nevel slechts een korte tijd gezien wordt, zo is ons leven slechts een klein fragment van de eeuwigheid. Toch is dit korte ogenblik op aarde door onze woorden en werken bepalend voor onze statuur die wij in de eeuwigheid van het Koninkrijk van God, zullen bezitten.

Het is dus van het allergrootste belang dat wij in die korte tijd in de juiste koers gestuurd worden. De beste richting geeft Jacobus aan door ons deze woorden in de mond te leggen: ‘als de Heer wil, zullen wij leven en dit doen of dat’. Om het accent te leggen op de gedachte dat ons leven in de eerste plaats in Gods hand ligt, wordt ook wel vertaald: ‘Als de Heer wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen.‘ Het gaat er bij Jacobus om op welke manier de mens van zijn korte leven op aarde het meeste geestelijke rendement ontvangt. Wij leggen daarom met deze woorden ons leven in de hand van God, zodat Hij het besturen en gebruiken zal naar zijn wil en wij onbezorgd kunnen zijn, omdat onze hemelse Vader weet wat wij nodig hebben.

‘Deo Volente’??

Natuurlijk is het niet nodig deze woorden telkens als een slogan te gebruiken, zoals kerkgangers te pas en te onpas het woord ‘Deo Volente’ (zo God het wil) in de mond nemen. Dit deden ook de apostelen niet. De adder onder het gras bij dit soort vrome kreten is namelijk dat als een plan niet doorgaat, bijvoorbeeld door ziekte of iets anders vervelends, dit ook de wil van God is. Volgens hun zieke gedachte komt immers van God zowel het goede als het kwade!

Paulus schrijft:

  • ‘Wanneer ik de opbrengst van de collecte afgedragen heb, zal ik over uw stad naar Spanje reizen’ (Rom.15:28), of:
  • ‘Ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië doorgereisd ben’ (1 Cor.16:5).

Hij voegde daar niets bij om aan te tonen hoe diep afhankelijk hij zich wel voelde. Het gaat niet om een dode vorm, maar om de diepe gedachte van een algehele afhankelijkheid ten opzichte van onze God en Schepper en het functioneren in zijn plan.

16,17: ‘Maar nu roemt u in uw hoogmoed. Dit soort roem is slecht. Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor hem is het zonde’.

Wanneer iemand denkt zelf zijn weg wel te kunnen bepalen en zijn tijd te kunnen indelen, is hij hoogmoedig en zijn bluf is ongepast. Zo’n trots mens stelt zich niet onder het bestuur van God of onder de leiding van Gods Geest. Wanneer hij dan terugziet op wat hij gepresteerd, vergeet hij de barmhartigheid van God. Hij zegt: ‘Dit alles heb ik gedaan’ en wanneer hij op de toekomst ziet, pocht hij: ‘Dit alles zal ik doen en nog veel meer’. Zo’n mens zal zich moeten vernederen voor de Heer, zodat Deze hem verhoogt (vers 10).

Er volgt nog een laatste waarschuwing aan broers die volharden in arrogantie en grootspraak. Jacobus heeft hun het goede voorgehouden en wanneer zij daar niet naar luisteren en er niets mee doen, doen ze zonde, dit wel zeggen: zij gehoorzamen de machten van de duisternis en openbaren de werken van Satan. Trouwens iedere christen weet dat hij zich richten moet op de almachtige God, overwegende dat deze alleen het goede, het welgevallige en het volkomene wil (Rom.12:2). Wanneer een mens bewust tegen deze kennis ingaat en nalaat daarnaar te handelen, verzuimt hij goed te doen en dit zal hem aangerekend worden als een verkeerde daad. Johannes schreef:

  • ‘Als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover God’ (1 Joh.3:21).

>>>>>