Jacobus 4:5-10
5: ‘Of denkt u dat de Bijbel tevergeefs zegt: De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid?’.
Jacobus gaat ervan uit dat zijn lezers goed op de hoogte zijn van de uitspraken in het Oude Testament. Hij stelt de vraag: ‘Of denkt u dat de Bijbel tevergeefs zegt?’ De Bijbeltekst waarop Jacobus zinspeelt, vindt men niet rechtstreeks zo in het Oude Testament, maar hij vat enkele teksten samen, wanneer hij zegt, dat God met jaloers verlangen de geest zoekt, die Hij in ons doet wonen. In Genesis 5:6 wordt gezegd dat het gedachteleven van de mens zo verdorven was (geworden) dat God spijt had dat Hij de mens op aarde gemaakt had. God duldde het dus niet langer dat de mens door satans’ demonen beïnvloed en gebruikt werd. In Exodus 20:5 lezen wij in het tweede gebod, dat de Heer jaloers is. Jacobus concludeert uit dit soort uitspraken van de Bijbel dat God, die in ons natuurlijk lichaam een geest doet wonen, deze zonder voorbehoud voor Zichzelf op eist. Het verband met het voorgaande vers is wel duidelijk. God accepteert geen trouwbreuk bij zijn volk. Het mag niet hinken op twee gedachten of op wat voor manier ook verbonden zijn met de machten van de duisternis. In de Canisiusvertaling staat:
- ‘Tot afgunst toe begeert de Geest, die Hij in ons deed wonen’.
In deze versie wordt er dus vanuit gegaan dat in de christen Gods Geest en de menselijke geest een verbinding hebben, die niet door contact met andere geesten verbroken mag worden.
Lezen wat er staat of verstaan wat men leest?
De Statenvertaling heeft echter de volgende lezing:
- ‘De Geest die in ons woont, heeft die lust tot nijdigheid?’
De kanttekenaars gaan van de voorstelling uit dat ‘Gods Geest die in ons woont, strijdt tegen de boze zin van de nijdigheid’. Hoewel deze uitspraak op zichzelf waar is en door de kanttekenaars zijdelings gestaafd kan worden met een aanhaling uit Galaten 5:17, waar staat: ‘Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees’, vinden wij haar toch niet terug in het Oude Testament. Bovendien missen wij in deze vertaling een duidelijk verband met het voorgaande vers.
- Zoals zo vaak in de Statenvertaling blijkt ook hier weer dat deze geschreven is door mensen, die onbekend waren met de geestelijke wereld en niet gedoopt waren met Gods Geest of zelfs vijandig tegenover deze vervulling stonden. Het enige Bijbelse Fundament in eigen leven is vrijwel onbekend!
Het woord ‘jaloersheid’ heeft hier géén ongunstige betekenis. Dit heeft het trouwens ook niet in Numeri 5:11-31 waar de man een Godsoordeel vraagt over het gedrag van zijn vrouw, die hij van echtbreuk verdenkt. Vers 31 zegt: ‘De (jaloerse) man zal vrij zijn van ongerechtigheid’. Wanneer een man zijn vrouw voor zichzelf begeert en haar niet delen wil met, of af wil staan aan een ander, is dit een vorm van jaloersheid die zijn grond vindt in de wet van God en dus niet als ongunstig gekwalificeerd mag worden. Wanneer hij echter het normale sociale contact om deze reden niet aan zijn vrouw toestaat, krijgt zijn jaloersheid een overtrokken en verkeerde tendens. De geest die God in de mens doet wonen, is alleen van Hem. Daarom kan Hij niet dulden dat deze geest contact heeft met andere Hem vijandige geesten.
6: ‘Hij echter geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift: God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade’.
Voor hen die met hun hele hart God liefhebben en niet naar andere geesten luisteren, heeft God een grote rijkdom van genade weggelegd. Petrus schrijft: ‘Wij zijn met kostbare en zeer grote beloften gezegend’ (2 Petr.1:4). Door Gods Geest die zelf ook de belofte van de Vader genoemd wordt, is hun kracht beloofd en de ontplooiing van de geestelijke gaven in hun leven, dus de toerusting om de beloften van het zoonschap en die van het eeuwige leven, te realiseren. Deze erfenis die in de hemelen voor hen is weggelegd, is kostbaar en zeer groot, waardevoller dan alles wat bij de vergankelijke wereld hoort en groter dan iets anders dat wij bedenken kunnen, want:
- ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben’ (1 Cor.2:9).
Jacobus ontleent zijn uitspraak over het geven van grotere genade aan een citaat uit Spreuken 3:34 naar de vertaling van de Septuagint. Zij die met demonen gemeenschap hebben, worden hoogmoedigen genoemd, want zij weerstaan de wil van God. Zo verzette satan zich tegen God en deze keerde Zich van hem af. Hetzelfde doet God met de hoogmoedige mensen, terwijl Hij Zich keert tot hen die aan zijn woord en aan zijn Geest gehoorzaam zijn.
De Mensenzoon was ook gehoorzaam, want Hij liet Zich altijd leiden door het Woord van God en Zijn Geest. God zoekt gemeenschap met de mens, maar hoogmoedigen wijzen haar af. Zij willen niet naar Gods wetten en naar zijn wil leven. De hoogmoedigen gaan een eigen weg en zien niet in dat zij hierdoor verbonden worden met satans demonen, die hen misleiden. Zulke trotsen verheffen zich ook boven hun medemensen en komen daarmee in conflict met het gebod, dat zij hun naaste even lief moeten hebben als zichzelf.
Nederig van hart is men naar de innerlijke mens. Wie bijvoorbeeld onder zijn broers de eerste wil zijn, moet bereid zijn zijn naaste te dienen. Wie toegerust is met geestelijke gaven, is daarmee gesierd om behalve in de zienlijke wereld, ook in de onzienlijke wereld te kunnen helpen. Hij volgt zo zijn Meester die zieken genas, gebondenen bevrijdde en vermoeiden vertroostte en rust schonk. Let wel, Bijbelse nederigheid heeft niets uit te staan met zonde belijden, boete doen, in het stof kruipen of rondlopen met allerlei schuldgevoelens, want hiermee getuigt men van zijn verbondenheid met het rijk van de duisternis. Daar dient men God niet mee! De nederige in de geestelijke wereld moet zich immers verheffen boven de demonen en zijn voeten op hen zetten in de naam van Jezus. Als een waar christen struikelt, zal hij zijn zonden aan God belijden en aan degene tegen wie hij gezondigd heeft. Hij hoeft er dan verder geen openbare show van te maken. God neemt hem dan immers weer in genade aan en hij kan, verzekerd van zijn schuldvergeving, weer in gehoorzaamheid met zijn Heer verder leven.
7: ‘Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten’.
Wanneer wij ons aan God onderwerpen, betekent dit dat wij Hem gehoorzamen. Wij doen dan wat Hij zegt en luisteren niet naar de stem van de duivel die, rechtstreeks of door mensen heen, ons probeert te verleiden en ons op dwaalwegen wil voeren. Met grote kracht en met volharding moeten wij de misleidende inblazingen van de duivel weerstaan, want hoe meer wij erop gericht zijn onderdanig te zijn aan God, hoe meer de duivel op ons zal aanvallen. Wij zullen zijn verzoekingen moeten weerstaan en zijn leugens moeten ontmaskeren met het woord van God, dat altijd positief ten opzichte van de mens is. Zo gaf Jezus het voorbeeld, toen Hij de verzoeker verdreef met de woorden:
‘Ga weg, satan! Er staat immers geschreven..’ (Matth.4:10).
Wij moeten ons aan God onderwerpen in de zekerheid dat deze altijd het goede met ons voorheeft. Wij zullen ons echter verheffen boven de duivel, want wij moeten machtiger zijn dan hij, om hem te kunnen overwinnen en zijn beïnvloeding buiten ons leven te houden. De duivel komt met verleugening, verleiding, pressie, ziekte, intimidatie en bang makerij. Door de kracht van Gods Geest in ons, zijn wij in staat hem van ons te weren. Wie zich bewust is van zijn koninklijke en priesterlijke kracht en waardigheid in de hemelse gewesten, zal door middel van het gebruik van de geestelijke gaven, van zijn geestelijke wapenuitrusting waaronder het woord van God dat hij als een zwaard gebruiken mag, de duivel doen vluchten, dat is tot een snelle aftocht dwingen.
‘Hij kon geen standhouden’
Duidelijk valt hier te lezen, wie de vijand van de mens is. Er staat niet: weersta het zondige ‘ik’, de verkeerde begeerten, maar: verzet u tegen de verleider, de lasteraar en aanklager, want hij is de enige en ware vijand van God en van de mens. De stellige belofte is, dat hij wijken moet, zoals er staat: ‘Hij kon geen standhouden’ en ‘zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis’ (Op.12:8,11). In onze korte en krachtige tekst wordt wel duidelijk aangegeven tegen wie wij telkens weer in de geestelijke wereld hebben te strijden en wordt ons de belofte geschonken dat wij zullen overwinnen.
8: ‘Nader tot God en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, zondaars en zuiver de harten, innerlijk verdeelden!’.
Jacobus zegt: ‘Treedt nader tot God’. Hij legt dus het volle accent op de daad van de mens. Deze moet zich richten tot een barmhartige en goede Vader, die door zijn Zoon eenmaal zei:
- ‘Bid en u zal gegeven worden; zoek en u zult vinden; klop en u zal open gedaan worden’ (Matth.7:7).
- God wacht op de mens en Hij zegt: ‘Wie dorst heeft, komt en wie wil, neemt het levenswater voor niets’ (Op.22:17).
- Ook zegt Hij: ‘Kies dan heden, wie u dienen zult’ (Joz.24:15).
Wanneer de mens God zoekt, zal deze Zich laten vinden en Hij zal hem zelfs tegemoet treden, tot hem naderen met zijn genade, heil en heerlijkheid.
Vroom gekruip
Er is een wereldwijde dwaling die leert, dat de mens op God moet wachten. Men spreekt zelfs: ‘Och, mocht het de Heer behagen om mij te bekeren en mij te redden’. Deze passiviteit is voor God een gruwel. Jezus zegt: ‘Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast bent’. Met deze vermaning ‘nader tot God’ bedoelt de broer van de Heer niet een tempelgang, want deze was voor de meesten van zijn lezers niet mogelijk. Hij doelt ook niet op een uiterlijk vertoon, maar op een ‘gelovig gebed’, zoals hij dat in hoofdstuk 5:15 onder meer behandelt. Bidden is immers bezig zijn in de hemelse gewesten. Paulus schreef: ‘ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand’ (1 Cor.14:15).
Bij het bidden in de geest of in talen, spreekt de mens rechtstreeks tot God. Ook wanneer hij op deze manier God nadert kan hij ervan verzekerd zijn, dat God ook tot hem zal naderen en de bidder zal Gods gemeenschap en ontferming ervaren. Om tot God te naderen, moet men ‘geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem serieus zoeken’ (Hebr.11:6). Ook is het noodzakelijk om bij het aanroepen van de naam van de Heer, te breken met iedere vorm van ongerechtigheid (2 Tim.2:19).
De ‘handen reinigen’ is beeld van het ophouden met zondige werken te doen. Jacobus richt zich hier dus opnieuw tot christenen die in zonde leven. Wanneer zij hun hart zuiveren, betekent dit dat zij hun innerlijke mens losmaken van demonen en zich alleen en voortdurend richten op de Heer. Wanneer men nu weer eens gehoorzaamt aan God en dán weer luistert naar de duivel, is men innerlijk verdeeld en niet één. Men heeft dan als het ware twee zielen, zoals er letterlijk staat. Zo’n persoon moet niet denken dat hij iets van de rijkdommen van het Koninkrijk van God zal ontvangen (vergelijk 1:8, 3:11,12 en 4:4).
Jacobus zegt steeds weer dat een christen geen dubbel leven kan leiden. Hij is dan een huichelaar en een gebonden mens. Uit de opdracht die Jacobus hier geeft, blijkt dat de christen zijn leven nauwkeurig moet onderzoeken en dat hij ook zelf, niet alleen de zonde moet afleggen, maar ook de machten van de duisternis door wie hij gebonden is, uit zijn innerlijk leven moet verdrijven. Wanneer Jezus zegt dat de gelovigen duivelen zullen uitwerpen, bedoelt Hij daar niet alleen mee dat zij anderen behulpzaam zullen zijn om hun harten te zuiveren, maar dat zij door de kracht van de inwonende Geest ook hun eigen leven zullen reinigen en vrijmaken van de vijand die hen bezet houdt.
9,10: ‘Besef uw ellendige staat en treur en huil. Laat uw lachen veranderd worden in treuren en uw blijdschap in droefheid. Verneder u voor de Heer en Hij zal u verhogen’.
Jacobus richt zich nogmaals tot de zondaars en tot de innerlijk verdeelden van hart onder de christenen. Zij moeten zich maar nergens op verheffen, maar allereerst besef hebben dat zij buiten de zegeningen en de genade van het Koninkrijk van God leven. Dit is geen reden tot blijdschap zoals ware christenen zelfs tijdens verdrukkingen mogen hebben (zie 1:2), maar een oorzaak om te treuren en te wenen. Misschien menen zulke mensen nog een aanleiding tot blijdschap in hun leer of kerk te bezitten, maar zij weten niet dat zij de ellendigen en treurenden en armen en blinden en naakten zijn (Op.3:17). Zij denken misschien een reden tot lachen te hebben, maar bij een beter inzicht zou hun het lachen vergaan en deze leugenachtige houding veranderen in rouw en verdriet. Wie Gods Geest bedroeft of dooft, bezit geen enkele grond tot optimisme.
Aan de ongehoorzame en dubbelhartige mensen, of zij nu arm zijn of rijk, wordt de raad gegeven zich te vernederen, dus zich te onderwerpen aan de Heer, dit wil zeggen alleen aan zijn woord en aan zijn inspraak. Wie zó handelt, nadert tot God en kan er zeker van zijn, dat Gods barmhartigheid en ontferming over hem komen en zijn liefde hem op een hoger plan zal brengen, want:
‘Wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden’ (Matth.23:12).




